Antwoordenboek. 3 e editie - PDF Gratis download (2022)

Transcriptie

1 Antwoordenboek 3 e editie 1 HAVO/VWO A1

2

3 Lysel Ebbinge Planchon Marie-Louise Elamri Laura Fontijne Els van Galen Heleen Jansen Simone Magnée Cara-Ella Schulte Nordholt-Bouwman Zosia Szwed eindredactie Lysel Ebbinge - Planchon Heleen Jansen Cahier d exercices Antwoordenboek 1 HAVO/VWO Malmberg, s-hertogenbosch Derde editie 1

4 Bij veel oefeningen staan symbolen. Hier zie je wat ze betekenen. Bij deze oefening hoort een luisterfragment. Bij deze oefening gebruik je een computer. Deze oefening doe je met z n tweeën. Deze oefening maak je met een groepje. Bij deze oefening hoort een filmpje. Dit is een extra oefening. Deze oefening hoort bij de ERK-beschrijving van de les. Bronvermelding Omslag: Studio Michelangela Omslagillustratie: Studio Michelangela Ontwerp: Malmberg uitgeverij b.v. Vormgeving: Studio Michelangela Illustraties: Studio Michelangela Omslagfotografie: Suzanne van de Kerk ISBN Derde druk, derde oplage Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16b Auteurswet 1912 j het Besluit van 20 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, St.b. 471, en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. Ondanks gedane inspanningen is het de uitgever wellicht niet gelukt alle rechthebbenden te achterhalen. Wie denkt rechthebbende te zijn, kan zich wenden tot de uitgever.

5 inhoud La rentrée 4 Chez moi 20 Ça bouge! 36 Top mode 52 Mon collège et moi 68 À table 84 Destination vacances 98 8 Ça me passionne! 116

6 Chapitre 1 La rentrée leçon 1 Salut! 1 ON COMMENCE Blader eerst eens door je livre de textes. Kijk daarna naar chapitre 1 op blz. 8 tot en met 23. Beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Hoeveel chapitres (hoofdstukken) heeft je livre de textes? Er zijn acht hoofdstukken. 2 Bij elk chapitre vind je Pages jaunes. Wat staat daarin? de woorden bij elke les en de grammatica van dat hoofdstuk 3 Wat staat er achter in je livre de textes? een grammaticaoverzicht, veelgebruikte uitdrukkingen, woordenlijst, enzovoort 4 Wat is de naam van chapitre 1? La rentrée 5 Wat zou de titel kunnen betekenen, denk je? het begin van het nieuwe schooljaar 6 Wat voor soort teksten zie je in leçon 1 op blz. 8 en 9 een identiteitskaart en een liedje TIP van je livre de textes? 2 DEVINEZ In een vreemde taal kom je altijd onbekende woorden tegen. Maar als ze lijken op woorden uit het Nederlands of het Engels, kun je die woorden toch begrijpen. TIP Bekijk het fiche d identité op blz. 8 van je livre de textes. Raad de betekenissen van de Franse woorden uit de tekst en noteer deze. Schrijf nog twee Franse woorden op, waarvan je de betekenis kunt raden. Frans Nederlands Frans Nederlands 1 identité identiteit 6 âge leeftijd 2 nom naam 7 la musique de muziek 3 nationalité nationaliteit 8 le rugby de rugby 4 française Frans 9 eigen antwoord eigen antwoord 5 prénom voornaam 10 eigen antwoord eigen antwoord 3 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees het fiche d identité en beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Wat is de voornaam van de jongen op de foto? Damien 2 En wat is zijn achternaam? Courtin 3 Welke nationaliteit heeft hij? de Franse nationaliteit 4 Hoe oud is hij? Hij is 14 (jaar). 4 COMBINEZ Le, la en l (voor een klinker) voor een zelfstandig naamwoord betekenen de of het (lidwoord) in het Nederlands. Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 la ville a de muziek 1 + d 2 le nom b de voornaam 2 + f 3 la musique c de opleiding 3 + a 4 le pays d de stad 4 + g 5 l âge e de leerling 5 + h 6 le prénom f de (achter)naam 6 + b 7 la formation g het land 7 + c 8 l élève h de leeftijd 8 + e 4 CHAPITRE 1

7 5 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees nog eens het fiche d identité. Onderstreep het goede antwoord. 1 Damien woont in Val de Marne / Serris. 2 Hij houdt wel / niet van rugby. 3 Zijn vader werkt / woont in Libourne. 6 COMPLÉTEZ Vul de ontbrekende Franse woorden op de identiteitskaart in. 1 prénom Damien 2 âge 14 ans 3 pays France 4 ville Serris 5 hobby la musique, le rugby 6 formation élève du collège Madeleine Renaud 7 ÉCOUTEZ, LISEZ ET RÉPONDEZ Luister naar het liedje. Lees mee op blz. 9 van je livre de textes en beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Waar gaat dit liedje over volgens jou? Kinderen vertellen elkaar hoe ze heten. 2 Hoe klinkt het liedje? vrolijk 3 Wie zingen het refrein? 4 Welke namen hoor je nog meer? Stéphane en Nicolas Louis, Julie, Damien, Romain 8 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister nog een keer naar het liedje zonder mee te lezen. Kruis de uitdrukkingen aan die je hoort. 1 Bonjour, ciao, bonsoir. 2 Je m appelle Louis. 3 Comment ça va? 4 C est mon père. 5 Moi, c est Romain. 6 Ça va, ça va très bien. 9 NOTEZ Noteer zoveel mogelijk Franse uitdrukkingen waarmee de zangers elkaar in het liedje groeten. salut, bonjour, à bientôt, au revoir, à plus tard, à demain, bonsoir 10 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 11 ON FINIT Luister nog een keer naar het liedje zonder mee te lezen. Onderstreep de woorden die je hoort. la musique / comment tu t appelles / élève à Paris / tiens, Louis / j e te présente / mon père Romain / j habite à Paris 5

8 61 leçon 2 La leçon de musique 1 ON COMMENCE Luister naar tekst 1 zonder mee te lezen. Onderstreep de voornamen die je hoort. Damien / Clarisse / Saïd / Bastien / Alain / Marine / Julie 2 ÉCOUTEZ ET COMBINEZ Luister naar de drie gesprekken van tekst 1. Combineer de inhoud met het gesprek. fragment 1 a Leerlingen praten met een leerling. 1 + b fragment 2 b Leerlingen begroeten elkaar. 2 + a fragment 3 c Leerlingen praten over een nieuwe leerling. 3 + c 3 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister nog een keer naar de drie gesprekken van tekst 1 en lees mee op blz. 10 van je livre de textes. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 Twee jongens begroeten elkaar. 2 Ze kennen elkaar nog niet. 3 Ze vragen aan elkaar hoe het gaat. 4 Ze zien een nieuwe docent. 5 Ze vragen hoe de nieuwkomer heet. 4 LISEZ ET COMBINEZ 6 Hij komt uit Parijs. 7 Julie weet hoe deze nieuwe leerling heet. 8 Haar vriendin vindt hem erg leuk. Combineer de Franse uitdrukkingen met de Nederlandse betekenissen. 1 Salut! a Heel goed, en met jou? 1 + c 2 Comment ça va? b Hoe heet jij? 2 + d 3 Très bien, et toi? c Hoi! 3 + a 4 Qui est-ce? d Hoe gaat het met je? 4 + g 5 Comment tu t appelles? e Ik heet 5 + b 6 Je m appelle f Ik ben 6 + e 7 Je suis g Wie is dat? 7 + f 5 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ 9 De eerste les dit schooljaar is geschiedenis. Kijk naar de afbeelding op blz. 10 en 11 van je livre de textes. Lees de volgende vragen. Luister dan naar tekst 2 en onderstreep het goede antwoord. 1 Waar vindt het gesprek plaats? in een studio / in een klas 2 Wat vraagt de leraar eerst? wie ze zijn / of ze er allemaal zijn 3 Wat telt de docent? de leerlingen / de instrumenten 6 CHAPITRE 1

9 6 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Lees eerst de vragen. Luister vervolgens naar tekst 2 en beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Wat is de voornaam van de leraar? André 2 Welk vak geeft hij? muziek 3 Welke leerling zegt als eerste hoe hij heet? Damien 4 Hoe heten de twee meisjes? Clarisse en Julie 5 Tot hoever telt de leraar? tot 13 6 Wat zijn flûtes à bec? blokfluiten 7 Welke andere instrumenten zijn er? twee gitaren, een triangel, een piano, een drumstel, twee trompetten 8 Hoeveel instrumenten zijn er in totaal? 20 7 ÉCOUTEZ ET REMPLISSEZ Luister nogmaals naar tekst 2 en vul de woorden op de goede plaats in. Kies uit: je m appelle je suis vous merci c est monsieur nous 1 Monsieur La Note Bon, vous êtes tous présents? Moi, mon nom c est André La Note. Je suis le professeur de musique. Et maintenant, c est à vous. Toi... oui, toi, ton nom s il te plaît! 2 Damien Eh bien, je m appelle Damien Courtin. 3 Monsieur La Note Merci, Damien. Et vous, vous êtes? 4 Clarisse et Julie Nous, nous sommes Clarisse Dumas et Julie Darty. 5 Monsieur La Note Merci,, Clarisse et Julie. 6 Monsieur La Note Et ça, c est quoi? 7 Julie C est une guitare, monsieur. 8 COMBINEZ Combineer de vragen met de juiste antwoorden. 1 Qui est-ce? a Non, moi je suis Anglaise. 1 + e 2 Vous êtes? b Je m appelle Damien. 2 + d 3 Et ça? C est quoi? c Très bien. 3 + f 4 Comment tu t appelles? d Nous sommes Clarisse et Julie. 4 + b 5 Comment ça va? e C est monsieur La Note. 5 + c 6 Tu es Hollandaise? f C est une guitare. 6 + a 9 REGARDEZ ET COCHEZ Lees eerst de vragen. Kijk dan naar het filmpje zonder te luisteren. Gebruik zo nodig de pauzeknop. Kruis aan of de zinnen vrai (waar) of faux (niet waar) zijn. 1 Er wordt gefilmd vanuit een auto. 2 Op de richtingwijzer staat Libourne 16 km. 3 De auto stopt voor een winkelcentrum. 4 De verslaggever spreekt een meisje aan. 5 Twee jongens komen erbij staan. 6 Andere leerlingen kijken naar het groepje. 7 De leerlingen nemen afscheid en lopen weg. 8 De verslaggever stapt weer in de auto. Vrai Faux 7

10 10 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET COMBINEZ Kijk en luister naar het filmpje. Combineer de namen met de juiste Franse omschrijvingen. 1 Tiphanie est a le nouveau prof de musique. 1 + d 2 Romain est b le nouveau prof de français. 2 + c 3 Jean Martinet est... c un garçon du collège. 3 + e 4 Monsieur La Note est d une fille du collège. 4 + a 5 Marguerite Duras est e le journaliste. 5 + f 6 Monsieur Linard est f le nom de l école. 6 + b 11 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Lees de zinnen. Kijk en luister voor de tweede keer naar het filmpje. Gebruik zo nodig de pauzeknop. Onderstreep de goede antwoorden. 1 De datum van vandaag is 3 september / 4 september. 2 De auto is op weg naar Libourne om docenten / leerlingen te interviewen. 3 De verslaggever en het meisje begroeten elkaar met Bonjour / Salut. 4 Hij vraagt hoe ze de eerste schooldag / haar klasgenoten vond. 5 Zij geeft meteen antwoord / begroet eerst een jongen. 6 De jongen vindt het erg fijn / vervelend dat de school weer begonnen is. 7 De verslaggever legt uit wat hij doet en stuurt de jongen weg / stelt de jongen ook vragen. 8 Het meisje vond de eerste schooldag erg leuk / niet leuk. 9 Ze zit in een leuke klas met twee / drie van haar vriendinnen. 10 De jongen is een beetje / helemaal niet gestrest na de vakantie. 11 Het meisje zegt dat de school ouderwets en ongezellig / modern en leuk is. 12 De verslaggever zegt in de camera / tegen de leerlingen dat de eerste schooldag voorbij is. 12 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 13 ON FINIT Luister naar tekst 2 en kruis de zinnen aan die je hoort. 1 Je suis le professeur de français. 2 Eh bien, je m appelle Damien Courtin. 3 Nous, nous sommes Clarisse Dumas et Julie Darty. 4 Montrez-moi les instruments de musique et je compte... 5 Quatre flûtes à bec. 6 Bon, il y a seize instruments. 7 Salut monsieur. 8 Silence, s il vous plaît! 8 CHAPITRE 1

11 61 leçon 3 En classe 1 ON COMMENCE Kijk naar de titel en de afbeeldingen op blz. 12 en 13 van je livre de textes. Beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Wat betekent de titel van deze les? in de klas 2 Welke dag is het? de eerste dag na de vakantie op school 3 Hoe heet deze dag in Frankrijk? la rentrée 4 Wat zie je op de afbeeldingen? een school(gebouw), een muzieklokaal en leerlingen 2 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees tekst 1 op blz. 12 van je livre de textes. Onderstreep de goede zin. 1 Het is vrijdag 4 september. / Het is maandag 4 september. 2 De leerlingen staan op het schoolplein voor de school. / De leerlingen staan op het schoolplein achter de school. 3 Clarisse is het buurmeisje van Damien. / Clarisse is een vriendin van Damien. 4 Alain Delors komt uit Parijs. / Alain Delors woont in Parijs. 5 Alain is een vriend van Damien. / Alain is nieuw op school. 6 De surveillant zegt: Kom binnen. / De leraar zegt: Kom binnen. 3 LISEZ ET COCHEZ Lees nog een keer tekst 1. Kruis aan of de zinnen vrai (waar) of faux (niet waar) zijn. Vrai Faux 1 Het is vlak voor de vakantie. 2 De school staat in Serris. 3 De bel gaat om acht uur. 4 De schooldag eindigt. 4 CHERCHEZ ET REMPLISSEZ Lees opnieuw tekst 1 en vul de ontbrekende woorden in. Kies uit: bande copain Alain voisine 1 Damien est le copain de Saïd. 2 Clarisse est la voisine de Damien. 3 Le nouveau garçon est Alain. 4 Saïd, Damien, Julie, Clarisse et Olivier, c est la bande du collège. 5 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 2 op blz. 13 van je livre de textes. Maak de zinnen af. 1 Het gesprek speelt zich af in het muzieklokaal. 2 De naam van de muziekleraar is monsieur/andréla Note. 3 De leraar begint de les met het controleren van de aanwezigheid van de leerlingen. 4 Als de leerlingen aanwezig zijn, zeggen ze: présent of présente. 5 De school waar Alain vandaan komt, staat in Parijs. 6 Romain is niet op school omdat hij nog op vakantie is. 6 RÉPONDEZ Bij opdracht 5, vraag 4, heb je twee antwoorden ingevuld. Waarom zijn deze twee woorden verschillend? Présent wordt gebruikt door jongens en présente door meisjes. 9

12 7 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 2 op blz. 13 van je livre de textes. Kruis de goede betekenis van de zin aan. 1 Les élèves sont dans la cour. De leerlingen zitten in het lokaal. De leerlingen zijn op het schoolplein. 2 Bonjour et bienvenue! Goedendag en welkom. Goedendag en ga zitten. 3 Le prof principal et le prof de musique. De directeur en de muziekleraar. De mentor en de muziekleraar. 4 Tu es nouveau, n est-ce pas? Zij is nieuw, nietwaar? Jij bent nieuw, nietwaar? 5 Je viens du collège Beauséjour. Ik kom van het Beauséjour college. 8 COMBINEZ Ik zit op het Beauséjour college. Kijk op blz. 13 van je livre de textes bij en classe. Combineer de Franse uitdrukkingen met de Nederlandse betekenissen. 1 On commence! A Luister! 1 + C 2 Écoutez! B Pak jullie boeken! 2 + A 3 Silence! C We beginnen! 3 + D 4 Prenez vos livres! D Stilte! 4 + B 9 COMBINEZ Zoek in de twee teksten op blz. 12 en 13 van je livre de textes. Combineer de Franse woorden met de Nederlandse. 1 je suis a aanwezig 1 + b 2 et maintenant b ik ben 2 + h 3 vous répondez c snel, snel 3 + g 4 encore d de bel gaat 4 + f 5 présent e aan het werk 5 + a 6 on sonne f nog 6 + d 7 vite, vite g jullie antwoorden 7 + c 8 au travail h en nu 8 + e 10 REMPLISSEZ Vul de goede vorm in van het werkwoord être (zijn). Je vindt de zinnen in tekst 2. 1 Je suis monsieur La Note. 2 Maintenant, c est à vous. 3 Où est Romain? 4 Ah, il est encore en vacances! 11 CHERCHEZ ET REMPLISSEZ Lees de teksten 1 en 2 in je livre de textes. Noteer de Nederlandse betekenissen van de vetgedrukte Franse voorzetsels. 1 devant l école voor de school 2 dans la salle de musique in het muzieklokaal 3 de Paris uit Parijs 4 en vacances op vakantie 10 CHAPITRE 1

13 12 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees de zin en onderstreep het goede antwoord. 1 Bonjour mes enfants. Salut monsieur. / Bonjour monsieur. / Au revoir monsieur. 2 Comment tu t appelles? J ai treize ans. / J habite à Amsterdam. / Je m appelle Julie. 3 Tu habites où? Tu habites à Amsterdam. / J habite à Amsterdam. / Il habite à Amsterdam 4 Ça va? Oui, c est bien! / Oui, salut! / Oui, ça va bien. 13 METTEZ DANS LE BON ORDRE Zet de woorden van de zinnen in de goede volgorde. Lees daarna de zinnen om en om aan elkaar voor. 1 de l école. sont dans Les élèves cour la Les élèves sont dans la cour de l école. 2 garçon. la salle de musique, il y a un Devant Devant la salle de musique, il y a un garçon. 3 heures. On il neuf est sonne, On sonne, il est neuf heures. 4 n est-ce pas? Tu nouveau, es Tu es nouveau, n est-ce pas? 5 du collège Je Beauséjour. viens Je viens du collège Beauséjour. 6 mes bienvenue! Bonjour enfants et Bonjour mes enfants et bienvenue! 14 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 15 REMPLISSEZ ET COMPTEZ [W] Oefen met de getallen tot twintig. Maak eerst de getallenreeksen af. Lees dan de getallen in het Frans voor aan een klasgenoot. Wissel van rol. 1 Un, deux, trois, quatre, cinq, six, sept, huit, neuf, dix, onze, douze, treize, quatorze, quinze, seize, dix-sept, dix-huit, dix-neuf, vingt. 2 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18, , 6, 9, 12, 15, ON FINIT Voer het gesprek in het Frans met een klasgenoot. De één stelt vragen, de ander geeft antwoord. Wissel van rol. Oefen tot jullie het gesprek uit je hoofd kennen. 1 Bonjour. 2 Groet terug. Bonjour. 3 Ça va? 4 Zeg dat het goed gaat. Ça va bien. 5 Tu habites ici? 6 Zeg waar je woont. En vraag: en jij? J habite à. Et toi? 7 J habite à Paris. Tu t appelles comment? 8 Zeg je naam. En vraag hoe hij/zij heet. Je m appelle. Et toi? 9 Je m appelle Jean/Jeannette. Tu as quel âge? 10 Zeg je leeftijd. J ai douze/treize/quatorze ans. 11 Moi aussi. Au revoir. 12 Groet terug. Au revoir/salut/à plus tard. 11

14 61 leçon 4 Je suis de Serris 1 ON COMMENCE Lees de titel en kijk naar de afbeeldingen op blz. 14 et 15 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat is de titel van de les? Je suis de Serris. 2 Wat betekent de titel? Ik kom uit Serris. 2 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 en 2 op blz. 14 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat voor soort teksten zijn dit? ansichtkaarten 2 Met welke Franse groet begint de eerste tekst? Noteer ook de betekenis. Bonjour. Goedendag. 3 Met welke Franse groet begint de tweede tekst? Noteer ook de betekenis. Salut. Hoi. 4 Met welke Franse groet eindigen beide teksten? Noteer ook de betekenis. Au revoir. Tot ziens. 3 CHOISISSEZ ET REMPLISSEZ Vul in. Kies Bonjour of Salut. 1 Bonjour monsieur La Note. 2 Salut Alain! 3 Salut Marieke! 4 Bonjour madame. 4 LISEZ ET COCHEZ Kijk in tekst 1 en 2. Bij wie horen de gegevens? Kruis de juiste naam aan. Alain Marieke 1 Franse nationaliteit 2 Nederlandse nationaliteit 3 13 jaar 4 14 jaar 5 heeft een Engels buurmeisje 6 gaat naar het Collège Madeleine Renaud 5 COMBINEZ Combineer de Franse met de Nederlandse woorden. 1 treize filles a twee leraren 1 + f 2 trois garçons b één buurmeisje 2 + c 3 j ai douze ans c drie jongens 3 + e 4 nous avons quinze ans d negen leerlingen 4 + g 5 neuf élèves e ik ben twaalf jaar 5 + d 6 deux professeurs f dertien meisjes 6 + a 7 une voisine g wij zijn vijftien jaar 7 + b 6 NOTEZ ET PARLEZ Schrijf de getallen eerst voluit in het Frans. Oefen ze daarna hardop met een klasgenoot. Wissel ook van rol vingt treize zéro un zéro trois onze zéro quatre quinze quatorze douze dix-huit zéro neuf zéro sept 12 CHAPITRE 1

15 7 PUZZLE Vul de Franse telwoorden in de puzzel in. Je vindt de woorden in tekst 3 op blz. 15 van je livre de textes. Luister na afloop naar de getallen 1 tot en met 20. M D O U Z E 12 S I X 6 T R O I S 3 Q U A T O R Z E 14 H U I T 8 Q U I N Z E 15 8 PHOTOGUIDE Bekijk de foto s van de photoguide op blz. 15 van je livre de textes. Noteer wat je op de foto s ziet. 1 Foto A een reclamebord 2 Foto B een verkeersbord 3 Foto C een school 9 COMBINEZ Combineer de onderstreepte zinsdelen met de juiste Nederlandse betekenissen. 1 Je suis un garçon. a zij is 1 + c 2 Ils sont sympas. b wij zijn 2 + g 3 Tu es Hollandais? c ik ben 3 + e 4 Il est de Serris. d bent u 4 + f 5 Vous êtes monsieur La Note? e ben jij 5 + d 6 Elle est Anglaise. f hij is 6 + a 7 Nous sommes Français. g zij zijn 7 + b 10 REMPLISSEZ ET NOTEZ Vul de goede vorm in van het werkwoord être ( zijn). Noteer de betekenis van de zin. 1 Nous sommes sympas. Wij zijn aardig. 2 Il est le professeur de musique. Hij is de muziekleraar. 3 Vous êtes Hollandais? Zijn jullie Nederlands? 4 Elle est Anglaise. Zij is Engelse. 5 Tu es à Serris? Ben jij in Serris? 6 Bonjour, je suis monsieur La Note. Goedendag, ik ben meneer La Note. 7 Ils sont Français. Zij zijn Fransen. 11 COMPLÉTEZ Volg het voorbeeld en vul het schema in. Exemple: un père een vader le père de vader 1 un garçon een jongen le garçon de jongen 2 une cour een schoolplein la cour het schoolplein 3 un pays een land le pays het land 4 un nom een naam le nom de naam 5 une carte een kaart la carte de kaart 6 une classe een klas la classe de kl a s 13

16 12 LOTO Vul het schema in met negen getallen tussen de 0 en de 20. De docent(e) noemt de getallen. Als je al je getallen hebt weggestreept, roep je LOTO! 13 COMPTEZ Jullie gaan in het Frans tellen van 0 tot en met 20. Iedereen noemt om de beurt één getal. Als je een getal hebt genoemd, mag je niets meer zeggen. Als twee leerlingen tegelijk een getal noemen, beginnen jullie opnieuw. Begin te tellen vanaf ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 15 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek de Franse zinnen in tekst 1 en 2. Noteer deze. 1 Ik ben een jongen. 2 Ik ben veertien jaar. Je suis un garçon J ai quatorze ans. 3 Ik kom uit Parijs Je suis de Paris. 4 De leerlingen zijn aardig. Les élèves sont sympas. 5 En jij, ben jij Nederlander? Et toi, tu es Hollandais? 6 Ik ben een meisje. Je suis une fille. 7 Wij wonen in Breda. Nous habitons à Breda. 8 Dank je voor de kaart. Merci pour la carte. 16 ON FINIT Schrijf een kaart in het Frans aan een correspondentievriend(in). Maak hele zinnen. Zet de volgende gegevens op je ansichtkaart: een aanhef je naam je leeftijd je woonplaats je nationaliteit een afsluiting Bewaar de kaart in je taalportfolio. 14 CHAPITRE 1

17 16 leçon 5 Ça va, Julie? 1 ON COMMENCE Kijk naar de afbeelding op blz. 16 en 17 van je livre de textes. Luister naar de drie gesprekken en lees mee. Beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Wie praten er met elkaar in tekst 1? Julie en Clarisse 2 Kennen zij elkaar? Nee. Ze stellen zich voor. 3 Waar praten ze over in tekst 2? lerares, Saïd 4 Wie begroeten ze? mevrouw Lecours, lerares Frans 5 Waar praten ze over in tekst 3? Leeftijden 2 ÉCOUTEZ ET REMPLISSEZ Luister nogmaals naar de drie gesprekken en vul de gegevens in. 1 Julie en Clarisse wonen in Serris. 2 Mevrouw Lecours geeft het vak Frans. 3 Clarisse is 14 jaar. 3 ÉCOUTEZ ET NOTEZ Luister naar de teksten. Noteer de uitdrukkingen in het Frans. Tekst 1 1 Hoi. Salut. 2 En jij? Ik ook. Et toi? Moi aussi. Tekst 2 3 Het is de lerares Frans. C est la prof de français. 4 Dag mevrouw! Bonjour, madame! 5 Het is Saïd, een vriend. C est Saïd, un copain. Tekst 3 6 Snel naar de klas! Vite en classe! 7 Tot straks! À bientôt! 8 Tot gauw! À plus! 4 COMBINEZ ET PARLEZ 4 Julie is 14 jaar. 5 Saïd is een vriend van Damien. Hij is aardig. Combineer de vragen met de juiste antwoorden. Oefen ze daarna met je klasgenoot. Wissel van rol. Questions (vragen) Réponses (antwoorden) 1 Tu t appelles comment? a C est un copain. 1 + d 2 Ça va? b Non, je suis de Serris. 2 + c 3 Qui est-ce? c Oui, ça va. 3 + a 4 Vivianne est Hollandaise? d Je m appelle Julie. 4 + f 5 Tu as quel âge? e Ça va bien, merci. 5 + g 6 Tu es de Paris? f Non, elle est Française. 6 + b 7 Comment allez-vous? g J ai quinze ans. 7 + e 5 PHOTODICO Kijk naar de photodico op blz. 17 van je livre de textes. Lees de zinnen en vul de nationaliteiten in. 1 Saïd habite au Maroc. Il est Marocain. 2 Jill est de Londres. Elle est Anglaise. 3 Patrick habite à Lyon. Il est Français. 4 Sabine est d Utrecht. Elle est Hollandaise. 5 Dieter habite à Berlin. Il est Allemand. 6 Tintin est un héros de bandes dessinées. Il est Belge. 15

18 6 COMMENT DIT-ON? Hoe zeg je deze zinnen in het Frans? 1 Wie is dat? Qui est-ce? 2 Het is meneer Dupont. C est monsieur Dupont. 3 Hoe gaat het met je? Comment vas-tu? 4 Het gaat wel. Ça va. 7 PARLEZ FRANÇAIS Voer het gesprek met een klasgenoot in het Frans. Je komt een Franse jongen / Frans meisje tegen. Stel elkaar vragen en geef antwoord in het Frans. Maak hele zinnen. Wissel na het gesprek van rol. 1 Salut. Tu t appelles comment? 2 Groet terug en geef antwoord. Vraag hoe hij/zij heet. Salut. Je m appelle. Comment tu t appelles? 3 Je m appelle Dominique. Ça va? 4 Zeg dat het goed gaat en bedank. Ça va (bien), merci. 5 Tu es de Paris? 6 Zeg dat je uit komt. Non, je suis de. 7 Ah, tu es Hollandais(e)! 8 Antwoord bevestigend. Vraag of hij/zij uit Parijs komt. Oui, je suis Hollandais(e). Tu es de Paris? 9 Non, je suis de Serris. Tu parles bien français! 10 Bedank. Merci. 8 PARLEZ Speel het gesprek tussen Fouad en Margot met een klasgenoot. Verdeel de rollen. Stel elkaar vragen en geef antwoord in het Frans. Wissel na het gesprek van rol. Fouad Marokkaan Rabat 16 jaar 1 Groet. Vraag haar naam. Salut. Comment tu t appelles? 3 Zeg ook hoe je heet. Vraag hoe het gaat. Je m appelle Fouad. Ça va? Margot Belgische Brussel 13 jaar 2 Groet terug. Zeg hoe je heet. Vraag ook zijn naam. Salut. Je m appelle Margot. Comment tu t appelles? 4 Zeg dat het (wel) goed gaat. Vraag of hij uit Parijs komt. Ça va (bien) / Pas mal. Tu es de Paris? 5 Antwoord waar je vandaan komt. Stel haar dezelfde vraag. Non, je suis de Rabat. Tu es de Paris? 6 Antwoord dat je uit Brussel (Bruxelles) komt. Vraag naar zijn nationaliteit. Non, je suis de Bruxelles. Tu es Marocain? 7 Vertel je nationaliteit. Vraag of zij Belgische is. Oui, je suis Marocain. Tu es Belge? 9 Zeg je leeftijd. Vraag ook naar haar leeftijd. J ai seize ans. Tu as quel âge? 8 Antwoord bevestigend (met een zin). Vraag naar zijn leeftijd. Oui, je suis Belge. Tu as quel âge? 10 Vertel ook hoe oud je bent. J ai treize ans. 9 ÉCOUTEZ ET RÉPÉTEZ Luister naar de letters van het alfabet en spreek ze na. Doe dit drie keer. 16 CHAPITRE 1

19 10 ÉCOUTEZ ET ÉCRIVEZ Noteer de woorden die worden gespeld. 1 Clarisse 2 sympa 3 Julie 4 regarde 5 Xavier 6 hotdog 11 ÉPELEZ Werk samen met een klasgenoot. Spel de voor- en achternaam van iemand die je klasgenoot níét kent. Je klasgenoot schrijft de naam op terwijl je spelt. Wissel daarna van rol. eigen antwoord 12 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Lees de uitspraakregels voor ou, oi en ch op blz. 17 van je livre de textes. Luister naar de woorden. Spreek ze hardop na. 1 douze bonjour rouge Toulouse 2 croissant trottoir voilà au revoir 3 chef douche parachute changer 13 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de expressions van deze les en naar het alfabet in de Pages Jaunes. Spreek ze na en leer ze. 14 PARLEZ Voer een gesprek in het Frans met een klasgenoot. Je bent op vakantie in Frankrijk. Je komt een leuke Engelse jongen / leuk Engels meisje tegen. Maak hele zinnen. Wissel na het gesprek van rol. Leer de zinnen van beide rollen uit je hoofd. ROL A 1 Groet. Bonjour/Salut. 2 Groet terug. Bonjour/Salut. 3 Vraag hoe hij/zij heet. Comment tu t appelles? 4 Patrick/Rose. Je m appelle Patrick/Rose. ROL B 5 Vraag hoe het gaat. Ça va? 6 Het gaat goed. Ça va (bien). 7 Vraag waar hij/zij woont. Tu habites où? 8 Cambridge. J habite à Cambridge 9 Vraag of hij/zij Engels is. Tu es Anglais(e)? 10 Ja. Oui, je suis Anglais(e). 11 Vraag naar zijn/haar leeftijd. Tu as quel âge? jaar. J ai 17 ans. 13 Vraag wie dat is. Qui est-ce? 14 Het is Kevin, een vriend. C est Kevin, un copain. 15 Neem afscheid. Au revoir. / À bientôt. 16 Zeg: tot gauw! À bientôt! 15 ON FINIT Werk samen met een klasgenoot. Stel elkaar de vragen van opdracht 14, maar geef antwoord met je eigen gegevens. 17

20 61 leçon 6 Voilà la France 1 ON COMMENCE Lees de titel van deze les en de titels van de vier tekstjes op blz. 18 en 19 van je livre de textes. Combineer de Franse titels met de Nederlandse vertalingen. 1 Tu connais la France? d Frankrijk is geweldig. 1 + b 2 Je suis ici. a Dat is Frankrijk. 2 + c 3 Mais où est Serris? c Ik ben hier. 3 + e 4 La France, c est super. b Ken je Frankrijk? 4 + d 5 Voilà la France. e Maar waar ligt (is) Serris? 5 + a 2 COMPLÉTEZ Lees tekst 1 en bekijk de foto s op blz. 18 van je livre de textes. Vul de zinnen in het Nederlands aan. 1 Parijs is de hoofstad van Frankrijk 2 Foto A is een foto van de Arc de Triomphe. 3 Dat monument vind je aan de (avenue des) Champs-Élysées. 4 Op foto B zie je de Franse vlag. 5 Op foto D zie je een stokbrood. 6 Bij foto E wordt gevraagd: Ken je een Franse kaas? 7 Bij foto F wordt aangeraden: Ga naar Frankrijk (met de trein / de Thalys)! 3 COMMENT DIT-ON? Lees tekst 1 nog eens goed door. Hoe zeg je deze zinnen in het Frans? 1 De hoofdstad van Frankrijk. La capitale de la France. 2 De vlag van Frankrijk. Le drapeau de la France. 3 Ken je een Franse kaas? Tu connais un fromage français? 4 Ga naar Frankrijk! Va en France! 4 RÉPONDEZ Bekijk de ansichtkaart bij tekst 2 op blz. 18 van je livre de textes. Beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Welke plaats noemt Claire op de ansichtkaart? Trébeurden 2 In welke regio ligt dat? in Bretagne 3 Naar wie is de kaart verstuurd? naar Francis Lejeune 4 In welke plaats woont hij/zij? in Serris 5 En wie is de afzender? Claire 6 Noem drie dingen die hij/zij vertelt. Ik ben in Bretagne. Dat is ver van Serris. Zeven uur rijden. Trébeurden is mooi. Het ligt aan zee. 7 Wanneer zien de twee elkaar terug? over tien dagen / bij het begin van het schooljaar 5 COMPLÉTEZ Francis stuurt Claire een mail terug. Vul in zijn mail de ontbrekende woorden in het Frans in. Kies uit: dag/hallo de kaart het gaat ben dat is geweldig tot ziens Salut Claire, Merci de la carte de Trébeurden. Moi, ça va bien. Je suis à Serris avec Damien. Demain, on va à Eurodisney. C est super! Bonnes vacances encore. Au revoir. Francis. 18 CHAPITRE 1

21 6 CHOISISSEZ, NOTEZ ET PARLEZ Bekijk de kaart van Frankrijk bij tekst 4 op blz. 19 van je livre de textes. Vul het schema in. Kies en noteer een paar Franse regio s, buurlanden en zeeën. Lees met een klasgenoot om beurten de namen voor. Régions Pays voisins Mers/Océans Bretagne Belgique Manche Bourgogne Luxembourg Océan Atlantique Provence Allemagne Mer Méditerranée Centre Suisse Aquitaine Italie Limousin Espagne 7 REMPLISSEZ ET PARLEZ Vul eerst de goede vorm van het werkwoord être (zijn) in. Oefen daarna de vragen en antwoorden hardop met een klasgenoot. Bedenk tot slot zelf nog één vraag en antwoord. Vul deze op de onderste regel in. Wissel van rol. Questions (vragen) Réponses (antwoorden ) 1 Tu es où? 2 Je suis ici. 3 Vous êtes à Paris? 4 Non, nous sommes à Serris. 5 Les Français sont sportifs? 6 Oui, ils sont très sportifs. 7 Anna est Française? 8 Non, elle est Hollandaise. 9 Francis est Français? 10 Oui, il est Français. 11 eigen antwoord 12 eigen antwoord 8 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees Info France. Beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Welke rivier stroomt door Parijs? de Seine 2 Hoe heet het eiland waarop Parijs is ontstaan? Île de la Cité 3 Bij welke plaats ligt Disneyland? Marne-la-Vallée 4 Waar vind je Serris? in Val d Europe, (een deel van Marne-la-Vallée) / ten oosten van Parijs 9 REGARDEZ ET NOTEZ Bekijk nog eens de kaart van Frankrijk op blz. 19 van je livre de textes. Schrijf vijf namen op van Franse regio s die je in opdracht 6 nog niet hebt genoemd. Bijvoorbeeld: Basse-Normandie, Haute-Normandie, Pas-de-Calais, Pays de la Loire, Picardie, Franche-Comté, Rhône-Alpes, Auvergne, Languedoc- Roussillon, Midi-Pyrénées, enzovoort. 10 ON FINIT Teken op een apart blad een kaart van Frankrijk met de namen van bekende steden en de drie belangrijkste rivieren. Gebruik de gegevens van de kaart op blz. 19 van je livre de textes. Bewaar het blad in je taalportfolio. 19

22 Chapitre 2 Chez moi leçon 1 Dans ma rue 1 ON COMMENCE Bekijk blz. 24 en 25 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Hoe heet dit hoofdstuk? Chez moi 2 Wat is de titel van deze leçon? En wat betekent dat? Dans ma rue. In mijn straat. 3 Wat voor soort teksten zie je in leçon 1? een identiteitskaart en een liedje 2 COMPLÉTEZ Lees het fiche d itentité op blz. 24. Vul de zinnen aan. 1 De voornaam van het meisje op de foto is Clarisse. 2 Haar achternaam is Dumas. 3 Haar leeftijd is 14 jaar. 4 Haar nationaliteit is Frans. 5 Ze woont in de plaats Serris. 6 Ze is leerling op het Madeleine Renaud college. 3 COMBINEZ Combineer de Franse met de Nederlandse woorden. 1 l identité a de voornaam 1 + e 2 le pays b de opleiding 2 + g 3 le prénom c de achternaam 3 + a 4 le domicile actuel d de geboorteplaats 4 + f 5 la particularité e de identiteit 5 + h 6 la formation f de huidige woonplaats 6 + b 7 le nom g het land 7 + c 8 le lieu de naissance h de bijzonderheid 8 + d 4 RÉPONDEZ Lees de tekst nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 Waar is Clarisse geboren? in Libourne 2 Wie is haar buurjongen? Damien 3 Wat zijn haar hobby s? zingen en dansen 4 Wat lees je verder nog over haar? Ze houdt van dieren en ze heeft een schildpad. 5 REMPLISSEZ Vul het goede onbepaald lidwoord in. Kies uit: un, of une. 1 une fille 6 un nom 2 un pays 7 une voisine 3 une école 8 un âge 4 un hobby 9 une tortue 5 un lieu 10 une rue 20 CHAPITRE 2

23 TIP 6 COMMENT DIT-ON? Hoe zeg je deze zinnen in het Frans? 1 Clarisse is een meisje. Clarisse est une fille. 2 Ze is Française. Elle est Française. 3 Ze is veertien jaar. Elle a quatorze ans. 4 Hoe oud ben jij? Tu as quel âge? 5 Wie is dat? Qui est-ce? 6 Dat is Damien. C est Damien. 7 PARLEZ Clarisse komt Damien tegen. Voer met een klasgenoot het gesprek tussen Clarisse en Damien in het Frans. Wissel van rol. Sluit daarna je boek en voer met een klasgenoot eenzelfde soort gesprek. Bedenk er nog vragen en antwoorden bij. Clarisse Damien 1 Bonjour, ça va? 2 Hallo! Ja, het gaat goed. Salut! Oui, ça va bien. 3 Je suis ta voisine. Je m appelle Clarisse, Et toi? 4 Ik heet Damien. Je m appelle Damien. 5 Tu as quel âge, Damien? 6 Ik ben veertien jaar. J ai quatorze ans. 7 Moi aussi, j ai quatorze ans. Au revoir, Damien. 8 Tot gauw, Clarisse! À bientôt, Clarisse! 8 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar het liedje. Onderstreep het juiste antwoord. 1 De muziek is droevig / vrolijk / sportief. 2 Je hoort een zanger / zangeres / een koor. 3 Je hoort wel / geen muziekinstrumenten. 4 De eerste woorden van elk couplet zijn: dans la rue / dans ma rue. 9 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Gebruik de woorden in de Pages jaunes bij dit hoofdstuk, of anders de woordenlijst. Lees eerst de zinnen hieronder. Luister nog een keer naar het chanson en lees mee. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 Dit liedje beschrijft een straat. 2 Er staan grote en kleine huizen. 3 Er rijden auto s en bussen. 4 Er lopen alleen mensen op straat. 5 Er zijn allerlei winkels. 6 Er staat ook een school. 7 De straat is zo groot dat je niemand kent. 8 Het is een fijne straat. 10 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 11 ON FINIT Luister naar het liedje zonder naar de tekst te kijken. Onderstreep de woorden die je hoort. maisons / appartements / béton / comment / passants / chats / chiens / magasins / boulangerie / demain / pain / j asmin / élève / classe / école / copain / fin / jardin 21

24 62 leçon 2 Voilà ma chambre 1 ON COMMENCE Bekijk de slaapkamer van Clarisse op blz. 26 en 27 van je livre de textes. Schrijf in het Frans zes dingen op die je in jouw kamer hebt. Gebruik een Nederlands-Frans woordenboek. eigen antwoorden eigen antwoorden eigen antwoorden 2 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ eigen antwoorden eigen antwoorden eigen antwoorden Luister naar tekst 1 tot en met Ces gens là. Onderstreep het woord dat je hoort. 1 Salut / bonjour Julie, comment ça va? 2 Ça va bien, et toi? / merci. 3 Qu est-ce que tu fais / écoutes? 4 J écoute du pop / rap français. 5 C es t / Ce sont quel groupe? 3 ÉCOUTEZ ET COCHEZ 6 C est la bande / le groupe du chanteurabdel Malik. 7 Le groupe d Ali Technique / de Malik Techno? 8 Non, non, le groupe d Abdel Malik. Écoute / Regarde! 9 Ah! Abd Al Malik. Il chante super cool / bien. 10 J aime beaucoup sa chanson / son rap Ces gens-là Luister opnieuw naar tekst 1 en lees mee op blz. 26 van je livre de textes. Kruis aan: vrai of faux. 1 Clarisse vraagt wat Julie aan het doen is. 2 Ze luistert naar popmuziek. 3 Abd Al Malik is een rapper. 4 Een van de liedjes die Abd Al Malik zingt is Ces gens-ci. 4 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Vrai Faux Vrai Faux 5 Julie zegt dat Clarisse bij haar in de klas zit. 6 Clarisse vraagt waar Julie woont. 7 Dicht bij hun school is een supermarkt. 8 Clarisse woont in de rue du Quatorze Juillet. 9 Clarisse vindt haar ouders cool. Luister naar tekst 2. Beantwoord de vragen. 1 Welke personen hoor je praten? Julie en Clarisse 2 Waar zijn zij? in de kamer van Clarisse 3 Waarover praten zij? Noteer drie dingen. posters, kleur kamer, huisdier, computer, ipad, Damien 5 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 2 tot en met Et j aime beaucoup les tortues. Onderstreep het woord dat je hoort. 1 Julie Alors, voilà / voici ta chambre. Elle est jolie / grande, avec les posters! 2 Clarisse Oui, tu es / je suis fan d Abd Al Malik. Il rappe bien. 3 Julie La chambre est grande. C est sympa, le mauve / noir sur le mur. 4 Clarisse Oui, j adore / aime les couleurs pop, le rose, le violet, l orange et le vert. 5 Julie Et ça, sous / sur le lit, qu est-ce que c est? 6 Clarisse C est Zoé! C est la chatte / tortue. 7 Julie Pourquoi une tortue? 8 Clarisse J aime les animaux exotiques. Et j aime beaucoup / un peu les tortues. 22 CHAPITRE 2

25 6 ÉCOUTEZ Luister nu naar de hele tekst 2. Kruis vrai of faux aan. Vrai Faux 1 Julie vindt de posters niet leuk. 2 Clarisse is fan van een rapper. 3 Julie vindt de kamer groot. 4 Clarisse houdt vooral van zwart en wit. 5 Onder het bed zit een kat. 6 Clarisse houdt van exotische dieren. 7 De ipad op het bureau is van de moeder van Clarisse. 8 Clarisse zingt in de groep van Damien. 7 COMBINEZ Combineer de Franse met de Nederlandse woorden. 1 mauve a een computer 1 + j 2 sympa b een schildpad 2 + g 3 orange c ik ben gek op 3 + i 4 sous d jij maakt een grapje 4 + f 5 une tortue e achter 5 + b 6 un ordinateur f onder 6 + a 7 derrière g aardig 7 + e 8 j adore h ik zing 8 + c 9 je chante i oranje 9 + h 10 tu rigoles j paars 10 + d 8 REMPLISSEZ Vul het juiste voorzetsel in. Kies uit: près dans (2x) sous sur devant en face avec 1 On est dans la même classe. 2 Le supermarché est près du collège. 3 Alain est devant la salle de classe. 4 C est une maison avec une façade jaune. 9 COMPTEZ 5 C est joli, cette couleur sur le mur. 6 La grande maison est en face du supermarché. 7 Et ça, sous le lit, qu est-ce que c est? 8 Tu chantes dans le groupe de Damien? Bedenk en noteer vier sommen in het Frans. Lees de sommen voor aan je klasgenoot. Hij/zij noteert deze in cijfers. Wissel van rol. Kijk naar de twee voorbeelden. Jij Exemples trois plus cinq font huit seize moins six font dix 1 eigen antwoord 2 eigen antwoord 3 eigen antwoord 4 eigen antwoord Klasgenoot = = 10 eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord 10 LISEZ ET NOTEZ Luister nog een keer naar tekst 2. Schrijf de zinnen in het Frans op. 1 Ik ben fan van Abd Al Malik. Je suis fan de Abd Al Malik. 2 Het is leuk, dat paars op de muur. 3 En dat onder het bed, wat is dat? C est sympa le mauve sur le mur. Et ça sous le lit, qu est-ce que c est? 4 Het is de tablet van mijn vader. C est la tablette de mon père. 5 En achter de tablet, wat is dat? 6 Zing je in de groep van Damien? Et derrière la tablette, qu est-ce que c est? Tu chantes dans le groupe de Damien? 23

26 11 REGARDEZ ET RÉPONDEZ Bekijk het filmpje zonder te luisteren en beantwoord de vragen. 1 In welke plaats is de film opgenomen? Libourne 2 In welke tijd van het jaar is de film opgenomen? Waar heb je dat aan gezien? eigen antwoord 3 Welke winkels zie je aan het begin van het filmpje? bakker, supermarkt, apotheek 4 Wat denk je dat het onderwerp van dit filmfragment is? eigen antwoord 12 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET COMBINEZ Kijk en luister naar het filmpje. Maak op een apart blaadje korte aantekeningen over wat je ziet en hoort. Combineer de naam met de juiste omschrijving. 1 Carrefour a Franse popgroep 1 + c 2 Margot b Franse zangeres 2 + d 3 Superbus c supermarkt 3 + a 4 Bordeaux d vriendin van Juliette 4 + e 5 Zazie e plaats waar het concert is 5 + b 13 CHOISISSEZ ET SOULIGNEZ Bekijk het filmpje nog een keer. Onderstreep het woord dat in de zin past. 1 À la boulangerie j achète le pain / les fleurs. 2 Juliette trouve sa chambre nulle / super. 3 Margot a une grande / petite chambre. 4 Margot a aussi le CD du mois de mai / juin. 5 Margot n aime pas la musique rap / heavy metal. 6 La chanson de Zazie s appelle Ces gens-là / Je, tu, il. 7 Margot a un ipad. C est un cadeau de ses parents / ses grands-parents. 14 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 15 ON FINIT Jullie gaan bingo spelen. Maak een bingoformulier met negen vakjes. Vul cijfers in tussen 1 en 20. Je docent noemt de getallen. Als je al jouw cijfers hebt weggestreept, roep je: Loto! 24 CHAPITRE 2

27 62 leçon 3 Ma maison 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Ben je wel eens verhuisd? eigen antwoord 2 Zo ja, wat vond je leuk aan de verhuizing? eigen antwoord 3 Wat vind je fijn aan je eigen huis? eigen antwoord 2 LISEZ ET COMBINEZ Bekijk blz. 28 en 29 van je livre de textes. Combineer de foto s met de beschrijvingen. 1 foto 1 a plattegrond 1 + b 2 foto 2 b huis van Clarisse 2 + c 3 foto 3 c appartement van Alain 3 + a 3 LISEZ, NOTEZ ET COCHEZ Lees de teksten bij de foto s 1 en 2. Noteer de vertaling van de Nederlandse uitdrukkingen. Kruis dan aan bij wie het woord hoort. Nederlands Frans Clarisse Alain 1 een groot huis une grande maison 2 een appartement un appartement 3 de tuin le jardin 4 de familie la famille 5 de 4 e etage le 4e étage 4 LISEZ ET COMBINEZ Lees tekst 3 op blz. 29 van je livre de textes. Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 la cuisine a het balkon 1 + b 2 le séjour b de keuken 2 + g 3 la chambre d Alain c het toilet 3 + d 4 l entrée d de slaapkamer van Alain 4 + e 5 la chambre à coucher des parents e de ingang 5 + h 6 les toilettes f de badkamer 6 + c 7 la salle de bains g de woonkamer 7 + f 8 le balcon h de slaapkamer van de ouders 8 + a 5 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 4. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. 1 Alain heeft een eigen kamer. 2 Zijn kamer grenst aan de tuin. 3 De muren van de kamer zijn oranje. 4 Tegenover het raam is een groene deur. 5 Hij heeft een kleine boekenkast. 6 Hij heeft twintig stripboeken van Astérix. 7 Aan de muur hangen drie posters. 8 Hij vindt verhuizen leuk. Vrai Faux 25

(Video) How to download free solution of Calculus 8th edition by james stewart || #Calculus || #AHteachs

28 6 LISEZ ET NOTEZ Lees tekst 4 nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 Wat voor een soort tekst is dit? een 2 Wat betekent de titel? Hoe ziet de kamer van Alain eruit? 3 Welke kleur hebben de muren? geel 4 Wat staat er links van de groene deur? een grote boekenkast van IKEA 5 Waar heeft hij nu plaats voor? voor zijn stripboeken 6 Wat heeft hij aan de muren hangen? Drie posters van zijn favoriete zangers 7 Van wie heeft hij de televisie gekregen? van zijn oma 7 CHERCHEZ ET NOTEZ Lees tekst 4 nog een keer. Zoek de Franse zinnen in tekst 4. Noteer deze. 1 Eindelijk heb ik mijn eigen kamer! Enfin, j ai ma chambre à moi! 2 Ik heb ook een klein balkon. J ai aussi un petit balcon. 3 Mijn computer staat op het bureau. Mon ordi est sur le bureau. 4 Aan de muren heb ik drie posters van mijn Sur les murs, jai trois posters de mes chanteurs favoriete zangers. préférés. 5 En... ik heb een televisie! Een cadeau van oma. Et j ai une télé! Un cadeau de grand-mère. 8 SOULIGNEZ Bekijk de afbeeldingen van en classe op blz. 29 van je livre de textes. Onderstreep de goede vertaling. 1 À demain! Tot ziens! / Tot straks! / Tot morgen! 2 C est l heure! Ruim je spullen op! / Het is tijd! / Ga zitten! 3 À toi maintenant! Wie is er aan de beurt? / Jij bent nu aan de beurt. / Wees nu stil. 4 Ouvrez le livre à la page 6! Open het boek op blz. 6. / We hebben les in lokaal 6. / We hebben vandaag 6 uur les. 9 REMPLISSEZ Vul de goede vorm in van het bepaald lidwoord. Kies uit: le la l les. 1 La chambre d Alain est grande. 2 Il y a trois posters sur les murs. 3 À gauche de la porte, il y a une bibliothèque. 4 La bibliothèque est grande. 5 Le balcon est petit. 6 L appartement est grand. 10 REMPLISSEZ ET NOTEZ Vul de goede vorm van het werkwoord être in. Noteer dan de betekenis van de zin. 1 Comment est la chambre d Alain? Hoe is de kamer van Alain? 2 Nous sommes à Serris. Wij zijn in Serris. 3 La chambre est magnifique. De kamer is geweldig. 4 C est super! Het is super! 5 Les murs sont jaunes. De muren zijn geel. 6 Mon ordi est sur le bureau. Mijn computer staat op het bureau. 26 CHAPITRE 2

29 11 NOTEZ ET PRONONCEZ Noteer de betekenissen van de zinnen. Lees daarna de Franse zinnen hardop. 1 Un, deux, trois frères. Een, twee, drie broers. 2 Quatre, cinq, six pizzas. Vier, vijf, zes pizza s. 3 Sept, huit, neuf, dix chats. Zeven, acht, negen, tien katten. 4 Onze, douze, treize fleurs. Elf, twaalf, dertien bloemen. 5 Quatorze, quinze chanteurs. Veertien, vijftien zangers. 6 Seize, dix-sept, dix-huit garcons. Zestien, zeventien, achttien jongens. 7 Dix-neuf, vingt BD. Negentien, twintig stripboeken. 12 METTEZ DANS LE BON ORDRE Schrijf de woorden in de goede volgorde op, zodat er een goede Franse zin ontstaat. Lees daarna de zinnen om en om aan elkaar voor. 1 chambre bibliothèque. Dans il y a grande une ma Dans ma chambre il y a une grande bibliothèque. 2 chambre J ai moi! une à J ai une chambre à moi! 3 balcon. habite Il maison avec un dans une Il habite dans une maison avec un balcon. 4 L étage. est appartement au sixième L appartement est au sixième étage. 5 le Ouvrez à livre page huit. la Ouvrez le livre à la page huit. 6 un habite sa avec mère dans appartement. Malika Malika habite avec sa mère dans un appartement. 13 ÉCOUTEZ ET ÉPELEZ Luister eerst nog een keer naar het Franse alfabet. Werk dan samen met een klasgenoot. De één spelt een naam in het Frans, de ander zegt welke naam het is. Wissel van rol. Spel het volgende: 1 de naam van een leraar of lerares 2 de voornaam van een klasgenoot 14 DÉCRIVEZ ET PARLEZ 3 de achternaam van een klasgenoot Beschrijf jouw kamer in vier zinnen, in het Frans. Maak de zinnen met behulp van tekst 4. 4 de naam van je basisschool 5 je favoriete schoolvak Raadpleeg zo nodig de Pages jaunes. Vertel daarna aan een klasgenoot hoe je kamer eruitziet. Wissel van rol. Dans ma chambre eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord 15 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. S preek ze na en leer ze. 16 ON FINIT Teken een plattegrond van je huis. Noteer de Franse namen bij de vertrekken. Maak gebruik van de teksten op blz. 28 en 29 van je livre de textes. Verwerk in je plattegrond ten minste de volgende vertrekken: woonkamer keuken slaapkamer(s) badkamer toilet(ten) Bewaar de opdracht in je taalportfolio. 27

30 62 leçon 4 Un joli appartement 1 ON COMMENCE Lees de titel van de les en bekijk de twee teksten op blz. 30 en 31 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat betekent de titel van deze les? Een leuke flat, een leuk appartement. 2 Wie schrijft de eerste tekst? Francis 3 Wat voor soort tekst is het? een 4 Wat heeft tekst 2 met tekst 1 te maken? Tekst 2 is het antwoord op tekst 1. 2 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 en beantwoord de vragen. 1 Wat betekent het woord date? datum 2 Wat betekenen de getallen die achter het woord date staan? de datum en de tijd 3 Waar is Francis en bij wie? in Serris bij zijn opa en oma 4 Waarom is hij daar? Omdat hij een uitnodiging heeft voor de verjaardag van Damien. 5 Waarom staat er een adres in? Om te vragen of Louis daar nog steeds woont. 6 Wat valt je op aan het adres? 7 Wat wil Francis weten en waarom? eerst huisnummer, dan de straat Of Louis thuis is om bij hem langs te gaan. 3 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 2. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 Louis is blij verrast met de . 2 Hij is vandaag thuis. 3 Hij woont nog steeds in Serris. 4 Maar niet meer op hetzelfde adres. 5 Hij woont op de begane grond. 6 De woning heeft vijf vertrekken. 7 Hij heeft een grote kamer. 8 Cachou is een zwart-witte hond. 4 LISEZ ETCHOISISSEZ Lees tekst 2 opnieuw. Onderstreep het goede antwoord. 1 In dit bericht schrijft Francis / Louis dat hij op een ander adres woont. 2 Het nieuwe adres is 29 rue Emile Cloud / 53 rue de la Fontaine. 3 Hij woont bij zijn ouders / grootouders. 4 De woning is makkelijk / moeilijk te vinden. 5 De woning ligt midden in / vlak bij een groot park. 5 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek de Franse zinnen in tekst 1 en 2. Noteer deze. 1 Ik heb een uitnodiging voor het feest. J ai une invitation pour la fête. 2 Ben je thuis? Tu es chez toi? 3 Ik kom vanavond. Je viens ce soir. 4 Het telefoonnummer is Le numéro de téléphone est 5 Ja, ik ben vandaag thuis. Oui, je suis chez moi aujourd hui. 6 Er is een balkon met bloemen. Il y a un balcon avec des fleurs.. 7 We hebben ook een kleine hond. Nous avons aussi un petit chien. 8 Tot later. À plus. 28 CHAPITRE 2

31 6 REMPLISSEZ Welke uitdrukkingen gebruiken Francis en Louis aan het begin en aan het eind van de teksten? Vul in en noteer ook de Nederlandse betekenissen. 1 Tekst 1, begin: Coucou Louis. Hallo, Louis. 2 Tekst 1, eind: À bientôt! Tot gauw! 3 Tekst 2, begin: Salut Francis. Hoi Francis. 4 Tekst 2, eind: À plus. Tot later.. 7 SOULIGNEZ ET NOTEZ Onderstreep het hoogste van de drie getallen. Schrijf de getallen in cijfers op. Luister daarna naar het audiofragment bij deze oefening. 1 trente-six / soixante / quarante-huit 36, 60, 48 2 quarante-quatre / vingt et un / quatorze 44, 21, 14 Onderstreep nu het laagste van de drie getallen en noteer deze ook in cijfers. 3 soixante-six / seize / soixante-deux 66, 16, 62 4 vingt-deux / dix-neuf / quinze 22, 19, 15 8 DEVINEZ TIP Let op het woordje et in de getallen 21, 31, enzovoort. Dus : vingt et un, trente et un. Bij de andere getallen staat er een streepje: vingt - deux, trente - trois. Werk samen met een klasgenoot. Jij schrijft in het Frans vijf getallen tussen 30 en 60 op. Je klasgenoot probeert de getallen te raden. Help hem/haar door te zeggen: plus haut (hoger) of plus bas (lager). Wissel van rol. 9 NOTEZ Het getal achter de naam geeeft aan op welke plaats de wielrenner staat, zoals in het algemeen klassement van de Tour de France. Schrijf de getallen uit als rangtelwoord (eerste, tweede, enz.). Kijk zo nodig in de Pages jaunes. 1 Luc (3e) Luc est troisième dans le classement général. 2 Jean (7e) Jean est septième. 3 Oscar (10e) Oscar est dixième. 4 Arnaud (5e) Arnaud est cinquième. 5 Marc (9e) Marc est neuvième. 6 Michel (12e) Michel est douzième. 7 Raymond (1e) Et Raymond est le premier. 10 PHOTOGUIDE Bekijk de foto s van de photoguide op blz. 31 van je livre de textes. Vul de letter van de foto in die bij de omschrijving hoort. 1 de gegevens van een makelaarskantoor foto B 2 de naam van een stad foto A 3 de gegevens van een huurflat foto C 11 REGARDEZ ET COMPLÉTEZ Bekijk de foto s nog een keer. Op borden ontbreken vaak lidwoorden. Noteer het lidwoord voor de zelfstandige naamwoorden. Kies uit: le la l 1 La ville fleurie 2 L appartement à louer 3 L agence Biran 29

32 TIP TIP 12 COMBINEZ Combineer de vetgedrukte Franse vormen van avoir met de Nederlandse vormen van hebben. 1 Nous avons un appartement. a Heb jij? 1 + e 2 J ai une autre adresse. b Zij heeft 2 + f 3 Tu as une invitation? c Zij (m) hebben 3 + a 4 Elle a une plante verte. d Hebben jullie? 4 + b 13 REMPLISSEZ Achter een naam zet je dezelfde werkwoordsvorm als na il / ils en elle / elles. Lees de vraag en het antwoord. Vul de juiste vormen van avoir in. 5 Ils ont un petit chien. e Wij hebben 5 + c 6 Vous avez un balcon? f Ik heb 6 + d 7 Il a un groupe de rock. g Zij (v) hebben 7 + h 8 Elles ont des posters. h Hij heeft 8 + g 1 Tu as une invitation? Oui, j ai une invitation de Damien. 2 Francis a une autre adresse? Non, Louis a une autre adresse. 3 Vous avez un balcon avec des fleurs? Oui, nous avons un balcon avec des fleurs. 4 Damien et Clarisse ont un autre prof de musique? Oui, ils ont un autre prof de musique. 14 SOULIGNEZ Onderstreep het juiste bepaald lidwoord. Schrijf dan de goede Franse zin op. 1 Voilà la / l adresse de la / l appartement de Louis. Voilà l adresse de l appartement de Louis. 2 Le / L balcon est grand: c est chouette pour le / l chien. Le balcon est grand: c est chouette pour le chien. 3 Le / la plante verte est pour le / la mère de Louis. La plante verte est pour la mère de Louis. 4 C est la / l invitation pour le / l anniversaire de Damien? C est l invitation pour l anniversaire de Damien? 15 COMPLÉTEZ Lees de vraag. Noteer in het antwoord de vrouwelijke vorm van het bijvoeglijk naamwoord. 1 Le bureau est grand. Et la chambre? Elle est grande aussi. 2 Le balcon est joli. Et la cuisine? Elle est jolie aussi. 3 Le parc est vert. Et la plante? Elle est verte aussi. 4 Le mur est jaune. Et la porte? Elle est jaune aussi. 16 REMPLISSEZ Vul het Franse bijvoeglijk naamwoord in. Let op de vorm. 1 groot La chambre est grande. 4 klein La chambre est petite. 2 klein Le chien est petit. 5 zwart Le chien est noir. 3 mooi L appartement est joli. 6 groen La plante est verte. 17 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 18 ON FINIT In het Frans zeg en schrijf je een telefoonnummer per twee cijfers. Dus: nul vijf, zesenvijftig, enzovoort. De één kijkt naar foto B en leest het telefoonnummer voor. De ander noteert het in cijfers. Wissel van rol. 30 CHAPITRE 2

33 62 leçon 5 Tu habites où? 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Woon je zelf in een huis of in een flat? eigen antwoord 2 Zou je iets aan je kamer willen veranderen? Zo ja, wat dan? eigen antwoord 2 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Bekijk de afbeelding op blz. 32 van je livre de textes en luister naar de drie gesprekken. 1 Waar zijn Damien en Olivier? in de kamer van Olivier 2 Waar praten Damien en Olivier over? Onderstreep de onderwerpen die aan bod komen. school / tuin / appartement / huiswerk / huisdier / foto s / boerderij / nationaliteit / kamer 3 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister nog een keer naar de gesprekken en lees mee. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. tekst 1 1 Damien habite près de la poste. Vrai 2 Il habite dans un appartement. 3 Il habite au sixième étage. tekst 2 4 Les grands-parents de Damien habitent dans une ferme. 5 La ferme est grande. 6 Louis est le frère de la grand-mère de Damien. tekst 3 7 Damien a une photo de sa chambre. 8 Il y a trois meubles dans sa chambre. 9 Le chat de Damien est toujours sur le lit. 4 CHERCHEZ ET NOTEZ Lees de teksten nog een keer. Zoek de Franse zinnen in de teksten. Noteer deze. tekst 1 1 Het is eenvoudig! C est simple! 2 De flat is groot en leuk. L appartement est grand et joli. tekst 2 Faux 3 Zij hebben een boerderij in het zuiden. Ils ont une ferme dans le sud. 4 En wie is dat hier? Et là, qui est-ce? tekst 3 5 Er is natuurlijk een bed. Il y a un lit bien sûr. 6 Het is / staat voor het raam. 7 Hebben jullie een huisdier? Il est devant la fenêtre. Vous avez un animal? 5 COMMENT DIT-ON? Hoe zeg je deze zinnen in het Frans? 1 Waar woon jij? Tu habites où? 2 Ik woon in een appartement. 3 Heb je een foto van je kamer? J habite dans un appartement Tu as une photo de ta chambre?. 4 Wie is dat? Qui est-ce? 5 Dat ben ik op de foto. 6 De boerderij is groot en leuk. C est moi sur la photo. La ferme est grande et jolie. 31

34 TIP 6 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden. Spreek ze woord voor woord na. Luister daarna nog een keer naar de woorden en controleer of je ze goed hebt uitgesproken. 1 le cadeau on commence Cavaillon - la cuisine 2 qui quatorze pourquoi qu est-ce que c est 7 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ 3 le frère la grand-mère très bien deuxième 4 salut présent - le cours allemand Luister naar de zinnen. Zet een boogje onder de woorden die in de uitspraak met elkaar worden verbonden. Spreek de zinnen na. Exemple: Il s o nt une jolie chambre. 1 Vous écoutez la musique? 2 Ils ont deux photos. 8 PHOTODICO 3 Nous avons trois chiens. 4 Vous habitez où? Bekijk de photodico op blz. 33 van je livre de textes. Zoek eerst een woord in de photodico dat in de zin past. Vul het in en schrijf dan het juiste lidwoord ervoor. Kies uit: le la l un une Exemple: Vous habitez dans un petit appartement? 1 Non, nous habitons dans une grande maison. 2 Nous avons un joli jardin derrière la maison avec beaucoup de fleurs. 3 Dans le jardin il y a aussi un garage. 4 En face de la maison il y a un hôtel. C est l hôtel de France. 5 Et ton papi et ta mamie, ils habitent un appartement avec un balcon? 6 Non, ils ont une grande ferme avec cent vaches (koeien) près de Cavaillon. 9 REMPLISSEZ Vul de Franse voorzetsels in. 1 onder Le chat est toujours sous la table. 2 op Il y a un ordinateur sur le bureau. 3 voor Nous avons un jardin devant la maison. 4 in J aime le blanc et le noir dans ma chambre. 5 achter Nous avons un garage derrière la maison. 10 RÉPONDEZ ET PARLEZ Exemple: groot Comment est la chambre? Elle est grande. 1 klein Comment est l appartement? Il est petit. 2 leuk Comment est la photo? Elle est jolie. 3 zwart Le bureau est de quelle couleur? Il est noir. 4 geel Et l armoire? Elle est jaune. 11 POSEZ UNE QUESTION Als er nous in het antwoord staat, stel je de vraag met vous. Als er je / j in het antwoord staat, stel je de vraag met tu. Noteer de vragen die bij de antwoorden passen. Oefen de vragen en antwoorden daarna met een klasgenoot. Questions Réponses 1 Vous habitez où? Nous habitons à Cavaillon. 2 Qui est-ce? C est mon père. 3 Qu est-ce que c est? C est une photo de ma chambre. 4 Barjac, c est où? Barjac est près de Cavaillon. 5 Tu habites dans une maison? Non, j habite dans un appartement. 32 CHAPITRE 2

35 12 PARLEZ Je klasgenoot speelt een Franse vriend(in). Hij/zij stelt je een paar vragen over je woning. Geef antwoord met hele zinnen in het Frans. Wissel na het gesprek van rol. Leer beide rollen uit je hoofd. Sluit daarna je tekstboek en voer eenzelfde soort gesprek met een andere klasgenoot. 1 Tu habites où? 2 Zeg in welke plaats je woont. J habite à. 3 Tu habites près de la poste? 4 Je woont tegenover de supermarkt. Non, j habite en face du supermarché. 5 Tu habites dans un appartement ou une maison? 6 Je woont in een huis met mama, papa en J habite dans une maison avec papa, maman et. 7 Et ta chambre, elle est comment? 8 Klein. De kamer is wel leuk. Ma chambre est petite. La chambre est jolie. 9 Tu as un ordinateur dans ta chambre? 10 Ja, op het bureau. Oui, l ordinateur/il est sur le bureau. 11 Qu est-ce qu il y a sur le mur? 12 Twee posters van Zaz enstromae. Il y a/ J ai deux posters de Zaz et de Stromae sur le mur. 13 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden en de expressions van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 14 ON FINIT Je gaat je kamer beschrijven aan je klasgenoot. Maak één of twee foto s van je kamer en schrijf de zinnen op die je gaat gebruiken. Raadpleeg zo nodig een (digitaal) woordenboek. Je klasgenoot tekent wat jij vertelt. Vertel over: de grootte de kleuren de meubels (minstens drie) de plaats van de voorwerpen (links, rechts, voor, achter, enz.) Exemple: Dans ma chambre il y a un lit. La porte est verte. Le bureau est devant la fenêtre. Il y a une lampe sur le bureau. Bewaar jouw beschrijving en de tekening van je klasgenoot in je taalportfolio. 33

36 62 leçon 6 Voilà la France 1 ON COMMENCE Kijk naar het ganzenbordspel op blz. 34 en 35 van je livre de textes. Combineer de Franse woorden uit het spel met de Nederlandse betekenissen. 1 écoute a tel 1 + b 2 dis b luister 2 + d 3 recule c geef antwoord 3 + f 4 épelle d zeg 4 + h 5 compte e vraag 5 + a 2 RÉPONDEZ 6 réponds f ga achteruit 6 + c 7 demande g ga vooruit 7 + e 8 avance h spel 8 + g 9 l oie i het spel 9 + j 10 le jeu j de gans 10 + i Lees de teksten op het ganzenbordspel. Wat moet je doen als je op de volgende vakjes komt? Je moe t: 1 vakje 4 antwoorden en zeggen waar Clarisse woont 2 vakje 6 1 ronde wachten 3 vakje 9 je naam spellen 4 vakje 13 antwoord geven op de vraag wie de buurvrouw van Damien is 5 vakje 16 tellen van 0 tot 15 6 vakje 17 5 plaatsen achteruitgaan 7 vakje 21 de naam zeggen van de Franse president 8 vakje 26 de zin afmaken 9 vakje 27 3 Franse jongens- en 3 Franse meisjesnamen noemen 10 vakje 31 je werkboek dicht doen 3 REGARDEZ ET NOTEZ Zoek op internet een kaart van Frankrijk en print die uit. Omcirkel op die kaart de naam van een stad of dorp waar je graag naar toe zou willen gaan, of waar je geweest bent. Ga daarna naar en open maps. Typ je woonplaats en en de Franse plaats in. Bekijk de route en teken die op je kaart. Beantwoord dan de vragen. 1 Door hoeveel regio s reis je? Noteer er twee. eigen antwoord 2 Noteer drie grote steden die je passeert. eigen antwoord 3 Hoe lang duurt de reis? eigen antwoord 4 Wat is het aantal kilometers? eigen antwoord 4 COMBINEZ Combineer de Franse uitdrukkingen met de Nederlandse betekenissen. 1 Tu habites où? a Zing het lied 1 + c 2 Elle s appelle b Vlak bij de school 2 + f 3 Chante la chanson c Waar woon je? 3 + a 4 Près du collège d Je bent in Serris 4 + b 5 Qui est le voisin? e Spel je naam 5 + h 6 Après le collège f Zij heet 6 + g 7 Tu es à Serris g Na school 7 + d 8 Épelle ton nom h Wie is de buurman? 8 + e 34 CHAPITRE 2

37 5 ÉCRIVEZ Weet je het nog? Noteer bij de plattegrond vijf Franse namen van vertrekken. Maak bij ieder vertrek een zin. Exemple: Le garage est à droite. 1 eigen antwoord 2 eigen antwoord 3 eigen antwoord 4 eigen antwoord 5 eigen antwoord 6 PARLEZ Weet je het nog? Vul eerst de juiste vormen van de werkwoorden être of avoir in. Oefen dan vraag en antwoord met een klasgenoot. Gebruik indien nodig je woordenboek. Wissel van rol. Question Réponse 1 Tu es à Paris? Non, je suis à Serris. 2 Vous avez un prof de musique super? Oui, nous avons un prof super. 3 Tu as une nouvelle guitare? Oui, j ai une nouvelle guitare. 4 Damien est près de la maison? Non, il est au collège. 5 Vous êtes Français? Oui, nous sommes Français. 6 Paulette a un petit frère? Non, elle a un grand frère. C est Lucien. 7 Ils sont en classe? Oui, ils sont en classe. 8 Ta mère et ton père ont un ipad? Oui, ils ont un ipad super! 7 PARLEZ Stel de vragen in het Frans. Je klasgenoot geeft antwoord. Wissel daarna van rol. 1 Hoe heet je? Comment tu t appelles? Je m appelle.. 2 Waar woon je? Tu habites où? J habite à 3 Hoe oud ben je? Tu as quel âge? J ai ans. 4 Wat is dat? (een foto) Qu est-ce que c est? C est une photo. 5 Wie is dat? (mijn moeder) Qui est-ce? C est ma mère. 8 ON FINIT Speel met drie klasgenoten het jeu de l oie op blz. 34 en 35 van je livre de textes. Veel plezier! 35

38 Chapitre 3 Ça bouge! leçon 1 L aérobic 1 ON COMMENCE Bekijk blz. 40 en 41 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Hoe heet dit hoofdstuk en wat betekent dat? Ça bouge! In beweging (letterlijk: Het beweegt) 2 Wie is de hoofdpersoon in de tekst links? Nicolas Bellefontaine 3 Hoe oud is hij? 48 jaar 4 Wat is zijn beroep? Hij is sportleraar. 5 Wat is de titel van het liedje rechts? Un, deux, trois, l aérobic 6 Wat is het verband tussen de persoon in het Nicolas is sportleraar. Het liedje fiche d identité en het liedje? gaat over bewegen. 2 LISEZ, DEVINEZ ET NOTEZ Lees het fiche d identité op blz. 40. Raad de betekenissen van de volgende woorden. Je kunt ze herkennen uit het Engels of Nederlands, of je kunt ze afleiden uit het tekstverband. Frans Nederlands Frans Nederlands 1 la famille de familie 5 le beau-père de stiefvader 2 marié avec getrouwd met 6 avec son chien met zijn hond 3 la mère de moeder 7 collectionner verzamelen 4 le père de vader 8 l entraîneur de trainer 3 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees opnieuw het fiche d identité. Onderstreep het juiste woord. De persoon op het fiche 1 woont in Carcassonne / Serris. 2 is getrouwd met Estelle / Aimée. 3 is de stiefvader van Aimée / Damien. 4 LISEZ ET COMPLÉTEZ Lees het fiche d identité nog eens. Vul de zinnen aan. 1 Nicolas is geboren in de plaats Carcassonne 2 Dat ligt in het departement l Aude 3 Nu woont hij in de plaats Serris 4 Zijn beroep is sportleraar 5 Hij is de vader van Aimée 4 wandelt graag met Madeleine / Hector. 5 is in zijn vrije tijd pompbediende / brandweerman. 6 Zijn hobby s zijn brandweerauto s verzamelen, rugby, wandelen met zijn hond Hector. 5 REMPLISSEZ ET PARLEZ Vul de goede werkwoordsvorm in. Kies een vorm van être of avoir. Lees elkaar de zinnen voor. 1 Je suis Nicolas Lafontaine. 2 J ai 48 ans. 3 Aimée est ma fille. 4 Mes hobbys sont le rugby et le tennis CHAPITRE 3

39 TIP 6 COMBINEZ Combineer de Franse met de Nederlandse woorden. 1 le pompier a de auto 1 + c 2 le métier b maken, doen 2 + g 3 la voiture c de brandweerman 3 + a 4 la mère d vrijwillig 4 + h 5 faire e de trainer 5 + b 6 l entraîneur f de vader 6 + e 7 volontaire g het beroep 7 + d 8 le père h de moeder 8 + f 7 NOTEZ ET PARLEZ Noteer de getallen voluit in het Frans. Werk samen met een klasgenoot. Lees elkaar om de beurt een getal in het Frans voor. Lees ze nog een keer voor, maar nu van klein naar groot trente-sept treize cinquante-six soixante-dix quarante-quatre onze vingt et un 8 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar het liedje en onderstreep de juiste antwoorden. Soms is er meer dan één antwoord goed. 1 Je hoort een mannenstem / twee vrouwenstemmen / een kinderkoor. 2 De muziek is langzaam / snel / zacht / luid. 3 Je hoort de volgende instrumenten: piano / gitaar / bas / drums / viool / fluit / synthesizer. 4 Je moet volgens het liedje: marcheren / meebewegen / meeklappen. 9 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Kijk in de Pages jaunes bij deze les. Lees eerst de zinnen. Luister en kijk dan naar de clip. Kruis de uitdrukkingen aan die je in het Frans hoort. 1 Til je hoofd op. 2 Doe je armen naar beneden. 3 Tel tot tien. 10 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ 4 Trommel met je handen. 5 Blijf staan. 6 Zing en dans! Luister naar het liedje zonder de tekst mee te lezen. Onderstreep de woorden die je hoort. mère / père / bras / onze / douze / doigts / pieds / fois / lance / balance / jambes / corps / facile / sympa / musique. 11 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 12 ON FINIT Vertel iets over jezelf en maak de zinnen af. Doe deze opdracht met een klasgenoot en wissel van rol. 1 Je suis (je naam) eigen antwoord 2 J habite à (je woonplaats) eigen antwoord. 3 J ai (je leeftijd) eigen antwoord ans. 4 Mon hobby, c est / Mes hobbys sont eigen antwoord. 5 Mon sport favori, c est eigen antwoord.. 37

40 36 leçon 2 À l entraînement 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Welke sport vind je zelf leuk? eigen antwoord 2 Hoe goed ben je in jouw favoriete sport? eigen antwoord 3 Hoe lang beoefen je die sport al? eigen antwoord 2 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Kijk naar de afbeelding en luister naar tekst 1. 1 Welke personen hoor je praten? een trainer en zijn team 2 Waar wordt het gesprek gevoerd? in de kleedkamer van een rugbyteam 3 Wat vertelt de trainer? Er is een nieuwe speler. 3 ÉCOUTEZ, LISEZ ET COCHEZ Luister opnieuw naar tekst 1 en lees mee op blz. 42 van je livre de textes. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. 1 Nicolas is de trainer van de rugbyclub. 2 Saïd speelt al jaren bij deze club. 3 De nieuwe speler heet Damien. 4 Saïd wil graag spelen voor zijn plezier. 5 Saïd speelt al vijf jaar rugby. 6 Regel 1 is: de trainer met meneer aanspreken. 7 Regel 2 is: op tijd op de training zijn. 4 COMBINEZ Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 l entraîneur a de training 1 + d 2 la passion b op tijd 2 + e 3 un nouveau joueur c winnen 3 + f 4 l équipe d de trainer 4 + g 5 gagner e de passie 5 + c 6 à l heure f een nieuwe speler 6 + b 7 l entraînement g het team 7 + a 5 ÉCOUTEZ ET COMBINEZ Luister naar tekst 1 en lees mee. Combineer de Franse zinnen met de Nederlandse betekenissen. 1 Salut les gars. a Ik speel om te winnen. 1 + g 2 Je vous présente. b Het is mijn passie. 2 + e 3 Tu aimes le rugby? c Er zijn twee regels. 3 + h 4 C est ma passion. d Al lang. 4 + b 5 Depuis longtemps. e Ik stel aan jullie voor. 5 + d 6 Je joue pour gagner. f Je komt op tijd. 6 + a 7 Il y a deux règles. g Hoi jongens. 7 + c 8 Tu arrives à l heure. h Houd je van rugby? 8 + f Vrai Faux 38 CHAPITRE 3

41 6 ÉCOUTEZ ET CHOISISSEZ Luister naar tekst 1. Kruis aan wie de zin zegt. Saïd Nicolas Saïd Nicolas 1 Je vous présente un nouveau joueur. 5 Tu joues depuis longtemps? 2 Tu aimes le rugby? 6 Depuis cinq ans. 3 Le rugby, c est ma passion. 7 Tu arrives à l heure. 4 Je joue pour gagner. 7 REMPLISSEZ Vul de goede woorden in. Kies uit: allez ballon gagner couleur présente règles numéro entraîneur 1 Nicolas est entraîneur dans un club 5 C est la couleur de l équipe. de rugby. 6 Tu portes le numéro 15, d accord? 2 Je vous présente un nouveau joueur. 7 Tu lances le ballon pour l essai. 3 Je joue pour gagner. 8 Un, deux, trois, allez, lance! 4 Il y a deux règles ici. 8 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 2. Onderstreep de zin die je hoort. 1 C est la récré. / C est la pause. 2 Ils ont des gâteaux pour le goûter. / Ils ont des sandwiches pour le goûter. 3 Où est le téléphone? / Où est le portable? 4 Accident grave devant l Intermarché. / Accident grave devant le supermarché. 5 Je suis pompier volontaire. / Je suis policier volontaire. 9 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister nogmaals naar tekst 2. Kruis aan of de uitspraken vrai of faux zijn. Vrai Faux 1 De jongens hebben pauze. 2 Er is wat te drinken voor hen. 3 Het mobieltje lag onder de bank. 4 Er is een brand uitgebroken in een supermarkt. 5 Nicolas is bij de vrijwillige brandweer. 6 Helaas is de training nu afgelopen. 7 Er wordt afgesproken op zaterdag om uur. 10 REGARDEZ ET COCHEZ Lees eerst de zinnen. Kijk dan naar het eerste filmpje zonder te luisteren. Kruis de zinnen aan die passen bij de beelden. Gebruik zo nodig de pauzeknop. 1 Je ziet jongens en meisjes op een sportveld. 2 Het is mooi weer. 3 De beelden zijn van een voetbalwedstrijd. 4 De shirts zijn groen en blauw. 5 In een flits zie je witte doelpalen. 6 Twee keer vertelt een jongen iets voor de camera. 7 De spelers maken een overtreding. 39

42 11 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Lees de zinnen. Kijk en luister naar het filmpje. Onderstreep het goede antwoord. 1 De jongeren voetballen / spelen rugby. 2 Het publiek is erg rustig / enthousiast. 3 Thiébault zegt dat hij winnen / teamgeest belangrijk vindt. 4 Hij houdt er wel / niet van om een tackle maken. 5 De bal is rond / ovaal. 6 De tweede jongen is wel / niet van hetzelfde team. 12 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET COMPLÉTEZ Kijk en luister nog een keer naar het filmpje. Vul de getallen (in cijfers) in. 1 Je m appelle Thiébault, j ai 15 ans. 2 Ça fait 9 ans. 3 Je m appelle Kévin, j ai 16 ans. 4 Je fais du rugby depuis 5 ans. 13 REGARDEZ ET SOULIGNEZ Lees de zinnen. Kijk naar het tweede filmpje zonder te luisteren. Gebruik zo nodig de pauzeknop. Onderstreep het goede antwoord. 1 De jongeren voetballen / spelen rugby. 2 De man leest een krant / kijkt op een plattegrond. 3 De man vraagt iets / niets aan de jongeren. 4 De man komt terug en vraagt waarschijnlijk iets anders / hetzelfde. 5 De jongeren wijzen allemaal een andere kant / dezelfde kant op. 6 De man is verdwaald / heeft gevonden wat hij zocht. 7 Na het gesprekje kijkt hij erg verbaasd / tevreden. 14 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET REMPLISSEZ Lees de zinnen. Kijk en luister nog een keer naar het tweede filmpje. Vul de woorden in. 1 Vous êtes sur le terrain! 2 J aime cet hôtel. 3 Où est l hôtel de ville? 4 Sur la place de l hôtel de ville. 5 On joue? 6 On est les champions! 7 Je voudrais une chambre dans cet hôtel. 8 Qu est-ce que c est, la mairie? 15 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 16 ON FINIT Luister opnieuw naar tekst 2 en beantwoord de vragen. 1 Waar zoekt Nicolas naar zijn mobieltje? in zijn sporttas en in zijn broekzak 2 Wie helpen mee zoeken? de jongens 3 Waar vindt Damien het mobieltje? onder de bank 4 Met welke Franse woorden bedankt Nicolas de jongens? Merci beaucoup! 40 CHAPITRE 3

43 63 leçon 3 Vive le rugby! 1 ON COMMENCE Bekijk de titel en de afbeeldingen op blz. 44 en 45 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Over welke sport gaat deze les? rugby 2 Wat is de hoofdkleur van de kleding van de spelers? blauw 3 Welke twee kleuren zou je zien als Nederland tegen Frankrijk zou spelen? blauw en oranje 2 LISEZ ET NOTEZ Lees de kopjes van de tekst op blz. 44 en 45 van je livre de textes. Noteer bij elke omschrijving het nummer van de tekst. Omschrijving Tekst Omschrijving Tekst 1 de Franse rugbybond 2 2 een jeugdwedstrijd 4 3 op de training 5 3 LISEZ ET COMPLÉTEZ Lees tekst 1 op blz. 44 van je livre de textes. Maak de zinnen af. 1 Bij rugby speel je niet alleen met je voeten. 4 de resultaten van het Franse rugbyteam 3 5 uitleg van rugby-spelregels 1 2 Je speelt ook met je handen en met een ovale bal. 3 Het team kan bestaan uit 7, 13 of 15 spelers. 4 De spelers schoppen de bal achter de lijn of over de dwarsbalk. 5 Frankrijk deed in 1910 voor het eerst mee aan het Vijflandentoernooi. 6 Bij dit toernooi bestaat elk team uit 15 spelers. 7 Sinds de deelname van Italië in 2000 heet het toernooi het Zeslandentoernooi. 4 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek de Franse landennamen op in tekst 1. Vul het juiste lidwoord in en noteer de Nederlandse landennaam. Frans Nederlands 1 La France Frankrijk 2 Le Pays de Galles Wales 3 L Écosse Schotland 4 L Irlande Ierland 5 L Angleterre Engeland 6 L Italie Italië 5 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 2 op blz. 44 van je livre de textes. Kruis aan: vrai of faux. 1 De afkorting van de Franse rugbyfederatie is FFR. 2 Er zijn clubs lid van de rugbyfederatie. 3 Er zijn vrouwelijke leden. 4 De federatie is opgericht in De eerste rugbyclub is opgericht in La Haye. 6 Het embleem van de Franse rugbyfederatie is een leeuw. Vrai Faux 41

44 6 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek de Franse woorden in tekst 2 en noteer deze. Gebruik zo nodig de woordenlijst uit de Pages jaunes. 1 de leden les licenciés 2 het embleem l emblème 3 de voorzitter le président 4 eerste premier 5 de federatie la fédération 6 de oprichting la création 7 het aantal le nombre 7 REGARDEZ ET REMPLISSEZ Bekijk de afbeeldingen naast tekst 2 en 3 op blz. 44 van je livre de textes. Vul de Franse namen van de kleuren in. 1 Les joueurs français portent des chaussettes rouges. 2 Ils ont tous un maillot bleu. 3 Avec tout cela il y a bien sûr le short qui est blanc.. 8 REGARDEZ ET NOTEZ Bekijk de tabel van tekst 3. Vul de jaartallen in. 1 In welke jaren stond het Franse rugbyteam in de finale? in 1987, 1999 en In welk jaar werden ze derde? in COMBINEZ Lees tekst 4 op blz. 45 van je livre de textes. Combineer de Franse met de Nederlandse woorden. 1 le départ a de voorbereiding 1 + f 2 le rendez-vous b het vieruurtje 2 + h 3 la rencontre c de warming-up 3 + j 4 la préparation d de spelers 4 + a 5 l échauffement e het stadion 5 + c 6 le goûter f het vertrek 6 + b 7 les joueurs g volgen 7 + d 8 suivre h de afspraak 8 + g 9 le stade i zaterdag 9 + e 10 samedi j de ontmoeting 10 + i 10 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees tekst 4 nog een keer. Onderstreep het goede antwoord. 1 Het is de eerste / tweede ontmoeting tussen Compiègne en Versailles. 2 In de planning staat dat het vertrek om / uur zal zijn. 3 De warming-up zal beginnen om / uur. 4 De wedstrijd zal beginnen om / uur. 5 De wedstrijd vindt plaats op zondag / zaterdag 13 november. 6 Wat moeten de spelers niet vergeten mee te nemen? gebitsbeschermers en warme kleding / thermosfles warm drinken. 42 CHAPITRE 3

45 TIP 11 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 5 op blz. 45 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Van wie is het briefje? van Sandrine 2 Aan wie is het gericht? a an de moeder van Sandrine. 3 Waar wordt voor bedankt? voor de koekjes 4 Wat zegt ze erover? Ze is er dol op. 5 Wanneer komt ze thuis? meteen na de training, rond uur 6 Wat heeft ze de volgende dag op school? een overhoring voor geschiedenis 12 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees le petit livre op blz. 45 van je livre de textes. De tekst gaat over het leren van Frans. Beantwoord de vragen. 1 Op welke drie manieren kun je de Franse taal leren? Frans lezen, naar Franssprekende landen gaan, Franse tv- programma s kijken. 2 Kun je zelf nog een andere manier verzinnen? eigen antwoord 13 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees het boekje L enfant et la grenouille. Vul het werkblad bij deze les in. Bewaar het ingevulde werkblad in je taalportfolio. 14 COMPTEZ Franse telefoonnummers worden altijd met twee cijfers tegelijk opgelezen. Lees de telefoonnummers voor aan een klasgenoot. Hij/zij noteert de cijfers. Verzin zelf nog twee nummers. Wissel van rol eigen antwoord eigen antwoord Luister naar de geluidsopname van deze oefening. Heb je het goed gedaan? 15 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 16 ON FINIT Je gaat je opgeven bij een sportclub. Daarom vul je jouw gegevens op het inschrijfformulier in. Bewaar het formulier in je taalportfolio. A 1 Prénom: eigen antwoord 2 Nom: eigen antwoord 3 Adresse: eigen antwoord 4 Lieu de naissance: eigen antwoord 5 Date de naissance: eigen antwoord 6 Tél. fixe: eigen antwoord 7 Tél. portable: eigen antwoord 8 Code postal et ville: eigen antwoord eigen antwoord B Je m intéresse (cochez votre choix) au foot au rugby au tennis au volley 43

46 63 leçon 4 Qu est-ce que tu aimes? 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Hoeveel uur per week heb jij gym op school? eigen antwoord 2 Welke sporten doen jullie tijdens deze lessen? eigen antwoord 3 Welke sport doe jij dan het liefst? eigen antwoord 2 LISEZ ET COCHEZ Lees de teksten 1, 2 en 3 op blz. 46 van je livre de textes. Kruis aan bij wie de zin hoort. Activiteit Damien Clarisse Romain 1 speelt rugby 2 is dol op atletiek 3 houdt van muziek 4 is lid van een tennisclub 5 heeft een favoriete rugbyspeler 6 heeft een hekel aan voetbal 7 heeft een hekel aan sport 8 houdt van de zangeres Zaz 3 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees de teksten 1, 2 en 3 nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 Wat is de titel van de les? Qu est-ce que tu aimes? 2 Wat betekent deze titel? Waar houd je van? 3 Wie komen er aan het woord? Damien, Clarisse en Romain 4 Waar speelt Damien rugby? op de rugbyvelden van Serris 5 Hoe heet de hit van zangeres Zaz? En wat betekent het? Je veux. Ik wil. 6 Noteer drie dingen waar Romain van houdt. activiteiten jongerenclub, atletiek, hip-hop en tennis 7 Op welke plaats staat Romain in de competitie? op de derde plaats 8 Van welke sport houdt Romain niet? van voetbal 4 NOTEZ ET METTEZ DANS LE BON ORDRE Noteer de getallen in cijfers. Zet de getallen daarna in woorden onderaan van klein naar groot. Lees de getallen om en om aan elkaar voor. Luister daarna naar het audiofragment bij deze oefening. 1 quatre-vingt-dix-neuf 99 2 trois cents cent trois mille soixante-douze 72 6 quatre-vingt-neuf 89 soixante-douze, quatre-vingt-neuf, quatre-vingt-dix-neuf, cent trois, trois cents, mille 44 CHAPITRE 3

47 5 NOTEZ Clarisse heeft gewinkeld. Schrijf de prijzen voluit in het Frans achter haar aankopen. 1 een trui voor 74,50 soixante-quatorze euros cinquante 2 een broek voor 105,75 cent cinq euros soixante-quinze 3 een T-shirt voor 15,95 quinze euros quatre-vingt-quinze 4 sportschoenen voor 99 quatre-vingt-dix-neuf euros 5 laarzen voor 250, 45 deux cent cinquante euros quarante-cinq 6 PARLEZ Kijk naar opdracht 5 en volg het voorbeeld. Een klasgenoot vraagt in het Frans hoeveel de aankopen kosten; jij geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Exemple: Le pull, c est combien? Le pull, ça fait soixante-quatorze euros cinquante. 1 Le pantalon, c est combien? Le pantalon, ça fait cent cinq euros soixante-quinze. 2 Le T-shirt, c est combien? Le T-shirt, ça fait quinze euros quatre-vingt-quinze. 3 Les baskets, c est combien? Les baskets, ça fait quatre-vingt-dix-neuf euros. 4 Les bottes, c est combien? Les bottes, ça fait deux cent cinquante euros quarante-cinq. 7 REGARDEZ ET REPONDEZ Bekijk de foto s van de photoguide op blz. 47 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Over welke sport gaat foto A? over tennis 2 Wat is de betekenis van het bord op foto A? Tennis is een sport voor iedereen. 3 Bij welk tennistoernooi is foto C genomen? Roland Garros 4 Welk nummer heeft de trap van de spelerstribune? nummer 4 5 Wat betekent het als je daar mag zitten? eigen antwoord, bijv.: Dat je een mooie, luxe plek hebt. 8 COMBINEZ Combineer de vetgedrukte Franse zinsdelen met de Nederlandse betekenissen. 1 Tu joues au rugby sur les terrains de rugby. a zij heet 1 + d 2 Je regarde aussi des matches de rugby. b ik ben dol op 2 + g 3 Elle s appelle le XV de France. c ik luister naar 3 + a 4 J adore l équipe française. d jij speelt 4 + b 5 J écoute le deuxième tube d Abd Al Malik. e zij houdt van 5 + c 6 Elle aime la chanteuse Zaz. f wij hebben een hekel aan 6 + e 7 Nous détestons le sport. g ik kijk naar 7 + f 9 REMPLISSEZ ET NOTEZ Vul de goede vorm in van het werkwoord op -er. Noteer dan de Nederlandse betekenis van de zin. 1 Je jou e au rugby à Serris. Ik speel rugby in Serris. 2 Elle écout e le rap français. Zij luistert naar Franse rap. 3 Nous jou ons au football. Wij spelen voetbal/ wij voetballen. 4 Tu détest es le sport? Heb jij een hekel aan sport? 5 Vous aim ez le rock? Houden jullie/houdt u van rockmuziek? 6 Ils ador ent le tennis. Zij zijn dol op tennis. 7 Elles regard ent un match de rugby. Zij kijken naar een rugbywedstrijd. 8 Il s appell e Alain. Hij heet Alain. 45

48 10 COMPLÉTEZ Vul de zin aan met de goede vorm van het werkwoord. 1 écouter Tu écoutes la radio? 2 adorer Nous adorons le rugby. 3 détester Elles détestent le rap. 4 jouer Vous jouez au tennis? 5 aimer Ils aiment la musique classique. 6 danser Je danse le hip-hop. 11 REMPLISSEZ TIP Na de werkwoorden aimer, adorer en détester komt altijd een bepaald lidwoord: le, la, l of les! Vul de goede vorm van het bepaald lidwoord in. 1 Il aime la danse. 2 Nous aimons le chocolat. 3 Vous détestez le foot? 4 Ils aiment l équipe de rugby. 5 J adore la musique. 6 Tu aimes le dessin? 7 Il aime les Bleus. 8 Elles adorent le tube d Abd Al Malik. 12 REMPLISSEZ Volg het voorbeeld en vul het schema in. Exemple: le prof les profs de leraren 1 la fille les filles de meisjes 2 le garçon les garçons de jongens 3 la maison les maisons de huizen 4 l école les écoles de scholen 5 le dessin les dessins de tekeningen 6 l équipe les équipes de teams 13 ÉCOUTEZ De docent noemt een telefoonnummer uit de telefoonlijst van de klas. Van wie is het telefoonnummer? Roep: C est moi! wanneer je je eigen nummer herkent. 14 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 15 NOTEZ Noteer de zinnen in het Frans. Let goed op de vorm van het bijvoeglijk naamwoord. 1 Het bureau is groot. Le bureau est grand. 2 De boekenkast is klein. La bibliothèque est petite. 3 Het meisje is groot. La fille est grande. 4 De school is modern. L école est moderne. 5 Het huis is blauw. La maison est bleue. 16 ON FINIT Schrijf een berichtje over jezelf voor het forum Le sport et la musique. Voeg een afbeelding bij je bericht. Schrijf: hoe je heet; welke sport je speelt; hoe oud je bent; welke muziek en groep je leuk vindt; van welke sport je houdt; naar welke laatste tophit je graag luistert. aan welke sport je een hekel hebt; Bewaar je bericht in je taalportfolio. 46 CHAPITRE 3

49 63 leçon 5 J aime le sport 1 ON COMMENCE 1 Houd jij van sport? Waarom wel/niet? eigen antwoord 2 Doe je aan sport? Zo ja, welke? eigen antwoord 3 Heb je andere hobby s? Zo ja, welke? eigen antwoord 4 Hoeveel tijd per week besteed je aan je sport/hobby? eigen antwoord 2 NOTEZ Maak een woordspin over het onderwerp sport op een apart blaadje. Schrijf in het midden het woord SPORT. Schrijf daaromheen tien Franse woorden die met sport te maken hebben. Gebruik zo nodig de Pages jaunes van dit hoofdstuk. 3 COMPAREZ ET COMPLÉTEZ Vergelijk je woordspin van opdracht 2 met die van je klasgenoot. Noteer beiden zoveel mogelijk woorden bij je spin. 4 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister naar de drie gesprekken op blz. 48 en 49 van je livre de textes en lees mee. Kruis aan: vrai of faux. Tekst 1 1 Olivier houdt van sport. Vrai 2 Stéphane is dol op voetbal. 3 Hij vindt het T-shirt van zijn team lelijk. Tekst 2 4 Julie houdt van computerspelletjes, Clarisse niet. 5 Clarisse vindt karate een moeilijke sport. 6 Zij heeft drie hobby s. Tekst 3 7 Saïd kijkt naar rugbywedstrijden op tv. 8 Clarisse houdt ook van rugby. 9 Clarisse tennist met haar beste vriendin. 5 CHERCHEZ ET NOTEZ Faux Zoek de Franse zinnen in de drie gesprekken en noteer deze. 1 Ik speel in het team. Je joue dans l équipe. 2 Spelen jullie ook competitie? Vous jouez aussi des compétitions? 3 Wij winnen vaak. Nous gagnons souvent. 4 Het is een hele leuke club. C est un club très sympa. 5 Ik ben dol op tekenen. J adore dessiner. 6 Dus je houdt van karate? Alors, tu aimes le karaté? 6 COMBINEZ ET PARLEZ Combineer de vraag met het juiste antwoord. Lees de vragen en antwoorden met een klasgenoot. Wissel van rol. 1 Tu aimes le sport? a Je joue avec mon copain Olivier. 1 + c 2 Tu détestes le rugby? b Il est très bon. 2 + f 3 Le tennis, c est facile? c Oui, j adore le sport, surtout le foot. 3 + e 4 Tu es dans quel club? d Oui, je regarde souvent le hockey. 4 + h 5 Comment tu trouves l entraîneur? e Non, c est très difficile. 5 + b 6 Avec qui tu joues au tennis? f Oui, c est bête. 6 + a 7 Tu regardes le sport à la télé? g Non, je préfère le BMX. 7 + d 8 Tu préfères quel sport? Le basket? h Je suis dans un club de karaté. 8 + g 47

50 7 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Bestudeer de uitspraakregels op blz. 49 van je livre de textes. Luister naar de woorden en spreek ze na. Luister nog een keer en controleer of je ze goed hebt uitgesproken. 1 champagne ligne gagner eau-de-cologne 2 dix-huit depuis juillet l équipe 3 l entraîneur vestiaire j aime 4 premier devant sonnerie 8 PHOTODICO 5 compétition activité télé 6 père après troisième 7 tête fenêtre bête 8 regarde chanteuse Française Bekijk de photodico op blz. 49 van je livre de textes. Lees de volgende chat tussen Georges en Annick. Maak de zinnen af met woorden uit de photodico. 1 Georges: Tu aimes le sport? 2 Annick: Ah oui, j aime le judo et le karaté. 3 Georges: Tu regardes le match de foot à la télé? Les Bleus sont spectaculaires! 4 Annick: Ah non, je déteste le foot. Maintenant je joue aux jeux vidéo dans ma chambre. 5 Georges: Tu as un ordinateur dans ta chambre? 6 Annick: Oui, et j ai aussi une guitare. J adore la musique. 7 Georges: Moi, non! J ai un autre hobby, c est le dessin. 9 PARLEZ De meisjes spelen de rol van Juliette, een Frans meisje. Gebruik de gegevens hieronder. De jongens stellen de vragen en de meisjes antwoorden in hele, Franse zinnen. Wissel daarna van rol. De jongens spelen nu de rol van Michel en de meisjes stellen de vragen. Leer beide rollen uit je hoofd. Prénom: Juliette Prénom: Michel Ville: Brest Ville: Paris Âge: 15 ans Âge: 14 ans Sport: le judo +, le rugby Sport: le foot +, le tennis Club: + Équipe: + Entraîneur: + Entraîneur: + 1 Tu t appelles comment? Je m appelle Juliette/Michel. 2 Tu habites où? J habite à Brest/Paris. 3 Tu as quel âge? J ai quinze ans/quatorze ans. 4 Qu est-ce que tu aimes comme sport? J aime le judo/le foot. 5 Tu détestes quel sport? Je déteste le rugby/le tennis. 6 Tu joues au judo/foot? Oui, je joue au judo/au foot. 7 Tu joues dans un club/une équipe? Oui, je joue dans un club sympa/une équipe sympa. 8 Et ton entraîneur, il est comment? Il est très bon. 48 CHAPITRE 3

51 10 PARLEZ Je wordt geïnterviewd voor een Franse schoolkrant. Je klasgenoot is de journalist(e). Hij/zij stelt je een paar persoonlijke vragen. Geef antwoord met je eigen gegevens. Maak hele, Franse zinnen. Wissel daarna van rol. Leer je eigen rol uit je hoofd. 1 Bonjour, comment tu t appelles? 2 Zeg je naam. Je m appelle 3 Tu es Français(e)? 4 Zeg dat je Hollander/Hollandse bent. Non, je suis Hollandais(e). 5 Tu habites où en Hollande? 6 Zeg in welke plaats je woont. J habite à 7 Tu as quel âge? 8 Zeg je leeftijd. J ai ans. 9 Les Français adorent le rugby. Et toi, tu aimes le rugby? 10 Zeg dat je van rugby houdt of dat je het niet leuk vindt. Oui, j aime / Non, je déteste le rugby. 11 Tu préfères quel sport? 12 Noem één sport die je leuker vindt. Je préfère 13 Tu joues...? 14 Zeg dat je die sport beoefent of antwoord met non.. Oui, je joue / Non. 15 Tu as d autres hobbies? 16 Noem één of twee hobby s. eigen antwoord 17 Merci de cette interview. 18 Neem afscheid. Au revoir. 11 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden en de expressions van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 12 NOTEZ ET PARLEZ Vorm een groepje van vier. Verzamel samen zoveel mogelijk Franse namen van sporten. Noteer ze met het bepaald lidwoord (le, la, l ). Gebruik zo nodig een woordenboek Nederlands-Frans. Stel elkaar dan om beurten een vraag over een sport. Begin je vraag met: Tu aimes? Tu adores? Tu préfères? Tu détestes? Begin je antwoord met: Oui, j aime O ui, j adore Non, je préfère Non, je déteste Question Exemple: Tu aimes le ski? 13 ON FINIT Réponse Non, je déteste le ski. Je houdt een interview in het Frans met een klasgenoot. Jij stelt de vragen; de ander geeft antwoord. Als de docent zegt Changez! dan ga je één plaats naar achteren. Je gaat verder met je vragen. Zegt de docent nog eens Changez! dan ga je weer een plaats naar achteren. Als de docent zegt Changez de rôle! dan geef jij de antwoorden. 1 Hoe heet je? Tu t appelles comment? 2 Hoe oud ben je? Tu as quel âge? 3 Waar woon je? Tu habites où? 4 Waar houd je van? Qu est-ce que tu aimes? 5 Waar heb je een hekel aan? Qu est-ce que tu détestes? 6 Speel je hockey? Tu joues au hockey? 7 Houd je van computerspelletjes? Tu aimes les jeux vidéo? 49

52 63 leçon 6 Voilà la France 1 ON COMMENCE Bekijk de foto s. Lees de titels boven de teksten op blz. 50 en 51 van je livre de textes. Maak de zinnen af. 1 Deze les gaat over de Fransen en sport. 2 De onderwerpen van de drie teksten zijn: de autoraces van Le Mans, de Tour de France, jeu de boules. 2 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 op blz. 50 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Welke sporten worden er in tekst 1 genoemd? autoraces, voetballen, rugby en tennis 2 Welke twee stadions in Parijs worden genoemd? Stade de France (o.a. voetbal), Roland Garros (tennis) 3 Waar ligt Le Mans? in het westen van Frankrijk 4 Waardoor is Le Mans bekend? door het circuit en door een autorace van 24 uur 5 Wat wordt je aangeraden als je van videospelletjes houdt? het spel 24 uur van Le Mans te kopen 3 COMBINEZ Combineer de Franse met de Nederlandse woorden. 1 la ville a snel 1 + e 2 célèbre b natuurlijk 2 + c 3 l ouest c beroemd 3 + f 4 par exemple d jij kent 4 + g 5 bien sûr e de stad 5 + b 6 tu connais f het westen 6 + d 7 vite g bijvoorbeeld 7 + a 4 COMMENT DIT-ON? Lees tekst 1 nog een keer. Hoe zeg je deze zinnen in het Frans? 1 In Frankrijk doet men aan sport. En France on fait du sport. 2 Men kijkt naar de grote wedstrijden. On regarde les grands matchs. 3 Ken je de autorace van Le Mans? Tu connais la course automobile du Mans? 4 Houd je van snelheid? Tu aimes la vitesse? 5 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 2 op blz. 50 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat wordt er over de Tour de France gezegd? Zowel Fransen als buitenlanders houden ervan. 2 In welke maand is de Tour de France? in de maand juli 3 Wanneer werd de Tour voor het eerst gereden? in Waar is de start ieder jaar? in een plaats in Frankrijk of een ander land 5 Waar was de start in 2010? in Rotterdam 6 En waar is de aankomst altijd? in Parijs op de Champs-Élysées 6 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees tekst 2 nog een keer. Noteer de gegevens die bij de getallen horen wielrenners 2 12 miljoen kijkers langs de weg organisatie en journalisten 4 20 tot 40 aantal steden in de etappes 50 CHAPITRE 3

53 kilometers, afgelegde afstand meter, hoogste top 7 45 kilometer per uur, gemiddelde snelheid 7 DEVINEZ ET NOTEZ Vul de betekenissen van de Franse woorden in. Je kunt ze uit het tekstverband afleiden of je kunt ze raden. Noteer nog twee Franse woorden uit de tekst, waarvan je de Nederlandse betekenis denkt te weten. Frans Nederlands Frans Nederlands 1 le favori de favoriet 6 le départ het vertrek 2 les étrangers de buitenlanders 7 l arrivée de aankomst 3 quel spectacle wat een schouwspel 8 le maillot jaune de gele trui 4 les coureurs de renners 9 eigen antwoord eigen antwoord 5 le sommet de top 10 eigen antwoord eigen antwoord 8 LISEZ, COCHEZ ET NOTEZ Lees tekst 3 op blz. 51 van je livre de textes. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. Controleer je antwoorden. Noteer achter de zinnen die niet kloppen het goede antwoord in het Nederlands. 1 Pétanque is een andere naam voor jeu de boules. 2 Het is een spel en geen sport. Het is ook een sport. 3 De regels zijn vrij lastig. De spelregels zijn heel eenvoudig. 4 De teams bestaan uit doublettes of triplettes. 5 Een doublette bestaat uit twee spelers met elk drie ballen. 6 Een triplette heeft drie spelers met elk drie ballen. 7 8 De cochonnet is het houten balletje waarop de spelers mikken. Degene die het dichtst bij het balletje gooit, heeft een punt. twee ballen 9 Om te winnen moet je twaalf punten halen. Je wint met 13 punten. 9 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees info France op blz. 51 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Hoe heet de bekendste en duurste avenue in Parijs? de Champs-Élysées 2 Hoe lang is deze weg? bijna 2 km 3 Noteer twee belangrijke gebeurtenissen die daar plaatsvinden. de finish van de Tour de France; het défilé / de militaire parade van 14 juli 4 Wat wordt in Frankrijk op 14 juli herdacht? het begin van de Franse revolutie 5 Welke twee grote pleinen in Parijs worden er genoemd? place de la Concorde en place de l Étoile 6 Welke twee monumenten vind je op die pleinen? De Obélisque en de Arc de triomphe 10 PARLEZ Werk samen met een klasgenoot. Ieder kiest één onderwerp: de Tour de France of het jeu de boules. Vertel aan je klasgenoot in het Frans kort iets over het onderwerp. Gebruik de gegevens uit de tekst. Wissel van beurt. Exemples : Tour de France Le Tour de France est une course cycliste en juillet. Il y a jeu de boules Le jeu de boules est un jeu ON FINIT Bekijk de site Noteer gegevens over de komende Tour de France, zoals data, vertrekpunt, parcours, etappes, enzovoort. Gebruik zoveel mogelijk Franse woorden. Bewaar alle gegevens in je taalportfolio. 51

54 Chapitre 4 Top mode leçon 1 Dans ma valise TIP 1 ON COMMENCE Bekijk de titels en de foto op blz. 56 en 57 van je livre de textes. Maak de zinnen af. 1 Dit hoofdstuk heet Top mode 2 De titel van deze les is Dans ma valise. Dit betekent: in mijn koffer. 3 De tekst links op blz. 56 is een fiche d identité / een identiteitskaart. 4 De persoon waar de tekst over gaat, heet Julie Darty. 5 De persoon op de foto is ook Julie Darty. 2 COMPLÉTEZ Lees de tekst links op blz. 56 en vul de gegevens van de persoon op de foto in. 1 Voornaam: Julie 2 Achternaam: Darty 3 Woonplaats: Serris 4 Leeftijd: 14 jaar 3 COMBINEZ Combineer de Franse met de Nederlandse woorden. 1 sortir a een grote zus 1 + e 2 regarder les films Disney b van talen houden 2 + g 3 une grande soeur c een leerling 3 + a 4 le lieu de naissance d gedichten schrijven 4 + f 5 aimer les langues e uitgaan 5 + b 6 un bénévole f de geboorteplaats 6 + h 7 un(e) élève g naar Disneyfilms kijken. 7 + c 8 un petit frère h een vrijwilliger 8 + j 9 écrire des poèmes i de hulp 9 + d 10 le secours j een broertje 10 + i 4 DEVINEZ ET NOTEZ Noteer de betekenissen van de woorden uit de tekst. Je kunt ze afleiden uit het Nederlands of het Engels. 1 la famille de familie 2 populaire populair 3 le shopping het winkelen 5 RÉPONDEZ 5 Geboorteplaats: Bergerac 6 Opleiding: Madeleine Renaud college in Serris 7 Naam en leeftijd zus: Nathalie, 16 jaar 8 Naam en leeftijd broertje: Léon, 7 jaar 4 danser dansen 5 les poèmes de gedichten 6 le sport de sport Le secours populaire français is een hulporganisatie die o.a. vakanties voor kinderen in grote steden organiseert. Lees opnieuw de tekst op blz. 56 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat zijn Julies hobby s? uitgaan, winkelen, dansen, Disneyfilms kijken, helpen bij le Secours populaire 2 Met wie is zij bevriend? met Clarisse en Damien 3 Waar houdt ze verder nog van? van talen en gedichten schrijven 4 Waar houdt ze niet van? van sport. 52 CHAPITRE 4

55 TIP 6 PARLEZ Werk samen met een klasgenoot. Spreek om beurten de telefoonnummers in het Frans uit. Zeg ook je eigen nummer in het Frans zéro six - seize - dix-huit - zéro cinq - quarante-trois zéro six - trente - cinquante et un - soixante-six - vingt-huit zéro six - dix-neuf - quarante-quatre - quatorze - soixante-dix 4 je eigen telefoonnummer eigen antwoord 7 RACONTEZ Vertel elkaar in het Frans wat je weet over Julie Darty. Kijk zo nodig in je livre de textes. Exemple: Julie Darty woont in... Je kunt het volgende vertellen: Julie Darty habite à Serris.. 1 Haar school heet / Zij is leerling van L école s appelle le / Elle est élève du collège Madeleine Renaud. 2 Ze houdt van Elle aime les langues, le shopping, danser. 3 Ze houdt niet van Elle n aime pas le sport. 4 Ze heeft een grote zus. Elle a une grande soeur de seize ans, Nathalie. 5 Het broertje heet Le petit frère s appelle Léon. 6 Haar (Ses) vrienden zijn Ses amis sont Damien et Clarisse. 8 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Luister eerst naar het liedje en beantwoord daarna de vragen. 1 Hoe is de stemming van dit liedje? heel vrolijk 2 Hoe zou dat komen? Het is vakantie. / Het gaat over een koffer pakken voor de vakantie. 3 Met welke zin begint ieder couplet? J ai mis dans ma valise. 4 Wat kan dat betekenen? Ik heb in mijn koffer gestopt.. 9 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Gebruik de Pages jaunes bij deze les. Lees eerst de woorden. Luister dan nog een keer naar het liedje en lees mee. Welke woorden hoor je? 1 quatre chemises 2 une paire de baskets 3 ma belle jupe jaune 4 la photo du chien 5 mon ballon rouge 6 des chaussettes rouges et jaunes à petits pois 10 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 11 ON FINIT Teken op een apart blad vijf voorwerpen die volgens het liedje in de koffer worden gestopt. Zet er de Franse woorden onder. Voeg er nog vijf dingen bij die jij zelf in jouw koffer zou meenemen. Bewaar de tekening in je taalportfolio. 53

(Video) Samenvatting Scheikunde voor vwo 2022 (voor uitwerkingen van examens: zie playlist)

56 64 leçon 2 Les soldes TIP 1 ON COMMENCE Bekijk de afbeeldingen op blz. 58 en 59 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat voor soort winkel zie je op de afbeelding? sportzaak, warenhuis 2 Waar kijken de jongens naar? trainingspakken 3 Wat vind je van de prijs die erbij hangt? eigen antwoord 4 Wat denk je dat soldes en promotion betekenen? uitverkoop, aanbieding 2 REGARDEZ ET NOTEZ Als je een tekst scant, zoek je alleen naar de informatie die je nodig hebt. De rest probeer je te vermijden. Scan de tekst en noteer de Franse woorden die je al kent uit het Nederlands. étage, euro, super, sport, étiquette, idée, Adidas 3 ÉCOUTEZ, LISEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 1 en lees mee op blz. 58 en 59 van je livre de textes. Onderstreep het woord dat klopt met de tekst. 1 Damien is gek op basketbal / rugby. 2 Met zijn vriend Saïd bekijkt hij trainingspakken / zwemkleding. 3 Damien en Saïd kijken naar een groen / blauw exemplaar. 4 Saïd vraagt naar de maat / prijs. 5 Het artikel is van het merk Adidas / Lacoste. 4 ÉCOUTEZ ET CHOISISSEZ Luister nog een keer naar tekst 1. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. Vrai Faux 1 In de winkel zijn altijd super aanbiedingen. 2 Damien ziet een shirt van Adidas. 3 Het shirt is de goede maat. 4 Saïd vraag waar Damien van houdt. 5 Damien draagt het liefst ruime kleding. 6 De rugbypolo s zijn erg goedkoop. 7 Bij Lafayette zijn de polo s in de uitverkoop. 8 Damien en Saïd gaan naar Lafayette. 5 COMBINEZ 6 De prijs is precies goed / veel te hoog. 7 Ze vinden het heel jammer / niet jammer. 8 In de winkel is veel keuze / weinig keuze. Combineer de Franse woorden met de Nederlandse. 1 les vêtements de sport a hoeveel 1 + f 2 le magasin b jammer 2 + h 3 le survêtement c het jack 3 + e 4 combien d de maat 4 + a 5 dommage e het trainingspak 5 + b 6 toujours f de sportkleding 6 + j 7 le blouson g wijd 7 + c 8 la taille h de winkel 8 + d 9 large i goedkoop 9 + g 10 bon marché j altijd 10 + i 9 Damien en Saïd gaan de afgeprijsde / nieuwste polo s bekijken. 54 CHAPITRE 4

57 6 PARLEZ Jullie praten in het Frans over de prijs van een shirt. Jij vraagt hoeveel het is, je klasgenoot geeft antwoord. Jij noteert zijn/haar antwoord. Wissel van rol. Jij Je klasgenoot 1 C est combien? Het is 8,50. C est huit euros cinquante. 2 C est combien? Het is 20,60. C est vingt euros soixante. 3 C est combien? eigen antwoord eigen antwoord 7 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Luister naar tekst 2. Luister vooral naar de personen en de achtergrondgeluiden. Beantwoord de vragen. 1 Hoeveel personen hoor je praten? 3 personen 2 Welke geluiden hoor je op de achtergrond? winkelgeluiden 8 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 2. Onderstreep de woorden die je hoort. vendredi / soldes / promotions / 8 heures / flash / la rentrée / les vacances / troisième étage / les filles / les professeurs 9 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister nog een keer naar het eerste deel van tekst 2 tot het woord Bravo. Onderstreep het juiste woord. 1 Il y a peu / beaucoup de monde. 2 Les promotions commencent à 8.00 / 9.00 heures. 3 Il fait chaud / beau. C est samedi. 4 Vous voulez / allez faire de bonnes affaires? 5 Une promo / vente sur tous les survêtements. 6 Sur les survêts féminins / femmes. 7 Attention! Mesdames, Messieurs, c est maintenant / aujourd hui. 8 C est tout de suite / ici. 10 ÉCOUTEZ ET REMPLISSEZ Luister naar het tweede deel van tekst 2 vanaf Bravo. Vul de woorden in die je hoort. 1 On commence par un magnifique survêt Le Coq sportif noir. 2 La promo du jour c est... 49,99 euros! 3 Vite, vite, c est au troisième étage! Rayon sport! Je répète... au troisième étage, rayon sport. 4 Un survêtement homme, de qualité, confortable et élégant. 5 Madame? Oui, taille 43, pour votre mari? Voici! 6 Et pour vous, jeune homme? Taille 40? 7 Voilà pour toi, comment tu t appelles? Saïd. 8 Tu vois Saïd, tu as une super affaire et les filles vont tomber! 11 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister nog een keer naar tekst 2. Kruis de zinnen aan die je hoort. 1 Aujourd hui c est dimanche. 2 Restez avec moi, vente flash exceptionnelle sur les jeans. 3 Les petites marques, les grandes marques. 4 Bravo pour la super promo de la rentrée. 5 La promo du jour c est soixante euros. 6 Une affaire en or. 7 Et pour toi, jeune homme? 8 Tu vois Saïd, tu as une super affaire. 55

58 12 REGARDEZ ET RÉPONDEZ Lees de zinnen. Kijk naar het filmpje zonder te luisteren. Gebruik zo nodig je pauzeknop. Beantwoord de vragen. 1 Hoeveel personen zie je? drie 2 Wat zijn dat voor personen? een mevrouw/verkoopster en twee klanten/meisjes 3 Waar zijn de personen? in een kledingzaak 4 Wat gebeurt er? een meisje past broeken 5 Hoe loopt het af? Ze koopt een broek, betaalt en gaat weg. 13 REGARDEZ ET METTEZ DANS LE BON ORDRE Lees eerst de zinnen. Kijk en luister dan naar het filmpje. Gebruik zo nodig je pauzeknop. Zet de zinnen in de goede volgorde. Noteer de volgnummers 1-6 achter de zinnen. a Margot betaalt de spijkerbroek. 6 b Margot en Juliette gaan een kledingzaak in. 1 c Margot past een zwarte broek. 2 d Margot past een spijkerbroek. 5 e De verkoopster laat een roze broek zien. 4 f Margot wil de zwarte broek niet REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Lees eerst de zinnen. Kijk en luister dan opnieuw naar het filmpje. Gebruik zo nodig je pauzeknop. Onderstreep de goede woorden. 1 Juliette en Margot gaan een broek kopen voor Juliette / Margot. 2 Er is veel / weinig keus in de winkel. 3 Ze vinden een zwarte broek die smal / ruim is. 4 De verkoopster zegt dat de broek erg in de mode / net binnen is. 5 Margot past de broek: hij is te klein / te groot. 6 Margot vindt dat zwart haar wel / niet staat. 7 Margot draagt vaak / nooit roze. 8 Juliette vindt de spijkerbroek erg mooi / lelijk. 9 De spijkerbroek is niet duur / nogal duur. 10 Margot betaalt hem contant / met een bankpas. 15 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 16 ON FINIT Maak een collage van foto s van tien verschillende kledingstukken. Schrijf in het Frans erbij: wat het is, welke kleur, welke maat, voor mannen, vrouwen, jongens of meisjes. Bewaar de collage in je taalportfolio. 56 CHAPITRE 4

59 64 leçon 3 Le shopping 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Waar koop jij graag je kleren? eigen antwoord 2 Krijg je jouw kleren of krijg je kleedgeld? eigen antwoord 3 Welk kledingstuk heb je pas gekocht? eigen antwoord 4 Hoe belangrijk is mode voor je? eigen antwoord 2 REGARDEZ ET NOTEZ Bekijk tekst 1 op blz. 60 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat voor soort teksten zijn dit? s 2 Door wie zijn ze geschreven? door Clarisse en Julie 3 Wat is het onderwerp van beide teksten? Noteer het antwoord in het Frans. Journée de shopping 4 Wat betekent dat? winkeldag 3 LISEZ ET COCHEZ Lees de twee s van tekst 1. Kruis aan of de zinnen kloppen met de tekst. 1 Julie heeft een goed idee. 2 Er bestaat een nationale dag van het winkelen. 3 Er bestaat ook een dag van de vriendelijkheid. 4 Sommige jongens houden ook van winkelen. 5 Clarisse vindt het een origineel idee. 6 Clarisse wil een wit T-shirt bestellen via internet. 7 Op de site kun je T-shirts bestellen van bekende modeontwerpers. 4 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees nog een keer de twee s van tekst 1 en vul de Franse woorden in. Kies uit: aiment organise regarde commande existe penses Noteer dan de Nederlandse betekenissen. 1 Il existe la journée des animaux. bestaat 2 Les filles aiment faire les boutiques. houden van 3 Pourquoi on n organise pas la journée du shopping? organiseren/organiseert 4 Qu est-ce que tu penses de mon idée? denk 5 On commande un T-shirt blanc. bestellen/bestelt 6 On regarde le nombre de réactions. bekijken/bekijkt 5 COMBINEZ Lees de bestellingen van Julie en Clarisse in tekst 2 op blz. 60 van je livre de textes. Combineer het kledingstuk met het merk. 1 een wit T-shirt a Converse 1 + c 2 een verwassen spijkerbroek b Zara 2 + e 3 blauwe gympen c Pimkie 3 + a 4 een gele jurk met rode bloemen d Catamini 4 + d 5 gele ballerina s e Cache-Cache 5 + b 57

60 6 LISEZ ET NOTEZ Lees nog een keer in tekst 2 de bestellingen van Julie en Clarisse. Beantwoord de vragen. 1 Wat bestelt Julie voor 9,99? een tas bij Pimkie 2 Op wat voor een kledingstuk staat een konijn? op een wit T-shirt 3 Waar houdt Clarisse niet van? de stijl van Fifi lapin/fifi konijn 4 Van welke stijl houdt zij wel? de romantische stijl 5 Wat koopt zij bij Catamini? een gele jurk met rode bloemen en een blauw spijkerjack 6 Wat koopt Clarisse voor 19,95? gele ballerina s 7 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 3 op blz. 61 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Voor wie kopen de meisjes parfum en waarom? voor de verjaardag van de moeder van Julie 2 Welke vorm heeft het flesje? van een mobieltje 3 Welke kleur heeft het flesje? roze 4 Bij welke gelegenheid geef je Play noir? voor Vaderdag 8 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 4 op blz. 61 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. Gebruik de woordenlijst, of zonodig je (online) woordenboek. 1 Wat kun je makkelijk zelf maken? 2 Wat heb je ervoor nodig? een schoudertas een (te kleine) spijkerbroek 3 En welke accessoires? glittertjes, stickers en strass 4 Wat kun je er nog meer van maken? een mooi etui 5 Aan wie kun je hulp vragen? aan een volwassene 9 LISEZ ET METTEZ DANS LE BON ORDRE Lees het stukje Fabrication in tekst 4 van je livre de textes. Zet de zinnen in de goede volgorde. Noteer de volgnummers 1-4 achter de zinnen. 1 Gebruik je fantasie om je tas te pimpen. 3 2 Knip de spijkerbroek af. 1 3 Stik de afgeknipte spijkerbroek om de bodem van de tas te maken. 2 4 Houd je niet van versierde tassen? Maak een leuk etui voor je vriend of vriendin REMPLISSEZ Vul het werkwoord in de goede vorm in. 1 être Nous sommes à l école. 2 adorer J adore faire du shopping! 3 avoir Il a quinze ans. 4 aimer Vous aimez Zaz? 5 regarder Elle regarde la télé. 6 être Elles sont au terrain de rugby. 7 détester Ils détestent le hockey. 8 avoir Tu as quel âge? 58 CHAPITRE 4

61 11 NOTEZ ET METTEZ DANS LE BON ORDRE Noteer eerst de betekenis van de zinnen. Noteer de nummers 1-8 achter de zinnen, zodat er een gesprek ontstaat. Frans Nederlands Volgnummer a Au revoir! Tot ziens! 8 b Je voudrais un pull rouge, s il vous plaît. Ik wil graag een rode trui. 2 c Voilà, ça fait vingt euros. Alstublieft, 20 euro. 7 d D accord, je voudrais le pull noir. Oké, ik wil graag de zwarte trui. 4 e Ça fait dix-neuf euros quatre-vingt-dix-neuf. Dat kost 19 euro f Ça fait combien? Hoeveel kost dat? 5 g Bonjour. Goedendag. 1 h Je n ai pas de pull rouge. J ai un pull noir. Ik heb geen rode trui. Ik heb een zwarte trui PARLEZ Voer samen met een klasgenoot het Franse gesprek uit opdracht 11. Wissel van rol. 13 L ALPHABET De klas wordt verdeeld in vier groepen. Elke groep zoekt voor elke letter van het alfabet een Frans woord dat met kleding te maken heeft. Jullie krijgen hiervoor vijf minuten de tijd. Welke groep heeft de meeste woorden gevonden? Gebruik zo nodig een (digitaal) woordenboek! 14 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 15 CHERCHEZ ET COMBINEZ Wat koopt Clarisse bij Pimkie? Combineer de Franse namen van de kledingstukken met de Nederlandse. 1 manteau court coloris rouge a verwassen korte spijkerbroek 1 + e 2 débardeur bleu marine b gympen met nepbont 2 + g 3 short en jean délavé c minirok met zwart kant 3 + a 4 robe en jean boutonnée d muts met pompoen 4 + f 5 mini-jupe noir dentelle e korte rode jas 5 + c 6 short noir ceinturé f spijkerjurk met knopen 6 + h 7 baskets fausse fourrure g marineblauw topje 7 + b 8 bonnet à pompon h zwarte korte broek met riem 8 + d 16 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees het boekje Le lièvre et la tortue. Vul het werkblad in. Noteer op je werkblad ook drie vragen die je jezelf tijdens het lezen stelt. Bewaar het ingevulde werkblad in je taalportfolio. 17 ON FINIT Maak een reclameposter voor een sportwinkel of een modewinkel. Het volgende komt erop te staan: zeven verschillende kledingstukken de prijzen voor welke winkel het is een Frans adres van de winkel een mooie Franse reclametekst. Bewaar de reclameposter in je taalportfolio. 59

62 46 leçon 4 Commande en ligne 1 ON COMMENCE Lees de titel van de les. Bekijk de teksten op blz. 62 en 63 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat betekent de titel van de les? bestelling op internet 2 Waar gaat deze les over? over het kopen en bestellen van kleding 3 Welke kledingmerken kom je in de teksten tegen? Adidas en Cache-Cache 2 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 1. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 Clarisse en Julie gaan naar de verjaardag van Damien. 2 Damien wil een geel T-shirt of een petje. 3 Clarisse wil het gele T-shirt kopen. 4 Julie stelt voor een blauw petje te kopen. 3 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees tekst 2. Onderstreep het juiste woord. 1 Julie weet al / nog niet wat ze aan gaat trekken op de verjaardag van Damien. 2 Clarisse gaat een zwarte / blauwe rok bestellen op internet. 3 Clarisse vindt een korte / lange rok met een grote / kleine riem leuk. 4 De rok combineert ze met een blauwe / zwarte legging en zwarte laarzen / schoenen. 5 Ze gaat ook een rode / gele trui met een kleine / grote rolkraag bestellen. 6 Julie en Clarisse spreken af om vandaag / morgen een petje voor Damien te kopen. 4 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 3 op blz. 63 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat betekent formulaire de commande? bestelformulier 2 Wat is het eindbedrag van haar bestelling? 54,49 3 Wat is het Franse woord voor levering? livraison 4 Hoeveel verzendkosten moet ze betalen? geen / 0 euro 5 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek in tekst 1 en 2 naar de Franse zinnen. Noteer deze. 1 Binnenkort is het de verjaardag van Damien. C est bientôt l anniversaire de Damien. 2 Wat wil hij? Qu est-ce qu il veut? 3 Waarom koop je het T-shirt niet? Pourquoi tu n achètes pas le T-shirt? 4 Nemen we een wit petje? On prend une casquette blanche? 5 Hij trekt vaak blauw aan. Il met souvent du bleu. 6 Wat trek jij aan? Qu est-ce que tu mets? 7 Ik weet het nog niet. Je ne sais pas encore. 8 Ik bestel een blauwe rok op internet. Je commande une jupe bleue en ligne. 6 PHOTOGUIDE Bekijk de foto s van de photoguide. Noteer de letter van de foto achter de beschrijving. 1 modewinkel Mijn goudvis C 2 zomerkorting A 3 modewinkel Kers B 60 CHAPITRE 4

63 7 PHOTOGUIDE Kijk naar foto 1. Noteer de goede kleuren in het Nederlands. Kijk zo nodig in de Pages jaunes. 1 20% korting op de artikelen met groene etiketten 2 30% korting op de artikelen met gele etiketten 8 ÉCRIVEZ ET DEVINEZ 3 40% korting op de artikelen met paarse etiketten 4 50% korting op de artikelen met rode etiketten Kies een foto uit de photoguide. Beschrijf deze foto. Gebruik de volgende zinnen als voorbeeld. Lees je beschrijving voor aan een klasgenoot. Hij/zij raadt om welke foto het gaat. Wissel daarna van rol. 1 C est une boutique. 2 a Elle s appelle Cerise / Mon poisson rouge. b Il y a des remises d été. 3 Il y a des pulls, des jupes, des pantalons, des casquettes. 9 REMPLISSEZ ET PARLEZ Vul de juiste vorm van mettre in. Oefen de vragen en antwoorden met een klasgenoot. Wissel van rol. Kies uit: Questions mets mets met mettons mettez mettent Réponses 1 Vous mettez un pull rouge? Oui, nous mettons un pull rouge. 2 Tes copains mettent un pantalon noir? Oui, ils mettent un pantalon noir. 3 Clarisse, tu mets une jupe courte? Oui, je mets une jupe courte. 4 Julie met un legging bleu? Non, elle met un legging noir. 5 Damien met une casquette blanche? Non, aujourd hui, il met une casquette bleue. 10 REMPLISSEZ Vul in: ne of n. 1 Julie n aime pas le pull rouge. 5 Mes copains n aiment pas le rugby. 2 Elle ne met pas le pull rouge. 6 Ton frère ne va pas à l anniversaire de Damien? 3 Le rouge, ce n est pas joli! 7 Je ne sais pas. 4 Ses casquettes ne sont pas moches. 8 Vous n êtes pas à la maison demain soir? 11 SOULIGNEZ ET ÉCRIVEZ Onderstreep de persoonsvorm in de zin. Maak dan de zin ontkennend. Schrijf de zin over met ne pas / n pas op de juiste plaats. 1 Le bleu va bien avec le jaune. Le bleu ne va pas bien avec le jaune. 2 Le T-shirt blanc est très chouette. Le T-shirt blanc n est pas très chouette. 3 Les bottes sont trop grandes. Les bottes ne sont pas trop grandes. 4 Damien aime les casquettes. Damien n aime pas les casquettes. 5 Julie met la jupe noire. Julie ne met pas la jupe noire. 6 Nous commandons la casquette blanche. Nous ne commandons pas la casquette blanche. 12 NOTEZ ET RÉPONDEZ Lees de vraag. Noteer het antwoord met ne pas / n pas. Oefen de vragen en antwoorden met een klasgenoot. Wissel van rol. 1 Tu aimes la jupe de Clarisse? Non, je n aime pas la jupe de Clarisse. 2 Clarisse achète le T-shirt jaune? Non, elle n achète pas le T-shirt jaune. 3 Vous regardez le rugby à la télé? Non, nous ne regardons pas le rugby à la télé. 4 Tes parents commandent en ligne? Non, ils ne commandent pas en ligne. 61

64 13 REMPLISSEZ Vul de juiste vorm van het Franse bijvoeglijk naamwoord in. 1 geel Damien veut un T-shirt jaune parce qu il aime les T-shirts jaunes. 2 wit Clarisse veut acheter une casquette blanche pour Damien. 3 kort Clarisse commande une jupe courte en ligne parce qu elle aime bien les jupes courtes. 4 blauw Avec sa jupe bleue, elle met un legging bleu. Elle adore les leggings bleus! 5 zwart Clarisse met des bottes noires. C est top avec sa ceinture noire! 6 rood Je commande un pull rouge ou deux pulls rouges? 14 REMPLISSEZ ET PARLEZ TIP In een antwoord op een vraag verandert jij in ik ; en jouw in mijn. Ta wordt ma ; ton wordt mon ; tes wordt mes. Lees de vraag. Vul het juiste bezittelijk voornaamwoord in het antwoord in. Lees daarna de vragen hardop voor en laat een klasgenoot het juiste antwoord geven. Wissel daarna van rol. 1 C est ta jupe? Oui, c est ma jupe. 3 Ce sont tes bottes? Oui, ce sont mes 2 C est ton pull? Oui, c est mon pull. bottes. 15 REMPLISSEZ ET TRADUISEZ Volg het voorbeeld. Lees de vraag. Vul het goede bezittelijk voornaamwoord in het antwoord in. Noteer het antwoord in het Nederlands. Exemple: C est le père de Damien? Oui, c est son père. Ja, het is zijn vader. Question Réponse Vertaling 1 C est la mère de Damien? Oui, c est sa mère. Ja, het is zijn moeder. 2 Ce sont les copains de Damien? Oui, ce sont ses copains. Ja, het zijn zijn vrienden. 3 C est le père de Julie? Oui, c est son père. Ja, het is haar vader. 4 C est la mère de Julie? Oui, c est sa mère. Ja, het is haar moeder. 5 Ce sont les copains de Julie? Oui, ce sont ses copains. Ja, het zijn haar vrienden. 16 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les uit de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 17 ON FINIT Stel, je wilt een trainingspak en een jack voor jezelf bestellen. Vul jouw gegevens in op de bestelbon. Vul dan het aantal, de maat en de kleur van de kledingstukken in. MA COMMANDE Nom: eigen antwoord Prénom: eigen antwoord Adresse de la commande: eigen antwoord Code postal: eigen antwoord Ville: eigen antwoord Pays: eigen antwoord Téléphone: eigen antwoord eigen antwoord Article Nombre Taille Couleur 1 eigen antwoord 1 eigen antwoord eigen antwoord 2 eigen antwoord 1 eigen antwoord eigen antwoord Livraison gratuite 62 CHAPITRE 4

65 64 leçon 5 C est à la mode! 1 ON COMMENCE Bekijk de afbeelding op blz. 64 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Voor welke winkel staan Damien en Olivier? voor een sportkledingwinkel. 2 Waar koop jij dit soort kleding? eigen antwoord 2 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister naar de drie gesprekken. Kruis aan wat de jongeren leuk vinden. Olivier Damien Julie Clarisse 1 het rode jack 2 de grijze jurk 3 de witte rok 4 de blauwe rok 5 de witte trui 3 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Luister nogmaals naar gesprek 1 en lees mee op blz. 64 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat vindt Damien van de mode? 2 En Olivier? Hij heeft een hekel aan mode. Hij houdt van mode. 3 Hoe koopt Damien zijn kleding? via internet 4 Waarom doet hij dat? Het is praktisch. 4 ÉCOUTEZ, LISEZ ET COCHEZ Luister naar gesprek 2 en lees mee. Kruis het juiste antwoord aan. 1 La robe grise est très à la mode. 2 Clarisse n aime pas la coupe de la robe. 5 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Vrai Faux Vrai Faux 3 La jupe blanche est chouette. 4 Clarisse préfère la jupe bleue. Luister naar gesprek 3 en lees op blz. 65 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Past de rok Clarisse goed? Nee, hij is te groot. 2 Wat vraagt Clarisse aan Julie? Of de rok er ook in maat 36 is. 3 Wat vindt Julie van de prijs? Het is niet duur. 4 Koopt Clarisse de witte trui? Waarom wel/niet? Nee, hij is te duur. 5 Wat koopt Clarisse uiteindelijk? de blauwe rok 6 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek in de drie teksten naar de Franse zinnen. Noteer deze. Tekst 1 1 Hij is echt geweldig. Il est vraiment super. 2 Het is niet in de mode. Ce n est pas tendance. 3 Ik ben het er niet mee eens. Je ne suis pas d accord. Tekst 2 4 Een grijze jurk, dat is lelijk! Une robe grise, c est moche! 5 Ik wil graag de blauwe rok passen. Je voudrais essayer la jupe bleue. Tekst 3 6 Staat die me goed? Elle me va bien? 7 Ik vind de kleur mooi. J aime bien la couleur. 8 Het is te duur. C est trop cher. 63

66 7 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Bestudeer de uitspraakregels op blz. 65 van je livre de textes. Luister naar de woorden en spreek ze na. Luister nog een keer en controleer of je ze goed uitgesproken hebt. 1 citron voici c est super tendance 2 couleur Cache-Cache col cuisine 3 français garçon ça va bien 8 COMBINEZ ET PARLEZ 4 chaussette animaux jaune mauve 5 tableau nouveau Bordeaux Combineer de vraag met het beste antwoord. Oefen daarna de vragen en antwoorden met een klasgenoot. Wissel van rol. 1 On achète un T-shirt? a Non, je n aime pas le noir. 1 + c 2 C est cher? b Oui, bien sûr. Voilà. 2 + e 3 Il me va bien, le jean bleu? c Non, on achète un pull. 3 + f 4 Il existe aussi en taille 40, madame? d Non, elle est moche. 4 + b 5 Tu veux le blouson noir? e Non, c est bon marché. 5 + a 6 Tu aimes la jupe beige? f Non, il est trop petit. 6 + d 9 PHOTODICO Voor je verjaardag krijg je een pakket van vijf kledingstukken in allerlei kleuren, en een mooie rugzak. Kijk naar de photodico en stel dit feestpakket samen. Het mag niet hetzelfde zijn als in de photodico. eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord 10 PARLEZ eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord Je Franse oma komt een paar dagen bij jullie op bezoek en ze wil je graag verwennen. Oefen dit gesprek in het Frans met een klasgenoot, die je oma speelt. Geef met hele zinnen antwoord. Wissel daarna van rol. 1 Tu aimes la mode de cette saison (dit seizoen)? 2 Antwoord bevestigend. Je houdt van mode. Oui, j aime la mode. 3 Où tu achètes tes vêtements? 4 Noem de winkel waar je kleding koopt. J achète mes vêtements à 5 Tu veux faire du shopping? 6 Reageer enthousiast. Zeg dat je dol bent op winkelen. Super! J adore le shopping. 7 Allez, viens! Qu est ce que tu veux acheter? 8 Je wilt sportschoenen. Je voudrais/veux des baskets. 9 Des baskets blanches, brunes, noires? 10 Je wilt t liefst zwarte sportschoenen. Je préfère les baskets noires. 11 Qu est-ce que tu veux encore? 12 Je wilt een trui en een groen jack. Je voudrais/veux un pull et un blouson vert. 13 Bon, on va en ville. 14 Bedank je oma. Merci, mamie. 64 CHAPITRE 4

67 11 PARLEZ Jullie vervolgen dit gesprek met oma in een kledingzaak. Jij speelt nu oma en begint het gesprek. Gebruik weer hele zinnen. Wissel van rol. Leer beide rollen uit je hoofd. 1 Oh, regarde le pull gris! C est quelle taille? 2 Zeg dat het maat 36 is. C est taille Tu aimes le pull? 4 Je vindt hem lelijk. Je vindt de kleur niet leuk. Le pull est moche. / C est moche. Je n aime pas la couleur. 5 Et voilà un blouson vert. 6 Je vindt het jack wel leuk. Le blouson est chouette. / J aime le blouson. 7 Tu veux essayer le blouson? 8 Je wilt het jack passen. Je veux / je voudrais essayer le blouson. 9 Oh, il est joli! 10 Je vindt ook dat het jack je goed staat. Il / Le blouson me va bien. 11 C est combien, le blouson? euro. Het is niet duur. Soixante euros. Ce n est pas cher. / C est bon marché. 13 Pas mal. On achète les baskets noires maintenant? 14 Reageer enthousiast. Zwarte sportschoenen, dat is in de mode. 12 COMMENT DIT-ON? Super! Les baskets noires, c est tendance/à la mode. Noteer de zinnen in het Frans. Maak zo nodig gebruik van de teksten op blz. 64 en 65 van je livre de textes. Lees daarna de zinnen met een klasgenoot. De één leest de Nederlandse zin, de ander de Franse zin. Wissel van rol. 1 Kijk eens naar het grijze jack! Regarde le blouson gris! 2 Ik hou niet van mode. Je n aime pas/je déteste la mode. 3 Ik koop de rode rok. J achète la jupe rouge. 4 Wil je een zwarte trui? Tu veux un pull noir? 5 De witte jurk is te klein. Jammer! 6 Een blauwe spijkerbroek is niet origineel. La robe blanche est trop petite. Dommage! Un jean bleu n est pas original. 7 De mooie jurk is niet duur. La jolie robe n est pas chère. 8 Is die er ook in maat 38? Il/elle existe aussi en taille trente-huit? 13 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden en de expressions van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 14 ON FINIT [W] Maak een collage uit modetijdschriften van een mannelijke of vrouwelijke mannequin. Geef hem/haar een Franse naam. Op school ga je jouw collage beschrijven aan een klasgenoot. Noteer de zinnen die je daarvoor nodig hebt. Neem je collage en je beschrijving mee naar school. Je klasgenoot tekent wat jij beschrijft. Wissel daarna van rol. Exemple: Fabienne a une casquette jaune Bewaar je collage, je beschrijving en de tekening die je klasgenoot heeft gemaakt in je taalportfolio. 65

68 46 leçon 6 Voilà la France 1 ON COMMENCE Bekijk de afbeeldingen, de titel en de kopjes van de vier teksten op blz. 66 en 67 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat kom je te weten in tekst 1? de favoriete stijl van Julie en Clarisse 2 Wat zijn de Galeries Lafayette en Le Bon Marché? warenhuizen 3 Wat is de Marché aux Puces? de vlooienmarkt 2 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1. Beantwoord de vragen. 1 Waar zijn Julie en Clarisse? op het schoolplein 2 Wat voor weer is het? Het is koud. 3 Welke dag is het? Het is vrijdag. 4 Wat gaan Julie en Clarisse morgen doen? winkelen 5 Waar en hoe laat spreken ze af? voor het RER-station om 9 uur 3 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 1 nog een keer. Waar kopen Clarisse en Julie hun artikelen en wat is hun kledingstijl? Kruis de juiste namen aan. Meer antwoorden kunnen goed zijn. Galeries Lafayette Le Bon Marché Marché aux Puces 1 le manteau 2 les chaussures 3 le livre Favoriete kledingstijl 4 Clarisse 5 Julie 4 RÉPONDEZ Lees tekst 2. Beantwoord de vragen. 1 Wat kun je in de Galeries Lafayette kopen? Noteer drie dingen. parfums, make-up, kleding 2 Wie zijn: Jean Paul Gaultier, Christian Lacroix, Yves Saint-Laurent en Sonia Rykiel? Franse modeontwerpers 3 Weet jij nog een naam van iemand met ditzelfde beroep? eigen antwoord 5 COMBINEZ Lees Chiffres clés in tekst 2. Combineer de cijfers met de gegevens die erbij horen a werknemers 1 + c b winkels in Frankrijk 2 + a 6 RÉPONDEZ c klanten per dag 3 + d 4 63 d oppervlakte van de Galeries Lafayette 4 + b Lees tekst 3 op blz. 66 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat is het Franse woord voor warenhuis? grand magasin 2 Hoe heette het allereerste warenhuis? Au Bon Marché 3 Hoe heet het nu? Sinds wanneer? Le Bon Marché, sinds Lijkt dit warenhuis meer op de Hema of meer op de Bijenkorf? de Bijenkorf 5 Aan welke Franse woorden heb je dat gezien? élégant, raffiné 6 Wat kun je kopen op de afdeling le Théâtre de la Beauté? make-up, cosmetica 66 CHAPITRE 4

69 7 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 4 en kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. 1 Le Marché aux Puces est un grand magasin. 2 Il est ouvert tous les jours. 3 Il y a environ commerçants. 4 Le Marché aux Puces est intéressant pour les cinéastes. 5 Il y a un bureau de Tourisme près du Marché aux Puces. 8 COMBINEZ Lees tekst 4 nog eens. Wat kun je op de Marché aux Puces kopen? Combineer de Franse met de Nederlandse woorden. 1 des vêtements d occasion a schilderijen 1 + d 2 des antiquités b speelgoed 2 + e 3 des jouets c apparaten 3 + b 4 des livres d tweedehands kleding 4 + f 5 des tableaux e antiek 5 + a 6 des appareils f boeken 6 + c 9 ON FINIT Ga naar Google.fr. We gaan een kijkje nemen op de site van de Galeries Lafayette. Typ Galeries Lafayette in. Klik de page d accueil aan. Beantwoord de vragen. 1 Ga naar het menu Nos magasins en klik dan Accueil aan. Op welke dag sluit Galeries Lafayette later? donderdag 2 Wanneer wordt een aankoop gratis bezorgd? Als je voor 100 euro of meer koopt. 3 Binnen hoeveel dagen mag je een artikel terugbrengen? 15 dagen Vrai Faux De jongens klikken Hommes aan; de meisjes klikken Femmes aan. Gebruik een woordenboek. 4 Noteer drie accessoires die je graag wilt hebben in het Nederlands. Eigen antwoord Klik aan: Nos magasins. 5 Hoeveel Galeries Lafayette zijn er in Parijs? twee 6 Hoeveel Galeries Lafayette zijn er in het buitenland? In welke steden? twee, in Berlijn en Dubaï Klik les restaurants aan. Beantwoord de vragen. 7 Op welke etage heb je een prachtig uitzicht op La Coupole? tweede etage 8 Vanaf welke etage heb je uitzicht over heel Parijs? achtste etage Ga naar Accueil. Klik het Plan d accès aan. 9 Hoe heet het dichtstbijzijnde metrostation bij Galeries Lafayette Paris Haussmann? Chaussée D Antin-La Fayette Tot slot wil je vanaf het metrostation bij de Galeries Lafayette naar de Marché aux Puces de Saint-Ouen. Station: Porte de Clignancourt. Ga naar en typ Métro Paris in; klik Plan métro aan. 10 Waar stap je over om naar de Marché aux Puces te gaan? Gare de l Est 11 Welk nummer heeft deze metrolijn? 4 Print de plattegrond van de metro uit. Zet een kruisje bij het begin- en eindpunt van je tripje. Bewaar de antwoorden van deze opdracht en de plattegrond in je taalportfolio. 67

70 Chapitre 5 Mon collège et moi leçon 1 Je n aime pas l école TIP TIP 1 ON COMMENCE Het woord niet is in het Frans ne pas of n pas. In spreektaal wordt ne soms weggelaten! Bekijk blz. 72 en 73 van je livre de textes. Maak de zinnen af. 1 Dit hoofdstuk heet Mon collège et moi 2 De titel van deze les is Je n aime pas l école. Dat betekent Ik houd niet van school. 3 De les bestaat uit twee verschillende teksten: een identiteitskaart en een liedje. 4 De jongen op de foto heet Stéphane (Courtin). 5 Het liedje heet J aime pas l école. Het woordje n ontbreekt. Dat gebeurt vaak in spreektaal. 2 LISEZ ET COCHEZ Lees de tekst op blz. 72 van je livre de textes. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. Noteer de goede woorden achter de zinnen die faux zijn. Vrai Faux 1 Stéphane is 17 jaar. 2 Hij woont bij zijn moeder. bij zijn vader 3 Hij is geboren in Libourne. in Bordeaux 4 Zijn broer heet Damien. 5 Damien heeft een rockband. Stéphane 6 Estelle Bellefontaine is zijn moeder. 7 Hij zit op de middelbare school (bovenbouw) in Libourne. 8 Hij houdt van de strips van Astérix. Kuifje 9 In de zomer werkt hij in Parijs bij een muziekfestival. La Rochelle (les Francofolies) 3 DEVINEZ ET NOTEZ De betekenis van een Frans woord kun je vaak raden omdat het lijkt op het Engels of het Nederlands. Soms begrijp je de betekenis van een woord ook door het zinsverband. Raad de Nederlandse betekenissen van de woorden uit het fiche d identité. Noteer deze. 1 le leader du groupe de leider van de groep 2 le skate het skaten 3 les aventures de avonturen 4 habite woont 5 travaille werkt 6 voie technologique richting techniek 4 REMPLISSEZ TIP De bezittelijke voornaamwoorden son, sa betekenen niet alleen zijn maar ook haar!. Vul de bezittelijke voornaamwoorden in. Kies uit: mon ma son sa ton ta 1 mijn mon collège et moi 2 jouw, jouw ton père et ta mère 3 zijn Stéphane et sa mère 4 haar, haar son frère et sa soeur 5 mijn, zijn ma soeur et sa soeur 6 haar, haar son fils et sa fille 7 haar Julie et sa mère 8 zijn, zijn son frère et sa soeur 68 CHAPITRE 5

71 5 SOULIGNEZ ET ÉCRIVEZ Lees de zin en onderstreep de persoonsvorm. Maak de zin daarna ontkennend met behulp van ne / n pas. Exemple Il aime faire du skate. Il n aime pas faire du skate. 1 Je travaille en été. Je ne travaille pas en été. 2 Nous habitons à Paris Nous n habitons pas à Paris. 3 C est le frère de Damien. Ce n est pas le frère de Damien. 4 Elle regarde les films Disney. Elle ne regarde pas les films Disney. 5 Tu veux faire une promenade? Tu ne veux pas faire une promenade? 6 PARLEZ Jij bent Damien. Je vertelt in het Frans aan een klasgenoot over je broer Stéphane. Gebruik de volgende gegevens. Kijk zo nodig in het fiche d identité. Vertel daarna over je eigen broer of zus. Wissel van rol. Persoonlijke gegevens Stéphane - grote broer - 17 jaar - woont in Libourne - heeft een band - heet Stéphane - zit in de bovenbouw - houdt van muziek - werkt in de zomer Voorbeeldantwoord: J ai un grand frère. C est/ Il s appelle Stéphane. Il a dixsept ans. Et il est lycéen. Mon frère aime beaucoup la musique pop. Il est leader d un groupe pop. L été, il travaille à la buvette aux Francofolies. 7 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Luister naar het hele chanson. Beantwoord de vragen. 1 Wat vind je van het tempo van de muziek? langzaam / eigen antwoord 2 Vind je dat de muziek bij de inhoud past? eigen antwoord 3 Hoeveel solostemmen hoor je? twee 4 Wat zingt het koor? Het koor zingt alleen de eerste regel van het refrein. 5 Welke dag wordt er aan het begin genoemd? lundi / maandag 6 Wie wordt bedoeld met monsieur? de leraar 7 Waar gaat dit liedje over? De zanger vertelt waarom hij wel en niet van school houdt. 8 ÉCOUTEZ ET COCHEZ TIP Kijk in de woordenlijst van les 1 in de Pages jaunes. Lees eerst de zinnen. Luister nog een keer naar het chanson. Kruis de zinnen aan die je hoort. 1 Lundi, je n aime pas l école. 2 J ai rien compris. 3 C est pas de ma faute. 4 Je suis nul en calcul. 5 À l école, j aime voir mes copains. 6 J aime bien une fille d une autre classe. 7 Ça va, le prof est sympa. 9 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 10 ON FINIT Maak in het Frans een lijstje van vijf dingen waar je (op school) wél en vijf dingen waar je níét van houdt. Begin de zin steeds met J aime of met Je n aime pas. Schrijf op waarom je wel / niet van iets houdt. Bewaar het lijstje in je taalportfolio. 69

72 65 leçon 2 Faites monter le son 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Welke groep of zanger/zangeres vind jij leuk? eigen antwoord 2 Welke Franse popgroepen ken jij? eigen antwoord 2 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 1 zonder mee te lezen. Onderstreep het goede antwoord. Luister nog een keer zonder mee te lezen en controleer je antwoord. 1 Ze oefenen op school / in een zaaltje. 2 Het is vandaag 20 / 30 maart. 3 De groep heet Les Libourniens / Les Durassiens. 4 Het is de groep van Damien / Stéphane. 5 De groep oefent op zaterdag en zondag / zondag en maandag. 3 ÉCOUTEZ, LISEZ ET RÉPONDEZ Luister nog een keer naar tekst 1 en lees mee op blz. 74 en 75 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Op welke dag en datum is het concert? op vrijdag 14 mei 2 Wat is het probleem van Damien voor die dag? Hij heeft die dag een overhoring aardrijkskunde. 3 Waarom heeft Damien moeite met de dagen Hij heeft veel huiswerk, vooral voor wiskunde. waarop geoefend wordt? 4 Wat vraagt Damien aan Gabin? niet meer op het drumstel te slaan 5 Wie gaat er vandaag zingen? Damien 4 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek de Franse zinnen in tekst 1. Noteer deze. 1 We oefenen in het weekend. 2 Maar ik heb ook mijn huiswerk. On répète les week-ends. Mais j ai aussi mes devoirs. 3 Ik ben slecht in wiskunde. Je suis nul en maths. 4 Ik kan naar de nieuwe albums gaan luisteren. Je peux aller écouter les nouveaux albums. 5 Dat is hier vlakbij. C est tout près d ici. 6 Discussiëren we of spelen we? On discute ou on joue? 7 Jij zingt vandaag. Tu chantes aujourd hui. 5 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Lees eerst de zinnen. Luister naar tekst 2 en kruis de zinnen aan die je hoort. 1 Damien vraagt naar de Rue au Lion. 2 Het is de derde straat links. 3 De winkel die hij zoekt is ver weg en in een andere straat. 4 De voorbijganger koopt er zijn vioolsnaren. 5 Bus14 gaat direct naar de muziekwinkel. 6 Damien is blij met de aanwijzingen van Stéphane. 7 Het is half zes. 70 CHAPITRE 5

73 6 ÉCOUTEZ ET REMPLISSEZ Luister nog eens naar tekst 2. Vul de woorden op de goede plaatsen in. Kies uit: jeune homme en retard cherchons loin où 1 Damien Nous cherchons le nouveau magasin. 2 Le passant Oh, mais, jeune homme, La Fée Musique est dans la rue Des quatre saisons. 3 Damien C est où? 4 Le passant Oh, c est loin. Vous pouvez prendre le bus. 5 Damien Nous sommes en retard maintenant. 7 TRADUISEZ Vertaal de zinnen van opdracht 6 in het Nederlands. 1 Damien We zoeken de nieuwe winkel. 2 Voorbijganger Oh, maar jongeman, La Fée Musique is in de rue Des quatre saisons. 3 Damien Waar is dat? 4 De voorbijganger Oh, dat is ver. Jullie kunnen de bus nemen. 5 Damien We zijn nu te laat. 8 ÉCOUTEZ, SOULIGNEZ ET NOTEZ Luister nog eens naar tekst 1 en lees de tekst mee. Onderstreep de namen van de dagen die je hoort. Noteer dan alle namen in het Nederlands. Frans lundi mardi mercredi jeudi vendredi samedi dimanche Nederlands maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag zaterdag zondag 9 COMBINEZ Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 comme d habitude a kent u 1 + e 2 vous longez b nu 2 + f 3 jusqu à c stop 3 + h 4 arrête d te laat 4 + c 10 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ 5 vous connaissez e zoals gewoonlijk 5 + a 6 maintenant f jullie lopen langs 6 + b 7 en retard g wacht 7 + d 8 attendez h tot aan 8 + g Luister naar het volgende fragment van tekst 2 en lees de tekst hieronder mee. Onderstreep de woorden die niet kloppen met wat je hoort. Damien Le passant Damien Le passant Damien Le passant 11 ÉCRIVEZ Pardon monsieur, vous connaissez l avenue Lion? L avenue Lion? Oui, oui, je pense... Attendez... Oui, c est la quatrième rue à droite! Vous longez le trottoir et vous prenez la quatrième rue à gauche. Merci monsieur! Je cherche le nouveau magasin La Fée Musique! Oh, mais mademoiselle, La Fée Musique est rue Des quatre saisons! Rue Des quatre saisons? C est où? Oh, c est loin, vous pouvez prendre le métro! Kies een rol uit de tekst van opdracht 10. Noteer de zinnen op een blaadje. Voeg in het Frans twee van de volgende zinnen aan het eind van je rol toe: 1 Welke buslijn is het? C est quelle ligne? 2 Neem bus 12 richting zwembad. Prenez bus 12 direction piscine. 3 Bedankt meneer en een fijne dag. Merci monsieur et bonne journée. 4 Geen dank. De rien. 71

74 12 JEU DE RÔLE Speel met een klasgenoot de uitgebreide tekst van opdracht 10 na. Wissel van rol. 13 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages Jaunes. Spreek ze na en leer ze. 14 REGARDEZ ET SOULIGNEZ Lees de zinnen. Kijk naar het filmpje zonder geluid. Gebruik zo nodig de pauzeknop. Onderstreep de woorden die volgens jou kloppen met wat je ziet. 1 De man die je het eerst ziet is een leraar / een verslaggever. 2 Een tweede man komt erbij, ze begroeten elkaar met Bonjour / Salut. 3 Ze gaan samen naar een scheikundelokaal / muzieklokaal. 4 In het lokaal zitten een paar / veel leerlingen. 5 Het is waarschijnlijk een muziekles / repetitie voor een concert. 15 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET COCHEZ Lees de zinnen. Kijk en luister naar het filmpje. Kruis de zinnen aan die kloppen met wat je ziet en hoort. 1 De verslaggever wacht op de directeur van het Collège Marguerite Duras. 2 De directeur stelt voor eerst koffie te gaan drinken. 3 Ze lopen de school in en de directeur wijst een paar lokalen aan. 4 Op de deur van het muzieklokaal staat A102 musique. 5 De muziekleraar zegt hoe de groep heet. 6 De groep bestaat twee jaar. 7 De groep bestaat uit jongens en een meisje. 8 De directeur en de verslaggever luisteren naar het eerste muziekstuk. 16 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Lees de zinnen. Kijk en luister nog een keer naar het filmpje. Onderstreep de goede woorden. 1 In het huis dat we zien woont de muziekleraar / de directeur van de school. 2 De muziekgroep heet Les Durassiens / Les Bandes Blanches. 3 Het concert van 24 juni begint om half negen / half tien. 4 Ze spelen dan popmuziek, R & B en Franse liedjes / alleen jazzmuziek en R & B. 5 Ze gaan na schooltijd repeteren op maandag / dinsdag en vrijdag. 6 Pierre-Laurent pakt de drumstokjes / fluit / microfoon. 7 Pénélope pakt de drumstokjes / basgitaar / microfoon. 8 De verslaggever / directeur zegt: Préparez-nous un beau concert! 17 ON FINIT Maak met een klasgenoot een poster van muziekinstrumenten. Teken zes muziekinstrumenten die je al geleerd hebt en zet de namen er in het Frans bij (met lidwoord). Zoek zes andere instrumenten in het woordenboek en zet die erbij. Maak aan de zijkant van je poster een alfabetische lijst van de muziekinstrumenten (Frans-Nederlands). Kopieer je poster en bewaar hem in je taalportfolio. 72 CHAPITRE 5

75 65 leçon 3 Sapristi! 1 ON COMMENCE Bekijk de titel en de afbeeldingen op blz. 76 en 77 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat is het onderwerp van dit hoofdstuk? Kuifje 2 Welke stripboeken heb je daarvan gelezen? eigen antwoord 3 Welke andere figuren ken je uit deze stripverhalen? kapitein Haddock, prof Zonnebloem, Jansen en Janssen, eigen antwoorden 2 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 op blz. 76 van je livre de textes tot aan Deux minutes plus tard. Beantwoord de vragen. 1 Wat is de titel van tekst 1? het kleine witte hondje 2 Welke dag is het en hoe laat? zaterdag, half 11 3 Wat gaat de groep Les Durassiens doen? Ze gaan repeteren voor een concert. 4 Op wie wachten ze? Stéphane Courtin 5 Wie is dat? de bandleider 6 Wat doet Damien? Hij belt Stéphane op. 3 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees tekst 1 verder tot aan Vous savez.... Onderstreep de juiste woorden. 1 Stéphane komt binnen om kwart / dertien minuten voor elf. 2 Stéphane heeft een wit hondje bij zich in een mandje / aan de lijn. 3 De vader van Stéphane is twee dagen / het hele weekend weg. 4 Het hondje kan wel / niet alleen thuisblijven. 5 Volgens Stéphane is het hondje heel braaf maar niet intelligent / en heel intelligent. 6 Het hondje lijkt op / is het hondje van de film van Kuifje. 4 LISEZ ET COCHEZ Lees nu het laatste deel van tekst 1. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 Stéphane is gek op de strips van Kuifje. 2 De film heet Het geheim van de Eenhoorn. 3 Als er gevaar links wordt geroepen, rent Milou naar rechts. 4 Thuis heeft Stéphane veel foto s en tekeningen van de film Zonnetempel. 5 Het hondje blijft netjes in zijn mandje zitten tijdens de repetitie. 5 COMBINEZ Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 sauf a naar links 1 + e 2 à l heure b lijken op 2 + g 3 la réponse c braaf 3 + h 4 le panier d naar rechts 4 + j 5 presque e behalve 5 + i 6 ressembler à f die kant op 6 + b 7 sage g op tijd 7 + c 8 à gauche h het antwoord 8 + a 9 à droite i bijna 9 + d 10 par là j het mandje 10 + f 73

76 6 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 en 2. Beantwoord de vragen. 1 Wat denk je dat sapristi betekent? Kijk ook in de laatste alinea. verdorie 2 Welke andere Franse woorden in de tekst betekenen ook zoiets? zut, tonnerre, eigen antwoord 3 Wat betekent volgens jou een jolie houppette (op zijn hoofd)? mooi kuifje 7 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 2. Kruis aan of de zin vrai is of faux. 1 De schrijver van Tintin is een Fransman. 2 Tintin is van beroep detective. 3 Het hondje van Tintin is erg intelligent. 4 De avonturen van Tintin spelen zich af over de hele wereld. 5 De avonturen van de held zijn alleen in de bioscoop te zien. 6 Er zijn speciale winkels met Tintin-artikelen. 7 Er bestaat een speciale Tintin-webwinkel. 8 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek in tekst 2 de Franse namen van de stripfiguren. Vul deze in. 1 De Franse naam voor Kuifje is Tintin. 2 Het hondje dat hij altijd bij zich heeft heet Milou. 3 De professor die in sommige boeken voorkomt heet professor Tournesol. 4 De twee stuntelige detectives heten Dupond et Dupont / Les Dupondt. 5 De grote vriend van Tintin is kapitein Haddock. 9 LISEZ, COMBINEZ ET TRADUISEZ Lees tekst 3 op blz. 77. Combineer de stukjes zinnen tot goede vragen. Vertaal dan de vragen in het Nederlands. 1 Quelle est a chien de Tintin? 1 + e Wat is de nationaliteit van Kuifje? 2 Comment s appellent b le château du capitaine? 2 + d Hoe heten de twee detectives? 3 Comment s appelle le c le métier de Tintin? 3 + a Hoe heet de hond van Kuifje? 4 Quel est d les deux détectives? 4 + c Wat is het beroep van Kuifje? 5 Comment s appelle e la nationalité de Tintin? 5 + b Hoe heet het kasteel van de kapitein? 10 PARLEZ ET RÉPONDEZ Werk samen. De één stelt de vragen van opdracht 9. De ander geeft antwoorden. Wissel van rol. 11 METTEZ DANS LE BON ORDRE ET PARLEZ Vrai Faux Lees nog een keer tekst 2. Zet de woorden in de goede volgorde zodat er een zin ontstaat. Lees de zinnen dan voor aan een klasgenoot. Wissel van rol. 1 blanc. est petit accompagné Tintin chien toujours d un Tintin est toujours accompagné d un petit chien blanc. 2 Tintin adapté aventures cinéma. On a les de au On a adapté les aventures de Tintin au cinéma. 74 CHAPITRE 5

77 12 COMBINEZ, REMPLISSEZ ET TRADUISEZ Combineer de Franse tijden met de Nederlandse. Vul de letters van de antwoorden naast de opdracht in. Noteer de Nederlandse betekenis van de gevonden uitdrukking. Quelle heure est-il? 1 Il est dix heures. r Het is twaalf uur s middags. 2 Il est onze heures et quart. e Het is kwart voor vier. 3 Il est midi. n Het is kwart over elf. 4 Il est quatre heures moins le quart. r Het is half één. 5 Il est six heures et demie. t Het is half zeven. 6 Il est minuit. d Het is tien over half negen. 7 Il est midi et demi. e Het is tien uur. 8 Il est neuf heures moins vingt. a Het is twaalf uur s nachts. 13 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees het boekje Le lièvre et la tortue en vul het werkblad in. Bewaar het werkblad in je taalportfolio. 14 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 15 CHERCHEZ ET REMPLISSEZ e n r e t a r d Dit betekent: te laat Lees de omschrijving. Schrijf eerst het bedoelde Franse woord op. Vul dan de gevraagde letter in. Volg het voorbeeld. De letters vormen een naam. Welke naam heb je gevonden? Omschrijving Frans woord Letter Exemple La première lettre du nom de Kuifje en français. Tintin T 1 La quatrième lettre du nom du chien de Tintin en français. Milou o 2 La sixième lettre du mot aventures. aventures u 3 La dernière lettre du mot professeur. professeur r 4 La huitième lettre du nom Les Dupondt. les Dupondt n 5 La deuxième lettre du mot jeune. jeune e 6 La dernière lettre du mot détectives. détectives s 7 La première lettre du mot objet. objet o 8 La cinquième lettre du mot intelligent. intelligent l De naam is: Tournesol 16 ON FINIT Je gaat afspraken maken op een dag, datum en tijdstip. Volg de voorbeelden. Vul eerst het schema in. Oefen dan de afspraken met een klasgenoot. De één leest ze op, de ander noteert ze. Wissel van rol. Quel jour Quelle date Quelle heure Le rendez-vous est: mercredi le cinq décembre à huit heures m a r d i le dix-sept juin à quinze heures 1 eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord 2 eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord 3 eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord 4 eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord 75

78 65 leçon 4 Mes messages 1 ON COMMENCE Schrijf drie Nederlandse woorden op in sms-taal en noteer de betekenissen. 1 eigen antwoord 2 eigen antwoord 3 eigen antwoord 2 REGARDEZ ET NOTEZ Kijk naar tekst 1 tot en met 4 op blz. 78 en 79 van je livre de textes. Wat voor soorten teksten zijn dit? Schrijf op. tekst 1 tekst 2 tekst 3 tekst 4 een sms-bericht een bericht/oproep op prikbord een een bladzijde uit een agenda 3 LISEZ ET COMBINEZ Lees tekst 1 tot en met 3. Combineer de Franse sms-uitdrukkingen met de goede woorden. 1 vi1 a problème 1 + b 2 2 b viens 2 + f 3 2vant c pas 3 + e 4 a kel eur d je 4 + i 5 g e devant 5 + d 6 ID f de 6 + h 7 a leur g à l heure 7 + g 8 ps h idée 8 + c 9 prblm i à quelle heure 9 + a 10 mr6 j merci 10 + j 4 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 tot en met 3. Beantwoord de vragen. 1 Wie sms en er met elkaar? Damien en Stéphane 2 Voor welke winkel spreken ze af? een muziekwinkel/la Fée Musique 3 Wat is het adres van de winkel? rue Des quatre saisons 4 En hoe laat spreken ze af? om zes uur 5 Hoe gaat Damien daar naartoe? met de bus (bus 12) 5 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 2 en 3. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. 1 Stéphane zoekt iemand om zijn kat te verzorgen. 2 Het gaat om elke zondag tussen tien en twee uur. 3 Je kunt naar hem bellen en sms en. 4 Julie is heel slecht in wiskunde. 5 Zij vraagt Stéphane of hij haar kan helpen op maandag en donderdag. 6 Ze spreken aanstaande zondag af. Vrai Faux 76 CHAPITRE 5

79 6 TRADUISEZ Schrijf de zinnen in het Frans. Gebruik tekst 4 op blz. 79 van je livre de textes. Kijk voor de maanden van het jaar in de Pages jaunes. Schrijf de getallen voluit! 1 Het is maandag 27 juli. C est lundi, le vingt-sept juillet. 2 Het is vrijdag 17 december. C est vendredi, le dix-sept décembre. 3 Het is zondag 22 januari. C est dimanche, le vingt-deux janvier. 4 Het is dinsdag 14 maart. C est mardi, le quatorze mars. 5 Het is zaterdag 30 juni C est samedi, le trente juin. 7 REGARDEZ ET RÉPONDEZ Bekijk de photoguide op blz. 79 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Waar is foto A genomen? in een park 2 Wat kun je uit de bak van foto B pakken? een poepzakje 3 De bak van foto C heeft twee functies. Welke? een poepzakje pakken en de hondendrol erin werpen 4 Wat is het Franse woord voor hondendrol? Gebruik je (online) woordenboek! une crotte de chien 8 ÉTUDIEZ ET COMBINEZ Bestudeer de vervoeging van het werkwoord aller op blz. 79 van je livre de textes. Combineer de Franse werkwoordsvormen met de Nederlandse. 1 nous allons a ik ga 1 + d 2 ils vont b jullie gaan, u gaat 2 + e 3 vous allez c zij gaat 3 + b 4 je vais d wij gaan 4 + a 5 elle va e zij gaan 5 + c 6 on va f we gaan, men gaat 6 + f 9 TRADUISEZ TIP Het Franse woord on wordt gebruikt zoals wij vaak het woord we gebruiken. De werkwoordsvorm is dezelfde als bij il en elle. Kijk ook in de Pages jaunes van dit hoofdstuk. Vertaal de zinnen in het Frans. Gebruik het Franse woordje on. 1 We gaan naar het zwembad. On va à la piscine. 2 We gaan lopend naar school. On va à l école à pied. 3 We eten om zes uur. On mange à six heures. 4 We kopen een gitaar. On achète une guitare. 5 We zijn dol op voetballen. On adore jouer au foot. 10 REMPLISSEZ ET PARLEZ Vul de goede vorm in van het werkwoord aller. Maak dan de antwoordzin af. Oefen daarna de zinnen met een klasgenoot. Wissel van rol. 1 Vous allez à la fête, Saïd et Damien? Oui, nous allons à la fête. 2 Tu vas en France, Caroline? Non, je ne vais pas en France. 3 Ils vont à l école? Non, ils ne vont pas à l école. 4 Elle va travailler? Non, elle ne va pas travailler. 5 Je vais au concert avec toi? Oui, tu vas au concert avec moi. 77

80 11 REMPLISSEZ ET TRADUISEZ Bestudeer de grammatica op blz. 79 van je livre de textes. Vul in: au à la à l of aux. Noteer dan de Nederlandse betekenis van de zin. 1 Nous allons à l école. Wij gaan naar school. 2 Je vais au stade. Ik ga naar het stadion. 3 Ils vont aux Galeries Lafayette. Zij gaan naar de Galeries Lafayette. 4 Tu vas au supermarché? Ga jij naar de supermarkt? 5 Elle va à la piscine. Zij gaat naar het zwembad. 12 COMPLÉTEZ ET TRADUISEZ Bestudeer de grammatica op blz. 79 van je livre de textes. Maak de zinnen compleet. Kies uit: du de la de l des. Noteer dan de Nederlandse betekenis van de zin. 1 La flûte de la fille est rose. De fluit van het meisje is roze. 2 Voilà les cahiers des élèves. Daar zijn de schriften van de leerlingen. 3 Les murs de la maison sont bleus. De muren van het huis zijn blauw. 4 Les profs du collège sont gentils. De leraren van de school zijn aardig. 5 Les chambres de l hôtel sont grandes. De kamers van het hotel zijn groot. 13 SOULIGNEZ ET TRADUISEZ Onderstreep de goede woorden. Noteer daarna de Nederlandse betekenis van de zin. 1 Les livres des / aux élèves sont bleus. De boeken van de leerlingen zijn blauw. 2 On va du / au concert. We gaan naar het concert. 3 La guitare de la / à la fille est chère. De gitaar van het meisje is duur. 4 Vous allez de l / à l école? Gaan jullie naar school? 14 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 15 TRADUISEZ Vertaal de zinnen in het Frans. Gebruik de woorden uit les 1 tot en met 4 in de Pages jaunes. 1 Ik ga naar de supermarkt vóór het eten. Je vais au supermarché avant le repas. 2 Wij hebben een overhoring voor Engels. Nous avons une interro pour anglais. 3 Wij gaan rechtsaf! Nous allons à droite. 4 Neem mij niet kwalijk, ik ben te laat. Je m excuse, je suis en retard. 5 Gaan jullie naar het hotel? Vous allez à l hôtel? 6 Ik ga naar het stadion met de auto. Je vais au stade en voiture. 16 ON FINIT Maak een eigen weekinvulling in een Franse agenda. Zorg dat elke dag met activiteiten is gevuld. Noteer ten minste het volgende in je agenda: alle dagen van de week; huiswerk, maakwerk en leerwerk voor minimaal 3 vakken; dag en tijd van je sporttraining twee verjaardagen een afspraak met een vriend/vriendin. Bewaar de opdracht in je taalportfolio. 78 CHAPITRE 5

81 65 leçon 5 À pied ou en train? 1 ON COMMENCE Bekijk de afbeelding op blz. 80 van je livre de textes en lees de titel. Beantwoord de vragen. 1 Wat betekent de titel? Lopend of met de trein? 2 Hoe ga jij naar school? eigen antwoord 3 En naar je sportclub? eigen antwoord 2 ÉCOUTEZ, LISEZ ET COCHEZ Luister naar de drie teksten op blz. 80 en 81 van je livre de textes en lees mee. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. tekst 1 1 Aujourd hui, c est samedi. Vrai 2 Damien a un match de rugby à quatre heures. 3 Fontainebleau est loin de Serris. tekst 2 4 La mère de Damien va aussi à Fontainebleau. 5 Les garçons prennent le train de trois heures. 6 Le stade est près de la gare. tekst 3 7 Olivier connaît très bien le chemin pour aller au stade. 8 Pour aller au stade: c est tout droit, à droite, à gauche. 3 ÉCOUTEZ ET NOTEZ Luister nog een keer naar de drie teksten en lees mee. Noteer de zinnen in het Frans. Oefen ze dan hardop met een klasgenoot. Faux 1 Het is tijd. Haast je! C est l heure. Dépêche-toi! 2 Hoe ga jij erheen? Comment tu vas là-bas? 3 Ik ga met de trein. Je vais en train. 4 Dan gaan we samen, oké? Alors on va ensemble, d accord? 5 We gaan rechtdoor. 6 Dan de tweede straat links. On continue tout droit. Ensuite la deuxième rue à gauche. 7 Het stadion is vlakbij. Le stade, c est tout près. 4 COMBINEZ ET PARLEZ Combineer de vragen met de antwoorden. Oefen de combinaties hardop met een klasgenoot. Wissel van rol. 1 À quelle heure est le match de rugby? a Non, je ne suis pas à la gare. 1 + e 2 Tu vas au stade en voiture? b Oui, c est la troisième rue à gauche. 2 + f 3 Quelle heure est-il? c Non, nous allons en voiture. 3 + h 4 Tu es à la gare? d Oui, rendez-vous à trois heures devant la gare. 4 + a 5 Le stade est loin de la gare? e Il est à deux heures. 5 + g 6 On va au stade ensemble à trois heures? f Non, je prends le bus. 6 + d 7 Tu connais le chemin? g Non, le stade est à 150 mètres environ. 7 + b 8 Vous allez à pied? h Il est sept heures et demie. 8 + c 5 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Bestudeer de uitspraakregels op blz. 81 van je livre de textes. Luister naar de woorden en zeg ze na. Luister dan nog een keer en controleer of je ze goed hebt uitgesproken. 1 stade sapristi Stéphane 2 saison troisième télévision 3 professeur dessin Durassiens 79

82 6 PARLEZ Zondag heb je een voetbalwedstrijd. Je gaat met de bus vanuit je woonplaats naar het stadion. Maak een afspraak met je vriend(in). Voer het gesprek met een klasgenoot. Wissel van rol. Leer beide rollen uit het hoofd. 1 À quelle heure est le match de foot, dimanche? 2 De voetbalwedstrijd is om drie uur. Le match de foot est à trois heures. 3 Comment tu vas là-bas? 4 Je gaat met de bus. Je neemt de bus van twee uur. Je vais en bus. Je prends le bus de deux heures. 5 Moi, je prends le bus aussi. 6 Stel voor om samen te gaan. On va/nous allons ensemble, d accord? 7 C est une bonne idée. Le stade est près de l arrêt de bus? 8 De bushalte is achthonderd meter van het stadion. L arrêt de bus est à huit cents mètres du stade. 9 Ce n est pas loin. 10 Het is tien minuten lopen. C est dix minutes à pied. 11 Alors, à dimanche devant l arrêt de bus. 7 REMPLISSEZ Bekijk de photodico op blz. 81 van je livre de textes. Vul het juiste schoolvak in. 1 L anglais est la langue de la reine Elisabeth. J adore cette langue. 2 Moi, j aime toutes les langues, surtout le français. 3 Je veux être médecin; la biologie est très importante pour moi. Et pour toi? 4 Je veux être architecte; heureusement les maths, c est ma passion! 5 Moi, je veux bouger. Je préfère la gym(nastique). 6 Tous les pays m intéressent; la géographie est ma matière préférée. 7 Moi, je sais tout de Napoléon; j adore l histoire. 8 NOTEZ ET PARLEZ Noteer eerst de zinnen in het Frans. Oefen de zinnen dan met een klasgenoot. De één vraagt: Quelle heure est-il? De ander geeft antwoord. Wissel van rol. 1 Het is een uur. 2 Het is half negen. Il est une heure. Il est huit heures et demie. 3 Het is twaalf uur ( s middags). Il est midi. 4 Het is half een s nachts. Il est minuit et demi. 5 Het is negen uur. Il est neuf heures. 9 PARLEZ Je Franse neefje Sébastien logeert een week bij jullie. Helaas heb jij geen vakantie. Hij is erg nieuwsgierig naar het Nederlandse schoolleven. Oefen dit gesprek met een klasgenoot. Beantwoord de vragen met een hele zin. Wissel dan van rol. Leer je eigen rol uit je hoofd. 1 À quelle heure commence ton collège? 2 Zeg hoe laat je school begint. Mon collège commence à 3 Tu as quels cours aujourd hui? 4 Noem minstens drie vakken die je vandaag hebt. Aujourd hui j ai 5 Quelle est ta matière préférée? 6 Noem je lievelingsvak. Ma matière préférée, c est le/la/les 7 Et quelle matière tu n aimes pas? 8 Noem een vak dat je niet leuk vindt. Bedenk ook een reden. Je n aime pas/je déteste CHAPITRE 5

83 9 Heureusement demain, c est mercredi. On va à Amsterdam. D accord? 10 Zeg dat je woensdags les hebt. J ai cours le mercredi. Je komt om half drie thuis. Je rentre à deux heures et demie. 11 Ah, c est dommage. En France on n a pas cours le mercredi après-midi. 12 Stel voor om op zaterdag naar On va/nous allons à Amsterdam Amsterdam te gaan. samedi. D accord? 10 PARLEZ TIP Als je antwoord geeft of een uitleg herhaalt, dan begin je de Franse zin met je. Je bent met je ouders op weg naar camping Les Rosiers. Helaas zijn jullie verdwaald. Je stapt uit de auto en kijkt vragend om je heen. Oefen dit gesprek met een klasgenoot. Wissel van rol. Leer je eigen rol uit je hoofd. 1 Bonjour jeune homme/mademoiselle. Je peux vous aider? 2 Vraag beleefd naar de camping Les Rosiers. Pardon, monsieur/madame. Où est le camping Les Rosiers, s il vous plaît? 3 Le camping Les Rosiers? Ce n est pas loin. Vous êtes en voiture? 4 Antwoord dat je/jullie met de auto bent/zijn. Oui, je suis/nous sommes en voiture. 5 Alors, c est à un quart d heure d ici. D abord vous allez tout droit. C est la rue Victor Hugo. 6 Herhaal de routebeschrijving met: je D abord je vais tout droit. C est la rue Victor Hugo. 7 Ensuite vous prenez la première rue à gauche. C est la rue de la Gare. 8 Herhaal met: je Ensuite je prends la première rue à gauche. C est la rue de la Gare. 9 Vous continuez tout droit. Deux kilomètres environ. 10 Herhaal met: je Je continue tout droit. Deux kilomètres environ. 11 Le camping est après la piscine municipale, à droite. 12 Herhaal de laatste zin. Bedank de meneer/mevrouw. Le camping est après la piscine municipale, à droite. Merci monsieur/madame. 13 Alors bonne route, jeune homme / mademoiselle. 11 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les en de expressions in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 12 ON FINIT Jullie gaan elkaar in het Frans de weg vragen en wijzen. Gebruik hele zinnen. Verdeel de rollen en werk als volgt: Rol A: Vraag beleefd de weg. Luister naar de routebeschrijving van B en herhaal hem. Rol B: Luister naar de vraag en geef de routebeschrijving. Wissel na elk gesprek van rol. Rol A Rol B 1 le stade tweede straat rechts, tegenover het zwembad 2 la gare rechtdoor, derde straat links; 15 minuten lopen 3 la banque in het centrum, rechts van hotel Petit Montmartre 4 le collège Émile Zola niet ver, eerst naar links, dan 200 meter rechtdoor 81

(Video) Uitwerkingen oefentoets hoofdstuk 6, vwo wiskunde B: Differentiaalrekening

84 56 leçon 6 Voilà la France 1 ON COMMENCE Bekijk de afbeeldingen en de titels op blz. 82 en 83 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Musique et plage à Paris. Waarover gaat deze les? over muziek en strand in Parijs 2 Welke van de drie onderwerpen zou jij kiezen en waarom? eigen antwoord 2 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 1. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. Noteer het goede antwoord achter de zinnen die fout zijn. 1 Les Durassiens willen graag concerten geven. 2 Les Solidays is één van de oudste popfestivals van Parijs. 3 Het festival wordt gehouden op de renbaan van Longchamp. één van de belangrijkste festivals 4 Elk jaar doen er alleen 150 Franse artiesten aan mee. Franse en buitenlandse artiesten 5 6 De opbrengst is bestemd voor aidspatiënten in Afrika. Het festival duurt drie dagen. 3 DEVINEZ ET NOTEZ Je kent meer Franse woorden dan je denkt. Gebruik je kennis van het Nederlands en Engels om de betekenis van de volgende woorden te raden. Noteer deze. Frans Nederlands Frans Nederlands 1 le talent het talent 6 un artiste een artiest 2 le concert het concert 7 gratuitement gratis 3 important belangrijk 8 une cause een doel 4 fin juin eind juni 9 un spectateur een toeschouwer 5 début juillet begin juli 10 varié gevarieerd 4 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 2. Beantwoord de vragen. 1 Waar gaat tekst 2 over? Hoe je naar Les Solidays kunt komen. 2 Wat wordt er gezegd over reizen met de trein? Dat is snel en praktisch. 3 En wat vindt men van carpoolen? Dat is een heel milieuvriendelijke oplossing. 4 Wat kun je doen als je nog vragen hebt? op de website kijken; een sturen; informatie downloaden op je smartphone of tablet. 5 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees nog eens tekst 2. Hoe kun je naar Les Solidays reizen? Vul het reisschema zo ver mogelijk in. Vertrek Transportmiddel Aankomst Reisduur 1 vanuit Nederland Thalys ( trein) Parijs ong. 3,5 uur 2 vanuit Frankrijk bus Ontours of carpoolen Parijs onbekend 3 in Parijs metrolijn 10 halte Boulogne Jean Jaurès onbekend metrolijn 1 of RER C halte Porte Maillot onbekend 82 CHAPITRE 5

85 TIP 6 COMBINEZ Combineer de Franse woorden uit tekst 1 en 2 met de goede betekenissen. 1 le départ a de 1 + c 2 rêver b de oplossing 2 + e 3 le courriel c het vertrek 3 + a 4 rencontrer d het strand 4 + h 7 ÉCRIVEZ ET PARLEZ Probeer Franse woorden en korte zinnen die je hebt geleerd, te gebruiken bij het spreken. 5 remplir e dromen 5 + g 6 la solution f bijna 6 + b 7 la plage g invullen 7 + d 8 presque h ontmoeten 8 + f Je wilt graag naar Les Solidays in Parijs gaan. Noteer eerst de volgende zinnen in het Frans en lees ze voor aan een klasgenoot. Probeer daarna het verhaal uit je hoofd te vertellen. Wissel van rol. 1 Ik ben dol op popmuziek. J adore la musique pop. 2 En ik heb zin om naar de Solidays in Parijs te gaan. Et j ai envie d aller aux Solidays à Paris. 3 Er zijn altijd veel beroemde artiesten. Il y a toujours beaucoup d artistes célèbres. 4 Ik ga met vrienden / vriendinnen uit mijn klas. Je vais avec des amis /amies de ma classe. 5 We willen het laatste weekeind van juni gaan. Nous voulons aller le dernier weekend de juin. 6 En we willen twee dagen blijven. Dat is leuk. Et nous voulons rester deux jours. C est chouette! 8 LISEZ ET COMPLÉTEZ Lees tekst 3 en info France en bekijk de foto op blz. 83 van je livre de textes. Maak de zinnen af. 1 In de maand augustus kun je in Parijs naar Paris Plage. 2 Dat is een strand aangelegd langs de Seine. 3 Je kunt er deze dingen doen: volleyballen, zonnebaden, iets eten (biefstuk met friet) en drinken (cola), naar muziek luisteren. 4 Welke muziekfestivals kun je bezoeken in Marciac en La Rochelle? In Marsiac een jazzfestival; in La Rochelle Les Francofolies/een festival van eigentijdse Franstalige muziek. 5 In welk stadion in Parijs worden ook wel concerten gegeven? in Palais Omnisports de Paris Bercy. 9 DÉCRIVEZ Beschrijf aan een klasgenoot wat je allemaal ziet op de foto bij Sur les transats de Paris Plage. Begin met: Sur la photo, il y a J e vois aussi Daarna kun je de volgende woorden gebruiken: une plage du sable jaune les quais de la Seine un bateau des maisons des gens des transats des parasols bleus des arbres le ciel le soleil 10 ON FINIT Een beetje fantasie! Stel, de burgemeester (le maire) van je woonplaats leest Frans. Schrijf hem, samen met een klasgenoot, een Frans briefje. Vraag beleefd of er bij jullie in augustus een strandje kan worden aangelegd of dat er een muziekfestival kan worden georganiseerd. Begin de brief met: Monsieur le Maire, Leg uit wie jullie zijn, op welke school en in welke klas jullie zitten. Beschrijf de reden voor jullie verzoek / voordelen (avantages) van zo n plan (projet). Bedenk een geschikte locatie bij jullie in de buurt Eindig met: Avec nos sincères salutations (hoogachtend) en jullie naam. Bewaar de brief in je taalportfolio. 83

86 6 Chapitre À table leçon 1 Les cornichons 1 ON COMMENCE Bekijk blz. 88 en 89 van je livre de textes. Vul de zinnen aan. 1 De titel van hoofstuk 6 is À table. Deze les heet Les cornichons. Dat betekent: de augurken. 2 De personen op de foto s zijn Marie-Henriëtte en Estelle. 3 Lees het liedje door. Waar gaat het over? een picknick 2 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees de fiches op blz. 88 van je livre de textes. Vul het schema in. Marie-Henriëtte Estelle 1 achternaam Flores Bellefontaine 2 leeftijd 33 jaar 43 jaar 3 geboorteplaats Rennes Rennes 4 streek Bretagne Bretagne 5 woonplaats Parijs Serris 6 departement Ille-et-Vilaine (35). 7 getrouwd met Thomas Nicolas 8 beroep heeft een restaurant werkt op een castingbureau 9 moeder van een tweeling (van 8 jaar) Damien, Aimée 10 hobby s 3 COMMENT DIT-ON? Hoe zeg je de volgende zinnen in het Frans? Raadpleeg zo nodig de fiches. 1 Marie-Henriëtte is 33 jaar. Marie-Henriëtte a trente-trois ans. 2 Estelle is 43 jaar. Estelle a quarante-trois ans. 3 Marie-Henriëtte is de zus van Estelle. Marie-Henriëtte est la soeur d Estelle. 4 Ze doen mee aan een autorally. Elles participent à un rallye. 5 Marie-Henriëtte is de moeder van een tweeling. Marie-Henriëtte est la mère de jumelles. 6 Ze houdt van koken en yoga. Elle aime faire la cuisine et faire du yoga. 7 Ze organiseert filmavonden. Elle organise des soirées ciné / café-ciné. 8 Estelle is gescheiden. Estelle est divorcée. 9 Ze is de moeder van Damien en van Aimée. Elle est la mère de Damien et d Aimée. 10 Ze houdt van dieren. Elle aime les animaux. 4 COMBINEZ koken, yoga, autorally Trophée des Gazelles Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 faire la cuisine a de echtgenoot 1 + d 2 la soeur b verantwoordelijk voor 2 + e 3 conduire c de dieren 3 + f 4 responsable de d koken 4 + b 5 le mari e de zus 5 + a 6 les animaux f autorijden 6 + c autorally Trophée des Gazelles, houdt van dieren, speelt toneel 84 CHAPITRE 6

87 5 PARLEZ Voer het gesprek met een klasgenoot. De één stelt de vragen. De ander geeft antwoord. Wissel van rol. Thomas 1 Bonjour, Nicolas! Tu vas où? Nicolas 2 Ah, hallo Thomas! Ik ga naar het restaurant. Ah, salut Thomas! Je vais au restaurant. 3 Chouette! C est quel jour, aujourd hui? 4 Vandaag is het donderdag. Aujourd hui, c est jeudi. 5 Tu as de la chance! C est la soirée café-ciné! 6 Super. Ik houd van films. Super/Top. J aime les films. 7 Mais où est Estelle? 8 Estelle is in Serris. Ze werkt op het castingbureau. Estelle est à Serris. Elle travaille au bureau de casting. 6 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Luister naar het hele liedje. Beantwoord de vragen. 1 Op welke dag speelt deze picknick zich af? op zaterdag 2 Gaan ze met de fiets? Nee, met een grote auto. 3 Wie heeft alles klaargemaakt en hoeveel tijd kostte dat? mama, drie dagen 4 Hoe loopt het af? Het gaat regenen; ze gaan terug naar huis en eten thuis alles op. 5 Welke solostemmen hoor je? een vrouwenstem en een mannenstem 6 Wanneer valt het koor in? bij het refrein; soms ook aan het eind van een regel 7 Wat valt je op bij het laatste couplet Quand on est arrivé? Dan begint de mannenstem met zingen. 7 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ TIP Kijk in de woordenlijst van les 1 in de Pages jaunes. Luister nog een keer naar het chanson. Onderstreep de dingen die in de picknickmand meegaan. brood / boter / kaas / eieren / melk / augurken / ijs / chocola / uitjes / pizza / chips / vis / kip 8 NOTEZ Noteer in het Frans minstens acht dingen die jij in je picknickmand wilt meenemen. Vergeet de lidwoorden niet. eigen antwoord 9 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 10 ON FINIT Zoek op internet naar gegevens over de Trophée des Gazelles. Maak een lijstje in het Frans. Verwerk daarin de volgende gegevens: voor wie de Trophée des Gazelles is; waar het is; om welk vervoermiddel het gaat; hoe je je kunt inschrijven. wanneer het is; Bewaar het lijstje in je taalportfolio. 85

88 6 leçon 2 Un repas-sponsors 1 ON COMMENCE Kijk naar blz. 90 en 91 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat betekent de titel? een sponsordiner/sponsormaaltijd 2 Bekijk de intro s van tekst 1 en tekst 2. Bij welke winkels vinden de gesprekjes plaats? zuivelwinkel, kruidenier 2 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 1 en onderstreep wat je hoort. 1 Ils aident tante Marie-Henriette avec une soirée repas-sponsors / repas-bénévole. 2 Damien et Julie font la vaisselle / les courses. 3 Bonjour, monsieur, je voudrais un petit / gros morceau de gruyère. 4 Oui, c est parfait, ça fait / c est combien? 5 Pas trop mou / fait? 6 Je suis née à Bergerac / Camembert. 7 Dans ce village / cette ville il y a un musée du camembert. 8 Oh, peut-être 170 ou 200 / ou habitants. 9 Je prends aussi deux / trois petits chèvres. 10 Ça fait 18 euros 20 / 1 8 euros 30! 3 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister nog een keer naar tekst 1. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 C est un repas pour les sponsors du rallye Paris-Dakar. 2 Julie entre dans la crémerie. 3 Six euros quatre-vingts. 4 Je voudrais deux camemberts. 5 Camembert, c est une ville? 4 LISEZ ET COMBINEZ 6 C est vraiment un petit village, mais ce n est pas beau. 7 Vous ne désirez pas autre chose? 8 Je me trompe. 9 Merci, mademoiselle, et bon après-midi. Lees tekst 1 op blz. 90 van je livre de textes. Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 bonne journée! a de kruidenier 1 + e 2 la crémerie b u wenst 2 + g 3 l épicier c ik ben geboren 3 + a 4 vous désirez d ik vergis me 4 + b 5 je voudrais e fijne dag! 5 + h 6 un camembert coulant f de kleine geitenkaasjes 6 + i 7 je suis née g de zuivelwinkel 7 + c 8 les crottins de chèvre h ik wil graag 8 + f 9 je me trompe i een zachte camembert 9 + d 5 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 2 en onderstreep de woorden die je hoort. devant / fromages / lait / cornichons / attention / moutarde / l huile d olive / magasin / glace / tout près 86 CHAPITRE 6

89 TIP 6 ÉCOUTEZ ET REMPLISSEZ Luister naar tekst 2 en vul de goede woorden in. Kies uit: chèvres maintenant d abord idée d ici fromages l épicier glace un tube Luister nog een keer en controleer je antwoorden. 1 Julie rencontre Damien devant la porte de l épicier. 2 Eh! Salut Julie! Tu as les fromages? 3 Oui, j ai du gruyère, un bon camembert et deux chèvres. Et toi, tu as le pot de cornichons? 4 Oui, j ai des cornichons, un tube de mayonnaise, de la moutarde et de l huile d olive. Et maintenant c est le tour à tante Marie-Henriette! 5 Mais d abord nous prenons une bonne glace chez Berthillon, le meilleur glacier de Paris. 6 Bonne idée et c est tout près d ici! 7 ÉCOUTEZ, LISEZ ET COMBINEZ Luister nog een keer naar tekst 2 en lees mee op blz. 91 van je livre de textes. Combineer de Franse uitdrukkingen met de Nederlandse betekenissen. 1 un pot de cornichons a het is hier dichtbij 1 + d 2 rencontrer devant la porte b de beurt is aan 2 + c 3 c est le tour à c voor de deur ontmoeten 3 + b 4 le meilleur glacier d een pot augurken 4 + e 5 c est tout près d ici e de beste ijssalon 5 + a 8 ÉCOUTEZ ET CHOISISSEZ Je kunt je luistervaardigheid goed oefenen door eerst naar de hele tekst te luisteren. Luister eerst een keer naar tekst 3 als geheel. Luister dan nog een keer en gebruik de pauzeknop om de vragen te beantwoorden. Kies antwoord a of b. 1 De sponsoravond is georganiseerd voor a een goed doel. b een autorally. 2 De taak van Damien is lachen en a bestellingen opnemen. b glazen ophalen. 3 De klanten aan tafel 8 willen a met een cheque betalen. b een cheque geven. 4 Damien zegt over het geld: a Bedankt en tot ziens. 5 De klanten bestellen een a pizza. b Het is voor mijn tante en mijn moeder. b lamsbout. 6 De klanten willen vooraf a geen drankje. b wel een drankje. 7 De klanten bestellen a 1 fles witte wijn en 1 fles rode wijn. b 1 fles water en 1 fles wijn. 8 Damien komt met de glazen, ziet een leuk meisje en a lacht naar haar. 9 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ b laat alle glazen vallen. Lees eerst de zinnen. Kijk en luister dan naar het filmpje. Onderstreep de goede woorden. 1 Driss zegt dat hij brood moet kopen voor zichzelf / voor zijn familie. 2 Driss zegt Bonjour, madame / Bonjour. 3 De mevrouw legt de bestelling neer en zegt Voilà / S il vous plaît. 4 Driss bestelt ook een stokbrood / een chocoladebroodje. 87

90 5 Daarna wil hij nog iets / niets meer kopen. 6 Hij moet 65 eurocent / 1 euro 65 betalen. 7 Als hij weggaat zegt hij: Merci / Au revoir. 8 Hij eet het brood helemaal / niet op. 9 Zijn familie zal niet / heel erg blij zijn. 10 REGARDEZ ET REMPLISSEZ Lees de zinnen. Kijk naar het tweede fragment zonder te luisteren. Vul de woorden in het Nederlands in. 1 De titel On joue l anniversaire betekent: We spelen de verjaardag. 2 Loubna zit met haar moeder in de keuken. 2 Ze vraagt iets en haar moeder vindt het goed. 3 De drie jongeren zijn waarschijnlijk vrienden van Loubna. 4 Ze praten over wat ze voor haar gaan kopen. 5 Loubna krijgt een petje, een T-shirt en een cd van Sébastien. 6 Haar moeder brengt schalen met gebakjes en ook nog een verjaardagstaart. 11 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET REMPLISSEZ Lees de zinnen. Kijk en luister naar het tweede filmfragment. Vul de woorden in het Frans in. 1 Loubna et sa maman sont dans la cuisine. 2 Est-ce que tu es d accord? 3 Nous allons chez Loubna pour son anniversaire. 4 Qu est-ce qu on fait? 5 Bon anniversaire, Loubna. 6 Pour mon anniversaire, je voudrais un t-shirt avec mon nom. 7 Les copains ne prennent pas de gâteaux. 8 Maman, merci pour le gâteau d anniversaire. 12 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 13 ON FINIT Vorm een groepje van vijf. Jullie zitten in een restaurant. Verdeel de rollen. Eén van jullie is de ober; de anderen zijn de klanten. De klanten zeggen hun bestelling en verzinnen er zelf nog één bestelling bij. De ober herhaalt van elke klant de bestelling en noteert hem. Controleer op het lijstje van de ober of de bestelling goed is doorgekomen. Wissel van rol. Klant 1 Je voudrais une pizza et un verre de coca et eigen antwoord. Klant 2 Je voudrais le plateau de fromages avec un verre de 7Up et eigen antwoord. Klant 3 Je voudrais un steak et un coca et eigen antwoord. Klant 4 Je voudrais des frites et de l eau et eigen antwoord. Bestellingenlijstje ober Klant 1 Klant 2 Klant 3 Klant 4 1 pizza, 1 coca, eigen antwoord plateau de fromages, 1 7Up, eigen antwoord 1 steak, 1 coca, eigen antwoord des frites, de l eau, eigen antwoord 88 CHAPITRE 6

91 6 leçon 3 Je fais des courses 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Welke vier typisch Franse producten ken je? eigen antwoord 2 Welke typisch Franse producten vind jij lekker? eigen antwoord 2 REGARDEZ ET RÉPONDEZ Bekijk de acht teksten op blz. 92 en 93 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat is de titel van deze les? Je fais des courses. 2 Wat betekent dat? Ik doe boodschappen. 3 Sommige teksten beginnen met Sais-tu que? Wat betekent dat? Weet je dat? 4 Wat zie je op de foto s? boodschappenkarretjes, een supermarkt en een mandje boodschappen 3 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees de acht teksten. Welke tekst komt overeen met de zinnen hieronder? Noteer het nummer van de tekst. Tekst 1 Franse supermarkten zijn groot! 2 In Franse supermarkten kun je een berichtje ophangen Je wilt betalen met je bankpas? 2 4 Je moet je eigen tas meenemen. 4 5 Je kunt om een plastic muntje vragen bij de klantenservice. 1 6 Het aantal gekochte artikelen kun je hierop vinden. 7 7 Uitdrukkingen in het Frans en in het Nederlands. 5, 6 4 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 1 tot en met 4. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. Vrai Faux 1 In een karretje gaat een munt van twee euro. 2 Je mag altijd met je bankpas betalen. 3 In de supermarkt worden zelfs computers verkocht. 4 Soms zijn er meer dan vijftig kassa s. 5 Vanwege de kosten geven sommige supermarkten geen plastic tasjes meer. 5 LISEZ ET COMBINEZ Lees tekst 3. Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 on vend a boeken 1 + e 2 des vêtements b kassa s 2 + f 3 des livres c computers 3 + a 4 des disques d televisies 4 + g 5 des téléviseurs e men verkoopt 5 + d 6 des ordinateurs f kleding 6 + c 7 des caisses g cd s 7 + b 89

92 6 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 7 en beantwoord de vragen. 1 Wat is er afgebeeld? een kassabon 2 Schrijf vijf artikelen op die je herkent. eigen antwoord 3 Wat is de prijs van het stokbrood? 44 cent 4 Wat is het Franse woord voor komkommer? concombre 5 Wat is de Nederlandse betekenis van endive? Gebruik je woordenboek! witlof 6 Welke producten zijn er van het merk Maille gekocht? Noteer deze in het Frans en dan in het Nederlands. cornichons, moutarde; augurken en mosterd 7 Welke kaassoort is er gekocht? camembert 8 Aan welke Franse zin kun je zien hoeveel artikelen je hebt gekocht in de winkel? nombre d articles vendus 7 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 8 en beantwoord de vragen. 1 Wie heeft het berichtje opgehangen? de moeder van Damien, Estelle Bellefontaine 2 In wat voor een winkel is het opgehangen? in een supermarkt 3 Wat of wie is er verdwenen? een kleine grijze poes, Grisou 4 Waar staat CHE 59 voor? het nummer van de tatoeage 5 Van wie is het telefoonnummer dat erbij staat? van Estelle 8 COMPLÉTEZ Clarisse is in de war omdat haar hondje weg is. Haar berichtje in de supermarkt klopt niet. Vul de gegevens op de goede plaats in. Perdu: Clarisse Fifi mon chien Perdu depuis: 10 ans le 22 janvier Couleur: noir Âge: noir 10 ans Numéro de téléphone: le 22 janvier Merci de contacter: Fifi mon chien Clarisse 9 ÉCRIVEZ Stel, jouw huisdier is weg. Je schrijft een berichtje voor de supermarkt als in opdracht 8. Vul de gegevens in het Frans in : 1 je huisdier (bedenk er een) is verdwenen Perdu: eigen antwoord 2 de datum van zijn verdwijning Perdu depuis: eigen antwoord 3 een beschrijving van je huisdier bijv. Couleur: eigen antwoord 4 de leeftijd van het dier Âge: eigen antwoord 5 je telefoonnummer Numéro de téléphone: eigen antwoord 6 je naam en een bedankje Merci de contacter: eigen antwoord 10 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek op internet naar de volgende gegevens van een supermarkt in Lille. Noteer ze. Zoekwoorden: supermarché, Lille 1 Naam en adres van de gevonden supermarkt: eigen antwoord 2 Naam van het dichtstbijzijnde metrostation: eigen antwoord 3 Is er een parkeerplaats bij de supermarkt? eigen antwoord 4 Openingstijden op donderdag: eigen antwoord 5 Is de supermarkt open op zondag? Zo ja, geef de openingstijden. Ja, eigen antwoord 6 Wat is het Franse woord voor aanbiedingen? Promotions 90 CHAPITRE 6

93 7 Op welke afdeling koop je groenten en fruit? Fruits et légumes 8 Waar koop je vis, vleeswaren, suiker? Drie afdelingen. Poissonnerie, charcuterie, épicerie 9 Hoe oud moet je in Frankrijk zijn om alcoholische drank te mogen kopen? 18 jaar 11 REMPLISSEZ ET PARLEZ Vul de goede vorm in van het werkwoord aller. Beantwoord de vragen. Oefen dan met een klasgenoot. Wissel van rol. 1 Tu vas au cinéma? Oui, je vais au cinéma. 2 Vous allez à la fête de Saïd? Non, nous n allons pas à la fête de Saïd. 3 Ils vont en vacances? Oui, ils vont en vacances. 4 Elle va à l école? Non, elle ne va pas à l école. 5 Il va où? Il va à la piscine. 6 Vous allez jouer au foot? Non, on ne va pas jouer au foot. 12 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister naar de geldbedragen. Kruis de geldbedragen aan die je hoort. Lees dan alle bedragen hardop voor aan een klasgenoot. Wissel van rol. 1 3,95 2 2,50 13 REMPLISSEZ ET NOTEZ 3 1,75 4 6,99 5 8,25 6 9,00 Vul eerst de woorden in. Kies uit: à la au à l aux of de la du de l des 7 1, ,30 Noteer dan de Nederlandse betekenis van de zin. 1 La couleur de la guitare est rouge. De kleur van de gitaar is rood. 2 Le chat de l oncle est gris. De kat van de oom is grijs. 3 Nous allons à l hotel. Wij gaan naar het hotel. 4 Tu vas au magasin de musique? Ga jij naar de muziekwinkel? 5 Le nom du prof est La Note. De naam van de leraar is La Note. 6 Je vais au concert. Ik ga naar het concert. 14 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees het boekje Le rat de ville et le rat des champs. Vul het werkblad in. Noteer drie vragen die je voor jezelf hebt gemaakt op je werkblad. Bewaar het werkblad in je taalportfolio. 15 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 16 ON FINIT Zoek op het internet naar Franse spreekwoorden. Kies er drie uit. Schrijf ze op in het Frans en leg ze uit zoals in tekst 5 en 6. Maak er een tekening bij. Bewaar de uitgewerkte opdracht in je taalportfolio. 91

94 6 leçon 4 Le dîner au resto 1 ON COMMENCE Lees de titel van de les. Bekijk de teksten op blz. 94 en 95 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat betekent de titel van de les? het diner in het restaurant 2 Wie schreven tekst 1? Juliette en Paul 3 Wie schreef tekst 2? Juliette 4 Waar speelt tekst 3 zich af? in het restaurant Chez la Mère Catherine 2 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees tekst 1 en 2. Onderstreep de goede woorden. 1 Juliette en Paul sturen een brief / naar Béatrice en Renaud. 2 Ze schrijven over een restaurant waar je lekker en goedkoop / maar wel duur kunt eten. 3 In tekst 1 staan voorbeelden van voorgerechten / hoofdgerechten / toetjes. 4 In tekst 2 staan voorbeelden van voorgerechten / hoofdgerechten / toetjes. 5 Het restaurant is gemakkelijk / moeilijk te vinden. 3 CHERCHEZ ET REMPLISSEZ Zoek in tekst 1 en 2 naar de gegevens van het restaurant Chez la Mère Catherine. Vul deze in. Ville: Quartier: Paris Montmartre 4 SOULIGNEZ ET RÉPONDEZ Adresse: Place du Tertre Métro (ligne): 12 Station de métro: Abbesses TIP Kijk in de Pages jaunes van dit hoofdstuk. Lees tekst 3. Onderstreep het onderwerp in de vraag. Maak dan het antwoord af. Vervang het onderwerp door: il, elle, ils of elles. Oefen dan vraag en antwoord met een klasgenoot. Wissel van rol. Questions Réponses 1 Qu est-ce que Béatrice et Renaud prennent comme entrée? Comme entrée, ils prennent des crudités. 2 Qu est-ce que Renaud prend comme plat du jour? Comme plat du jour, il prend du poisson. 3 Qu est-ce que Béatrice prend comme dessert? Comme dessert, elle prend la tarte (Tatin). 5 CHERCHEZ ET NOTEZ Lees tekst 4 en kijk dan weer in tekst 3. Noteer de gerechten die wel in tekst 3 maar niet op de rekening staan. Schrijf Nederlandse betekenissen op. 1 une salade avec du fromage de chèvre chaud een salade met warme geitenkaas 2 un steak grillé een gegrilde biefstuk 3 des moules-frites mosselen met frietjes 6 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek in tekst 3 de woorden die bij de afkortingen op de rekening in tekst 4 horen. Noteer deze woorden in het Frans en in het Nederlands. Frans Nederlands 1 poulet rôti + hv haricots verts sperziebonen 2 1 plateau de from fromages kaas 3 bou. d eau minérale 1 l bouteille, litre fles,liter 92 CHAPITRE 6

95 TIP 7 REGARDEZ ET COMBINEZ Bekijk de foto s van de photoguide op blz. 95 van je livre de textes. Combineer de zinnen met de goede foto s. Vul de letters van de foto s in. 1 Je kunt er een pannenkoek en iets te drinken kopen. 1 + A 2 Je kunt er warme maaltijden bestellen. 2 + C 3 Daar verkopen ze biologische eieren. 3 + B 4 Daar verkopen ze friet. 4 + A 5 Je hebt de keus uit verschillende maaltijden. 5 + C 8 COMBINEZ Combineer de Nederlandse met de Franse zinnen. 1 Wat neem jij? a Elle aime le fromage? 1 + b 2 Ik neem rauwkost. b Qu est-ce que tu prends? 2 + e 3 En ik neem sperziebonen. c Oui, elle adore le fromage. 3 + f 4 Hij heeft liever vis. d Qu est-ce que vous prenez? 4 + g 5 Houdt zij van kaas? e Je prends des crudités. 5 + a 6 Ja, zij is dol op kaas. f Et moi, je prends des haricots verts. 6 + c 7 Wat nemen jullie? g Il préfère le poisson. 7 + d 9 REMPLISSEZ ET PARLEZ Vul de goede vorm van prendre in. Oefen dan het gesprek met een klasgenoot. Wissel van rol. 1 Béatrice, tu prends un dessert? Oui, je prends une tarte Tatin. 2 Vous prenez de l eau? Oui, nous prenons une bouteille d eau. 3 Ils prennent des crudités? Oui, ils prennent toujours des crudités comme entrée. 4 Renaud prend toujours deux desserts? Non, il prend souvent un dessert. 5 Maintenant, on prend un expresso? Oui d accord, on prend un expresso. 10 LISEZ ET COCHEZ Kijk in de Pages jaunes van dit hoofdstuk. Lees de vragen en de antwoorden. Kruis de vragen aan die kloppen met het antwoord. 1 Qui est-ce? 2 Qu est-ce que c est? 3 Qu est-ce que c est? 4 Qui est-ce? 5 Qui est-ce? 11 REMPLISSEZ ET COMBINEZ C est Paul, le mari de Juliette. C est un restaurant sympa. C est Juliette. C est un message de Juliette. C est Béatrice. Vul het delend lidwoord in: du de la de l des. Combineer dan de Franse met de Nederlandse woorden. 1 de la mousse au chocolat a rauwkost 1 + d 2 du poisson b sperziebonen 2 + e 3 de l huile d olive c ijs 3 + f 4 des crudités d chocolademousse 4 + a 5 du café e vis 5 + g 6 des haricots verts f olijfolie 6 + b 7 de la glace g koffie 7 + c 93

96 TIP TIP TIP 12 RÉPONDEZ ET PARLEZ Beantwoord de vragen. Gebruik: n pas de / d. Oefen de vragen en de antwoorden hardop met een klasgenoot. Wissel van rol. Questions Réponses 1 Vous avez du poisson? Non, nous n avons pas de poisson. 2 Tu as de la glace? Non, je n ai pas de glace. 3 Tu as de l eau? Non, je n ai pas d eau. 4 Vous avez de l huile d olive? Non, nous n avons pas d huile d olive. 5 Tu as des fraises? Non, je n ai pas de fraises. 13 TRADUISEZ Bekijk de uitleg van het delend lidwoord in de Pages jaunes van dit hoofdstuk. Vertaal het boodschappenlijstje in het Frans. Verzin er zelf een boodschap bij. 1 twee kilo appels deux kilos de pommes 2 een bakje aardbeien une barquette de fraises 3 twee flessen water deux bouteilles d eau 4 een zachte camembert un camembert coulant 5 eigen antwoord eigen antwoord 14 COMMENT DIT-ON? Bekijk de Expressions in de Pages jaunes van dit hoofdstuk. Gebruik: il faut + hele werkwoord. Hoe zeg je dit in het Frans? 1 Jullie moeten snel reserveren. Il faut réserver vite. 2 Jullie moeten naar het commentaar van Juliette kijken. Il faut regarder le commentaire de Juliette. 3 Je moet de metro nemen. Il faut prendre le métro. 4 Je moet de tarte Tatin nemen. Il faut prendre la tarte Tatin. 15 RÉPONDEZ ET PARLEZ Na aimer, adorer, préférer gebruik je le, la, l of les. Ook na een ontkenning! Maak de vragen af. Oefen de vragen en de antwoorden hardop met een klasgenoot. Wissel van rol. Questions Réponses 1 Tu aimes les cornichons? Non, je n aime pas les cornichons. 2 Tu aimes les oeufs durs? Non, je n aime pas les oeufs durs. 3 Tu adores la mousse au chocolat? Oui, j adore la mousse au chocolat. 4 Tu préfères l eau minérale? Oui, je préfère l eau minérale. 5 Tu aimes les moules? Non, je n aime pas les moules. 16 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 17 ON FINIT Je wilt vrijdag om 8 uur met vier personen naar het restaurant. Vul het reserveringsformulier in. FORMULAIRE DE RÉSERVATION Prénom: eigen antwoord Nom: eigen antwoord Date de réservation: datum a.s. vrijdag Heure: 20h00 Nombre de personnes: 4 Numéro de téléphone: eigen telefoonnummer Maak het reserveringsformulier na op de computer. Bewaar het formulier in je taalportfolio. 94 CHAPITRE 6

97 6 leçon 5 Sur ma liste 1 ON COMMENCE Bekijk de afbeeldingen op blz. 96 en 97 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Heb jij wel eens iets op een Franse markt gekocht? eigen antwoord 2 Kun je een verschil noemen tussen een Nederlandse en een Franse markt? eigen antwoord 2 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister naar de drie gesprekken op blz. 96 van je livre de textes en lees mee. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. Tekst 1 1 Clarisse werkt zaterdagochtend op de markt. Vrai 2 Damien wil een kilo appels. 3 Clarisse geeft hem een bakje aardbeien. Tekst 2 4 Damien houdt niet van aardbeien. 5 Hij rekent 6 euro 80 af. 6 Hij zegt dat hij naar huis gaat. Tekst 3 7 De moeder van Damien heeft geen bier meer. 8 Damien koopt vijf artikelen in de supermarkt. 3 COMMENT DIT-ON? TIP Kijk in de teksten of de Expressions. Hoe zeg je dit in het Frans? Vertaal de zinnen. Oefen ze dan met een klasgenoot. 1 Wat wilt u hebben? Vous désirez? 2 Ik wil graag een kilo tomaten. Je voudrais un kilo de tomates. 3 Anders nog iets? Et avec ça? 4 een bakje aardbeien une barquette de fraises 5 Is dat alles? C est tout? 6 Ja. Hoeveel kost het? Oui. C est/ça fait combien? 4 COMBINEZ ET PARLEZ Combineer de vraag met het juiste antwoord. Oefen dan de zinnen met je klasgenoot. Wissel van rol. 1 Tu travailles à la boulangerie? a Désolé, je n ai plus de fromage. 1 + e 2 Je peux t aider? b C est 13 euros d 3 Vous avez du camembert? c Je vais au supermarché. 3 + a 4 Tu vas où maintenant? d Oui, je voudrais de la salade. 4 + c 5 Qu est-ce que tu prends? e Oui, le samedi et le mercredi matin. 5 + g 6 C est tout? f Non, je prends aussi du jambon. 6 + f 7 Ça fait combien? g Je prends du beurre et une bouteille d eau. 7 + b 5 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Bestudeer de uitspraakregels op blz. 97 van je livre de textes. Luister naar de woorden en spreek ze uit. Luister nog een keer en controleer of je ze goed hebt uitgesproken. 1 orange boulangerie gymnastique 2 jambon jeune Juliette 3 haricots verts hypermarché Hollandais Faux 4 viens combien Parisien 5 refrain à demain Saint-Nicolas 6 vendeuse camembert menthe 95

98 6 PARLEZ Je bent net op een Franse camping aangekomen. Je gaat voor je ouders boodschappen doen. Jij speelt de klant. Je klasgenoot speelt de verkoper/verkoopster. Wissel van rol. Leer de rol van de klant uit het hoofd. 1 Bonjour monsieur/madame. Vous désirez? 2 Groet terug. Je wilt graag brood en jam. Bonjour monsieur/madame. Je voudrais du pain et de la confiture. 3 Et avec ça? 4 Vraag of hij/zij kaas heeft. Vous avez du fromage? 5 Désolé(e), je n ai pas de fromage aujourd hui. 6 Vraag dan beleefd om ham. Alors du jambon, s il vous plaît. 7 Combien de jambon? 8 Je wilt graag vijf plakken ham. Cinq tranches de jambon, s il vous plaît. 9 C est tout? 10 Dat is zo. Vraag hoeveel het kost. Oui, c est tout. C est / ça fait combien? 11 Ça fait deux euros quatre-vingt-quinze. 12 Je geeft 10 euro. Voilà, dix euros. 13 Et voilà votre monnaie. Sept euros cinq. 14 Bedank de verkoper/verkoopster. Merci, monsieur/madame. 15 Au revoir, mademoiselle/jeune homme. 16 Groet terug. Au revoir, monsieur/madame. 7 PARLEZ Je bent vergeten fruit te kopen en je gaat dus terug naar de winkel. Je klasgenoot speelt de verkoper/verkoopster en begint het gesprek. Wissel van rol. Leer de rol van de klant uit het hoofd. 1 Ah, c est encore vous. Vous désirez? 2 Je wilt graag bananen (des bananes). Je voudrais des bananes. 3 Combien de bananes? 4 Je wilt zes bananen. Six bananes, s il vous plaît. / Je voudrais six bananes. 5 Et avec ça? 6 Je wilt ook een kilo appels. Je voudrais aussi un kilo de pommes. 7 Désolé(e), il n y a pas de pommes aujourd hui. Vous voulez des abricots? 8 (Je ziet aardbeien.) Je bent dol op aardbeien. Je neemt een bakje aardbeien. J adore les fraises. Je prends une barquette de fraises. 9 C est tout? 10 Dat is zo. Je vraagt hoeveel het is. Oui, c est tout. C est combien? 11 C est 5 euros Je geeft 10 euro. Voilà dix euros. 13 Et voilà 4 euros 80. Et un abricot pour vous. 14 Je bedankt. Je bent dol op abrikozen. Merci, monsieur/madame. J adore ça/les abricots. 15 Au revoir et bonne journée! 16 Je groet terug. Au revoir, monsieur/madame et bonne journée! 96 CHAPITRE 6

99 8 REGARDEZ ET COMPLÉTEZ Bekijk de afbeeldingen van de photodico op blz. 97 van je livre de textes. Maak de zinnen af met het levensmiddel. Gebruik een delend lidwoord: du de la de l des of de. 1 ham Je voudrais du jambon. 2 jam Vous avez de la confiture? 3 brood Désolé, je n ai pas de pain. 4 aardbeien Il y a des fraises aujourd hui. 5 cola Ils prennent une bouteille de coca. 6 snoepjes Il veut acheter des bonbons. 7 kaas Tu aimes les pâtes avec du fromage. 8 kip On mange du poulet avec des frites. 9 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden en de Expressions van deze les in de Pages jaunes. Spreek deze na. Luister nog een keer, controleer of je ze goed hebt uitgesproken en leer ze. 10 REMPLISSEZ ET COMPLÉTEZ Je gaat boodschappen doen. In kolom 1 vul je een delend lidwoord in: du de la de l des of de d. Maak dan de zinnen af met de hoeveelheid die ervoor staat. Volg het voorbeeld. Lees de zinnen voor aan een klasgenoot. Wissel van rol. Exemple des tomates een kilo Je voudrais un kilo de tomates. 1 des champignons een bakje Je voudrais une barquette de champignons. 2 de l huile d olive een fles Je voudrais une bouteille d huile d olive. 3 de la confiture een pot Je voudrais un pot de confiture. 4 de l eau minérale een liter Je voudrais un litre d eau minérale. 5 du fromage een stuk Je voudrais un morceau de fromage. 6 des bonbons Er zijn geen Il n y a pas de bonbons. 11 ON FINIT Je gaat met twee klasgenoten een jeu de mémoire (memoryspel) maken met de etenswaren uit dit hoofdstuk. Er zijn twee thema s: le petit déjeuner en le dîner. Préparation 1 Kies een thema. 2 Bedenk tien dingen die je bij deze maaltijd kunt eten of drinken. Typ de woorden in het Frans en gebruik een delend lidwoord. Bijvoorbeeld: des croissants, de la viande, enzovoort. 3 Ga naar en zoek images (afbeeldingen) bij de tien etenswaren of drankjes. Kopieer ze en sla ze op. Zorg dat de plaatjes even groot zijn. 4 Print de plaatjes en woorden op stevig papier. Print de plaatjes op een ander kleur papier dan de woorden. Knip ze uit. Zorg dat ze even groot zijn. Je hebt nu twintig kaartjes. Je kunt ze ook plastificeren. Jouez le jeu 5 Speel het spel met twee klasgenoten. Als je het juiste plaatje bij een woord hebt gevonden, maak je met dat woord een zin. Exemples des croissants Je prends des croissants. de la viande Vous avez de la viande? Variante 6 Maak een zin met: de of d. Exemples Je ne mange pas de croissants. Je voudrais une bouteille d eau. 97

100 6 leçon 1 ON COMMENCE Bekijk de kaart van Frankrijk en lees de inleiding op blz. 98 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Heb jij wel eens een Franse specialiteit gegeten? eigen antwoord 2 Zo ja, weet je uit welke streek dit gerecht komt? eigen antwoord 3 Weet je wat de Guide Michelin is? eigen antwoord 4 Wat gaan we doen op onze culinaire reis? sterren uitdelen aan Franse streken 5 Eindigt deze reis in het noorden of het zuiden? in het zuiden 2 LISEZ ET NOTEZ Lees de zeven teksten. Noteer de Franse namen van de gerechten/producten met de lidwoorden le of la. Noteer ook de streek van het gerecht. Nederlandse naam Franse naam Streek 1 fondue la fondue La Savoie 2 groentegerecht la ratatouille La Provence 3 zuurkool la choucroute L Alsace 4 quiche met kaas la goyère Le Pas-de-Calais 5 pannenkoek la crêpe La Bretagne 6 vissoep la bouillabaisse Les Bouches-du-Rhône 7 beroemde kaas le camembert La Normandie 8 cider le cidre La Bretagne 3 LISEZ ET COMPLÉTEZ Lees de teksten nog een keer. Maak de Franse zinnen af. 1 On prépare la goyère avec un fromage qui s appelle le maroilles. 2 Camembert est un village où on peut visiter le musée du camembert. 3 On peut mettre de la confiture sur une crêpe. 4 Le cidre est une boisson faite de pommes. 5 On mange la choucroute royale avec cinq viandes. 6 La fondue est faite de trois fromages. 7 Dans la ratatouille on met des courgettes, des aubergines et des tomates. 8 La bouillabaisse est une soupe avec des poissons et des pommes de terre. 4 COMBINEZ 6 Voilà la France Combineer de omschrijving met de Franse naam. 1 Un film sur un cuisinier français. a une coiffe 1 + e 2 Une très grande ville en France. b Bienvenue chez les Ch tis 2 + f 3 Les femmes en Bretagne portent cette sorte de bonnet. c la Méditerranée 3 + a 4 Un livre avec une liste de bons restaurants. d la baguette 4 + h 5 Un film qui se passe dans le nord de la France. e Ratatouille 5 + b 6 La mer au sud de la France. f Marseille 6 + c 7 Les plats sont servis avec ce produit. g la choucroute 7 + d 8 C est une spécialité royale. h le Guide Michelin 8 + g 98 CHAPITRE 6

101 5 REMPLISSEZ ET RÉPONDEZ Vul de volgende gerechten in de goede kolom in. Is het een voorgerecht (entrée), hoofdgerecht (plat principal) of nagerecht (dessert)? Je kunt de gerechten opzoeken via Google.fr. Gebruik als zoekterm: recettes : boeuf bourguignon soupe à l oignon escargots crêpes Suzette clafoutis aux cerises lapin à la moutarde coquilles Saint-Jacques mousse au chocolat coq-au-vin Entrée Plat principal Dessert soupe à l oignon boeuf bourguignon crêpes Suzette coquilles Saint-Jacques lapin à la moutarde clafoutis aux cerises escargots coq-au-vin mousse au chocolat 6 CHERCHEZ ET NOTEZ Lees de tekst info France op blz. 99 van je livre de textes aandachtig door. Bekijk de site van een Frans sterrenrestaurant. Ga naar en typ de naam van het restaurant Maison Lameloise in Chagny. Beantwoord dan de vragen. 1 In welke streek bevindt zich dit restaurant? Hoe lang bestaat dit restaurant? La Bourgogne, sinds Hoeveel generaties van de familie leiden Maison Lameloise? Noteer hun voornamen. 3, Pierre, Jean, Jacques Klik aan: venir. 3 Op welke dagen is het restaurant gesloten? dinsdag en woensdag Klik aan: le restaurant. 4 Wie is de chef-kok? Sinds wanneer werkt hij in Lameloise? Eric Pras, sinds 1 maart Hoeveel sterren heeft dit restaurant? Sinds wanneer? 3 sterren, sinds In welk jaar van de 21 ste eeuw is het restaurant een ster kwijtgeraakt? 2005/ Waarom heeft Lameloise geen ster in 1940? Er was geen Guide Michelin in de oorlog. Klik aan: invitation. 8 Wat staat er bij de prijs van dit menu vermeld? Vanaf meer dan 500 euro voor 2 personen 9 Wat krijg je voor dit menu? het menu dégustation en een Bourgondisch aperitief. 10 Is de wijn bij de prijs inbegrepen? Waaraan kun je dat zien?. Ja, aan: boissons comprises. 7 ON FINIT Vorm een groepje van drie. Jullie gaan een Frans menu samenstellen. Ga naar en gebruik als zoekterm recettes. Verdeel de gerechten: leerling 1 kiest een Frans voorgerecht, leerling 2 een hoofdgerecht en leerling 3 een dessert. Print je gerecht uit en beantwoord de volgende vragen. 1 Hoe lang duurt de voorbereiding? eigen antwoord 2 Wat is de kook- of baktijd? eigen antwoord 3 Noteer drie ingrediënten uit het gerecht. eigen antwoord 4 Lijkt jou de bereiding van dit gerecht makkelijk of moeilijk? eigen antwoord 5 Is dit gerecht goedkoop of duur? eigen antwoord Maak met je groepje een aantrekkelijk menu touristique met de drie gerechten. Verzin een naam voor jullie restaurant en vermeld ook de prijs van dit menu. Inspiratie en afbeeldingen kun je vinden op: klik images aan, en typ menu in. Bewaar je menu touristique in je taalportfolio. 99

102 Chapitre 7 Destination vacances leçon 1 C est l été 1 ON COMMENCE Bekijk blz. 104 en 105 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Hoe heet dit hoofdstuk en wat betekent dat? Destination vacances; vakantiebestemming 2 Wat wordt daar volgens jou mee bedoeld? Wat je gaat doen in de vakantie. 3 Welk seizoen is het volgens deze les. Het is zomer. 4 Wat zijn de vier jaargetijden in het Frans? l été, l automne, l hiver, le printemps 5 Waarover gaat het liedje? over de zomer 2 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees het fiche d identité op blz. 104 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wie is Saïd Abouze? Dat is de jongen op de foto / van de identiteitskaart 2 Waarom wordt Parijs genoemd? Saïd is daar geboren. 3 En waarom Serris? Daar woont hij nu. 4 Wat heeft Tunesië er mee te maken? Saïd gaat daar naartoe / zijn grootouders wonen er. 3 COMPLÉTEZ Vul de Franse woorden van het fiche d identité in. Let op: de gegevens staan in een andere volgorde dan in je livre de textes. Let ook op de spelling. 1 Prénom Saïd 2 Nom Abouze 3 Domicile actuel Serris 4 Région Île-de-France 5 Lieu de naissance Paris 6 Formation élève du collège Madeleine Renaud 7 Âge 14 ans 4 LISEZ ET COMBINEZ Lees nog een keer het fiche d identité. Combineer de Franse woorden met de Nederlandse betekenissen. 1 les grands-parents a hij heeft gespeeld 1 + d 2 faire du théâtre b een toneelles 2 + e 3 il suit c een tekenfilm 3 + f 4 un cours de théâtre d de grootouders 4 + b 5 chanter e toneelspelen 5 + g 6 Il a joué f hij volgt 6 + a 7 une pub(licité) g zingen 7 + h 8 un dessin animé h een reclame(spot) 8 + c 100 CHAPITRE 7

103 5 RÉPONDER ET PARLEZ Bekijk de foto en lees de tekst op blz. 104 nog een keer. Noteer het antwoord op de vragen. Stel dan de vragen aan je klasgenoot, die antwoord geeft. Wissel van rol. Questions Réponses 1 Qui est le garçon sur la photo? C est Saïd / Il s appelle Saïd Abouze. 2 Il a quel âge? Il a quatorze ans. 3 Il habite où? Il habite à Serris. 4 Il a quels hobbys? Il aime chanter, danser, faire du théâtre, le rugby. 5 Qu est-ce qu il fait encore? Il fait du doublage, il a joué dans une pub. 6 Il va en vacances où? Il va chez ses grands-parents en Tunisie. 6 COMPLÉTEZ ET PARLEZ Vul eerst de goede voorzetsels en lidwoorden in. Oefen dan de vragen en antwoorden met een klasgenoot. Questions Réponses 1 Tu prends du thé ou du coca? 2 Je ne prends pas de thé ou de coca. Je préfère un peu d eau. 3 Et vous, qu est-ce que vous prenez? 4 Nous prenons du jus de pommes. 5 Et vos parents, qu est-ce qu ils prennent? De la 6 Non, ils ne prennent pas de bière. Du vin bière? peut-être. 7 Il faut acheter du pain au supermarché? 8 Oui, il faut acheter du pain, mais aussi de la 7 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar het chanson en lees mee. Onderstreep de juiste woorden. confiture et des fruits. 1 Je hoort een mannenstem solo / vrouwenstem solo / mannen- en een vrouwenstem. 2 De muziek van het refrein is vrolijker / minder vrolijk dan die van de coupletten. 3 Elke versregel heeft meestal zes / zeven lettergrepen. 8 ÉCOUTEZ ET COCHEZ TIP Kijk in de woordenlijst van deze les in de Pages jaunes. Lees eerst de zinnen. Luister nog twee keer naar het chanson en lees mee. De eerste keer kruis je de juiste zinnen aan van vraag 1 tot en met 4. De tweede keer van vraag 5 tot en met 8. 1 Het liedje begint met het refrein. 2 Elk couplet begint met hetzelfde woord. 3 In elk couplet gaat het over het weer. 4 In elk couplet komen namen van dagen voor. 9 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ 5 Het is mooi weer op maandag. 6 Op donderdag is er geen school. 7 Op zaterdag sneeuwt en regent het. 8 Op zondag is de week voorbij. Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 10 ON FINIT Teken een kaartje van minstens acht landen aan de Middellandse zee (la Méditerranée). Schrijf de Franse landennamen erin. Je kunt een atlas of internet gebruiken. Saïd gaat op vakantie naar zijn grootouders in Tunesië. Stippel de vliegroute van Saïd uit en twee andere vlieg- of vaarroutes vanuit Frankrijk naar Tunesië. Bewaar het kaartje in je taalportfolio. 101

104 67 leçon 2 Allez, on part! 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Wat is jouw favoriete muziek? eigen antwoord 2 Van welke groep ben jij fan? eigen antwoord 3 Ben je wel eens naar een popconcert geweest? Zo ja, welk concert? eigen antwoord 2 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister naar tekst 1 en 2 en lees mee op blz. 106 en 107 van je livre de textes. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. 1 Les Durassiens gaan op tournee in Marokko. 2 De groep is gisteren aangekomen in hotel Hammamet. 3 Morgen is er een concert. 4 s Middags wordt een casting georganiseerd voor een reclamespot. 5 De opnames zijn in een hotel op Djerba. 6 Saïd heeft al eens meegedaan aan een reclamespot. 7 Olivier vindt dat er in Cannes weinig mooie boten in de haven liggen. 8 Saïd weet hoe ze een casting in Tunesië organiseren. 3 COMBINEZ Zoek de Franse en Nederlandse woorden bij elkaar. Noteer de letters. 1 hier a we zoeken 1 + c 2 ils ont donné b morgenavond 2 + f 3 il a assisté à c gisteren 3 + d 4 demain soir d hij heeft bijgewoond 4 + b 5 cet après-midi e vanmiddag 5 + e 6 on cherche f zij hebben gegeven 6 + a 4 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 2. Onderstreep de woorden die je hoort. 1 Saïd veut regarder le concert / faire du casting. 2 Saïd a 14 ans / 15 ans. 3 Saïd n a pas joué / a joué dans une pub. 4 Saïd mesure 1 mètre 63 / 1 mètre Saïd suit des cours de théâtre / a fini les cours de théâtre. 6 Saïd va faire / ne va pas faire un essai pour une pub. 5 CHERCHEZ ET ÉCRIVEZ Zoek in tekst 2 de Franse vertaling van de volgende zinnen. Schrijf deze op. 1 Hoe oud ben je? Quel âge as-tu? 2 Heb je zin om een casting te doen? Tu as envie de faire du casting? 3 Hoe lang ben je? Quelle taille as-tu? 4 Ben je al ingeschreven? Tu es déjà inscrit? 5 Kom morgenochtend. Viens demain matin. 6 We vertrekken om acht uur. On part à huit heures. Vrai Faux 102 CHAPITRE 7

105 6 ÉCOUTEZ ET NOTEZ Luister naar het geluidsfragment bij deze oefening. Onderstreep de tijd die je hoort. Schrijf dan de tijd in het Nederlands op. 1 Il est neuf / sept heures. Het is negen uur. 2 Il est six / cinq heures et demie. Het is halfzes. 3 Il est deux / o nze heures. Het is elf uur. 4 Il est midi / minuit. Het is twaalf uur s middags. 5 Il est dix heures et demie / six heures et demie. Het is halfzeven. 7 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar tekst 3. Onderstreep de woorden/uitdrukkingen die je hoort. casting / il fait beau / beaucoup de nuages / dans la mer / tu montres bien le déo / tu dois sourire / on va prendre quelques pubs / j ai une crampe / il y a un gros poisson qui arrive / un bon bain de mer / je ne me sens pas bien / tu peux signer le contrat 8 ÉCOUTEZ ET REMPLISSEZ Luister nog eens naar het begin van tekst 3. Vul de woorden in die je hoort. Gebruik zo nodig de pauzeknop. Kies uit: prendre deux jolie écoute l eau montres chaud l horizon plage Il est deux heures. Saïd et l équipe du bureau de casting sont sur la plage de Djerba pour faire des photos. Il fait beau et très chaud. Le ciel est bleu et le soleil brille, pas de nuages à l horizon. Il fait 32 degrés. Saïd écoute les indications du photographe. Et Les Durassiens...? Ils regardent amusés. Le photographe Saïd, tu vas dans l eau, mais pas trop loin. Tu as le spray dans ta main droite. Saïd Tu lèves les bras vers le ciel. Dans ta main, tu montres bien le déo. Comme ça monsieur, ou encore plus haut? Le photographe Le bras, ça va, mais tu dois sourire. Pense à une jolie fille! Saïd D accord je vais penser à Angelina Jolie! Le photographe C est mieux maintenant. Allez... ne bouge plus, on va prendre quelques photos. 9 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Luister nogmaals naar tekst 3. Beantwoord de vragen. 1 Waarom is Saïd met het team van het bureau op het strand? om foto s te maken 2 Wat is de temperatuur? 32 graden 3 In welke hand moet Saïd de spray houden? in zijn rechterhand 4 Waarom gaat Saïd aan Angelina Jolie denken? Omdat hij moet glimlachen. 5 Hoe komt Saïd aan kramp in zijn arm? Hij heeft al 10 minuten zijn arm omhoog. 6 Waarom feliciteert de fotograaf hem? Hij kan het contract ondertekenen. 10 ÉCOUTEZ ET COMBINEZ Luister nog een keer naar het laatste deel van tekst 3. Combineer de Franse zinnen met de Nederlandse. 1 J ai très chaud. a Een lekkere duik in zee, dat is niet gek. 1 + b 2 Reste debout. b Ik heb het erg warm. 2 + e 3 Ne perds pas le déo. c Ik voel me veel beter. 3 + d 4 Un bon bain de mer, ce n est pas mal. d Verlies de deodorant niet. 4 + a 5 Je me sens beaucoup mieux. e Blijf staan. 5 + c 103

106 11 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 12 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET COCHEZ Lees de zinnen. Kijk en luister naar het eerste filmpje. Kruis de zinnen aan die kloppen met wat je hoort. 1 De witte kerk heet de Sacré Coeur. 2 De kerk staat in Parijs. 3 La place du Tertre ligt achter de Sacré Coeur. 4 De schilders maken schilderijen voor toeristen. 5 De ober doet ook zijn werk voor de toeristen. 6 De toeristen filmen de Sacré Coeur. 7 Montmartre is een wijk in Parijs. 13 REGARDEZ ET SOULIGNEZ Lees de zinnen. Kijk naar het tweede filmpje zonder te luisteren. Onderstreep de goede antwoorden. 1 Je ziet een mevrouw met een blauwe / zwarte map onder haar arm. 2 Ze loopt langzaam / gehaast naar de ingang van het metrostation. 3 Ze heeft een / geen zitplaats in de metro. 4 Ze stapt over op het metrostation Montparnasse / Châtillon. 5 Ze gaat weer zitten / blijft staan. 6 Ze stapt uit bij het metrostation Gaîté / Châtillon. 14 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET COCHEZ Lees de zinnen. Kijk en luister naar het tweede filmpje. Kruis de zinnen aan die kloppen met wat je ziet en hoort. 1 Anne is secretaresse. 2 Ze stapt in de metro op het station Châtelet. 3 Ze is mooi op tijd. 4 Ze neemt de metro richting Porte d Orléans. 5 Ze stapt over en reist richting Châtillon. 6 Ze stapt uit en rent nu niet meer. 7 Over een halfuur moet ze toneelspelen. 8 Ze speelt in het theater Gaîté-Montparnasse. 15 ON FINIT Je gaat een interview houden met een klasgenoot. Noteer eerst de vragen in het Frans en stel ze dan aan je klasgenoot. 1 naam 2 waar hij / zij woont 3 hoe oud hij / zij is 4 zijn / haar hobby s 5 familieleden 6 vriendje / vriendinnetje Bewaar de vragen van het interview in je taalportfolio. 104 CHAPITRE 7

107 67 leçon 3 En Tunisie 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Waar ga je het liefst op vakantie naartoe? eigen antwoord 2 Ben je weleens in een Noord-Afrikaans land geweest? Zo ja, welk? Zo nee, zou je dat willen? eigen antwoord 3 Hoe breng jij jouw vakantie het liefst door? Luierend of juist actief? eigen antwoord 2 LISEZ ET RÉPONDEZ Bekijk tekst 1 op blz. 108 van je livre de textes. Lees ook de eerste twee zinnen en beantwoord de vragen. 1 Wat voor soort tekst is het? een mail 2 Uit welk land komt het bericht? Frankrijk 3 Van wie komt het bericht? En voor wie is het bestemd? van Damien, voor Saïd 4 Wat is het onderwerp van de tekst? supernieuws 3 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 1 en kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 De is op zaterdag geschreven. 2 Damien heeft twee dagen geleden met zijn groep een concert gegeven. 3 Er was veel publiek. 4 Ze speelden in een discotheek met een binnenzwembad. 5 De discotheek is elke dag open. 6 Het publiek vond het optreden geweldig. 7 Ze speelden naast het zwembad. 8 Damien vertelt over de optredens in het buitenland. 4 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees tekst 1 nog een keer en onderstreep de woorden die kloppen met de tekst. 1 Na het concert heeft een meneer de groep uitgenodigd om vier concerten / vijf concerten te geven. 2 Deze meneer bezit een hotel met discotheek in Hammamet / Tunis. 3 Dit hotel heet La Belle Plage / La Plage Fine. 4 Saïd gaat de vakantie bij zijn ouders / zijn grootouders doorbrengen. 5 Damien vraagt of Saïd naar één van de discotheken / een van de restaurants kan komen. 6 Damien zal hem meer informatie geven over de hotels / discotheken. 7 Damien weet al veel / nog niets over Tunesië. 8 Hij wacht vol ongeduld op nieuws / antwoord van Saïd. 5 COMBINEZ ET PARLEZ Lees opnieuw tekst 1. Combineer de stukjes zin in de linkerkolom met die in de rechterkolom. Lees de zinnen dan voor aan een klasgenoot. Wissel van rol. 1 Nous avons donné un concert a dans les mains. 1 + f 2 Elle est ouverte b l été chez tes grands-parents. 2 + e 3 Ils ont frappé c extraordinaire, n est-ce pas? 3 + a 4 Je sais que tu vas passer d là-bas? 4 + b 5 Est-ce qu ils habitent e vendredi, samedi et dimanche soir. 5 + g 6 L invitation du monsieur est f dans la discothèque Mégaton. 6 + c 7 Quel temps fait-il g loin de Yasmine Hammamet? 7 + d 105

108 6 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 2 en 3 op blz. 108 en 109 van je livre de textes. Welke beschrijving hoort bij welk hotel? Kruis aan. Description Hôtel à Djerba Hôtel à Yasmine Hammamet 1 à 25 kilomètres de l aéroport chambres à deux lits 3 petit déjeuner à partir de 6 heures du matin 4 dîner servi à table 5 bar piscine 6 discothèque à partir de minuit 7 endroit pour les enfants pour jouer 7 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek de Franse woorden in tekst 2 en schrijf deze op. 1 de ligging la situation 2 verhouding prijs-kwaliteit qualité/prix 3 tevredenheid van de klant satisfaction client 4 maaltijden inbegrepen la restauration tout compris 5 vermaak les loisirs 8 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek de Franse zinnen in tekst 2 en 3 en schrijf deze op. 1 in een gezellige toeristische omgeving dans une zone touristique animée 2 badkamer met haardroger salle de bains avec sèche-cheveux 3 balkon of terras met uitzicht op tuin en zwembad balcon ou terrasse avec vue sur jardin et piscine 4 buffet voor de kinderen in de schoolvakanties buffet pour les enfants pendant les vacances scolaires 5 zwembad-bar van 9 uur tot 12 uur s nachts bar piscine de 9h à minuit 6 groot zwembad met zeewater grande piscine d eau de mer 7 drie tennisbanen 8 s avonds: gratis toegang concerten 3 courts de tennis en soirée: des concerts, entrée gratuite 9 REMPLISSEZ Lees het bijschrift bij de foto van tekst 2. Vul de Franse woorden op de goede plaats in. Kies uit: keuken traditie stranden hotels 1 Admire les belles plages, les médinas, la bonne cuisine et les soirées animées dans nos hôtels! 2 Découvre une Tunisie authentique entre tradition et modernisme! 10 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 2 en 3 nog een keer en kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 Djerba is de hoofdstad van Tunesië. 2 Bij Les 4 Saisons hoef je niet extra te betalen voor wifi. 3 Het restaurant bij Les 4 Saisons heet La Rose de Pierre. 4 Yasmine Hammamet is een dorp. 5 Bij Club Hammamet Village is alleen een zwembad met zeewater. 6 Club Hammamet Village ligt meer dan 100 kilometer van het vliegveld. 7 Bij Club Hammamet Village is een strand speciaal voor de gasten. Vrai Faux 106 CHAPITRE 7

109 11 RÉPONDEZ Lees in le petit livre op blz. 109 van je livre de textes over de vier V s. Beantwoord de vragen. 1 Als je aan een tekst of een boekje wilt beginnen, wat kun je dan het beste als eerste doen? voorkennis gebruiken 2 Als je een tekst aan het lezen bent, waar kun je dan bijvoorbeeld de afbeeldingen voor gebruiken? voorspellen 3 Hoe noem je het als je in je hoofd een voorstelling maakt van het verhaal? visualiseren 4 Wat kun je nog meer doen om geïnteresseerd te blijven lezen? zelf vragen bedenken 12 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees het boekje La cigale et la fourmi. Vul het werkblad in en bewaar het in je taalportfolio. 13 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 14 CHERCHEZ Lees en beantwoord de vragen. Zoek op internet. Gebruik zoekwoorden als cuisine, orientale. 1 Noem drie Noord-Afrikaanse landen. Algerije, Tunesië, Marokko, Egypte, Libië. 2 Schrijf de Franse namen op van deze landen. L Algérie, la Tunisie, Le Maroc, l Égypte, La Libye. 3 Zoek naar specialiteiten op het gebied van voedsel/maaltijden van deze landen. Couscous, tajines 4 Noem drie specialiteiten/maaltijden en beschrijf de ingrediënten. Eigen antwoord. 15 ON FINIT Je gaat in het Frans een folder maken over een hotel in je woonplaats of de dichtstbijzijnde stad. Beschrijf, net als in tekst 2, een paar bijzonderheden, zoals: het aantal kamers; de afstand tot het station of het vliegveld; de prijs van een kamer met ontbijt; de aanwezigheid van één of meer restaurants; extra voorzieningen, zoals een zwembad, sauna, golfbanen. Zoek er afbeeldingen bij. Bewaar de folder in je taalportfolio. 107

110 67 leçon 4 Il fait beau! 1 ON COMMENCE Bekijk blz. 110 en 111 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat voor soort tekst is tekst 1? een 2 Wat voor afbeeldingen zie je in tekst 2? de weersverwachtingen 3 Van welke bedrijven zijn de logo s in tekst 3? van Air France en CTN 2 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 1 op blz. 110 van je livre de textes. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst Het vliegveld ligt 60 kilometer van Yasmine Hammamet. Djerba is een mooi eiland. De grootouders van Saïd wonen in Frankrijk. 3 CHERCHEZ ET NOTEZ Saïd brengt zijn vakantie door in een appartement. Hij gaat snorkelen. In de winter is het ongeveer 20 graden. Lees tekst 1 nog eens. Zoek in de tekst de Franse vertaling van de volgende zinnen en schrijf deze op. 1 Geweldig dat jullie concert een succes was! Super que votre concert était un succès! 2 Ik breng de vakantie door bij mijn grootouders. Je passe mes vacances chez mes grands-parents. 3 Zij hebben een nieuw appartement in Yasmine Hammamet gekocht. Ils ont acheté un nouvel appartement à Yasmine Hammamet. 4 Jij vraagt wat voor weer het is in de zomer. Tu demandes quel temps il fait en été. 5 Veel mensen spreken nog Frans! Beaucoup de gens parlent encore français! 4 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 2 en beantwoord de vragen. 1 Over welke maanden gaat dit schema en voor welk land geldt dit? mei en december in Tunesië 2 Hoeveel graden was het ongeveer op maandag 15 mei op Djerba? tussen de 16 en 28 graden 3 Op welke dag was het bewolkt in Hammamet? op zaterdag 4 december 4 Waar is er onweer geweest en wanneer was dat? op Djerba op woensdag 1 december 5 Wat betekent direction du vent? windrichting 5 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees tekst 3 op blz. 111 van je livre de textes. Vul de gegevens in. vervoermiddel maatschappij vliegtuig Air France veerboot CTN vertrek Parijs Marseille aankomst duur Tunis 4 uur Tunis 22 uur 6 REGARDEZ ET NOTEZ Bekijk de photoguide op blz. 111 van je livre de textes. Beschrijf wat je ziet op de afbeeldingen. Noteer voor elke foto twee uitdrukkingen. Photo A Photo B Photo C photo A = une ville eigen antwoord eigen antwoord Eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord 108 CHAPITRE 7

111 7 COMBINEZ Combineer de Franse woorden met de Nederlandse. 1 elle fait a men doet 1 + c 2 on fait b ik doe 2 + a 3 ils font c zij doet 3 + d 4 je fais d zij doen 4 + b 5 vous faites e u doet 5 + e 8 REMPLISSEZ Bestudeer het werkwoord faire op blz. 117 van je livre de textes. Vul de goede vormen van faire in. Noteer daarna de betekenis van de Franse zin. 1 Qu est-ce que tu fais? Wat doe je? 2 Nous faisons nos devoirs. Wij maken ons huiswerk. 3 Vous faites un dessin? Maken jullie / maakt u een tekening? 4 Je fais de la musique. Ik maak muziek. 5 Elle fait de la gymnastique. Zij gymt. 6 Il fait du cheval. Hij rijdt paard. 9 SOULIGNEZ ET NOTEZ Onderstreep het juiste bezittelijk voornaamwoord. Noteer dan de betekenis van de zin. 1 Ce sont votre / vos grands-parents, Anna et Eva? Zijn het jullie grootouders, Anna et Eva? 2 Notre / Nos vacances à Paris sont super! Onze vakantie in Parijs is super! 3 Leur / Leurs oncle a cinquante ans. Hun oom is vijftig jaar. 4 Voilà notre / nos soeurs et notre / nos père. Dit zijn onze zussen en onze vader. 5 Où sont votre / vos voisins? Waar zijn jullie buren? 10 NOTEZ Noteer de woorden eerst in het Frans. Maak er vervolgens een Franse zin mee. Volg het voorbeeld. Exemple jullie moeder votre mère Votre mère travaille le lundi. 1 hun vakantie leurs vacances eigen antwoord 2 jouw broer ton frère eigen antwoord 3 ons huis notre maison eigen antwoord 4 onze leraren nos professeurs eigen antwoord 5 mijn hond mon chien eigen antwoord 11 NOTEZ Bestudeer de uitdrukkingen over het weer op blz. 119 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. Quel temps fait-il... Exemple en hiver? En hiver, il fait froid. 1 en mars? En mars, eigen antwoord 2 pendant les vacances d été? Pendant les vacances d été, eigen antwoord. 3 pendant ton anniversaire? Pendant mon anniversaire, eigen antwoord. 4 au printemps? Au printemps, eigen antwoord. 5 pendant les vacances de Noël? Pendant les vacances de Noël, eigen antwoord. 109

(Video) [Hybrid meetup] Getting started with the Reader Monad in C++ (Ruzena Gurkaynak)

112 TIP 12 SOULIGNEZ ET NOTEZ Bestudeer de passé composé op blz. 117 van je livre de textes. Onderstreep het voltooid deelwoord in de zinnen. Noteer de betekenis van de hele zin. 1 Mes parents ont passé leurs vacances à Djerba. Mijn ouders hebben hun vakantie doorgebracht op Djerba. 2 Ils ont habité dans la capitale du pays. Zij hebben in de hoofdstad van het land gewoond. 3 Ils ont acheté un nouvel appartement à Yasmine. Zij hebben een nieuw appartement in Yasmine gekocht. 13 REMPLISSEZ ET NOTEZ Vul het hulpwerkwoord en voltooid deelwoord in. Noteer daarna de betekenis van de zin. 1 passer J ai passé mes vacances en Tunisie. Ik heb mijn vakantie doorgebracht in Tunesië. 2 jouer Tu as joué de la guitare? Heb jij gitaar gespeeld? 3 nager Nous avons nagé dans la piscine. Wij hebben in het zwembad gezwommen. 4 manger Elle a mangé une salade. Zij heeft een salade gegeten. 5 écouter Vous avez écouté la musique? Hebben jullie / heeft u naar muziek geluisterd? 6 parler Ils ont parlé aux parents de Damien. Zij hebben gesproken met de ouders van Damien. 14 SOULIGNEZ ET NOTEZ Onderstreep het hulpwerkwoord. Maak de zinnen ontkennend. Noteer de hele zin. 1 J ai habité à Bordeaux. Je n ai pas habité à Bordeaux. 2 Nous avons passé nos vacances à Tunis. Nous n avons pas passé nos vacances à Tunis. 3 Elle a écouté la musique. Elle n a pas écouté la musique. 4 Vous avez fait les devoirs. Vous n avez pas fait les devoirs. 5 Elles ont parlé à Damien. Elles n ont pas parlé à Damien. 15 TRADUISEZ In de passé composé staan het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord altijd bij elkaar. Noteer de Franse vertaling van de zinnen. 1 Wij hebben een salade gegeten. Nous avons mangé une salade. 2 Zij heeft in Parijs gewoond. Elle a habité à Paris. 3 Ik heb gevoetbald. J ai joué au football. 4 Jij hebt je vakantie doorgebracht in Frankrijk? Tu as passé tes vacances en France? 5 Hij is niet in Djerba geweest. Il n a pas été à Djerba. 6 Jullie hebben het huiswerk gemaakt. Vous avez fait les devoirs. 7 Damien en Isa hebben gisteren geen gitaar gespeeld. Hier, Damien et Isa n ont pas joué de guitare. 16 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 17 ON FINIT Schrijf in het Frans het weerbericht voor vandaag en morgen. Vermeld in elk geval het volgende: een Franse plaatsnaam; de weersverwachting per dag in twee zinnen; de verwachting voor een paar dagen vooruit. Neem de tekst op en laat hem horen aan een klasgenoot. Bewaar het weerbericht in je taalportfolio. 110 CHAPITRE 7

113 67 leçon 5 Où vas-tu? 1 ON COMMENCE Kijk naar de afbeelding op blz. 112 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Waar zijn Saïd en Clarisse? op het schoolplein 2 Waar dromen ze over? over hun vakantie 3 Waar gaat Clarisse het liefst naar toe? naar zee 2 ÉCOUTEZ, LISEZ ET COCHEZ 4 En Saïd? naar zijn grootouders in Tunesië 5 Wat voor vakantieplannen heb jij? eigen antwoord Luister naar de drie teksten op blz. 112 en 113 van je livre de textes en lees mee. Kruis aan: vrai of faux. Tekst 1 1 Saïd va en Tunisie avec toute la famille. Vrai 2 Il va passer ses vacances chez ses grands-parents. 3 Ses grands-parents habitent dans la capitale de la Tunisie. Tekst 2 4 Saïd va faire du beach-volley sur la plage. 5 Cette année il va visiter le Sahara. 6 La nuit, il fait chaud dans le désert. Tekst 3 7 Le vol Toulouse Tunis dure deux heures et dix minutes. 8 Clarisse et ses parents vont en Espagne. 3 TRADUISEZ ET NOTEZ Lees de drie teksten nog eens. Noteer de Nederlandse betekenissen van de activiteiten. Vul in bij welke personen de activiteiten horen. Frans Nederlands Personen 1 travailler en juillet werken in juli le père de Saïd 2 faire du beach-volley 3 aller à la campagne beachvolleyballen naar het platteland gaan la famille de Saïd la mère de Clarisse 4 nager 5 faire un tour en chameau zwemmen een ritje op een kameel maken Clarisse la famille de Saïd 6 faire de la planche à voile surfen Clarisse 7 rester à la maison thuisblijven le père de Saïd 4 CHERCHEZ, NOTEZ ET PARLEZ Zoek de Franse zinnen in de teksten en schrijf ze op. Lees dan de zinnen voor aan een klasgenoot. 1 Het is bijna vakantie. C est presque les vacances. 2 We vertrekken over tien dagen. On part dans dix jours. 3 Je hebt geluk! 4 Ga je naar zee? Tu as de la chance! Tu vas au bord de la mer? 5 In de zomer is het erg warm. En été il fait très chaud. 6 Gaan jullie met het vliegtuig? Vous allez en avion? 5 COMBINEZ ET PARLEZ Combineer de vraag met het juiste antwoord. Oefen dan de zinnen met je klasgenoot. Wissel van rol. 1 Où vas-tu en vacances? a Nous faisons de la planche à voile. 1 + d 2 Tu aimes la Tunisie? b Il pleut et il fait du vent. 2 + g 3 Qu est-ce que tu fais pendant les vacances? c Oui, l été il fait entre 26 et 30 degrés. 3 + e 4 Et vous allez où? d Moi, je vais en Tunisie. 4 + h Faux 111

114 TIP 5 Alors, qu est-ce que vous faites? e Je fais du beach-volley. 5 + a 6 Il fait chaud en Tunisie? f Oui, j ai eu froid, surtout la nuit. 6 + c 7 Quel temps fait-il au Danemark? g Oui, j adore le soleil et les plages. 7 + b 8 Alors, tu as eu froid? h Nous allons au Danemark. 8 + f 6 REMPLISSEZ Bekijk de photodico op blz. 113 van je livre de textes. Vul het juiste woord in. 1 La mer au sud de la France s appelle la Méditerranée. 2 Vous habitez dans un appartement à Tunis? Non, nous avons une ferme à la campagne. 3 Tu connais le lac Léman? Oui, il est dans l est de la France et en Suisse; il est très grand! 4 En Suisse il y a aussi des montagnes spectaculaires! 5 Nous avons fait du canoë sur la rivière en Dordogne. C était super! 7 COMMENT DIT-ON? Bestudeer de Expressions in de Pages jaunes van deze les. Hoe zeg je dit in het Frans? Noteer de vragen in het Frans en bedenk er een Frans antwoord bij. Stel dan de vragen aan een klasgenoot, die antwoord geeft. Wissel van rol. Questions 1 Wat doe je de hele maand? Qu est-ce que tu fais tout le mois? 2 Wat heb je in de winter gedaan? Qu est-ce que tu as fait en hiver? 3 Wat doen jullie in de zomer? Qu est-ce que vous faites en été? 4 Wat hebben jullie vorig jaar gedaan? Qu est-ce que vous avez fait l année dernière? 8 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Réponses eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord eigen antwoord Bekijk de uitspraakregels op blz. 113 van je livre de textes. Luister naar de woorden en spreek ze na. Luister nog een keer en controleer of je ze goed hebt uitgesproken. 1 un gâteau le goûter la guitare 2 travailler juillet un maillot de bain 9 PARLEZ Naar voor een plaatsnaam is à. Je vais à Paris. Ik ga naar Parijs. 3 une ville un village mille 4 bienvenue tutoyer voyage Voer dit gesprek met een klasgenoot. Beantwoord de vragen. Gebruik hele zinnen. Wissel dan van rol. Leer beide rollen uit je hoofd. 1 Où vas-tu pendant les vacances? 2 Je gaat naar Frankrijk in de vakantie. Je vais en France pendant les vacances. 3 Où vas-tu en France? 4 Je gaat naar Orléans. Je vais à Orléans. 5 Tu aimes la France? 6 Ja, je bent dol op Frankrijk. Oui, j adore la France. 7 Tu vas en vacances avec tes parents? 8 Ja, met je ouders en je broertje. Oui, je vais en vacances avec mes parents et mon petit frère. 9 Ta soeur ne part pas en vacances avec vous? 10 Nee, ze blijft thuis. Ze werkt in juli. Non, elle reste à la maison. Elle travaille en juillet. 11 Qu est-ce que tu fais pendant les vacances? 12 Je zwemt, je surft en je leest. Je nage, je fais de la planche à voile et je lis. 112 CHAPITRE 7

115 10 PARLEZ Voer dit gesprek met een klasgenoot. Jij bent op vakantie in Spanje. Een Franse vriend(in) belt je op. Wissel van rol. Leer beide rollen uit het hoofd. 1 Allô. Ici André(e). C est toi? 2 Dat is zo. Groet André(e). Vraag hoe het gaat. Oui, c est moi. Bonjour André(e). Comment ça va? 3 Ça va. Et toi? 4 Het gaat heel goed. Je houdt van Spanje. Ça va très bien. J aime l Espagne. 5 Quel temps fait-il là-bas? 6 De zon schijnt. Het is warm, tussen 30 en 33 graden. Il fait du soleil. Il fait chaud, entre 30 et 33 degrés. 7 Alors tu as de la chance! 8 Vraag naar het weer in Frankrijk. Quel temps fait-il en France? 9 C est nuageux et il y a des averses. 10 Zeg dat hij/zij geen geluk heeft. Tu n as pas de chance. 11 Non, je suis à la maison toute la journée. Et toi? 12 Je bent de hele dag op het strand. Je suis sur la plage toute la journée. 13 Je suis jaloux/jalouse. Mais heureusement je pars en vacances demain. 14 Vraag waar hij/zij heen gaat. Où vas-tu? 15 Je vais en Italie, au bord du lac de Côme. 16 Vraag naar het weer in Italië. Quel temps fait-il en Italie? 17 Il fait beau là-bas. 18 Zeg dat jij nu jaloers bent. Je vertrekt naar Holland morgen. Wens hem/haar een goede vakantie. 19 Merci. Et bonne route demain! 20 Bedank en neem afscheid. Merci. Au revoir! 11 DEMANDEZ ET NOTEZ Maintenant, moi, je suis jaloux/jalouse. Je pars pour la Hollande demain. Bonnes vacances! Vertaal de vragen in het Frans en stel ze dan aan drie leerlingen uit je klas. Vul de antwoorden in het schema in. 1 Waar ga je naar toe in de vakantie? Où vas-tu pendant les vacances? 2 Met wie ga je op vakantie? Avec qui vas-tu en vacances? 3 Hoe ga je op vakantie? Comment vas-tu en vacances? 4 Wat ga je doen? Qu est-ce que tu vas faire? 1 pays 2 personnes 3 moyen de transport 4 activité 12 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Élève 1 Élève 2 Élève 3 Luister naar de woorden en de expressions van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 13 ON FINIT Neem een vakantiefoto van jou en je familie/vrienden/vriendinnen mee naar school. Je klasgenoot stelt in het Frans vragen over jouw foto. Beantwoord zijn/haar vragen met een hele Franse zin. Vraag bijvoorbeeld: Waar is het? Wie is de jongen/het meisje links/rechts op de foto? Wat doen jullie? 113

116 67 leçon 6 Voilà la France TIP 1 ON COMMENCE Lees de titel en inleiding op blz.114 van je livre de textes. Bekijk de afbeeldingen. Beantwoord de vragen. 1 Waar gaat deze les over? over wat er in de vakantie is te doen in Frankrijk 2 Waar kun je beste naartoe en waarom? naar Frankrijk, want daar heb je bergen, zee en strand 3 Welk Engels werkwoord herken je in On découvre la France? Denk aan Discovery Channel. to discover 4 Wat betekent dat? We ontdekken Frankrijk. 5 Wat voor afbeelding staat er bij alle teksten? een kaartje van Frankrijk 6 Waarom staat er in elk kaartje een streek? Dat is de streek waar de tekst over gaat. 2 REGARDEZ, LISEZ ET COMPLÉTEZ Als je kijkt naar de afbeeldingen en de titel bij een tekst, weet je meestal meteen waar de tekst over gaat. Bekijk de afbeeldingen en de titels op blz. 114 en 115 van je livre de textes. Lees de eerste drie regels van de teksten 1, 2 en 3. Lees dan de tekst info France helemaal. Vul het schema in. tekst 1 tekst 2 tekst 3 info France Titel van de tekst Onderwerp afbeeldingen Plaats/streek/land Onderwerp alinea 1 Du char à voile à Lacanau D es pirates à Saint-Malo! En bateau, sous la terre info France zeilwagens op het strand / strandzeilen stad Saint-Malo / kaft boekje over Surcouf / zeerover een grot met stalactieten en stalagmieten Moi, je parle français Lacanau, Aquitaine Je kunt strandzeilen langs de Franse kust. Saint-Malo, Bretagne Je kunt zeerovers zien. Foix Midi-Pyrénées België, Luxemburg Zwitserland, hoekje van Italië Maak een boottocht over een ondergrondse rivier. landen waar Frans wordt gesproken 3 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 Du char à voile à Lacanau. Beantwoord de vragen. 1 Waar heb je alleen zand en wind voor nodig? voor strandzeilen 2 Aan welke zee ligt Lacanau? de Atlantische oceaan 3 Wat is de hoogste snelheid tot nu toe van deze sport? Het record staat op 151 km per uur. 4 Sinds wanneer bestaat deze sport? Al in het oude Egypte en sinds de vierde eeuw in China. 4 CHERCHEZ ET NOTEZ Lees tekst 1 nog een keer. Zoek de Franse zinnen in de tekst. Let op: het staat er soms niet letterlijk. Pas de zin dan iets aan. 1 Doe je aan strandzeilen? Tu fais du char à voile? 2 Je hebt alleen zand en wind nodig. Il faut seulement du sable et du vent. 3 Met een beetje training ga je (= je gaat) snel. Avec un peu d entraînement tu vas vite. 4 Strandzeilen bestaat al lang. Le char à voile existe depuis longtemps. 114 CHAPITRE 7

117 5 LISEZ ET SOULIGNEZ Lees tekst 2 Des pirates à Saint-Malo! Onderstreep de goede woorden. 1 Saint-Malo is een bekende badplaats / haven in Bretagne. 2 Tijdens het stadsfeest / de zeilwedstrijden zijn er piraten te zien. 3 Aan de Raid des Corsaires doen piraten / zeilschepen mee. 4 De bijnaam van de beroemdste piraat is Leeuw / Tijger der zeeën. 5 In de 17 e eeuw overvielen piraten uit Saint-Malo Engelse en Hollandse koopvaardijschepen / oorlogsschepen. 6 Je kunt nog een oud-hollands scheepswrak ontdekken in het museum bij de baai / als je duikt in de baai. 6 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 3 En bateau, sous la terre! Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 Bij Foix kun je 60 meter onder de grond varen en zwemmen. 2 De Labouiche is een van de langste, ondergrondse, bevaarbare rivieren van Europa. 3 Je ziet er grotten met stalactieten, stalagmieten en vissen in prachtige kleuren. 4 Na je bezoek wil je misschien wel grotonderzoeker worden. 5 Als je er niet heen gaat, kun je altijd nog op een website kijken. 7 COMBINEZ ET PARLEZ Lees opnieuw tekst 3. Combineer eerst de uitdrukkingen in de linkerkolom met die in de rechterkolom. Lees de combinaties dan voor aan een klasgenoot. Vraag je klasgenoot welke activiteit hij/zij het leukst vindt. Stel de vragen zoals in de voorbeelden. Wissel van rol. Exemples Qu est-ce que tu préfères: faire une promenade ou rencontrer des pirates? 1 faire une promenade et a découvrir une épave 1 + d 2 devenir spéléologue et b voir la course des voiliers 2 + f 3 faire une plongée dans la baie pour c les livres pour partir à l aventure 3 + a 4 faire du char à voile sur d rencontrer des pirates 4 + g 5 observer la mer pour e sur une rivière souterraine 5 + b 6 attaquer les bateaux pour f descendre dans les grottes 6 + h 7 faire une promenade en bateau g les côtes françaises 7 + e 8 laisser les cahiers et h voler les richesses 8 + c 8 LISEZ ET COMPLÉTEZ Lees de tekst info France. Maak de zinnen af. 1 In Noord-Afrika spreken nog veel mensen Frans, omdat Marokko, Tunesië en Algerije Franse koloniën waren. 2 Met de DOM bedoelt men de Franse overzeese gebieden. 3 Meer dan 250 miljoen mensen over de hele wereld spreken Frans. 4 Iemand die vloeiend Frans spreekt, noemt men in het Frans een francophone. 9 ON FINIT Je wilt de ondergrondse rivier Labouiche bezoeken. Je hebt daarvoor informatie nodig. Bezoek de website. Ga naar Klik op Recherche en selecteer Labouiche. Noteer: de openingstijden (zomer en winter); de lengte en duur van de boottocht; de ondergrondse temperatuur; nog andere eigen informatie. Bewaar de informatie in je taalportfolio. 115

118 Chapitre 8 Ça me passionne! leçon 1 Fête de la musique TIP 1 ON COMMENCE Bekijk blz. 120 en 121 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat is titel van hoofdstuk 8 en wat betekent dat? Ça me passionne! Dat boeit mij! 2 Hoe heet deze les? Fête de la musique 3 Wat betekent dat in het Nederlands? Feest van de muziek 2 LISEZ ET COCHEZ Lees de zinnen hieronder. Bekijk het fiche d identité op blz. 120 van je livre de textes. Kruis de zinnen aan die kloppen met het fiche. Noteer dan het goede antwoord bij de foute zinnen. 1 Olivier Leroy is 15 jaar. 2 Hij is geboren in Serris. 3 Olivier is dol op muziek, karting en motorcross. 4 Zijn vader heeft een werkplaats voor motorfietsen. 5 Olivier helpt zijn vader graag in de werkplaats. 6 Daardoor is hij blijven zitten. 7 Olivier is juniorkampioen karting van Frankrijk. 3 DEMANDEZ ET RÉPONDEZ in Marseille Zijn vader doet aan motorcross. door zijn sport, karting Als je in het Frans antwoord geeft, is het handig om woorden uit de vraag te herhalen. Bekijk de foto en lees nog eens het fiche d identité. Je klasgenoot stelt een vraag en jij antwoordt met een hele zin in het Frans. Wissel van rol. Questions Réponses Exemple Qui est le garçon sur la photo? Le garçon sur la photo s appelle Olivier Leroy. 1 Il a quelle nationalité? Il a la nationalité française. / Il est Français. 2 Il a quel âge? Il a quinze ans. 3 Il habite où? Il habite à Serris. 4 Quel est son lieu de naissance? Son lieu de naissance, c est Marseille. 5 C est quelle région? C est Provence-Alpes-Côte d Azur. 6 Comment s appelle son école? Son école s appelle / c est le collège Madeleine Renaud. 7 Quels sont ses hobbys? Ses hobbys sont faire du karting, jouer de la batterie, (aider son père à) réparer des motos. 4 NOTEZ ET TRADUISEZ Schrijf de zinnen in de passé composé. Noteer dan de Nederlandse betekenis van de zinnen. Exemple Ils écoutent la radio. Ils ont écouté la radio. Zij hebben naar de radio geluisterd. 1 Olivier aide son père. Olivier a aidé son père. Olivier heeft zijn vader geholpen. 2 Ils réparent des motos. Ils ont réparé des motos. Ze hebben motoren gerepareerd. 3 Tu aimes le karting? Tu as aimé le karting? Heb je van karten gehouden? 4 Vous jouez de la musique? Vous avez joué de la musique? Hebben jullie muziek gespeeld? 5 Elle redouble sa classe. Elle a redoublé sa classe. Zij is blijven zitten. 6 Nous habitons à Serris. Nous avons habité à Serris. Wij hebben in Serris gewoond. 116 CHAPITRE 8

119 5 JOUEZ Speel in kleine groepjes het ne pas spel. Eén stelt aan de anderen zes vragen in het Frans. Die geven ontkennend antwoord met behulp van ne pas. Wissel van rol. Degene met de meeste goede zinnen in de snelste tijd heeft gewonnen. Om te oefenen beantwoord je eerst de volgende vragen.. Bedenk dan zelf zes vragen en antwoorden. Noteer deze. Het spel kan beginnen. Exemple 1 Olivier est dans l atelier? Non, Olivier n est pas dans l atelier. 2 Il aide son père? Non, il n aide pas son père. 3 Son père fait du karting? Non, il ne fait pas de karting. 4 Tu répares les motos? Non, je ne répare pas les motos. 5 Tu fais du motocross? Non, je ne fais pas de motocross. 6 Le karting, c est ta passion? Non, ce n est pas ma passion. TIP Er zijn bij dit spel veel variaties mogelijk. Je kunt de winnaars van de groepen tegen elkaar laten uitkomen. Of je kunt het spel met de passé composé spelen. 6 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister naar het liedje zonder mee te lezen en onderstreep wat je hoort. 1 Het chanson begint eenstemmig / meerstemmig. 2 Je hoort een vrouwenstem / een mannenstem. 3 Het refrein is eenstemmig / meerstemmig. 4 Je hoort in het refrein een man / een vrouw / mannen / vrouwen. 5 De begeleidende muziek is ingehouden / uitbundig. 6 Dat is volgens jou wel in overstemming met / een beetje in tegenstelling tot de inhoud. 7 ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Luister opnieuw naar het liedje zonder de tekst mee te lezen en onderstreep de woorden die je hoort. zes uur / broer / zus / gitaar / lied / orkest / vrienden / stad / straten / Place de l Étoile / concert klein formaat / feest van de muziek. 8 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister nog een keer en lees mee. Kruis de zinnen aan die je hoort. 1 Ik ga naar buiten en tref Benoît en zijn grote zus. 2 Een jongen speelt op de bas. 3 Vanavond dansen en zingen we. 4 Verderop hoor ik drummen. 5 Zo is het op 20 juni. 6 Overal mensen en vooral muziek. 9 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 10 ON FINIT Schrijf een stukje op het (denkbeeldige) weblog van Olivier Leroy. Je vertelt hoe je heet, waar je woont enzovoort, en je feliciteert hem (féliciter de) met zijn kampioenschap. Vertel dan wat jij van karten vindt en welke sport/hobby jij beoefent. Maak het op als een weblog en bewaar het in je taalportfolio. 117

120 86 leçon 2 En route pour le rallye 1 ON COMMENCE Lees de titels en bekijk de afbeeldingen op blz. 122 en 123. Beantwoord de vragen. 1 Welke sport staat in dit hoofdstuk centraal? motorsport 2 Welk beroemde Avenue zie je in de afbeeldingen? de Champs-Élysées 3 Wat is de titel van tekst 2 en wat betekent het? un poème, een gedicht 4 Wat is jouw lievelingssport? eigen antwoord 2 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister naar tekst 1 op blz. 122 van je livre de textes. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 De datum is 21 juli. 2 De zomer is het favoriete seizoen van motorrijders. 3 Gisteren heeft Olivier het Franse kampioenschap karten gewonnen. 4 Van zijn vader krijgt hij in Parijs een verrassing. 5 Hij wordt de copiloot van zijn vader tijdens de motorrally. 6 Hij pakt zijn koffer in want een rugzak is niet handig. 7 De motortas links is al voor zijn vader. 8 De rally begint onder de Eiffeltoren. 3 ÉCOUTEZ, LISEZ ET SOULIGNEZ Luister nog een keer en lees mee. Onderstreep de woorden die kloppen met de tekst. 1 De eerste dag van de zomer valt samen met de nationale Dag van de Muziek / Dag van de Vrede. 2 De rally waaraan de vader van Olivier mee gaat doen is de rally Paris-Dakar / Paris-Brest. 3 Je hebt nu de kans / leeftijd om een nieuwe sportcarrière te beginnen. 4 Olivier is een motorrijder / karter in de dop. 5 Haast je, want we vertrekken al over een half uur / een uur. 6 De rally begint met een parcours vanaf / langs de Seine. 7 We gaan onder de Arc de Triomphe door / langs de Arc de Triomphe. 4 ÉCOUTEZ ET RÉPONDEZ Luister naar het gedicht op blz. 123 van je livre de textes. Onderstreep het goede antwoord of noteer het. 1 De tekst is: een mail aan een kampioen / een brief aan een kampioen / een lied voor kampioenen. 2 Hoeveel coupletten heeft de tekst? 4 3 Wie heeft het geschreven? Marie-Bénédicte Gaillot 5 COMBINEZ TIP De nous -vorm van het werkwoord zonder nous betekent altijd Laten we. Exemple Regardons un film. Laten we naar een film kijken. Combineer de Franse zinnen met de Nederlandse betekenissen. 1 Fêtons notre champion. a Laten we onze vlaggetjes hijsen. 1 + d 2 Allumons les signalisations. b Laten we onder de lampionnen dansen. 2 + c 3 Taillons la route. c Laten we de knipperlichten aandoen. 3 + g 4 Dansons sous les lampions. d Laten we onze kampioen huldigen. 4 + b 5 Allons défier les avions. e Laten we de Champs-Élysées afrijden. 5 + f 6 Descendons les Champs-Élysées. f Laten we vliegtuigen gaan uitdagen. 6 + e 7 Hissons haut nos fanions. g Laten we op pad gaan. 7 + a 118 CHAPITRE 8

121 6 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister nog een keer naar het gedicht. Kruis aan in welk couplet je de zin hoort. Couplet Laten we de knipperlichten aandoen. 2 En leve de vrijheid. 3 Laten we de vlaggetjes hijsen. 4 Op onze motoren met vleugels 5 De kokende motor. 6 Laten we onder de lampionnen dansen. 7 NOTEZ ET PARLEZ Zoek met een klasgenoot een afbeelding van een motor op internet, en print hem uit. Zoek de namen van ongeveer zeven onderdelen van de motor op in je (online) woordenboek. Schrijf de namen bij de onderdelen. Hang de afbeelding van de motor op in het lokaal. Voer korte gesprekjes over de motoren. De één wijst een onderdeel aan en stelt een vraag; de ander geeft antwoord. Bijvoorbeeld : Qu est-ce que c est? C est le guidon. 8 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister naar tekst 3 en kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 Je luistert naar een gesprek tussen twee mensen. 2 Een zoon wordt opgebeld door zijn moeder. 3 Het bericht gaat over een evenement in Parijs. 4 De moeder moet zich vooral geen zorgen maken. 5 Olivier spreekt. 6 Volgens het bericht zal er binnenkort een rally plaatsvinden naar Brest. 7 Er zullen meer dan honderd motorrijders meedoen. 8 De oom van Olivier doet ook mee. 9 Damien mag tot Brest mee met de rally. 9 CHERCHEZ ET NOTEZ Zoek de Franse zinnen in de teksten 1 en 2. Schrijf ze op. 1 Het lievelingsseizoen van de motorrijders. La saison préférée des motards. 2 En nu heeft zijn vader een verrassing. Et maintenant son père a une surprise. 3 Is het geen grap? Ce n est pas une blague? 4 Oh papa, het is een droom. Oh papa, c est un rêve. 5 Waar is het vertrek van de rally? Où est le départ du rallye? 6 Aan de voet van de Eiffeltoren. Au pied de la tour Eiffel. 7 We vertrekken in een colonne. On part en colonne. 8 Iedereen voorwaarts! En avant toute! 9 De kokende motor. Le moteur bouillant. Vrai Faux 119

122 10 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET SOULIGNEZ Lees de zinnen. Kijk en luister naar het eerste deel van het filmpje. Onderstreep de goede woorden. Kijk en luister zo nodig een tweede keer. 1 De titel van de video is La fête de la musique / Le Tour de France. 2 De journalist vertelt dat het 21 juni / juli is. De eerste dag van de lente / zomer. 3 De opname is in Tours / Toulouse. 4 Je ziet muzikanten binnen / buiten spelen op vooral snaarinstrumenten / slaginstrumenten. 5 Een stem zegt dat dit evenement ontstaan is in Frankrijk / Duitsland. 6 Het had meteen veel succes in Frankrijk en in een paar steden in Duitsland / Spanje. 7 Is het feest alleen voor beroepsmusici? Ja / nee. 8 Zijn de concerten gratis? Ja / nee. 11 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET COCHEZ Lees de zinnen. Kijk en luister naar het tweede deel van het filmpje. Kruis de zinnen aan die kloppen met de twee interviews. 1 Het meisje heet Charlotte. 2 Ze zit en sixième. 3 Haar favoriete muziekgroep is Kyo. 4 Die groep bestaat vooral uit meisjes. 5 De jongen luistert graag naar muziek. 12 REGARDEZ, ÉCOUTEZ ET COCHEZ 6 Hij is 14 jaar oud. 7 Hij mag tot 11 uur s avonds blijven. 8 Hij mag overal rondlopen van zijn ouders. 9 Hij vindt de groep Louise attaque leuk. Lees de zinnen. Kijk en luister opnieuw naar het tweede deel van het filmpje. Kruis de zinnen aan die kloppen met wat je ziet en hoort tussen de interviews en na het tweede interview. 1 Je ziet beginnende violisten. 2 Het kleine dansende meisje vindt hun muziek niet mooi. 3 Je ziet dan oude rockmuzikanten. 4 Ze zingen in het Frans. 5 De beelden laten zien dat iedereen mee mag doen. 6 Het slotfragment laat één beroemde groep zien. 7 Het slotfragment is s avonds laat gefilmd op een plein. 8 Alle muziekstijlen zijn te horen op 21 juni. 13 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes, spreek ze na en leer ze. 14 ON FINIT Spreek op je mobieltje in het Frans een boodschap voor je moeder in. Verwerk de volgende gegevens. Laat de boodschap horen aan je docent(e). Zeg: 1 Dag moeder. Bonjour, maman. 2 Maak je geen zorgen. Ne t inquiète pas. 3 Ik kom pas na 9 uur thuis. Je rentre après neuf heures. 4 Ik ben bij (naam vriend/vriendin). Je suis chez 5 Groet ter afsluiting met je naam. Bisous, salut (nom) 120 CHAPITRE 8

123 86 leçon 3 Règle ta montre 1 ON COMMENCE Beantwoord de vragen. 1 Welk seizoen vind jij het leukst? eigen antwoord 2 Waarom vind je dat? eigen antwoord 3 Welk seizoen vind je het minst leuk? eigen antwoord 4 En waarom? eigen antwoord 2 REGARDEZ ET RÉPONDEZ Kijk naar de afbeeldingen op blz. 124 en 125 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Waar denk je dat deze les over gaat? eigen antwoord 2 Wat valt je op aan afbeelding A? het woord horloge 3 Welke Franse tekst staat er onder afbeelding B? une montre 4 In welke stad is de foto van afbeelding D gemaakt? in Parijs 5 In welk seizoen is de foto van afbeelding C gemaakt? Waarom denk je dat? 3 LISEZ ET COMBINEZ in de zomer, eigen antwoord Lees tekst 1 op blz. 124 van je livre de textes. Combineer de Franse woorden met de Nederlandse. 1 l heure d été a de wintertijd 1 + d 2 le dernier weekend b de wekker 2 + g 3 l heure d hiver c de overgang van winter- naar zomertijd 3 + a 4 dormir d de zomertijd 4 + e 5 le réveil e slapen 5 + b 6 une heure de moins f wat een werk 6 + h 7 le passage g het laatste weekend 7 + c 8 quel travail h een uur minder 8 + f 4 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 en beantwoord de vragen. 1 Wat is de titel van tekst 1? Règle ta montre: ce week-end, on change d heure. 2 Wat betekent dat? Zet je horloge op de juiste tijd: dit weekend verandert de tijd. 3 Wanneer vindt de overgang naar zomertijd plaats? het laatste weekend van maart 4 En de overgang naar de wintertijd? het laatste weekend van oktober 5 Bij welke overgang kun je een uur langer slapen? Bij de overgang naar de wintertijd of zomertijd? wintertijd 6 Wanneer kun je het beste je wekker verzetten? de avond ervoor 7 Van welke apparaten moet je s ochtends de klok verzetten? de televisie, de radio en de oven 5 LISEZ ET COMBINEZ Lees de titel en kopjes van tekst 2. Combineer de Franse kopjes met de Nederlandse betekenissen. 1 Quatre saisons a Welkom herfst 1 + c 2 Voilà le printemps b Hoera, het is winter 2 + d 3 Vive l été c Vier seizoenen 3 + e 4 Bienvenue l automne d Hier is de lente 4 + a 5 Hourra c est l hiver e Leve de zomer 5 + b 121

124 6 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 2. Kruis de zinnen aan die kloppen met de tekst. 1 De Fransen planten geraniums in de lente. 2 De vogels leggen een ei juni is de eerste dag van de zomer. 4 Op Franse campings zijn in de zomer veel Nederlandse toeristen. 5 In de herfst groeien er paddenstoelen in het bos. 6 De appels worden in de herfst geplukt. 7 In de winter valt er sneeuw in de bergen. 8 Franse kinderen krijgen via school skiles. 7 CHERCHEZ ET NOTEZ Lees tekst 2 opnieuw en zoek de Franse vertaling van de zinnen. Noteer deze. 1 Een seizoen duurt drie maanden. Une saison dure trois mois. 2 De appelbomen en de kersenbomen staan in bloei. Les pommiers et les cerisiers sont en fleurs. 3 De zomer is ook de periode van de vakantie. L été c est aussi la période des vacances. 4 De bladeren van de bomen veranderen van kleur en ze vallen. Les feuilles des arbres changent de couleur et elles tombent. 5 De avonden zijn vaak fris. Les soirs sont souvent frais. 6 De kinderen maken sneeuwpoppen. Les enfants font des bonhommes de neige. 8 LISEZ ET RÉPONDEZ Onder de tekst van elk seizoen staat een waarschuwing. Schrijf in je eigen woorden, in het Nederlands, op wat de waarschuwing inhoudt. 1 lente Het is het seizoen van de allergieën. 2 zomer Wanneer het warm is moet je veel water drinken. 3 herfst De herfst is het seizoen waarin je verkouden kunt worden. 4 winter Ga niet van huis zonder een jas! 9 COMBINEZ Hoe zeg je de kloktijden ook alweer? Maak de goede combinaties a une heure et demie 1 + c b neuf heures et quart 2 + d c cinq heures moins cinq 3 + a d cinq heures vingt-cinq 4 + e e midi 5 + b 10 NOTEZ ET SOULIGNEZ Schrijf de zinnen in de passé composé. Onderstreep dan de persoonsvorm in de zin met de passé composé. 1 Les feuilles des arbres changent de couleur. Les feuilles des arbres ont changé de couleur. 2 Les Français plantent leurs géraniums. Les Français ont planté leurs géraniums. 3 Les touristes profitent du beau temps. Les touristes ont profité du beau temps. 4 On coupe les raisins pour faire du vin. On a coupé les raisins pour faire du vin. 5 Il fait froid. Il a fait froid. 6 Ils rêvent d un Noël blanc! Ils ont rêvé d un Noël blanc! 122 CHAPITRE 8

125 11 NOTEZ Maak de zinnen van opdracht 10 in de passé composé ontkennend. 1 Les feuilles des arbres n ont pas changé de couleur. 2 Les Français n ont pas planté leurs géraniums. 3 Les touristes n ont pas profité du beau temps. 4 Dans les vignes, on n a pas coupé les raisins pour faire du vin. 5 Il n a pas fait froid. 6 Ils n ont pas rêvé d un Noël blanc! 12 JOUEZ De klas wordt verdeeld in vier groepen. Jullie krijgen vijf minuten de tijd om bij zoveel mogelijk letters van het alfabet telkens één woord te zoeken dat met het weer en de seizoenen te maken heeft. Je begint bij de A en probeert zo ver mogelijk te komen. Hoeveel woorden heb je in vijf minuten gevonden? Gebruik als je wilt een woordenboek! Exemple A Automne 13 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 14 METTEZ ET PARLEZ Zet de woorden in de goede volgorde. Lees de zinnen dan voor aan een klasgenoot. 1 un cerisier. planté Nous avons Nous avons planté un cerisier. 2 Vous un fait avez dessin? beau Vous avez fait un beau dessin? 3 joué Il foot. au a Il a joué au foot. 4 piscine? dans nagé Tu la as Tu as nagé dans la piscine? 5 Elles courses. fait les ont Elles ont fait les courses. 6 J ai vidéo. un jeu acheté J ai acheté un jeu vidéo. 15 LISEZ Lees het boekje Mamie Pétronille et le ballon. Vul het werkblad in. Bewaar het werkblad in je taalportfolio. 16 ON FINIT Schrijf in het Frans een naar een vriend of vriendin waarin je vertelt over je laatste vakantie. Verwerk het volgende in je mail: een aanhef; met wie je op vakantie bent geweest; waar je naartoe bent geweest; hoe lang je weg geweest bent; wat je hebt gedaan; een afsluiting. Bewaar de in je taalportfolio. 123

126 68 leçon 4 C est sa passion TIP 1 ON COMMENCE Lees de titels van de les en bekijk de afbeeldingen op blz. 126 en 127 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat betekent de titel van deze les? Het is zijn passie. 2 Over welke sport gaat het hier? karting 3 Wie heeft de twee teksten geschreven? Olivier 4 Waar zou tekst 1 in kunnen staan? in het clubblad van de Karting Club 2 LISEZ ET COCHEZ Lees tekst 1 op blz. 126 van je livre de textes. Kruis de goede zinnen aan. Noteer het goede antwoord bij de zinnen die fout zijn. 1 Olivier is juniorenkampioen karten geworden. 2 Dat gebeurde in Rosny op 21 juni. 3 Vorig jaar was hij net geen kampioen geworden. 4 Olivier zegt dat hij alleen in de weekenden traint. 5 Olivier kan sport en huiswerk makkelijk combineren. 6 Olivier heeft een hele goede trainer. 7 Olivier krijgt een beker voor zijn prestatie. 8 De motorvrienden van zijn vader komen ook op zijn feest. 3 CHERCHEZ ET NOTEZ Vorig jaar is hij ook kampioen geworden. Olivier zegt dat hij na school traint. Het is moeilijk te combineren. Olivier krijgt een medaille. Zoek de Franse zinnen in tekst 1. Noteer deze. 1 Ik heb mijn titel verdedigd. J ai défendu mon titre. 2 En ik heb gewonnen! Et j ai gagné! 3 Mijn ouders hebben mij gefeliciteerd. Mes parents m ont félicité. 4 Ik train na schooltijd. Je m entraîne après l école. 5 Nu heb ik goede resultaten. 6 Ik ben voor de tweede keer kampioen. Maintenant j ai de bons résultats. Je suis champion pour la deuxième fois. 7 We hebben mijn titel gevierd. On a fêté mon titre. 4 LISEZ ET COMBINEZ Lees tekst 2 op blz Combineer de handelingen met de mensen die iets voor Olivier gedaan hebben. 1 aider a les copains motards de mon père 1 + c 2 entraîner b les mécaniciens 2 + e 3 prendre des notes c les parents et toute la famille 3 + d 4 être là quand il y a un problème d les copains du collège 4 + b 5 organiser une fête e l entraîneur 5 + a 5 REMPLISSEZ Zijn (bezittelijk voornaamwoord) kan in het Frans son, sa of ses worden. Dat hangt af van het zelfstandig naamwoord dat erachter staat. Lees de zinnen. Vul de goede vormen van het bezittelijk voornaamwoord zijn in. Kies uit: son sa ses 1 Olivier remercie ses parents, toute sa famille et son entraîneur. 2 Ensuite, il remercie aussi ses copains du collège, ses mécaniciens et le club de karting. 3 Il remercie les copains motards de son père pour la fête après son championnat. 124 CHAPITRE 8

127 6 SOULIGNEZ Onderstreep het juiste lidwoord. 1 Olivier est un / une copain de Damien, Saïd, Julie et Clarisse. 2 Il aime beaucoup le / la karting. 3 Il fait du karting dans le / la club de Serris. 4 Le / L entraîneur d Olivier est top: il fait un / des schémas d entraînement. 5 Dimanche, l e / l a mère et le / la père d Olivier étaient très fiers parce qu il a gagné le / la titre de champion junior. 6 Sa mère a acheté un / une tarte au chocolat parce qu Olivier adore le / la chocolat. 7 Sur le / la photo, Olivier porte un / une jolie combinaison bleue. 8 FFSA, c est le / la Fédération Française de Sport Automobile. 7 PHOTOGUIDE Lees de zinnen. Combineer deze met de foto s van de photoguide op blz. 127 van je livre de textes. Vul de letters van de goede foto s in. 1 Gesloten wegens vakantie. 1 + A 2 Rijd heel langzaam. 2 + C 3 Hier moet je stoppen. 3 + B 4 Denk aan ons. 4 + C 5 Pakjes hiernaast afgeven. 5 + A 6 Tol betalen bij de automaat. 6 + B 7 Dinsdag 16 augustus weer geopend. 7 + A 8 REMPLISSEZ ET PARLEZ Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Oefen de vragen en antwoorden hardop met een klasgenoot. Wissel van rol. Questions Réponses 1 habiter Olivier et Saïd habitent où? Ils habitent à Serris. 2 habiter Tu habites où? J habite à eigen antwoord. 3 jouer Tes copains jouent au rugby? Oui, ils jouent au rugby. 4 jouer Et toi, tu joues au tennis? Oui, je joue au tennis. 5 écouter Julie et Margot écoutent Superbus? Oui, elles écoutent le CD de Superbus. 6 écouter Qu est-ce que tu écoutes? J écoute (eigen antwoord) 7 porter Olivier porte une combinaison? Oui, il porte une combinaison. 8 porter Et toi, tu portes des chaussures? Oui, je porte des chaussures noires. 9 DEMANDEZ ET RÉPONDEZ Maak de ontkennende antwoorden af. Oefen dan de vragen en antwoorden met een klasgenoot. Wissel van rol. Questions Réponses 1 Tu aimes le karting? Non, je n aime pas le karting. 2 Clarisse aime le fromage? Non, elle n aime pas le fromage. 3 Vous habitez en France? Non, nous n habitons pas en France. 4 Damien et Saïd habitent à Utrecht? Non, ils n habitent pas à Utrecht. 5 Tu joues dans un groupe de musique? Non, je ne joue pas dans un groupe de musique. 6 Tu écoutes la musique rock? Non, je n écoute pas la musique rock. 7 Le soleil brille aujourd hui? Non, il ne brille pas aujourd hui. 8 Donc, il fait froid? Non, il ne fait pas froid. 125

128 10 COCHEZ ET NOTEZ Lees de zinnen. Kruis de zinnen in de passé composé aan. Noteer de Nederlandse betekenissen van de aangekruiste zinnen. 1 L école a commencé le 4 septembre. 2 C était la rentrée. 3 Clarisse habite près du collège. 4 Elle a invité Julie. 5 Elles ont écouté du rap français. 6 Olivier a gagné le championnat. 7 Ses parents étaient très fiers. 8 Mes copains m ont félicité. 9 Ma mère a acheté une tarte au chocolat. 10 C est ma photo préférée. 11 REMPLISSEZ ET PARLEZ De school is op 4 september begonnen. Zij heeft Julie uitgenodigd. Zij hebben naar Franse rap geluisterd. Olivier heeft het kampioenschap gewonnen. Mijn vrienden hebben mij gefeliciteerd. Mijn moeder heeft een chocoladetaart gekocht. Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Oefen dan de vragen en antwoorden hardop met een klasgenoot. Wissel van rol. Questions Réponses 1 être Tu es Hollandais(e)? Oui, je suis Hollandais(e). 2 être Vous êtes au collège? Oui, nous sommes au collège. 3 avoir Vous avez un entraîneur sympa? Oui, nous avons un entraîneur très sympa. 4 avoir Tu as quel âge? J ai treize ans. 5 prendre Qu est-ce que vous prenez? Nous prenons deux glaces. 6 faire Qu est-ce qu ils font? Ils font du karting. 7 faire Qu est-ce que vous faites? Nous faisons de la musique. 8 mettre Tu mets des baskets blanches? Non, je mets des baskets bleues. 9 mettre Qu est-ce qu ils mettent sur la table? Ils mettent une tarte sur la table. 10 aller Tu vas où en vacances? Je vais en vacances en France. 12 DEMANDEZ ET RÉPONDEZ Bestudeer de ontkenning op blz. 133 van je livre de textes. Maak de ontkennende antwoorden af. Oefen dan vragen en antwoorden met een klasgenoot. Wissel van rol. Questions Réponses 1 Tu as préparé ta valise? Non, je n ai pas préparé ma valise. 2 Tu as regardé la télé? Non, je n ai pas regardé la télé. 3 Tu as acheté la tarte au chocolat? Non, je n ai pas acheté la tarte au chocolat. 4 Tu as félicité Olivier? Non, je n ai pas félicité Olivier. 13 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden van deze les in de Pages jaunes. Spreek ze na en leer ze. 14 ON FINIT Je gaat een korte bedankbrief schrijven. Bedenk wie je wilt bedanken en waarom. Kies uit: hulp tijdens het afgelopen jaar een uitnodiging een mooi cadeau Vermeld in je brief: plaats, datum, aanhef, waarvoor je bedankt, hoe je het vond en je naam. Bewaar de bedankbrief in je taalportfolio. 126 CHAPITRE 8

129 68 leçon 5 Tu fais quoi? 1 ON COMMENCE Bekijk de titel en de afbeeldingen op blz. 128 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat is het onderwerp van deze les? vakantie 2 Waar gaat Damien naartoe? naar Bretagne 3 Wat betekent de titel? Wat doe je? 2 ÉCOUTEZ ET COCHEZ Luister naar tekst 1 en lees mee. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. 1 Olivier téléphone à Damien. 2 Olivier est champion junior de karting. 3 Les copains d Olivier ont donné une fête. 4 Damien ne peut pas aller à la course de motocross. 5 C est l anniversaire de la mère de Damien. 6 La tante de Damien a 34 ans. 3 COMBINEZ ET PARLEZ Combineer de vragen met de beste antwoorden. Oefen de zinnen dan hardop met een klasgenoot. Questions Réponses 1 Salut. Ça va? a Je vais chez ma tante. 1 + c 2 Comment as-trouvé la course de motocross? b Non, je regrette. Je ne peux pas venir. 2 + d 3 Et comment tu trouves mes copains? c Oui, ça va très bien depuis hier. 3 + f 4 Tu viens avec moi? d C était top! 4 + b 5 Où vas-tu samedi? e Oui, je vais avoir 20 ans. 5 + a 6 Tu as ton anniversaire vendredi? f Ils sont très sympas. 6 + e 4 ÉCOUTEZ, LISEZ ET COCHEZ Luister naar tekst 2 en lees mee op blz. 128 en 129 van je livre de textes. Kruis aan of de zinnen vrai of faux zijn. 1 C est presque les vacances. 2 La tante de Damien a un restaurant à Paris. 3 Damien va rester tout le mois d août en Bretagne. 4 Olivier fait de la moto avec son père en juillet. 5 Il va aux Antilles avec ses parents pendant deux semaines. 6 Damien connaît l île Saint-Martin. 5 COMBINEZ ET PARLEZ Combineer de vragen met de juiste antwoorden. Oefen de zinnen dan hardop met een klasgenoot. Questions Réponses 1 C était comment, la fête? a Pour gagner de l argent. 1 + e 2 Il y avait beauoup de personnes? b J aide mon père dans son atelier. 2 + d 3 Tu fais quoi? c On va aux Pays-Bas. 3 + b 4 Pourquoi tu travailles en juillet? d Oui, j ai invité tous les copains. 4 + a 5 Qu est ce que vous faites? e Chouette! 5 + f 6 Vous allez où en août? f Nous travaillons dans un resto. 6 + c Vrai Vrai Faux Faux 127

130 6 LISEZ, CHERCHEZ ET NOTEZ Lees tekst 2 nog een keer. Zoek in de tekst het tegengestelde van het vetgedrukte woord. Noteer de hele zin uit de tekst. Voorbeeld : Il n y avait personne chez ma tante. Il y avait toute la famille chez ma tante. 1 Je suis triste. Je suis content(e). 2 Je gagne beaucoup d argent de poche. Je gagne un peu d argent de poche. 3 C est une mauvaise idée. C est une bonne idée. 4 Mon oncle a un beau voilier noir. Mon oncle a un beau voilier blanc. 5 On va sur une grande île. On va sur une petite île. 6 Le vol de Paris à Saint-Martin est court. Le vol de Paris à Saint-Martin est long. 7 Il fait froid aux Antilles. Il fait chaud aux Antilles. 7 POSEZ UNE QUESTION Lees het antwoord en stel er een passende vraag bij. Noteer de vraag. Oefen dan de vragen en antwoorden met een klasgenoot. Wissel van rol. Questions Réponses 1 Quelle heure est-il? Il est neuf heures dix. 2 Tu fais quoi pendant les vacances? Pendant les vacances je nage et je lis un livre. 3 Quel âge avez-vous? Nous avons 13 ans tous les deux. 4 Quand partez-vous? Nous partons le 14 juillet. 5 Qui est-ce? C est ma tante de Paris. 6 Comment elle s appelle? Elle s appelle Marie-Henriette. 7 Qu est-ce que c est? C est le restaurant de ma tante. 8 Où habites-tu? J habite dans le centre d Amsterdam. 8 COMMENT DIT-ON? Je past een mooie broek. Je belt naar je moeder. Noteer de Franse zinnen die je zegt. Oefen ze dan met een klasgenoot. Wissel van rol. Gebruik de Expressions in de Pages jaunes van deze les. Je zegt dat: 1 je het model leuk vindt. J aime la coupe. 2 het niet duur is. Ce n est pas cher. 3 dat de pantalon je (goed) staat. Le pantalon, ça me va (bien). 4 je daarom belt. C est pour ça que je (te) téléphone. 5 je volgende week zakgeld hebt. La semaine prochaine j ai de l argent de poche. 6 dit aardig is. (Je mag hem namelijk nu kopen.) C est gentil! 7 dat het tof is. C est chouette! 9 PRONONCEZ Bestudeer de uitspraakregels op blz. 129 van je livre de textes. Luister naar de woorden en spreek ze na. Luister nog een keer en controleer of je ze goed hebt uitgesproken. 1 Paris chaud blanc maintenant 2 bonne treize grande garage 3 vous avez dans un mois nous écoutons 4 devoirs préféré poème fenêtre 5 tu aimes tu chantes elles téléphonent ils travaillent 128 CHAPITRE 8

131 10 LISEZ ET COMPLÉTEZ Bekijk de photodico op blz. 129 van je livre de textes. Geef je mening over de volgende zinnen. Noteer een zin uit de photodico. 1 Ah, c est enfin les vacances. C est super/top/chouette. 2 Regarde son pull. Il n est pas à la mode. C est moche. 3 Comment est ta fête? Tous les copains sont là! C est super/top/chouette. 4 Mais Patrick a oublié son cadeau! C est nul. 5 Comment tu trouves le match? Bof. C est pas mal. 6 Notre équipe a gagné! C est super/top/chouette. 11 PARLEZ Je Franse neef en jij maken vakantieplannen. Je neef wil heel graag dat je naar hem in Brest komt. Voer dit gesprek met een klasgenoot. Wissel van rol. 1 Quand est-ce que tes vacances commencent? 2 Zeg dat jouw vakantie op 7 juli begint. Mes vacances / Elles commencent le 7 juillet. 3 Tu viens chez moi en juillet? 4 Je kan niet komen. Je werkt in een supermarkt in juli. Je ne peux pas venir. Je travaille dans un supermarché en juillet. 5 Moi aussi. Je travaille chez Champion jusqu au 13 juillet. Je gagne 6 euros 50 par heure. Et toi? 6 Je verdient 8 euro per uur. Je gagne 8 euros par heure. 7 C est beaucoup! Tu peux venir en août? 8 Reageer enthousiast. Vraag wat jullie gaan doen. Super! Qu est-ce que nous allons faire? 9 Nous allons faire de la voile avec oncle Jules. 10 Reageer enthousiast. Maar je wilt ook zwemmen en lezen op het strand. 11 D accord! Moi aussi. Tu viens quand? 12 Je kunt komen op 2 augustus. Je neemt de trein van De trein komt aan in Brest om Top! Je viens te chercher à la gare de Brest. Top! Mais je veux aussi nager et lire sur la plage. Je peux venir le 2 août. Je prends le train de 7 heures dix. Le train arrive à Brest à 21 heures quinze. 12 ÉCOUTEZ ET PRONONCEZ Luister naar de woorden en de Expressions in de Pages jaunes en spreek ze na. Luister nog een keer, controleer of je ze goed hebt uitgesproken en leer ze. 13 ON FINIT Vertel een klasgenoot iets over jezelf en je vakantie. Volg het voorbeeld van het verhaal van Anne. Lees haar verhaal hardop voor aan een klasgenoot. Wissel van rol. Vertel daarna de verhalen van de gegeven personen. Neem je vakantieverhalen op en bewaar ze in je taalportfolio. Exemple Anne 11 jaar 1 tot 15 augustus Narbonne-Plage surfen geweldig Je m appelle Anne. J ai onze ans. Je suis allée en vacances du 2 au 15 août. J ai été à Narbonne-Plage. J ai fait de la planche à voile. C était super! 1 Julien 12 jaar 15 tot 31 juli Nice zwemmen top 2 Antoinette 15 jaar 7 tot 20 augustus Parijs zeilen niet gek 3 Alain 14 jaar 28 juli tot 10 augustus Beaune werken in restaurant leuk 4 Sophie 13 jaar 14 tot 21 augustus Brest helpen in supermarkt waardeloos 129

132 68 leçon 6 Voilà la France 1 ON COMMENCE Bekijk de titel en de wegenkaart van Frankrijk op blz. 130 van je livre de textes. Beantwoord de vragen. 1 Wat betekent de titel? op de autosnelweg 2 Hoe heet de autosnelweg vanuit Nederland naar Parijs? l autoroute du Nord, A1 3 Hoe heet de autosnelweg van Parijs naar Bordeaux? Wat is het nummer? l Aquitaine, A10 4 Waarom denk je dat de A40 de l autoroute Blanche heet? Omdat hij door de bergen/alpen gaat. 2 LISEZ ET COMBINEZ Lees tekst 1 tot Dictionnaire Mon autoroute. Combineer de Franse uitdrukkingen met de Nederlandse betekenissen. 1 rouler sur l autoroute a rustig rijden 1 + d 2 payer par carte bancaire b een paar woorden kennen 2 + e 3 passer sans payer c het loket Télépéage nemen 3 + g 4 prendre le guichet Télépéage d op de autosnelweg rijden 4 + c 5 bloquer l entrée ou la sortie e met een bankpas betalen 5 + h 6 rouler tranquillement f de borden herkennen 6 + a 7 connaître quelques mots g zonder te betalen passeren 7 + b 8 reconnaître les panneaux h de toe- of uitgang blokkeren 8 + f 3 LISEZ ET RÉPONDEZ Lees tekst 1 nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 Wat is het Franse woord voor tolweg? (route à) péage 2 Welke tolweg nemen de Nederlanders het meest? de autoroute du Soleil. 3 Op welke twee manieren kunnen de Nederlanders betalen? contant of met een bankpas/creditcard 4 Wat is het voordeel van een badge Télépéage? zonder te betalen langs het loket/later betalen 5 Met welk teken duidt men het loket Télépéage aan? met een T 6 Welke vergissing maken de Nederlanders wel eens? Ze nemen het loket Télépéage. 7 Hoeveel voertuigen rijden over de tolwegen per jaar? 17 miljoen voertuigen per jaar 4 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees Dictionnaire Mon autoroute. Vul de passende woorden uit het dictionnaire in. 1 Quand vous passez sous un tunnel, allumez vos feux. 2 Il y a des travaux; on ne peut pas traverser le village. Sur le panneau on lit: déviation. 3 Je vais quitter l autoroute; d abord je vais serrer à droite, ensuite je vais prendre la sortie. 4 On a roulé pendant deux heures; on va à une aire. 5 Activez vos feux de détresse si votre voiture est en panne. 6 Il y a eu un accident sur l autoroute; maintenant il y a un bouchon de 15 kilomètres. 130 CHAPITRE 8

133 5 PARLEZ Lees het gesprek in tekst 2 op blz. 130 van je livre de textes hardop met een klasgenoot. Wissel van rol. Lees dan dezelfde tekst, maar gebruik daarin de volgende gegevens euros 80 Montargis sortie 18 l aire du Cèdre 2 15 euros 50 Clermont-Ferrrand sortie 13 l aire des Croquettes 6 LISEZ ET REMPLISSEZ Lees en bekijk de strip op blz. 131 van je livre de textes. In de ballonnen van plaatje 4, 8 en 9 staat geen tekst. De ontbrekende teksten staan hieronder. Kies de juiste zinnen bij de plaatjes. Noteer deze in het Frans en dan in het Nederlands. Noteer ook wat er op het bord van plaatje 9 staat, zowel in het Frans als in het Nederlands. Je suis prof de français. Je suis désolée, mais je ne peux pas m en empêcher. Vroooooooooo... Femmes au volant! Plaatje Frans Nederlands 4 Vroooooooooo Vroem 8 Femmes au Volant! Vrouwen achter het stuur! 9 Je suis désolée, (...) Het spijt me, maar ik kan het niet laten. 9 Je suis prof de français. Ik ben lerares Frans. 9 Faites vérifier la pression Laat de spanning van uw banden de vos pneus. controleren. 7 ON FINIT Lees de info France op blz. 131 van je livre de textes. Je gaat met het programma ViaMichelin de route uitstippelen naar jouw favoriete vakantiebestemming in Frankrijk. Ga naar Typ als zoekwoord ViaMichelin.fr in en klik Itinéraires aan. Je kunt nu je route bepalen. Vul je woonplaats in bij Départ en je vakantiebestemming bij Arrivée. Voordat je rechercher aanklikt, beantwoord je de volgende vragen in het Nederlands. 1 Welke vier middelen van vervoer worden genoemd? auto, motor, fiets, lopend 2 Welk type d itinéraire is aangevinkt? aangeraden door Michelin 3 Noteer twee andere mogelijkheden. sneller, korter, toeristisch, economisch Klik nu rechercher aan. Boven de kaart van Frankrijk vind je de gegevens over je reis. Noteer zoveel mogelijk informatie in het Nederlands. Geschatte kosten: (eigen antwoord) Tol: (eigen antwoord) / Brandstof: (eigen antwoord) Tijdsduur (eigen antwoord). waarvan (eigen antwoord) over autowegen Afstand (eigen antwoord) km waarvan (eigen antwoord) km over autowegen Klik op de kaart van Frankrijk en zoom in. Print deze kaart uit en markeer je route naar je vakantieadres. Gebruik voor de volgende vraag ook de kaart in je livre de textes. 4 Welke Franse tolwegen neem je naar je vakantiebestemming? eigen antwoord Bewaar je kaart in je taalportfolio. 131

134

135

136 Auteurs Lysel Ebbinge Planchon Marie-Louise Elamri Laura Fontijne Els van Galen Heleen Jansen Simone Magnée Cara-Ella Schulte Nordholt Bouwman Zosia Szwed Eindredactie Lysel Ebbinge - Planchon Heleen Jansen ISBN

Nog meer weergeven

Videos

1. MAKKELIJK HOGE CIJFERS HALEN! mijn geheimen + tips
(Liv Catharina)
2. Talks on Sri Ramana Maharshi: Narrated by David Godman - Self-Enquiry
(David Godman)
3. Climate Change and Geopolitics | Coby van der Linde
(Studium Generale - University of Twente)
4. Oefentoets zouten 4e klas
(Guido geeft les)
5. CANVAS Setup account en uitleg Course (canvas.instructure.com)
(XforAll)
6. Online Inaugural Lecture Prof. dr. Petra P.M. Hurks
(Maastricht University)

Top Articles

Latest Posts

Article information

Author: Gregorio Kreiger

Last Updated: 09/25/2022

Views: 6401

Rating: 4.7 / 5 (57 voted)

Reviews: 88% of readers found this page helpful

Author information

Name: Gregorio Kreiger

Birthday: 1994-12-18

Address: 89212 Tracey Ramp, Sunside, MT 08453-0951

Phone: +9014805370218

Job: Customer Designer

Hobby: Mountain biking, Orienteering, Hiking, Sewing, Backpacking, Mushroom hunting, Backpacking

Introduction: My name is Gregorio Kreiger, I am a tender, brainy, enthusiastic, combative, agreeable, gentle, gentle person who loves writing and wants to share my knowledge and understanding with you.