PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen - PDF Free Download (2023)

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

The following full text is a publisher's version.

For additional information about this publication click this link. http://hdl.handle.net/2066/132009

Please be advised that this information was generated on 2015-11-26 and may be subject to change.

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

Omslagfoto ©Paul Huf/Maria Austria Instituut (privéarchief Mendels)

PROEFSCHRIFT ter verkrijging van de graad van doctor aan de Radboud Universiteit Nijmegen op gezag van de rector magnificus prof. dr. Th.L.M. Engelen, volgens besluit van het college van decanen in het openbaar te verdedigen op maandag 8 december 2014 om 14.30 uur precies door

Alle foto’s in dit boek af komstig uit het privéarchief Mendels. Rechthebbenden van de foto’s kunnen contact opnemen met de auteur. Opmaak: Studio Vrijdag ISBN: 978-90-9028592-4

Voor het schrijven van dit proefschrift ontving de auteur subsidie van de Stichting Democratie en Media en van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. De Dr. Henriette Boas Stichting zorgde voor een tegemoetkoming in internationale reiskosten.

SYLVIA RIWKE HEIMANS geboren op 10 maart 1967 te Amsterdam

Voor mijn eerste lezer, mijn moeder Mieke Vegting (1932–2012) en voor mijn oudste broer, Jaap Heimans (1960–2014)

PROMOTOREN Prof. dr. S.A. Levie Prof. dr. Th.L.M. Engelen MANUSCRIPTCOMMISSIE Prof. dr. M.E. Monteiro (voorzitter) Prof. dr. J.H.T. Joosten Prof. dr. M.J. Schwegman (Universiteit Utrecht)

INHOUD

‘I don’t make a big distinction between experience and imagination. I think the thing that matters is authenticity’ – Jeanette Winterson, 2012

9

Dank

11 12 19 22 33

Inleiding Josepha Mendels en de joodse geschiedenis Geen feminist Narratieve identiteit Opbouw

36 37 73

I. 1902–1936 Vooroorlogs joods leven 1. ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’ 2. ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

106 107 127 166 194 195 216

II. 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa 3. ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’ 4. ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’ 5. ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’ III. 1945–1949 De lege sociale ruimte 6. ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’ 7. ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

238 IV. 1950–1974 Armlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek 239 8. ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’ 262 9. ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’ 279 10. ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’ 298 299

V. 1975–1995 Erkenning zonder schuld 11. Een tweede roem

323 330 332 333

Conclusie Summary Curriculum vitae Bronnen

7

DANK De wat verbleekte, rode rug van de salamanderpocket zie ik nog staan in de boekenkast van mijn moeder. Op een goede dag nam ik Rolien en Ralien eruit, want ik had van Josepha Mendels gehoord en dat moest iets bijzonders zijn. Het zal midden jaren tachtig geweest zijn en ik was achttien jaar. De taal, het eigenzinnige personage Rolien, de wat Franse sfeer, het sprak me allemaal bijzonder aan. In korte tijd las ik het gehele oeuvre. Daar bleef het destijds bij. Toen ik geruime tijd na mijn studie, waarin ik aan het einde enthousiast raakte over de wetenschappelijke biografie en daar ook mijn scriptie aan wijdde, op zoek ging naar een biografie over Josepha Mendels, bleek er alleen een monografie te zijn. Ik was zo verlangend naar meer context bij die mooie romans dat ik met een flinke dosis bravoure besloot het dan maar zelf te doen. Vele jaren later is dit boek het resultaat. In de tijd dat ik aan Mendels werkte hebben veel mensen mijn pad gekruist en steun geboden. Ik dank allereerst Eric en Evelyne Mendels, die mij vanaf het begin hartelijk hebben ontvangen en mij ruimhartig hebben voorzien van archiefmateriaal en de meest fantastische verhalen over hun (schoon)moeder. Tijdens mijn bezoeken werd ik getrakteerd op Franse heerlijkheden zoals tarte tatin, het lievelingsgerecht van Josepha. Hun gastvrijheid kende geen grenzen, niet alleen hun Eindhovense woning stond voor mij open, ook in Parijs was ik welkom. Moedig was het, dat zij mij in alle vrijheid hebben laten werken. Mijn dank gaat uit naar Elsbeth Etty, de promotor die mij jarenlang geestdriftig begeleidde vanaf de keukentafel. Ze leerde mij hoe ik een biograaf werd en stelde haar rijke netwerk voor mij open. Onder het genot van koffie, citroenlimonade en aardbeien bracht ze me keer op keer op nieuwe ideeën en invalshoeken. In de beginjaren was ook Peter Romijn bij dit project betrokken. Hoewel we elkaar niet frequent zagen, reageerde hij altijd snel en adequaat op mijn verzoeken om literatuursuggesties. Danielle Wolvekamp zorgde er namens mijn toenmalige werkgever, Hogeschool Utrecht, voor dat ik de tijd en de ruimte kreeg om mijn werk met het onderzoek te combineren. Ik sprak met ruim 45 mensen over Mendels, haar leven, haar werk en over circuits waarin ze zich bewoog. Iedere keer mocht ik rekenen op een hartelijke ontvangst, enthousiaste verhalen en een weemoedige toon over vervlogen tijden. Heerlijk was dat. Zonder deze gesprekken zou dit boek minder rijk aan anekdotes en details geweest zijn. Het stemt verdrietig dat een aantal van mijn gesprekspartners de verschijning van dit boek niet meemaakt. Ik denk in het bijzonder aan Frida Balk-Smit Duyzentkunst, die haar grote fascinatie voor Josepha Mendels met mij deelde. Sophie Levie orkestreerde als promotor de laatste twee jaar nauwgezet en doelgericht. Zij zette me op het juiste spoor dat naar de afronding van mijn onderzoek leidde. Dankzij haar heb ik eerst als buitenpromovendus en later als onderzoeker kunnen profiteren van de inspirerende en vriendschappelijke sfeer op de afdeling Algemene Cultuur­ wetenschappen van de Radboud Universiteit. Alicia Montoya en later Rutger Helmers dank ik voor hun collegialiteit als kamergenoot. Mijn dank gaat eveneens uit naar Dennis Kersten en Liedeke Plate voor hun inhoudelijke suggesties. Roy Groen dank ik voor het nazien van de Franse citaten. Theo Engelen, die in de Radboudperiode optrad als promotor naast Sophie Levie, combineerde vriendelijkheid moeiteloos met duide9

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

lijkheid. Met Marjan Schwegman van het NIOD voerde ik een aantal aangename en inspirerende gesprekken. Mijn familie en vrienden dank ik voor hun jarenlange belangstelling voor mijn obscure werkzaamheden in de avonduren. Hannah, Jamie en Eli namen het aanvankelijk voor lief dat ik het kennelijk nodig vond om steeds maar op mijn kamer te zitten om aan ‘iets’ te werken dat toch nooit af kwam. Nu het boek er is weten jullie wat ik aan het doen was. En lieve Maaike, dank voor veel.

INLEIDING Het biografisch genre tiert welig. Een blik op uitgeverscatalogi, boekwinkels, literaire bijlagen en tijdschriften laat zien dat er wekelijks biografieën verschijnen. Deze komen niet zelden uit academische koker. Hoewel het aandeel Nederlandse vrouwelijke ‘subjecten’ nog steeds onder de maat is, is er de afgelopen twintig jaar een respectabel aantal titels over belangrijke, invloedrijke en voorbeeldige vrouwen verschenen. Ik denk daarbij aan Johanna Naber (1994), Henriëtte Roland Holst (1996), Nynke van Hichtum (2005), Aletta Jacobs (2005), Hélène Kröller-Müller (2010), Top Naeff (2010), M. Vasalis (2011) en Mina Kruseman (2013).1 Biografieën van de schrijfsters Andreas Burnier, Cissy van Marxveldt en Emmy van Lokhorst zijn in voorbereiding. Politicae als Marga Klompé, Hilda Verwey-Jonker, Joke Smit en Gezina van der Molen kregen eveneens hun eigen levensbeschrijving. In 2010 verscheen een overzicht van vrouwelijke auteurs in de negentiende en twintigste eeuw, Schrijvende vrouwen: Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen 1880–2010 en in 2013 veroverde 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis de krantenkolommen en de boekhandels.2 In tegenstelling tot bovengenoemde vrouwen vocht Josepha Judica Mendels (Groningen, 1902–1995) niet voor een hoogstaand doel, schreef geen bestsellers en leidde geen voorbeeldleven. Ondanks die constatering zijn er verschillende redenen om aan haar een biografie te wijden. Om wie de schrijfster was: een fantasierijke, non-conformistische verschijning vol tegenstellingen. Een vrouw zoals er weinig zijn: overrompelend en onafhankelijk, tegelijkertijd principieel en opportunistisch, koket tot op het bot, creatief en fantasierijk, neurotisch, grillig en veeleisend. De personages die haar werk bevolken vertonen vergelijkbare karaktertrekken. Haar oeuvre is zowel verguisd als bewierookt. Ze was in een woord: ontregelend. Drie aspecten, die niet los van elkaar gezien kunnen worden, maken Mendels tot een interessant onderwerp voor een biografie. Mendels was joods, vaak tegen wil en dank. De orthodoxe opvoeding stond een normale aansluiting bij leeftijdsgenoten in de weg, als volwassene moest ze op de vlucht voor de nazi’s, vanwege een identiteit waarvan ze dacht afscheid genomen te hebben. Haar leven biedt de mogelijkheid een beeld te geven van haar beleving van de joodse identiteit en deze te relateren aan de moderne joodse geschiedenis. Als tweede aspect besteed ik aandacht aan de besluiten die ze als onconventionele vrouw nam. De jeugdige Mendels was al tegendraads, haar schoolloopbaan verliep moeizaam.

1. Grever, Maria. (1994) Strijd tegen de stilte. Johanna Naber (1859–1941) en de vrouwenstem in geschiedenis. Amsterdam: Verloren. Etty, Elsbeth. (1996) Liefde is heel het leven niet. Henriëtte Roland Holst 1869–1952. Amsterdam: Balans. Holtrop, Aukje. (2005) Nynke van Hichtum. Leven en wereld van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer 1860–1939. Amsterdam: Contact.

Bosch, Mineke. (2005) Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid. Aletta Jacobs 1854–1929. Amsterdam: Balans. Rovers, Eva. (2011) De eeuwigheid verzameld. Hélène Kröller-Müller 1869–1939. Amsterdam: Bert Bakker. Vaartjes, Gé. (2010) Rebel en dame. Biografie van Top Naeff. Amsterdam: Querido. Meijer, Maaike. (2011) M. Vasalis: Een biografie. Amsterdam: Van Oorschot. Mooij,

Annet. (2013) Branie. Het leven van Mina Kruseman (1839–1922). Amsterdam: Balans. 2. Bel, Jacqueline & Thomas Vaessens (red.) (2010) Schrijvende vrouwen: Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen 1880–2010. Amsterdam UP en Kloek, Els. (2013) 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Nijmegen: Vantilt. 11

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

In zakelijk opzicht voer ze als auteur en journalist de koers van brokkenpiloot die menig contract met een uitgever of journalistieke opdrachtgever verbrak omdat ze zich onheus bejegend voelde. Ook haar privéleven draagt de sporen van onafhankelijkheid en eigenzinnigheid: geen huwelijk, wel verhoudingen met getrouwde mannen, wel een kind. Het zijn keuzes die haar in de jaren tachtig het etiket van feminist opleverden. Ik laat zien dat Mendels nooit een overtuigd feminist was, maar dat haar gedrag voor een groot deel valt terug te voeren op haar jeugd en ervaringen in de oorlog. Tenslotte had Mendels een bijzondere omgang met haar eigen geschiedenis. Haar leven bood inspiratie voor haar oeuvre, dat ook in de vele interviews in de jaren tachtig centraal stond. Ik laat zien hoe nauw leven en werk verweven zijn en hoe Mendels haar identiteit opbouwt.

Josepha Mendels en de joodse geschiedenis Het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw worden gezien als het hoogtepunt van de integratie en assimilatie van de joden in Nederland. Josepha Mendels’ leven en dat van haar familie valt daarmee samen. De geschiedenis van de integratie en assimilatie die begon met de vestiging van de eerste joden op Nederlands grondgebied in de vijfde eeuw wordt voorgesteld als een lineaire ontwikkeling waarin het lijkt of joden in een periode van eeuwen vanuit een geïsoleerde, achtergestelde positie opgenomen worden in de Nederlandse samenleving en de eigen cultuur opofferen in ruil voor integratie. Het standaardwerk in Nederland daarvoor is De Geschiedenis van de Joden in Nederland (1995).3 Een beeld van de geschiedenis in de diaspora, de gemeenten buiten Amsterdam, geeft Pinkas: Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland. 4 Voor Europa en de Verenigde Staten geldt een vergelijkbaar proces.5 Sinds de jaren zestig zijn er bezwaren geuit tegen het concept van assimilatie. Het is niet voor niets een van de centrale vraagstukken in de moderne joodse geschiedschrijving, aldus David Sorkin.6 Eind negentiende eeuw kwam de term ‘assimilatie’ in gebruik vanuit de nationalistische gedachtegang dat de wijze waarop joden zich verhielden tot de hun omgevende Duitse, Poolse of Russische cultuur er een was van vastliggende verhoudingen van een dominante en een ondergeschikte, joodse entiteit. Als gevolg daarvan ontstond het idee dat een culturele entiteit een andere alleen kon vervangen of verdringen. Een jood die een meervoudige identiteit uitdroeg, bijvoorbeeld doordat hij in het Nederlands of Duits schreef in plaats van het Jiddisch, werd als een bedreiging voor de puurheid van een cultuur gezien.7 De invloedrijke publicatie van Jacob Katz, Tradition and crises uit

3. J.C.H. Blom e.a. (red.). (1995) Geschiedenis van de joden in Nederland. Amsterdam: Balans. 4. Michman, Jozeph, Hartog Beem & Dan Michman. (1992) Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland. Ede / Antwerpen: Kluwer. 5. Hyman, Paula. (1995) Gender and Assimilation: The Roles and Representation of Women. Seattle & Londen: 12

University of Washington Press. 6. Sorkin, David. (2007) ‘The new “Mosaik”. Jews and European Culture 1750 -1940’, in: Judith Frishman & Hetty Berg (eds.) Dutch Jewry in a Cultural Maelstrom, 1880–1940. Amsterdam: Aksent: 11–29. Zie ook: Hyman (1995): 11 e.v. 7. Sorkin (2007): 13

Inleiding

1960, betoogt Sorkin, heeft assimilatie vervolgens geen goed gedaan. Katz zag een breuk in de joodse geschiedenis voor en na de emancipatie, waarmee hij een pure en authentiek joodse cultuur voor de emancipatie creëerde en een onzuivere erna. Het eind negentiende-eeuwse begrip van assimilatie en het werk van Katz zijn van grote invloed geweest op de joodse geschiedschrijving tot nu toe en houdt haar in zekere zin gevangen. Samenvattend zegt Sorkin over assimilatie The regnant concept of assimilation is predicated on a late nineteenth- and early twentieth-century nationalist and essentialist premise of pure national cultures. It is linked conceptually to a simplistic mechanical or substitution model of cultural interaction. It is linked temporally to a notion of a pure or unalloyed Jewish culture in the immediately preceding or early modern period. In short, the polemical nationalist concept of assimilation is a blunt instrument. 8 Voor Sorkin ligt een van de oplossingen van de eendimensionale visie op assimilatie in een andere benadering van de joodse geschiedenis. Een daarvan is de nadere bestudering van individuele levens van joden aan wie die assimilatiegeschiedenis eerder is opgehangen. Hij stelt historische figuren ten voorbeeld die recent in een nieuw licht zijn geplaatst en daardoor een nuancering, verdieping of zelfs een wending geven aan de geschiedenis als ‘assimilatiemodel’. Moses Mendelssohn (1729–1786), de verlichte Duits-joodse denker werd altijd gezien als een voortrekker van de joodse Verlichting, maar blijkt moderne middelen te hebben ingezet voor conservatieve doeleinden. De Russisch-joodse schrijver en journalist Vladimir Jabotinsky (1880–1940) werd altijd gezien als hét voorbeeld van de geassimileerde jood die als reactie op pogroms het zionisme ontdekte. Na hernieuwd onderzoek bleek zijn zionisme echter gespeend te zijn van alle joodse inhoud.9 Wat Sorkin wil zeggen is dat individuele levens een aanvullende, mogelijk corrigerende bron kunnen vormen voor de Europese joodse geschiedschrijving. Een biografie die dat voor de Nederlandse situatie doet is Jaap en Ischa Meijer: een joodse geschiedenis 1912–1956 van Evelien Gans (2008). Ze beschrijft onder meer hoe de jonge Jaap Meijer, voorbestemd om rabbijn te worden, een onverwachte en scherpe draai maakt naar het met de orthodoxie onverenigbare zionisme. Meijer belichaamt dus een snelle geloofsafval, van een vrome jongen veranderde hij in korte tijd in een overtuigd zionist.10 Van ouder datum is het omvangrijke Henri Polak sociaal democraat 1868–1943 van Salvador Bloemgarten (1993), dat onder meer een beeld geeft van de vooroorlogse Amsterdamse diamantnijverheid. In 2007 beschreef Bloemgarten het levensverhaal van Hartog de Hartog Lémon (1755–1823), dat details geeft over de periode waarin de joodse bevolking in Nederland dezelfde rechten kreeg als andere Nederlanders.11

8. Sorkin (2007): 17. 9. Sorkin (2007): 18, 19. 10. Gans, Evelien. (2008) Jaap en Ischa Meijer: een joodse geschiedenis 1912–1956. Amsterdam: Bert Bakker: 96–114. 11. Bloemgarten, Salvador. (2007) Hartog de Hartog Lémon, 1755–1823

Joods revolutionair in Franse tijd. Amsterdam: Aksent. Zie voor een bespreking Lakmaker, Joosje. (2008) ‘Een geschiedenis van verwachtingen: De emancipatiestrijd van Hartog de Hartog Lémon’, in: Biografie Bulletin, jg. 18 nr. 3. 13

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

Het leven van Josepha Mendels levert eveneens een bijdrage aan de joodse geschiedenis. Levens van joodse vrouwen worden nog te weinig gebruikt voor de algemene geschiedenis en in het bijzonder in het duiden van assimilatie. Paula Hymen toont aan dat getrouwde vrouwen vaak op een andere manier assimileerden dan mannen, trager, omdat ze minder contacten buitenshuis hadden en minder kansen op algemeen onderwijs kregen. Bovendien is de paradox van de assimilatie dat vrouwen een grotere rol kregen in het behouden van een joodse sfeer binnenshuis tegen de tijd dat mannen buitenshuis assimileerden. De meest tastbare vormen van assimilatie – conversie en gemengde huwelijken – hadden voor vrouwen een andere betekenis en omvang dan voor mannen.12 De positie van ongehuwde vrouwen blijft bij Hymen onderbelicht. Grote joodse vrouwen die een biografie verdienen, hebben die vaak nog niet gekregen en zij die hem wel hebben, bijvoorbeeld die over Aletta Jacobs, zijn geschreven vanuit een ander perspectief.13 In het bijzonder geldt Mendels als een voorbeeld van de ontwikkeling van een joodse vrouw aan het begin van de twintigste eeuw die zich los wil maken uit haar orthodoxe opvoeding om haar eigen keuzes te maken. Haar vader, de leraar Isidore Mendels hield vast aan het geloof van zijn voorvaderen. Hij deed dat tegen de trend van assimilatie en acculturatie in. Zijn vrouw Emma Levy was afkomstig uit een volledig geassimileerd Duits burgerlijk milieu en de orthodoxie was haar vreemd. Door haar huwelijk met Isidore Mendels moest zij vroom gaan leven. Josepha en haar twee oudere zussen Edith en Ada kozen een eigen pad in de zigzaggende assimilatiegeschiedenis. Hun vader vond het ongewenst dat zij met een niet-joodse man zouden trouwen. Edith maakte zich los uit het orthodoxe jodendom van haar jeugd en leidde een onafhankelijk bestaan als werkende, ongetrouwde vrouw. Ada, dochter nummer twee, stichtte een joods gezin, dat de goedkeuring van haar vader kon wegdragen. Tenslotte was daar Josepha die na tien jaar gewerkt te hebben in het joods maatschappelijk werk (het Zwaluwnest in Den Haag) besloot om naar Parijs te vertrekken. Ze streefde een grotere vrijheid na dan die haar in Nederland geboden werd en ze had de droom om schrijfster te worden. Van 1936 tot 1940 werkte ze er als journaliste. Hier leefde ze voor het eerst volledig geassimileerd, los van joodse gebruiken en vrij van sociale controle die kleine gemeenschappen kenmerken. In de oorlog vluchtte Mendels naar Londen. In 1945 moest ze constateren dat haar familie en veel vrienden en bekenden waren vermoord. Tegelijk nam haar schrijverscarrière een aanvang. Ze besloot in Parijs te blijven wonen terwijl haar romans vanaf de jaren veertig in Nederland uitkwamen. In 1948 kreeg ze als ongetrouwde en inmiddels vijfenveertigjarige vrouw een zoon. De joodse identiteit speelde na de oorlog een rol in de vorm van afwezigheid en leegte. De zoon kreeg geen joodse, maar een Frans-katholieke opvoeding. Begin jaren zestig was

12. Hymen bespreekt de positie van joodse vrouwen in West en Midden Europa en de Verenigde Staten in de negentiende eeuw. Hymen (1995): 19–20. Cf. Kaplan, Marion. (1991) The Making of the Jewish Middle Class: Women, Family, and Identity in Imperial Germany. New York Oxford UP. 14

13. Bosch (2005). De auteur schetst wel de joodse contacten die Aletta Jacobs via haar vader had en die haar kansen boden. Zie: Mooij, Annet. (2005) ‘Altijd de eerste: Het onverzettelijke leven van feministe Aletta Jacobs’, in: NRC Handelsblad 6 mei 2005.

Inleiding

haar creativiteit en productiviteit tanende en verdween ze uit het Nederlandse literaire landschap. De journalistiek hield haar in leven. In de jaren tachtig kwam haar werk opnieuw in de belangstelling onder invloed van de tweede feministische golf. Uitgeverij Meulenhoff herdrukte haar werk en ze begon opnieuw met schrijven. De eerste helft van de jaren tachtig betekende een tweede periode van bekendheid. De apotheose was de toekenning van de eerste Anna Bijns Prijs voor haar gehele oeuvre in 1986. Begin jaren negentig verhuisde ze naar Nederland waar ze in 1995, 93 jaar oud, overleed.

Joodse identiteit Ik beschrijf het leven van Josepha Mendels aan de hand van de beleving van de joodse identiteit. Dat biedt mij de kans in te gaan op de moderne joodse geschiedenis en een doorgaande lijn te trekken van vooroorlogse, via oorlogs- naar naoorlogse geschiedenis. Die lijn is in bestaande literatuur nog maar zelden gevolgd omdat doorgaans een van de drie periodes centraal staat. Ik beoog de complexiteit en tegenstrijdigheid ten aanzien van identiteitsvragen van een creatieve geest toe te lichten. Zelf dacht de schrijfster dat het een simpele kwestie was om zich te ontdoen van haar joodse achtergrond, getuige haar uitspraak daarover: Ik ben er helemaal uit gestapt, zoals je uit een bad stapt wat leegloopt. Ik heb het leeg laten lopen, stop eruit gehaald en weg was het. 14 Het is een mooie metafoor om de joodse identiteit te zien als warm water waarin je behaaglijk kunt verblijven en naar eigen keuze uit kunt stappen. De geschiedenis bewijst echter dat het zo eenvoudig niet is om los te komen van een joodse afkomst, al was het maar omdat de perceptie van anderen ook deel uitmaakt van de opgelegde identiteit. Wat verstaat men onder joodse identiteit? De term zelf kwam na de Tweede Wereldoorlog in gebruik. Voor die tijd werd gesproken van joods zelfbewustzijn, joodse solidariteit of jiddische nesjomme en jiddisjkat.15 Ook de term Israëliet kwam veel voor, vooral in officiële benamingen, zoals het Nederlands Israelietisch Kerkgenootschap. Hoewel er bibliotheken zijn volgeschreven over wat jood-zijn sinds bijbelse tijden behelst, baseer ik me voor de overzichtelijkheid op drie bronnen, de na-oorlogse definitie van Ido Abram, de visie van Michael A. Meyer, en tenslotte een aanvulling van David Theo Goldberg en Michael Krausz, die Michelle Mattson gebruikt om de beweeglijke joodse identiteit van de Duitse auteur Grete Weil te begrijpen.16 Volgens Abram valt de joodse identiteit te onderscheiden naar vijf componenten, die per individu variëren in invloed.17 Het eerste deel bestaat uit de connectie die iemand 14. JM in het achtdelige radio-interview Tony van Verre ontmoet…Josepha Mendels. Uit het leven van een winterharde laatbloeier, VARA 1982. 15. Henriette Boas, geciteerd in Rietschoten, Henk van. (1999) De variatiebreedte van de joodse identiteit: een inventarisatie van meningen. Proefschrift VU: 59.

16. Abram, Ido. (2006) Het raadsel van de joodse identiteit; Mattson, Michelle. (2004) ‘Grete Weil, a jewish author?’, in: German Studies Review vol. 27, no 1, febr 113–127. Mattson citeert Goldberg, David Theo & Michael Krausz, (eds.) (1993) Jewish Identity. Temple UP. 17. Abram (2006).

15

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

heeft met de joodse religie, cultuur en traditie. Hiermee worden bedoeld de waarden uit de Tora, zoals leren en humaan handelen, gekoppeld aan de waarden en normen die generaties aan elkaar overdragen. De tweede component bestaat uit betrokkenheid bij Israel en zionisme. Volgens Abram zijn alle Nederlandse joden zeer gehecht aan Israel en streven zij verschillende zionistische standpunten na (zoals de terugkeer van joden naar Israel, eenheid van het joodse volk, bewaren van de joodse identiteit door opvoeding en onderwijs). De derde omvat Sjoa, antisemitisme, vervolging en overleving. Na de oorlog werd iedere jood een overlevende of nakomeling van overlevenden. De vierde component gaat over de persoonlijke levensgeschiedenis. De wijze waarop iemand met zijn joodse achtergrond omgaat; hetzij erin opgaand, hetzij deze negerend, ‘Hoe hij leert, hoe hij onderwijst, maar vooral hoe hij leeft’. De vijfde component heeft betrekking op de Nederlandse (of andere nationale) cultuur en omgeving. Veel joden voelen zich meer Nederlander dan jood. Het nadeel van Abrams model is, dat het vrij statisch is, ook al kunnen de bestanddelen in omvang variëren per persoon. Meyer geeft in zijn Jewish Identity in the Modern World (1990) drie aangrijpingspunten voor joodse identiteit, waarbij hij vooral de maatschappelijke en in mindere mate de individuele aspecten belicht. Allereerst is er de verlichtinggeschiedenis, ik heb eerder van emancipatie of assimilatie gesproken. Het begin van de joodse Verlichting is het begin van het bevragen van de ‘joodse identiteit’ omdat men afscheid nam van een oude wereld en oude gewoontes die eenduidig waren. Het gaat grofweg om de achttiende en de negentiende eeuw, waarin het overgrote deel van de Europese joodse bevolking integreert in de nationale cultuur vanuit een leven in getto’s. Dat gaat stapje voor stapje en in Oost-Europa anders dan in het westen. Duitse joden noemden zich eind negentiende eeuw Duitse burgers, terwijl joden in Rusland door de vele beperkingen op een meer naar binnen gerichte wijze accultureerden.18 Tegenover de emancipatie stelt Meyer het antisemitisme, dat over het algemeen een sterkere joodse identiteit tot gevolg heeft. Als derde vormende kracht bij de totstandkoming van joodse identiteit noemt Meyer het zionisme. Niet zozeer het socialistisch zionisme, maar het religieuze zionisme, dat er vanuit gaat dat de Messias terugkeert op aarde om de joden te verenigen in hun land. Vooral voor joden die voor de oorlog al geassimileerd leefden, werd de na-oorlogse identiteit er een die door de Holocaust werd beheerst. Het derde aspect uit het model van Abram, sjoa en vervolging, werd dus allesoverheersend. Wat in dit uitgangspunt wringt, stelt Michelle Mattson, is dat het individu geen keus heeft waar het de afkomst betreft.19 Zij maakt daarom in navolging van David Theo Goldberg en Michael Krausz onderscheid tussen joods uit af komst en joods uit overtuiging (‘jewish by assent’). Iemand die joods uit overtuiging is heeft meer grip op de eigen identiteit. De overtuiging kan bestaan uit het naleven van enkele joodse gebruiken of uit identificatie met de joodse geschiedenis. Dit valt te illustreren aan de hand van de Duitse schrijfster Grete Weil (1906–1999), een generatiegenote van Josepha Mendels. Weil groeide op in een

18. Meyer, Michael A. (1990) Jewish Identity in the Modern World. Seattle & London: University of Washington Press: 23. 16

19. Mattson citeert Goldberg & Krausz (1993).

Inleiding

geassimileerd gezin. Onder invloed van de anti-joodse maatregelen van Hitler vluchtte zij eind jaren dertig naar Nederland. In de oorlog werd haar man vermoord en werkte zij in Amsterdam bij de Joodse Raad om haar leven te redden, een keuze waar ze achteraf een schuldgevoel aan overhield. In 1947 keerde ze terug naar Duitsland omdat ze zich wilde omgeven met haar moedertaal. ‘Land meiner Mörder, Land meiner Sprache’, noemde ze haar geboorteland.20 Rond haar zeventigste levensjaar hield ze zich voor het eerst met identiteitsvragen bezig. In de autobiografische roman Der Brautpreis (1988) stelt ze ondanks haar ervaringen gedurende de oorlog dat ze geen joodse identiteit heeft omdat ze niet gelovig is en geen binding met Israel voelt. Ze noemt hier twee elementen uit Abrams model. Wel erkent ze dat ze als jodin heeft ervaren wat lijden is. Ze interpreteert haar joodse identiteit daarom als lidmaatschap van de ‘Leidensgemeinschaft’.21 Toch heeft Weil juist via Der Brautpreis aansluiting gezocht bij het jodendom, aldus Michelle Mattson.22 In die roman treden twee vrouwelijke personages op, Grete, het alter ego van de auteur, en Michal, de eerste vrouw van de bijbelse koning David, beiden beschreven vanuit de eerste persoon. Door terug te grijpen op deze zo joodse, oudtestamentische geschiedenis en door zich sterk te identificeren met deze vrouw schrijft Weil zich als het ware in, in de joodse geschiedenis. Ze wordt hiermee, stelt Mattson, joods uit overtuiging. Dat erkent Weil zelf ook enigszins in de roman, ‘Bin ich jüdischer geworden? […] Ja sicher, irgendetwas hat angefangen, das vorher nicht da war.’23 Maar een volledige erkenning van haar joodse identiteit is pas tien jaar later mogelijk, in haar autobiografie die een jaar voor haar dood verschijnt. ‘Trotzdem bin ich Jüdin. Alle sagen es. Ich sage es selbst, sage es ohne zu zögern. Ich bin Jüdin.’24 In Nederland omarmde schrijfster en criminologe Andreas Burnier op latere leeftijd het jodendom, inclusief religieuze beleving. Zo’n stap is zeldzaam en ingegeven door persoonlijke motieven. Toch is het waarschijnlijk dat joodse auteurs uit dezelfde generatie als Mendels zowel oplevingen als ontkenningen van hun joodse identiteit laten zien. Ik denk daarbij onder meer aan Renate Rubinstein, Hanny Michaelis en Judith Herzberg wier werk sporen van de Holocaust vertoont. Het verhaal van Grete Weil toont aan dat identiteit in de loop van iemands leven kan wijzigen en dat individuen het vraagstuk lange tijd kunnen laten rusten, om er op latere leeftijd onderzoek naar te doen. Dat blijkt eveneens uit de vele publicaties van vervolgingsslachtoffers en hun kinderen waaraan identiteitsvraagstukken ten grondslag liggen, die wijzen op de ononderbroken interesse voor het thema. Een greep uit het recente aanbod levert een aantal non-fictie verhalen op, autobiografieën en familiegeschiedenissen waarvan de kern bestaat uit wat de hoofdpersonages als joden in de oorlog is overkomen. In 2009 publiceerde Bergen-Belsenoverlevende en latere culinair journaliste Berthe Meijer een bij vlagen pijnlijk relaas over haar moeizaam opgebouwde bestaan in Leven na Anna Frank. Wees geworden in de oorlog kwam ze na 1945 terecht in het joodse opvang-

20. Weil, Grete. (1988) Der Brautpreis. Zürich: Nagel & Kimche. 21. Geciteerd in Mattson (2004): 113–127. 22. Mattson (2004). 23. Mattson (2004).

24. Geciteerd door Leo Frijda, ‘Grete Weil’, 29 augustus 2009, Webcolumn Crescas. www.crescas.nl/site/blog/ webcolumnfrijda/6aooz/GreteWeil/#lezen.

17

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

huis van de Bergstichting in Laren. Schaamte over de armoedige omstandigheden daar, en over haar verplichte joodse opvoeding beheersten haar jeugd, gecombineerd met grote eenzaamheid. Jong getrouwd met een verkeerde man weet ze uiteindelijk het tij te keren, want ze vond het te veel eer voor de nazi’s om haar leven te laten mislukken. Saskia Goldschmidt zag zich na een burn out rond haar vijftigste levensjaar genoodzaakt de verzwegen geschiedenis van haar joodse familie boven tafel te krijgen in Verplicht Gelukkig (2011). Ze pluist de oorlogsjaren van haar vader nauwgezet uit, leest brieven en dagboeken en bezoekt de plekken waar vader Paul Goldschmidt bijna het leven liet. Uiteindelijk kan ze na haar zoektocht, die haar naar Bergen-Belsen en Tröbitz voert, vaststellen dat ze zich meer onderdeel van de familiegeschiedenis voelt dan ervoor. Daniël Vermeulen, pseudoniem van een pools-joods onderduikkind, legde zijn naoorlogse herinneringen aan een verstikkende jeugd vast in Polen in Plan Zuid (2009). De jongen groeit op bij zijn getraumatiseerde moeder, een oom en een opa, die hem leren dat alleen orthodoxe joden de moeite waard zijn. Religieuze dwang maakt deel uit van zijn opvoeding, waar de hoofdpersoon zich slechts met de grootst mogelijke moeite en pas op volwassen leeftijd ten dele aan kan onttrekken. Het feit dat hij dit boek, dat vervuld is van bittere woede en miskenning, aan het einde van zijn leven schreef, maakt duidelijk dat het de auteur niet gelukt is afstand te nemen. Ook Kind van de oorlog (2010) van Antoon Hout, Veilige afstand van Kees Kolthoff (2010) en Nooit verleden tijd (2010) van Lex Lesgever getuigen van de gevolgen van de oorlog voor hen die toen kinderen waren. Veelomvattender is de familiekroniek Ons Kamp: een min of meer joodse geschiedenis (2012) waarin Marja Vuijsje het verhaal van drie generaties Vuijsjes vertelt. Joodse identiteit krijgt aan de hand van de verschillende personen en generaties een veelzijdige betekenis. Voor de oorlog houdt de eerste generatie, de bakker Isaac Vuijsje en zijn vrouw Schoontje van Beetz, een symbolische ‘jiddisjkat’ in ere, maar gaat vooral op in de sociaal-democratische beweging van AJC en SDAP. Het is de ontwikkeling weg van de joodse armoede, naar de culturele rijkdom van het socialisme. Na de oorlog, wanneer er van het achtkoppige gezin nog vier broers over zijn, is het beeld minder eenduidig. De een kiest ervoor om na de oorlog weer lid te worden van de orthodox joodse gemeente om de vermoorde ouders te eren, het merendeel houdt zich echter verre van het, opnieuw, georganiseerde jodendom. Wanneer de kinderen van deze tweede generatie opgroeien zijn er opnieuw variaties te zien. Een van de nakomelingen zal zich in Israel vestigen en een ander gaat – eind jaren tachtig pas – volledig religieus leven na de geboorte van kinderen. Er is nog geen passend concept gevonden om de naoorlogse joodse geschiedenis te omschrijven. Duidelijk wordt echter wel dat volledige assimilatie en acculturalisatie, ondanks of dankzij, de Tweede Wereldoorlog in de naoorlogse jaren tot stilstand is gekomen. Alle Vuijsjes houden een verbinding met de geschiedenis van hun (groot)ouders die vermoord zijn in de oorlog. De dode gezinsleden lijken te worden geëerd, zo schrijft Marja Vuisje, door de maatschappelijke emancipatie die de naoorlogse generaties te zien geven. Afstammend van een bakker volgen veel familieleden een hogere opleiding en leven in behoorlijke welstand. Hun werkterreinen zijn de journalistiek, de detailhandel en het maatschappelijk werk. Afgezien van een verschil van inzicht over het in huis halen van een kerstboom met hun eventuele niet-joodse partners zijn de Vuijsjes vooral heel gewone mensen geworden.

18

Inleiding

Geen feminist Josepha Mendels voelde zich geen feminist, ondanks het feit dat zij een boegbeeld zou worden van de tweede feministische golf. Voor haar was een feminist iemand zoals Aletta Jacobs, die zich inzette voor anderen en grote groepen vrouwen in beweging bracht. Onafhankelijk en eigenzinnig was Mendels wel, haar hele leven. Ze maakte dan ook keuzes die weinig vrouwen voor haar hadden gemaakt. Vanaf haar 23-ste zorgde ze voor haar eigen inkomen. Het besluit om in 1936 naar Parijs te vertrekken om daar journaliste te worden was ingegeven door een zucht naar onafhankelijkheid en wellicht, avontuur. Het merendeel van de vrouwen van haar generatie was op die leeftijd getrouwd en kreeg kinderen. Haar beste vriendin Berthe Edersheim trouwde in 1937 en verruilde met haar echtgenoot hun woonplaats Amsterdam voor de Veluwe. Tijdens de oorlog werd Mendels vervolgd omdat ze joods was. Dat zij in 1943 in Londen aankwam, was te danken aan een combinatie van toeval, connecties en moed. Vrouwelijke Engelandvaarders waren hoogst zeldzaam.25 In Londen hield zij zich als medewerker van de Rijksvoorlichtingsdienst staande in het seksistische en licht antisemitische regeringsmilieu. Het sterke verlangen naar een kind dat haar na de oorlog overviel, had alles te maken met het verlies van haar familie in de oorlog. Ze nam toen het onorthodoxe besluit om als alleenstaande moeder een kind te krijgen. De risico’s van het late moederschap nam zij voor lief. In 1948, ze was 45, werd zij moeder van een zoon. Als auteur en journalist met een baby in de jaren veertig had zij verschillende organisatorische vraagstukken op te lossen, die zwaar op haar drukten en met moeite hield zij het hoofd financieel boven water. Haar onaf hankelijkheid uitte zich eveneens in haar werk. Voor uitgevers en journalistieke opdrachtgevers was zij een veeleisende en eigenwijze gesprekspartner en haar arbeidzaam leven laat een spoor zien van door onenigheid beëindigde samenwerkingen. Of dit gedrag als onvrouwelijk of juist feministisch betiteld moet worden, is niet zozeer de kwestie, wel dat vrouwen zich maar zelden opstelden zoals zij deed. In de loop van de jaren zestig was onder een politiek aan het linker spectrum gelegen deel van de Nederlandse vrouwen een bewustwordingsproces op gang gekomen, dat eind jaren zeventig uitmondde in de tweede feministische golf.26 Deze beweging strekte zich uit over alle facetten van de samenleving en de privésfeer van mannen en vrouwen. Feministen maakten zich sterk voor gelijke rechten op het gebied van arbeid, zorg, inkomen, onderwijs, sociale zekerheid en rechtspositie. Dit was het gevolg van de centrale boodschap dat vrouwen zich bewust moesten worden van ‘de politieke dimensie van het persoonlijk leven’.27 De tweede feministische golf kenmerkte zich door een sterke behoefte aan inspirerende teksten, die per stadium van de beweging van elkaar

25. 48 van de 1702 Engelandvaarders waren vrouw. Zie Dessing, Agnes. (2004) Tulpen voor Wilhelmina: de geschiedenis van de Engelandvaarders. Amsterdam: Bert Bakker. 26. Costera Meijer, Irene. (1996) Het persoonlijke wordt politiek. Feministische

bewustwording in Nederland 1965–1980. Proefschrift UvA. 27. Brems, Hugo. (2005) Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945– 2005. Amsterdam: Bert Bakker: 411.

19

Inleiding

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

verschilde. In het voorstadium ging men op zoek naar de representatie van vrouwen in bronteksten van het socialisme en het marxisme.28 Vervolgens stond de actuele maatschappelijke positie van vrouwen centraal in publicaties van onder andere Betty Friedan, Shulamith Firestone en Kate Millet. In een volgende fase kwamen persoonlijke ervaringen in het centrum van de bewustwordingsbeweging te staan. In 1976 verscheen De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt, een ervaringsboek waarin veel vrouwen zich herkenden, maar dat als tekstgenre moeilijk te plaatsen was.29 Dat gold voor meer titels die niettemin hoge oplages haalden, zoals En dan is er koffie (1976) van Hannes Meinkema. Vergelijkbare boeken uit het buitenland werden ook in Nederland uitgebracht. In 1979 verscheen Fragmentarisch proza van Anna Blaman, een auteur voor wie de belangstelling nooit weg was geweest, maar die onder invloed van de ontwikkelingen opnieuw sterk in de belangstelling kwam.30 Hierin opgenomen waren de hoofdstukken van een onvoltooide roman die Anna Blaman samen met Josepha Mendels in de jaren vijftig had geschreven. De interesse van uitgeverij Meulenhoff in de vergeten auteur was gewekt. Meulenhoff zag onmiddellijk mogelijkheden om het werk van Mendels opnieuw uit te brengen, niet alleen vanwege de inhoud, maar ook vanwege de sprankelende persoonlijkheid van de auteur waarmee de heruitgave goed ondersteund zou kunnen worden. De eerste titel die herdrukt werd, was Als wind en rook, Mendels’ meest conventionele roman, waarin een vrouw zich losmaakt uit een ongelukkig huwelijk. Frida Balk noemde die in Vrij Nederland een ‘superieure roman’. ‘Het zijn vooral [de] onverbiddelijke samenhang, het karakteristieke taalgebruik en de onweerstaanbare symboliek die dit doen. Daardoor is het een boek dat thuishoort in de klassieken van onze literatuur.’31 Een paginagroot beschouwend artikel over Mendels’ werk deed de rest. Elly de Waard schreef over Rolien en Ralien, dat als tweede herdrukt werd: ‘Het is haast onbegrijpelijk dat deze zeer gave, aan de verbeeldingswereld van meisjes gewijde, en door dit onderwerp en door de stijl waarin het geschreven is, klassieke roman niet een belangrijker plaats in de literatuurgeschiedenis inneemt.’32 Aan de hercanonisering van Mendels droegen zowel Balk (-Smit Duyzentkunst) als De Waard bij door toekenning in 1986 van de eerste Anna Bijns Prijs, een literaire prijs voor vrouwelijke auteurs. Het was voor de auteur de apotheose van een periode van enkele jaren waarin haar werk en haar leven ten voorbeeld werden gesteld. Ze was veelvuldig te gast bij fora, literaire avonden, op radio en televisie. Deze belangstelling was zowel afkomstig vanuit de algemene pers als vanuit feministische vrouwen in het boekenvak. De beeldvorming rondom Mendels in deze jaren week volledig af van het beeld dat men in de jaren vijftig van de auteur koesterde. In die periode werden auteurs uitsluitend besproken in de recensies die van hun werk verschenen. Men zag toen vooral de schrijf28. Vries, Petra de. (2009) ‘Het onbehagen bij de Marx-club. Dolle Mina 1972–1973’, in: Oldersma, Jantine & Joke Swiebel & Petra de Vries (red.) Joyce, weet je nog? Do you remember, Joyce? Amsterdam: Academic Women’s Press: 13–30. 29. Meijer, Maaike. (1993) ’15 oktober 1976: Anja Meulenbelt publiceert “De 20

schaamte voorbij”. De tweede feministische golf en de literatuur’, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen (red.) Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Groningen: Martinus Nijhoff: 819–825. 30. Blaman, Anna. (1979) Fragmentarisch. Nagelaten proza. Bijeengebracht door Henk Struyker Boudier. Amsterdam: Meulenhoff.

31. Balk, Frida. (1980) ‘Een uitgekristalliseerd produkt: de romans van Josepha Mendels’, in: Vrij Nederland, 23 februari. 32. Waard, Elly de. (1980) ‘De terugkeer van Josepha Mendels’, in: De Volkskrant, 15 april.

ster weerspiegeld in haar werk. Mededelingen over het privéleven kwamen weinig voor. In de jaren tachtig werd ook de levensloop een aspect van betekenis. Lezers wilden weten wie de auteurs waren, hoe ze leefden en hoe hun werk ontstond. Uit de feministische interesse voor de auteur is vooral op te maken dat men haar zag als een verpersoonlijking van de idealen die er leefden, zoals haar onafhankelijkheid van mannen. Omdat Mendels zich op haar Nederlandse bezoeken altijd liet vergezellen van haar huisgenoot Berthe Edersheim veronderstelde het publiek bovendien dat er sprake was van een lesbische relatie. Ook haar werk, met name Rolien en Ralien, kwam in een ander licht te staan. De roman werd bij de herdruk een lesbisch thema toegedicht, een aspect dat in de jaren veertig niet was benoemd in de algemene pers.33 Het open einde, dat destijds werd geïnterpreteerd als zelfmoord van de hoofdpersoon, werd nu gezien als een wedergeboorte.34 Hoewel Mendels zich de incomplete beeldvorming welwillend liet aanleunen, deed men de auteur tekort door niet in te gaan op de achterliggende redenen voor de keuzes in haar leven, die niet uitsluitend teruggevoerd kunnen worden op een streven naar onafhankelijkheid. Er was bovendien geen oog voor de joodse geschiedenis van de auteur vanuit de feministische hoek.35 Op haar beurt betoonde Mendels zich wel kritisch over de discussies in de vrouwenbeweging. Zo vond zij het vreemd dat lesbisch zijn in sommige kringen werd gezien als voorwaarde voor een feministische leefwijze.36 Daarnaast begreep zij niets van de schuldgevoelens van werkende vrouwen over het feit dat zij andere vrouwen, bijvoorbeeld als hulp in de huishouding, voor zich lieten werken. Ook stond de verbeelding van erotiek door feministen, waar oesters en vruchten aan te pas kwamen, Mendels tegen.37 De late erkenning betekende voor Mendels evenwel een essentiële aanvulling op haar schrijverschap, omdat zij, anders dan in de jaren vijftig, nauwelijks kritisch bejegend werd, maar vooral werd binnengehaald als een voorvrouw en voorloper. De nieuwe erkenning bevestigde haar sentiment dat ze in vroeger decennia als auteur miskend was en door uitgeverijen verwaarloosd. Een ander contrast bestaat erin dat Mendels in de jaren vijftig nog volledig in beslag werd genomen door de nasleep van de oorlog, haar eenzaamheid, financiële moeilijkheden en het verlies van familie. In de jaren tachtig waren haar financiën op orde en had haar zoon een gezin gesticht waarmee Mendels nauwe banden onderhield. Deze kleine familie, waarin Berthe Edersheim als een tweede grootmoeder fungeerde, betekende dat Mendels een kring van liefdevolle toeschouwers had. De derde druk van Rolien en Ralien (1980) werd een familieproductie: de omslagtekening was van Edersheim, de auteursfoto op de achterkant werd gemaakt door zoon Eric en het boek werd opgedragen aan kleinzoon Emilien Valéry.

33. Rolien en Ralien werd wel, samen met Je wist het toch… besproken in het blad van het C.O.C. Rolien werd door recensent ‘Tilo’ biseksueel genoemd. Vriendschap, juli, 1950: 10–11. 34. Vestdijk en Smit zagen een zelfmoord in het einde. Vestdijk, S. (1947) ‘Rolien en Ralien: roman van de ontragische persoonsverdubbeling’, in: Het Parool, 5 juli. Smit, prof. dr. W.A.P. (1947) ‘Zielegang naar den Zelfmoord.

Romandebuut van Josepha Mendels’, in: Nieuw Utrechts Dagblad, 10 april. Frida Balk-Smit Duyzentkunst bracht de interpretatie van de wedergeboorte in het voorwoord bij de derde druk van Rolien en Ralien (1980). Cf. Etty, Elsbeth. (1986) Hoor Haar [radiointerview], 3 november, VARA. 35. Achteraf constateerde men dat in de feministische beweging nauwelijks oog was voor verschillen tussen vrou-

wen, en dat de blanke, heteroseksuele, hoogopgeleide vrouw de norm was. Religie was een van de blinde vlekken. Costera Meijer (1996): 6. 36. Enkelaar, Henk. (1987) Een leven lang [radiointerview]. 10 september, NOS. 37. Holtrop (1981), mededeling Laurens van Krevelen, 2005.

21

Inleiding

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

Narratieve identiteit Het werk van Josepha Mendels kan zonder voorbehoud als autobiografisch gekenschetst worden. De zes romans en drie verhalenbundels waaruit het literaire oeuvre bestaat, zijn voor het merendeel geïnspireerd door en gemodelleerd naar diverse periodes uit het leven van de schrijfster. Rolien en Ralien (1947) gaat over de jeugd. Je wist het toch… (1948) verwijst naar de periode dat de schrijfster in Londen verbleef tijdens de oorlog. Als wind en rook (1950) heeft het leven van de ouders als uitgangspunt. Heimwee naar Haarlem (1958) handelt over de tijd dat de auteur kindermeisje was bij een gezin in Overveen. In De Speeltuin (1970) kijkt de auteur als oudere vrouw terug op de adolescentie. Alles even gezond bij jou (1953), omschreven als een niet-autobiografische roman, bevat evenwel enkele autobiografische passages. Een van de motieven in het oeuvre is persoonsverdubbeling, die het meest pregnant in het debuut aanwezig is, maar ook in andere werken voorkomt. Het niet-autobiografisch deel van het oeuvre bestaat uit enkele verhalen.38 Deze overtuigen veel minder dan het overige werk, omdat de personages niet werkelijk tot leven komen en hun gedrag een noodzaak mist. Mendels was vooral sterk in het beschrijven van de doorleefde ervaring. Eind jaren zeventig gaf de auteur te kennen dat ze aan haar memoires werkte.39 Welkom in dit leven (1981) en Joelika (1986) zijn echter geen memoires, maar verzamelingen autobiografische en niet-autobiografische stukken. Voor Mendels is er kennelijk weinig verschil tussen memoires en deze autobiografische romans. Het leven stond opnieuw centraal in gesprekken met journalisten. De hernieuwde belangstelling voor het werk van Mendels in de jaren tachtig wekte een grote interesse op voor de persoon van de schrijfster. Het gevolg van deze periode van bekendheid was een reeks uitgebreide interviews. De gegevens die Mendels prijsgeeft in romans, ‘memoires’ en deze interviews volgen grosso modo de levensloop. Dat er in de romans passages voorkomen die fictioneel zijn, is niet ongebruikelijk. Het opvallende is echter dat ook in de ‘memoires’ en de interviews elementen opgenomen zijn die als fictioneel aan te merken zijn. Met fictioneel bedoel ik hier: niet in overeenstemming met historische bronnen of onwaarschijnlijk in de context van wat vaststaat. Mendels fabuleert dus in haar levensverhaal. Daarmee bevindt zij zich in een bont en rijk gezelschap, want schrijvers, maar ook andere publieke figuren zijn zelden geneigd hun eigen leven zonder autocensuur openbaar te maken. De meeste biografen zijn er in deze gevallen vooral in geïnteresseerd de waarheid achter de leugen te achterhalen of ten minste het door de gebiografeerde gevestigde beeld bij te stellen. In een van de eerste Nederlandse wetenschappelijke biografieën, die over Annie Romein-Verschoor uit 1988, is dat een hoofddoel. 40 Dat geldt eveneens

38. Mendels schreef niet-autobiografische verhalen die gepubliceerd zijn in Zoethout en Etamien (1954) en de losse publicatie Twee schouderbandjes (1957). Deze verhalen/novellen werden herdrukt in Welkom in dit leven (1981) en in Alle verhalen (1988). Ook schreef Mendels een toneelstuk, een kinderboek en een kookboek. Alle niet- autobiografische publicaties vallen buiten het onderzoek. 22

39. Mendels meldde dit onder andere aan Johanneke van Slooten, Frida Balk-Smit Duyzentkunst (hoogleraar Taalkunde van het hedendaags Nederland van 1970 tot 1992) en Max Nord. Van Slooten, Johanneke. (1979) ‘Josepha Mendels: ik heb het huwelijk altijd gezien als belachelijke instelling’ in: Haagse Post, 24 maart. Mededeling Balk-Smit Duyzentkunst aan de auteur, 2009. Nord, Max. (1981) Josep-

ha Mendels: portret van een kunstenaar. Amsterdam: Meulenhoff. Het kan zijn dat het schrijven van de memoires niet vlotte, want aan journalist Elsbeth Etty liet zij desgevraagd weten dat zij zich voor het schrijven van memoires te onbelangrijk voelde. Etty, Elsbeth. (1981) ‘Over een feministe die geen feministe genoemd wil worden’, in: De Waarheid 4 juli.

voor een willekeurige reeks biografieën, zoals die van W.F. Hermans, Herman de Man en M. Vasalis. Willem Otterspeer onthulde voorafgaand aan de publicatie van zijn biografie over W.F. Hermans dat zijn hoofdpersoon zich in de oorlog aanmeldde voor de Kultuurkamer. 41 Herman de Man, alleen bekend als zoetsappige auteur van streekromans, bleek een bij vlagen agressieve, egoïstische, katholiek geworden jood te zijn. 42 M. Vasalis, de dichteres die in de jaren vijftig uit overtuiging gestopt zou zijn met dichten, bleek een honderdtal gedichten in een la te hebben liggen. 43 Hoewel in al deze gevallen de ‘rectificatie’ terecht is, kan het verleggen van het perspectief naar de oorzaken van het vertekende beeld leiden tot nieuwe inzichten. In deze studie stel ik mij de vraag wat de functie is van het met fictionele elementen verrijkte beeld dat Josepha Mendels over haar leven in teksten en interviews naar buiten heeft gebracht. Via het literaire motief van de persoonsverdubbeling ofwel ‘de tweede stem’, stapte zij op angstige momenten uit de realiteit, om zodoende een fictionele / andere werkelijkheid te creëren. Interessant is dat de persoonsverdubbeling eveneens een karaktertrek van de schrijfster was. Bij de beantwoording van de vraag beschouw ik het complete corpus teksten dat Mendels’ leven als onderwerp heeft als narratieve identiteit, een begrip dat is uitgewerkt door Paul John Eakin. Praten over zichzelf, zegt Eakin in zijn meest recente werk Living Autobiographically: How We Create Identity in Narrative (2008), is iets wat mensen al vroeg in het leven leren. 44 Kinderen vanaf drie jaar beginnen eenvoudige verhaaltjes te vertellen over wat ze meemaken. Een middag naar de speeltuin, een bezoek aan oma, dergelijke ervaringen dienen als ‘oefenmateriaal’. Ouders begeleiden deze ontwikkeling. Uit voorlopig onderzoek van Robyn Fivush en Elaine Reese, geciteerd door Eakin, blijkt dat zij ten opzichte van jongens een repetitieve stijl aanhouden (steeds dezelfde vragen stellen in de hoop dat het kind het juiste antwoord geeft) en bij meisjes een elaboratieve stijl (het verhaal iedere keer mooier maken en verrijken). 45 Middenklasse kinderen kregen bovendien meer narratieve autonomie dan die uit een arbeidersmilieu (26–28). Middenklasse meisjes zouden dus de meeste steun krijgen in hun narratieve ontwikkeling. Kinderen leren wat relevant is om te zeggen en wat niet. Het besef dat ze iets in het verleden hebben meegemaakt, of in de toekomst gaan doen, komt eveneens rond het derde levensjaar tot ontwikkeling. Eakin noemt dat het extended self, een zelf in verleden en toekomst. Naarmate kinderen opgroeien, beheersen zij het vertellen van verhalen over zichzelf steeds beter. Aldus ontstaat er een verhalend ik, dat door de tijd

40. Brandenburg, A. (1988) Annie Romein-Verschoor 1895–1978 (2 delen). Amsterdam: De Arbeiderspers. 41. Otterspeer, Willem. (2011) ‘W.F. Hermans meldde zich in 1942 aan bij Kultuurkamer’ in: De Volkskrant, 17 september. www.volkskrant.nl/vk/nl/ 3352/boeken/article/detail/2912701/ 2011/09/17/W-F-Hermans-meldde-zich -in-1942-aan-bij-Kultuurkamer.dhtml (24 november 2013). 42. Schouten, Rob. (2000) ‘De psychi-

sche kronkels van een gekweld mens’, in: Trouw, 22 januari. 43. Peters, Arjan. (2011) ‘Een misthoorn als muze’, in: De Volkskrant, 19 februari. 44. Eakin, Paul John. (2008) Living Autobiographically: How We Create Identity in Narrative. Ithaca/London: Cornell University Press. Ik baseer me voor de onderstaande alinea’s op het eerste theoretische hoofdstuk: ‘Talking about Ourselves: the Rules of

the Game’, p. 1–59. Het concept van de narratieve identiteit is overigens al langer bekend in de literatuurwetenschap. Cf. King, Nicola. (2000) Memory, Narrative, Identity: Remembering the Self. Edinburgh: Edinburgh UP. 45. Fivush, Robyn & Elaine Reese. (1992) ‘The Social Construction of Autobiographical Memory’, in: Martin Conway e.a. (ed.) Theoretical Perpectives on Autobiographical Memory. Dordrecht: Kluwer Academic Publishers. 23

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

heen bestaat. Door het vertellen krijgen ervaringen een bepaalde (narratieve) structuur voor de verteller. Dit discours vormt de basis van het autobiografisch geheugen (25). Het vertellen is op een volwassen leeftijd zo gemakkelijk dat het bijna een onbewuste handeling wordt, het is een dagelijks terugkerende gewoonte geworden. Niettemin is een volwassene zich bewust van de protocollen die er in verschillende situaties gelden: in een rechtszaal wordt een ander verhaal verwacht dan bij een bijeenkomst van de anonieme alcoholisten (29). Wat is de functie van dit vertellen van verhalen? Het is zeker niet alleen een plezierig tijdverdrijf. Eakin ging te rade bij de neurologie, in het bijzonder bij Oliver Sacks. Deze neuroloog behandelt mensen die juist geen verhaal hebben, vanwege aandoeningen als korsakov of alzheimer. Verwijzend naar Sacks’ onderzoek stelt Eakin dat ‘talking about ourselves involves a lot more than self-indulgence; when we do it, we perform a work of self-construction’(2). Sacks zegt letterlijk: To be ourselves we must have ourselves – possess, if need be re-possess, our life-stories. We must ‘recollect’ ourselves, recollect the inner drama, the narrative, of ourselves. A man needs such a narrative, a continuous inner narrative, to maintain his identity, his self. 46 Verhalen vertellen over het eigen leven is dus een bestaansvoorwaarde. Tijdens de momenten van spreken kan de spreker niet los gezien worden van wat hij vertelt, stelt Eakin. Tussen wat iemand is en wat hij zegt te zijn, bestaat een wederzijds versterkend verband. Enerzijds gaat het vertellen deel uitmaken van de identiteit en anderzijds gaat de spreker leven naar de verhalen die hij vertelt. Hieraan verbindt Eakin de conclusie in navolging van Sacks dat het verhaal dat verteld wordt, deel uitmaakt van de identiteit: ‘this narrative is us, our identities’ (3). In de verhalen kunnen bij uitstek de effecten van tijd en verandering worden uitgedrukt, en het aldus gevormde extended self neemt de vorm aan van een narratieve identiteit. Hiermee presenteren mensen zich aan anderen, aan de buitenwereld. Gedurende het leven blijven mensen sleutelen aan die identity narratives, stelt Eakin aan het einde van zijn boek (154). Het is in deze context dat Eakin de autobiografie plaatst, tezamen met de dagelijkse mondelinge verhalen over de eigen geschiedenis. Het zijn beide onderdelen van de narratieve identiteit, waarmee een mens zich handhaaft in zijn dagelijks bestaan. ‘Written autobiographies represent only a small if revealing part of a much larger phenomenon, the self-narration we practice every day.’47 Aan levensverhalen, of ze nu gesproken of gedrukt zijn, worden in het sociale en literaire verkeer eisen gesteld. Zomaar een reeks gebeurtenissen als het eigen levensverhaal presenteren, is niet acceptabel. De protocollen die er zijn in de eerder genoemde rechtszaal, gelden ook in het literaire en journalistieke veld waar autobiografieën, memoires en andere egodocumenten verschijnen. Eakin noemt drie aspecten waar een auteur rekening mee moet houden als hij zijn werk als autobiografisch wil presenteren. De

46. Sacks, Oliver. (1985) The Man Who Mistook His Wife For a Hat. London: Duckworth: 105–106. 47. Eakin (2008): 34. 24

Inleiding

biografische en historische waarheid dient gerespecteerd te worden, de auteur maakt geen inbreuk op de privacy van anderen en de getoonde persoon moet als mens geloofwaardig, open en sociaal acceptabel zijn. 48 Het is overigens opvallend dat Eakin hierbij uitgaat van een ongeproblematiseerde ‘waarheid’, terwijl hij zich bewust is van de gebreken van het geheugen. Dat heeft enerzijds te maken met de verouderde inzichten waarop hij zich baseert (Elizabeth Bruss 1976 en Philippe Lejeune 1975) en anderzijds met zijn opvatting van waarheid. Daarmee lijkt hij vooral te doelen op historische gebeurtenissen die algemeen bekend zijn. Elders erkent Eakin echter dat zijn interesse vooral uitgaat naar de ‘eigen waarheid’ en continuïteit in een levensgeschiedenis. …for the autobiographers who interest me most […] the allegiance to truth that is the central, defining characteristic of memoir is less an allegiance to a factual record that biographers and historians could check than an allegiance to remembered consciousness and its unending succession of identity states, an allegiance to the history of one’s self. 49 Wie de drie regels met voeten treedt, kan in het openbaar gefileerd worden, zo laat Eakin zien. De mensenrechtenactivist en latere Nobelprijswinnaar Rigoberta Menchú nam in haar autobiografie uit 1982 ervaringen op van andere leden van haar volk en presenteerde die als haar eigen ervaringen. Binjamin Wilkomirski verzon in zijn memoir Fragments (vertaald in 1999, oorspronkelijk 1995) een Lets-joodse identiteit en fantaseerde er gruwelijke ervaringen in de kampen Majdanek en Auschwitz bij. De media besteedden, ook buiten de literatuurrubrieken, veel aandacht aan deze affaires waarbij de auteurs werden veroordeeld. De publieke verontwaardiging rond deze en vergelijkbare zaken kon zo groot zijn, stelt Eakin, omdat hier geen literatuur in het geding was, maar iets veel belangrijkers, namelijk de geloofwaardigheid van de auteurs. ‘You don’t make the front page of the New York Times […] for violating a literary convention’.50 Eakins betoog laat zien dat verhalen vertellen een noodzaak is. Een verteller beheert daarmee zijn narratieve identiteit. Het vertellen op jonge leeftijd structureert herinneringen en legt de basis van het autobiografisch geheugen. In verschillende contexten gelden uiteenlopende protocollen en eisen. Een auteur die deze veronachtzaamt, verliest het vertrouwen van het publiek.

Kenmerken van de autobiografische roman Toch kan op basis van de eisen aan autobiografische teksten niet geconcludeerd worden dat deze alleen maar uit de waarheid moeten bestaan. ‘We tolerate a huge amount of fiction these days,’ zegt Eakin, ‘in works we accept nonetheless as somehow factual accounts of their authors’ lives […].’51 Waar Eakin het heeft over de autobiografie als onderdeel van de narratieve identiteit, plaats ik daar ook de autobiografische roman bij. Deze vraagt namelijk om dezelfde mate van geloofwaardigheid, ondanks de ruimte die er in een dergelijke tekst is voor fictionele elementen.

48. Eakin (2008): 32. 49. Eakin (2008): 64. 50. Eakin (2008): 35. 51. Eakin (2008): 63. 25

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

Lut Missinne onderscheidt in Oprecht Gelogen: Autobiografische romans en autofictie in de Nederlandse literatuur na 1985 (2013) zeven met elkaar samenhangende teksteigenschappen die kenmerkend zijn voor de autobiografische roman.52 Per eigenschap geeft zij een theoretisch-historisch kader waarbij ze onder meer Philippe Lejeune, Dorrit Cohn, Philippe Gasparini en Serge Doubrovsky behandelt. De kenmerken betreffen: door elkaar gebruiken van feit en fictie; een onderscheidende stijl; wijze van focalisatie; fictionaliteit en referentialiteit; spel met identiteit; een creatieve omgang met tijd en herinnering en tenslotte intertekstualiteit. Ik ga dieper in op stijl en focalisatie, omdat deze kenmerkend zijn voor het werk van Mendels.53 Met stijl kan een auteur zich onderscheiden en de afstand tot het beschreven verleden overbruggen, waarmee ook de performatieve functie van de tekst vorm krijgt. In Het lied en de waarheid (1997) van Helga Ruebsamen is uit de stijl op te maken dat de lezer met een kind meekijkt. De zinnen zijn kort en eenvoudig, de moeder wordt aangeduid met ‘mammie’ en de kinderlijke fantasie komt tot uiting in een metafoor als ’de zon lag te slapen’. Via de tekst stapt de lezer een verleden tijd op Java in, die staat voor de jeugd van de auteur. Met stijl construeert een auteur het verleden in het heden. Heel anders komt de stijl van Wessel te Gussinklo over, die een depressieve periode beschrijft. Zijn stijl sluit aan bij zijn verwarde staat. ‘De keer dat een vriend, een jongen die alles van me verwachtte (ook spreekuren hield ik nog steeds) mij meetroonde naar het café (zo depressief was ik dus niet meer; ik lag niet meer in bed; ik had met hem willen praten. En vooruit… naar een café nu het bijna over was; dat zou misschien goed zijn. Dat zou kunnen helpen).’ (102) Te Gussinklo hanteert een soort écriture intime waarin hij commentaar op commentaar stapelt. Stijl geeft aan een tekst een effect van authenticiteit, die de lezer, meer dan waarheidsgetrouwheid, zal overhalen een tekst als autobiografisch te lezen. Focalisatie speelt in autobiografische romans een belangrijke rol, aldus Missinne, omdat die de relatie tussen de auteur en zijn vroegere ik blootlegt. Het klassieke idee van Philippe Lejeune dat auteur, verteller en personage samenvallen (le pacte autobiographique) is verlaten. Er zit namelijk meer variatie in die drie niveaus dan Lejeune in 1975 veronderstelde. Een auteur kan met of zonder commentaar over zijn vroegere ik schrijven en dat commentaar kan daarenboven instemmend of afkeurend zijn. Eric de Kuyper voegt in Aan Zee (1988) ironie toe aan het beeld van zijn tante Jeannot, die hij als kleine jongen niet gevoeld kan hebben. Tijdens lange zomers verbleef de familie in Oostende waar de tante vaak op ijs trakteerde, waar ze zelf erg van hield. ‘Tante Jeannot was de generositeit en gulzigheid in een persoon verenigd. Het kwam haar steeds goed uit haar deugden (generositeit in dit geval) gelijke tred te laten houden met haar ondeugden (gulzigheid).’ (112). De afstand tussen het vroegere en huidige ik kan variëren. Het gebruik van ‘ik’ in plaats van ‘hij / zij’ duidt op een beperkte afstand, evenals de uiting van gedachten in de vrije indirecte reden. Het wisselen van de afstand tussen schrijver en het vroegere ik kan een authenticiteitseffect bij de lezer teweeg brengen, terwijl de middelen waarmee de schrijver dit effect bereikt, fictionaliserend zijn. Dat

52. Zie ook: Heimans, Sylvia. (2014) [Bespreking van: Lut Missinne, Oprecht gelogen: Autobiografische romans en autofictie in de Nederlandse 26

literatuur na 1985. Nijmegen: Vantilt], in: Nederlandse Letterkunde, vol.19, no. 2. 53. Missinne (2013): 82–129.

Inleiding

gebeurt wanneer De Kuyper probeerde te voorkomen dat hij te vroeg naar bed werd gestuurd door ‘zijn ogen heel groot open te houden en zo te bewijzen dat de andere kinders misschien wel, maar hij zeker niet moe was. Hij was tenslotte de oudste van de jongsten.’(155) In de laatste zin verkleint de auteur de afstand tussen zijn oudere schrijvende ik en zijn jongere ik door een ‘sympathiserende intimiteit met de jongen die zich toen al heel groot voelde.’ (166)

Persoonsverdubbeling in literaire teksten Een bijzondere vorm van focalisatie treedt op wanneer een auteur via twee stemmen spreekt. Dat kan het geval zijn wanneer onderdrukte, traumatische herinneringen die aan de oppervlakte zijn gekomen, tot een boek of autobiografie worden getransformeerd. De claim die een dergelijke tekst kan vergezellen, is dat de herinneringen in de ‘oorspronkelijke’ vorm genoteerd zijn. Nicola King toont zich hierover kritisch, omdat het schrijven achteraf plaatsvindt, waarbij inzichten en kennis voorhanden zijn die er niet waren toen de ervaringen beleefd werden. In ‘‘A life entire’: narrative reconstruction in Sylvia Fraser’s My Father’s House and Margaret Atwood’s Cat’s Eye’ bespreekt King twee teksten die gebaseerd zijn op opgedoken herinneringen waarin persoonsverdubbeling of dissociatie optreedt.54 Sylvia Fraser werd als kind door de vader misbruikt, onderdrukte de herinnering daaraan tientallen jaren en herbeleefde haar jeugdervaringen via hypnose. In de memoir die Fraser hierover schreef, vergelijkt de auteur het schrijfproces met een opgraving, suggererend dat de herinneringen de oorspronkelijke, pure vorm hebben behouden. Margaret Atwoods autobiografische roman vertelt het relaas van een meisje dat lijdt onder de psychische pesterijen van een leeftijdgenote. Op een dieptepunt verschijnt een vrouw die het meisje uit een netelige situatie helpt. Pas als volwassene realiseert het romanpersonage zich, dat deze verschijning een constructie of een afsplitsing van haarzelf was. Zowel Fraser als Atwood maken een – volgens King artificieel – onderscheid tussen het heden van waaruit zij schrijven en het verleden van de onderdrukte, maar nu opgedoken herinneringen. De auteurs wekken de suggestie als zouden de twee ikken volledig los van elkaar staan, echter, uitsluitend het eerste ik kan de bron zijn van het tweede ik. King schrijft over de functie van de persoonsverdubbeling: ‘[t]he creation of this other self could be interpreted as a response to trauma which the psyche cannot register.’55 Een tweede ik kan zorgen voor ‘siphoning senses of fear and panic off into other parts of the brain so as not to destroy the potential for action as required.’56 Gevoelens van paniek en angst worden dus weggeleid (al dan niet naar het onderbewuste), zodat het individu door kan gaan met functioneren. Vergelijkbare processen zijn gezien bij slachtoffers van de Holocaust. Bij het hervertellen of de reconstructie van onderdrukte herinneringen, betoogt King, is het onvermijdelijk dat er fictionele elementen opduiken, want in de verhaallijn lopen heden en verleden per definitie door elkaar. Het wordt

54. King (2000): 61–92. 55. King (2000): 71. 56. Roberta Culbertson geciteerd in King (2000): 71. 27

Inleiding

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

duidelijk in de vraag die Fraser zich stelt: ‘How would I feel to discover that the prize, after four decades of tracing clues and solving riddles, was knowledge that my father had sexually abused me?’ King’s commentaar: ‘Here the subject-narrator wonders how she is going to feel when she ‘finds out’ something she knows already […].’ (65) Ook in Atwoods tekst zitten dergelijke ‘inconsequenties’: de vergeten herinneringen aan de jeugd dringen zich op wanneer zij als volwassene een knikker terugvindt. Deze passage staat echter aan het einde van de roman terwijl die chronologisch aan het begin had moeten staan. Wanneer de eerste ontmoeting met haar latere plaaggeest wordt beschreven, voegt de auteur toe dat die situatie ‘empty of premonition’ was. Dit is een vooruitwijzing naar wat komen ging, maar kan geen emotie zijn geweest van het toenmalige ik. De auteurs hebben hun verleden al geïnterpreteerd voordat ze het opschreven, dus van een pure, oorspronkelijke vorm kan geen sprake zijn. Wanneer een traumatische ervaring plaatsvindt in de kindertijd, ontstaat het probleem dat bij herbeleving de taal van het toenmalige kind niet toereikend is om de ervaringen als volwassene te beschrijven. In die situatie heeft het de voorkeur de vorm van fictie te kiezen boven die van de objectieve feiten.57 Het fictionele ‘verzacht’ ervaringen die het individu niet kan of wil accepteren.

Rolien en Ralien als autobiografische tekst In het oeuvre van Josepha Mendels neemt het debuut een centrale plaats in. Uit de kritiek blijkt dat Rolien en Ralien beschouwd werd als de oertekst waarop latere werken voortborduren en dat alle latere personages op het personage Rolien zouden lijken.58 De roman is het vaakst herdrukt. Wanneer Rolien en Ralien op kenmerken van de autobiografische roman wordt beoordeeld, blijken vooral de stijlmiddelen en de wijze van focalisatie te zorgen voor een sterk authenticiteitseffect. Critici in 1947 waren onmiddellijk overtuigd van het autobiografisch gehalte van de roman: ‘Dat Josepha Mendels haar creatuur kent tot in de diepste schuilhoeken der ziel, zal niemand willen ontkennen.’59 En: ‘Het boek lijkt ons trouwens zo persoonlijk, dat wij er bijna toe komen ons af te vragen hoe de hoofdpersoon een eind aan haar leven kon maken, terwijl de schrijfster immers nog leeft.’60 De eigen stijl in Rolien en Ralien bestaat uit een samenspel van zelfverzonnen woorden, een voor autobiografische teksten ongewoon gebruik van focalisatie en werkwoords­ 57. Culbertson geciteerd in King (2000): 72. 58. ‘Deze nieuwe roman [Je wist het toch…] betekent in enkele opzichten een vooruitgang bij Rolien en Ralien vergeleken, in enkele andere een achteruitgang.’ Greshoff, J. (1949) ‘Een liefde tijdens de pauze der huwelijkscomedie’, in: Het Vaderland, 15 oktober. ‘Het leed bij voorbaat weinig twijfel welke weg Josepha Mendels had in te slaan om na haar opmerkelijke debuut Rolien en Ralien de innerlijke vernieuwing deelachtig te worden, die door de 28

hoofdpersoon van dit boek op zulk een onherstelbare wijze wordt ontweken.’ Vestdijk, S. (1949) ’Josepha Mendels’ oorlogsroman Je wist het toch…’, in: Het Parool, 7 mei. Hans Warren verwijst in de titel al naar het debuut. Warren, Hans. (1954) ‘Alles even gezond een nieuw boek van Josepha Mendels; geen meesterwerkje als Rolien en Ralien’, in: PZC, 10 juli. Toen Josepha Mendels haar manuscript van ‘Heimwee naar Haarlem’ voorlegde aan vriend en criticus Carel Dinaux, vergeleek hij de hoofdpersoon ook weer met Rolien, tot

grote irritatie van de auteur. Ze schreef hem: ‘Maar je moet niet steeds op die eersteling van me terugkomen, er liggen drie andere romans tussen, is er ontwikkeling, is er een lijn?’ JM aan Dinaux, 11 maart 1955. 59. Vestdijk, S. (1947) ‘Roman van de ontragische persoonsverdubbeling: „Rolien en Ralien”’, in: Het Parool, 5 juli. 60. [Veen, Adriaan van der]. (1947) ‘Het toeschouwende ik’, in: NRC, 12 juli.

tijden die in dergelijke teksten nauwelijks voorkomen. De zelfverzonnen woorden benadrukken dat het verhaal vanuit het gezichtspunt van een kind verteld wordt. De auteur spreekt van vestjeszak, stofmuurtjes, verstopper, spuitwatervoet, zwerfoom, spelletjesogen, olifanter, mingeit, trouwdagbeweging, organdiewolk en wijsvoetteen. De taal is lichtvoetig, springerig en doet tegelijkertijd ouderwets aan. ‘Grillig’ en ‘wispelturig’ zijn genoemd als karakterisering van de stijl.61 Balk-Smit Duyzentkunst wees echter op de ‘precisie en de uitzonderlijke kracht […] van iedere titel of jota’.62 Een ander kenmerkend stijlaspect is de compositie: de roman is relatief kort, opgebouwd uit 26 losse, korte hoofdstukken, verdeeld over een ‘eerste boek’ en een ‘tweede boek’ die een zwakke onderlinge samenhang kennen. Mendels werkt niet vanuit een schema, de verhaallijnen ontstaan intuïtief. Dat heeft geleid tot uiteenlopende beoordelingen in de kritiek. De focalisatie ligt in Rolien en Ralien bij drie instanties: bij Rolien het kind, bij Ralien die het kind toespreekt en bij een alwetende verteller, die sporadisch aan het woord is.63 Een uiting van de alwetende verteller is: ‘Het merendeel der ouders zaait zo kwistig het eerste zaad waaruit die sombere en geweldige plant, eenzaamheid, verrijst.’64 In verschillende gevallen is niet helder wanneer welke instantie focaliseert. In combinatie met de werkwoordstijden heeft de drievoudige focalisatie als resultaat dat de lezer nabijheid ervaart bij wat er in de tekst gebeurt. Mendels gebruikt vooral het presens, wat ongebruikelijk is in autobiografische romans, omdat in dit genre wordt teruggekeken. ‘Ze zijn nu in de dierentuin bij de apenkooi’ (73). De lezer staat als het ware naast Rolien en kent haar gedachten. Een tweede werkwoordsvorm introduceert de auteur wanneer bij Rolien persoonsverdubbeling optreedt, een tweede ik die de naam Ralien krijgt. Ralien draagt Rolien handelingen op om onheil af te wenden. Ook daagt de stem Rolien uit gedrag te vertonen dat ze eigenlijk niet durft. Ralien spreekt over Rolien in het preteritum dat veel voorkomt in pure fictie. ‘Er was eens een meisje, ze heette Rolien Kolar.’ De Ralien-gedeeltes zijn afstandelijker en formeler van toon. Een derde werkwoordsvorm, het perfectum, treedt op als er onheilspellende dingen gebeuren in het leven van Rolien. Deze werkwoordstijd duidt enerzijds op afstand, maar draagt anderzijds een betrokkenheid bij de gebeurtenis op de lezer over. ‘[…] de zwarte letters die ze nooit helemaal heeft kunnen begrijpen.’65 De werkwoordsvorm heeft een dramatische toon. Mendels wisselt zij- en ik-passages met elkaar af. In het ‘tweede boek’ komt de ik-vorm vaker voor dan in het ‘eerste boek’. Daarmee geeft de schrijfster de geringere afstand weer tot het vroegere ik. Centrale kenmerken van Rolien en Ralien betreffen concluderend de stijl en de variërende afstand tussen auteur en personage en tussen tekst en lezer.

61. Luis, Janet. (1997) ‘Josepha Mendels’, in: Kritisch Literatuur Lexicon. Noordhoff Uitgevers. 62. Balk-Smit Duyzentkunst, Frida. (1986a) ‘Omega en Alfa. De taal van Josepha Mendels’, in: Ons Erfdeel jrg.24, nr. 5, november-december: 665.

63. Onderstaande tekst over werkwoordstijden is gebaseerd op Clement, Marja. (1997) Josepha Mendels, taal en tijd. Proefschrift UvA. 64. Mendels, Josepha. (1947) Rolien en Ralien. Amsterdam: Querido: 23–24. 65. Mendels (1947): 120. 29

Inleiding

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

De narratieve identiteit van Josepha Mendels Als we ervan uitgaan, dat de verhalen over de jeugd een kern van waarheid bezitten, was Josepha Mendels als kind vertrouwd met verhalen schrijven en personages creëren. Het zijn activiteiten die kunnen worden beschouwd als een spelenderwijze kennismaking met narratieve structuren. Zoals eerder aan de orde kwam ziet Eakin dergelijke ontwikkelingen als vormend voor het latere autobiografische geheugen. Niet alleen de vaardigheid met narratieve structuren, maar ook het hebben van toehoorders zie ik als een voedingsbodem voor latere autobiografische literaire gerichtheid. Pas in 1940 komt Mendels tot het schrijven van een roman over de jeugd. Het uitbreken van de oorlog bood de omstandigheden om zich eraan te wijden. Ze was afgesneden van het vaderland en de moedertaal, en in tijd zo’n 30 jaar verwijderd van de kinderjaren. Dit zijn volgens Oliver Sacks voorwaarden om tot een autobiografie te komen.66 Ik beschouw deze tekst, het in 1947 verschenen debuut Rolien en Ralien, dan ook als een autobiografische roman die een bouwsteen vormt van de narratieve identiteit. Met het schrijven van Rolien en Ralien legde Josepha Mendels haar jeugdherinneringen vast in tekst. Het proces van het vertalen van, vaak beeldende en zintuiglijke, herinneringen naar de vaste vorm van de taal gaat gepaard met een verlies aan rijkdom, ‘once they have been textualized, memories lose their potential: there is no way back to an original memory when writing has done its work.’67 Dit stollen van herinneringen in tekst, een eigenschap van de ontwikkeling van de narratieve identiteit die Eakin niet benoemt, wordt expliciet wanneer Mendels in de jaren tachtig over haar jeugd spreekt. Tal van ‘herinneringen’ lijken direct uit de roman afkomstig te zijn. Dat is bij voorbeeld het geval wanneer Mendels vertelt over het verhaal dat zij als achtjarige schreef, De Kinderen van Mevrouw Staphorst.68 Het geldt ook voor de nauwkeurige omschrijving van de circusvoorstelling die Mendels met een logee van de buren gaf, de viering van Sint Maarten en een man die op zaterdag de was ophaalde. Wanneer de auteur over deze ervaringen vertelt in interviews, lijkt het afzetpunt de tekst te zijn en niet de herinneringen zelf. Een vergelijkbaar proces is opgemerkt door Johan P. Snapper, die het leven en werk van Marga Minco bestudeert. ‘Omdat veel van haar [Minco’s] ervaringen zowel in haar geschreven als in haar mondelinge uitlatingen tot in de kleinste details op elkaar lijken en regelmatig in identieke bewoordingen worden geuit’, schrijft Snapper, ‘lijkt het erop of ze, misschien onbewust, de neiging heeft haar leven als literatuur te beschouwen, en omgekeerd.’69 Minco valt bij het vertellen terug op de gestolde herinneringen aan haar jeugdjaren. Dat het stollingsfenomeen niet alleen optreedt bij oorlogsherinneringen, is zichtbaar in leven en werk van Jeanette Winterson. In meerdere opzichten vertoont deze Britse auteur overeenkomsten met Mendels. Beiden groeiden op in een religieus milieu, waar

66. ‘…die [hang tot herinneringen] komt er pas bij veranderingen en scheidingen in het leven […]. Het zijn dus breuken, de grote breuken in het leven, die we trachten te overbruggen, te verzoenen of te integreren door middel van de herinnering en, daar 30

bovenuit, door mythe en kunst.’ Sacks, Oliver. (z.j.) Een antropoloog op Mars: zeven paradoxale verhalen. Meulenhoff: Amsterdam: 193. 67. Michael Sheringham geciteerd in King (2000): 175. 68. Het meest uitgebreid vertelt Men-

dels deze jeugdherinneringen in Van Verre (1982). 69. Snapper, Johan P. (1999) De wegen van Marga Minco. Amsterdam: Bert Bakker: 14.

ze als jongvolwassene afstand van namen. In beider leven was taal een belangrijk instrument om de eenzaamheid en onbegrepenheid van de jeugd aan te kunnen. Zowel Mendels als Winterson maakt geen sterk onderscheid tussen ervaring en verbeelding, ze schrijven bij vlagen fragmentarisch en debuteerden met een Bildungsroman. Winterson brak door met haar semi-autobiografische Oranges Are Not the Only Fruit (1985), dat belangrijke literaire prijzen kreeg en succesvol verfilmd werd. Het gaat over de jeugd bij haar godsdienstige adoptiemoeder, die Jeanette grootbrengt om zendeling te worden. Alle wereldlijke invloeden worden zoveel mogelijk buiten de deur gehouden. In 2011 verscheen Wintersons memoir Why Be Happy When You Could Be Normal? waarin ze opnieuw terugkijkt op haar jeugd en de verschijning van haar debuutroman. Naar aanleiding van Why Be Happy maakte de BBC de documentaire Jeanette Winterson: My monster and me (2012). Wanneer de interviewer haar vraagt hoe haar moeder reageerde op de verschijning van Oranges debiteert ze letterlijk wat ze daarover schreef in haar memoir. Haar moeder, systematisch aangeduid als ‘Mrs Winterson’, schreef haar een briefje in haar ‘immaculate copperplate handwriting’ om te zeggen dat haar dochter haar moest bellen. Omdat beiden geen telefoon hadden, vond het gesprek plaats in een telefooncel. Ondanks het feit dat de auteur mevrouw Winterson dan al enkele jaren niet heeft gezien, ziet ze haar tijdens het telefoongesprek duidelijk voor zich. ‘Surgical stockings, flat sandals, a Crimplene dress and a nylon headscarf. She would have done her face powder (keep yourself nice), but not lipstick (fast and loose).’70 Deze hele scene, die ongetwijfeld een essentiële herinnering is voor de auteur omdat ze tegen haar moeder is opgestaan, vertelt ze woordelijk in de BBC-documentaire, inclusief het retorische ‘who needs Skype?’. De woordenstroom lijkt eruit te móeten komen, in dezelfde volgorde, zonder verlies van het kleinste detail. Winterson gebruikt dezelfde bewoordingen eveneens in publieke optredens naar aanleiding van haar memoir waarvan online opnames beschikbaar zijn. Het is haar gestolde herinnering. Een laatste stadium in de ontwikkeling van de narratieve identiteit van Mendels vond plaats in de jaren tachtig, toen zij, zoals eerder gemeld, veelvuldig geïnterviewd werd.71 Naast de jeugd werd gesproken over de afkeer van de joodse gebruiken, het weinig gelukkige huwelijk van de ouders, de Zwaluwnest-periode, de Tweede Wereldoorlog, het schrijverschap, Parijs, de zoon en de ouderdom. Ik werk enkele kenmerken in de narratieve identiteit nader uit: het motief van de persoonsverdubbeling, de manier waarop de oorlogsherinneringen aan de orde komen en de sterke accentuering van de schrijversidentiteit. Het motief van de persoonsverdubbeling komt voor het eerst voor in Rolien en Ralien. ‘…[E]en andere, nauwverwante Rolien, die zich telkens tussen haar denken en doen

70. Winterson, Jeanette. (2011) Why Be Happy When You Could Be Normal? London: Jonathan Cape: 3. 71. Ik onderscheid vier lange interviews die een betekenisvolle rol spelen in de opbouw van de narratieve iden-

titeit. Van Verre (1982); Schaafsma, Eddy. (2008) ‘“Schrijvers leven van draden die niet mogen breken”: een teruggevonden interview met Josepha Mendels’, in: De Parelduiker, 2008/1; Ongepubliceerd interview met Anja

Meulenbelt [1984]; Nord, Max. (1981) Josepha Mendels: portret van een kunstenaar. Amsterdam: Meulenhoff.

31

De taal, het kind, de liefde Josepha Mendels (1902–1995)

dringt.’72 Persoonsverdubbeling is in twee andere romans van Mendels eveneens een aspect. Het verschijnsel is niet alleen een literair procedé, maar tevens een karaktereigenschap van de auteur waarover ze in interviews sprak en in de ‘memoires’ schreef. In ‘Vriendschap’ uit Welkom in dit leven vertelt de auteur dat de stem plotseling opnieuw opduikt. Het verhaal beschrijft de hectische periode van de overhaaste vlucht uit het bezette Parijs in 1942 en de gelijktijdige kennisname van de deportatie van de zus met het gezin. ‘[Wel is] mijn tweede ik […] voor mijn vertrek plotseling teruggekomen om mij uit de realiteit te halen en in een onbekende toekomst te schuiven.’73 Oorlog betekent voor Mendels een serieus spel met identiteiten, omdat zij met valse papieren reist en de joodse identiteit eerst wel aanneemt en vervolgens moet ontkennen. Ze reist en correspondeert onder verschillende namen, in brieven verwijst de vluchtelinge naar zichzelf in de derde persoon. Ik beschouw dit ook als een facet van de persoonsverdubbeling, die afstandelijkheid ten opzichte van het ik tot gevolg heeft. Niet alleen voor en tijdens de oorlog waren er verschijnselen van persoonsverdubbeling. Mendels spreekt ook in de interviews van de jaren tachtig op enkele momenten over zichzelf in de derde persoon. Wanneer het gesprekonderwerp de jaren vijftig betreft, toen Mendels optrok met Anna Blaman, wier populariteit en bekendheid die van Mendels verre overtrof, blijkt Mendels destijds haar toevlucht te hebben genomen tot haar tweede ik. ‘Het was Anna Blaman, ik bestond niet. Het raakte me allemaal zo weinig. […] Ik loop naast mezelf en dat is m’n geluk. Ik stap uit mijn vel.’74 Eenmaal op gevorderde leeftijd is de stem nog altijd aanwezig. ‘Binnen in mij is het nog steeds zo dat iemand meeluistert en meekijkt. […] Daarom ben ik waarschijnlijk altijd een actrice geweest’, vertrouwde zij een journalist in 1979 toe.75 In de ontwikkelingspsychologie wordt het creëren van een ander individu gezien bij jonge kinderen die nog niet in staat zijn de verantwoordelijkheid te nemen voor alle, soms tegenstrijdige, kanten van hun gedrag. Gedragingen die door de ouders worden afgekeurd, maar waarmee het kind niet kan ophouden, schuift het kind af op dit andere individu.76 Bij een achtjarige, de leeftijd waarop Mendels met het fenomeen te maken kreeg, kan persoonsverdubbeling uiting zijn van een rijk innerlijk leven, maar duidt het ontstaan van een hulp-ik wel op een gemis.77 De stem die Mendels op volwassen leeftijd in haar hoofd had, lijkt een andere functie te vervullen dan die in haar jonge jaren. Mogelijk is een acuut trauma de oorzaak, namelijk de vlucht uit het bezette Parijs in 1942. Deze variant doet denken aan het tweede zelf zoals beschreven door King, dat functioneert om angstige situaties het hoofd te bieden, waarbij deze ervaringen al dan niet naar een onderbewuste geleid worden en het individu door kan gaan met handelen. De wijze waarop Mendels’ narratieve identiteit zich verhoudt tot de oorlog verdient aandacht. In haar literaire oeuvre neemt de oorlog als gebeurtenis een geringe plaats in. Alleen Je wist het toch… speelt zich af tegen het decor van de oorlog. Dat de oorlogs-

72. Mendels (1947): 21. 73. Mendels (1981): 50. 74. Van Verre (1982). 75. Van Slooten (1979). 76. Fraiberg, Selma H. (1966, 1979) 32

De magische wereld van het kind. Bussum: Paul Brand: 146 e.v. 77. Mededeling van psychiater Hans van der Ploeg, 2006.

Inleiding

jaren en de gevolgen ervan echter vlak onder het dominante discours aanwezig zijn, blijkt uit de vele bijzinnen die opkomen wanneer de auteur over iets volstrekt anders aan het woord is, schrijvend dan wel sprekend. De oorlogsassociaties zijn intens ver­ weven met haar geschiedenis. Juist de oorlogsjaren leveren situaties op die voor de auteur aanleiding waren om de werkelijkheid te fictionaliseren. Drie voorbeelden, die in latere hoofdstukken worden uitgewerkt, tonen dat aan. Mendels was voor de oorlog bevriend met de journalist Theo Oegema van der Wal, die in de oorlog collaborateur werd. Hoewel uit brieven blijkt dat zij in de loop van de oorlog nog met hem omging, verkondigde de auteur later dat ze in de eerste week van de oorlog het contact met deze man verbrak door hem van de trap te schoppen. Een tweede voorbeeld staat in de als memoires aangeduide bundel Welkom in dit leven, waarin Mendels een passage aan de deportatie van haar moeder wijdt. Opvallend genoeg worden in de tekst onjuiste data en een ander vernietigingskamp genoemd, Treblinka in plaats van Auschwitz, terwijl die aan de auteur op het moment van schrijven bekend waren. Een derde voorbeeld betreft het moment waarop Mendels in 1943 als vluchteling in Portugal een stoel in een vliegtuig naar Londen toegewezen zou hebben gekregen, waar ze ging werken voor de regering. Ze weigerde de plaats omdat een besteld mantelpak nog niet geleverd was. Het vliegtuig werd neergeschoten. Dat Mendels werkelijk in dit vliegtuig naar Londen zou vliegen, is onwaarschijnlijk. Eakin stelt dat de verhalen die iemand vertelt zijn of haar narratieve identiteit vormen, ‘this narrative is us, our identities’. Mendels is haar verhalen, inventief en intuïtief, opgesteld zonder schema en zonder sterke samenhang. Zij is de autobiografische roman Rolien en Ralien, waarin desalniettemin vele fictionele elementen zitten, zoals ik aan de hand van het instrumentarium van Missinne aantoonde. Hoe geconstrueerd een herinnering is tegen de tijd dat deze aan het papier wordt toevertrouwd, werd inzichtelijk met de voorbeelden van King, die eveneens wees op het procedé van het stollen van herinneringen in taal. Mendels is ook de auteur met de persoonsverdubbeling, die zowel in het literaire werk als bij de schrijfster zelf een belangrijke rol speelt. Waarom was Mendels wie ze was, hoe ziet haar narratieve identiteit eruit en wat zegt dat over de auteur?

Opbouw In hoofdstuk 1 tot en met 11 van dit boek lopen de drie beschreven rode draden door het levensverhaal van Josepha Mendels: de joodse identiteit tegen de achtergrond van de Nederlandse joodse geschiedenis, de auteur als onconventionele vrouw en tenslotte de narratieve identiteit van de auteur. Daarnaast schets ik de levens van twee personen, die Mendels heel na stonden: de schilderes Berthe Edersheim die ze in 1926 leerde kennen en Sadi de Gorter, minnaar, literair klankbord en vader van haar zoon. In hoofdstuk 1 geef ik Mendels’ ouders een context in termen van de assimilatie-geschiedenis, en de gevolgen die deze verschillende wijzen van assimilatie had voor Josepha Mendels en haar twee zussen. In dit hoofdstuk staat eveneens de jeugd van Mendels, die zij zo kleurrijk beschreef in haar debuutroman, centraal. Ik ga daarbij in op de aspecten van de narratieve identiteit. In de eerste twee decennia van Mendels’ leven zijn al tekenen zichtbaar van haar eigenzinnige natuur. Hoofdstuk 2 beschrijft de 33

De taal, het kind, de liefde. Josepha Mendels (1902–1995)

positie die Josepha Mendels, en in mindere mate de zussen Edith en Ada, op de arbeidsmarkt ging innemen. Zij behoorden tot de eerste generatie vrouwen van hun afkomst die zonder gezichtsverlies een betaalde baan konden accepteren. Aan de orde komt in welke mate de joodse afkomst daar (nog) een rol in speelde. Mendels werd eerst kindermeisje en kwam daarna terecht in de joodse meisjesjeugdzorg. Ik schets een beeld van de ambities van de jeugdzorg en de pogingen daarin om de joodse identiteit van de deelnemers te versterken. Hoofdstuk 3 beschrijft Mendels’ ervaringen als journalist, nadat ze in 1936 besloot naar Parijs te verhuizen. Zij leefde voor het eerst los van de joodse context. Hoofdstuk 4 en 5 hebben als onderwerp het uitbreken van de oorlog en de gevolgen voor Mendels en de haren. In de naoorlogse periode, die centraal staat vanaf hoofdstuk 6, is de joodse identiteit vooral een kwestie van afwezigheid. Wat en wie er niet meer is, ook wel de lege sociale ruimte genoemd, heeft effect op de keuzes die Mendels in haar persoonlijk leven maakt.78 Haar familie is omgekomen in de kampen. Het naoorlogs proces van rechtsherstel drukt haar met de neus op de feiten. Hoofdstuk 7 beschrijft Mendels’ inlossing van haar kinderwens als ongetrouwde moeder en haar eerste schreden op het auteurspad. Haar eigenzinnige en autonome optreden komt tot uiting in de onderhandelingen met de uitgever en haar polemieken met recensenten. Hoofdstuk 8 toont Mendels als lid van het literair establishment. Bij de verschijning van haar romans speelt de constructie van de narratieve identiteit een rol van betekenis. Hoe Mendels haar werk combineert met het opvoeden van haar zoon, bespreek ik in hoofdstuk 9. Het ‘jongetje dat alles goed moest maken’ staat haar zeer na, maar daarom ontstaan juist problemen, als gevolg waarvan ze besluit hem in Nederland onder te brengen. Hoofdstuk 10 gaat over Mendels’ journalistieke werk bij onder meer de Haagse Post en Het Parool en als modeverslaggeefster en eindigt met de afstand die zij van de literaire en journalistieke wereld neemt, zich voorbereidend op een relatief rustige oude dag met Berthe Edersheim, die sinds 1958 bij haar woont. Haar eigenzinnigheid komt tot uiting in de kortstondige carrière als actrice, waarmee ze rond haar zeventigste begint. Het laatste, elfde hoofdstuk heeft de glorieuze herontdekking in het kader van de tweede feministische golf tot onderwerp. Het is de periode waarin Mendels als feministisch auteur geportretteerd en bekroond wordt. De wijze waarop de auteur in deze jaren in haar werk en interviews terugkijkt op haar leven, vormt samen met haar romans haar narratieve identiteit die in dit boek bron van onderzoek is. De biografie is sinds zijn ontstaan ten prooi aan een discussie over zijn status die zich beweegt tussen de uiteinden van wetenschap en kunst. Het genre, zoveel is duidelijk, verhoudt zich moeilijk tot een strikt historisch-wetenschappelijke benadering. Hoewel de hiernavolgende tekst geannoteerd is volgens gedegen wetenschappelijk gebruik, komen sporadisch termen als ‘waarschijnlijk’, ‘wellicht’ en ‘kennelijk’ voor. Ze vormen het gereedschap van de biograaf, zeg ik Mineke Bosch na.79 Zinnen met dergelijke woorden zijn bedoeld als een verrijking van het beeld dat ik creëer. Zonder dat ik hard

78. Voor de term ‘de lege sociale ruimte’ zie: Benima, Tamarah. (1994) ‘De lege sociale ruimte van joden in Nederland’, in: Icodo-info II/1. 79. Bosch (2005): 14. 34

Inleiding

wetenschappelijk bewijs voor enkele van mijn observaties heb, meen ik deze beweringen toch te kunnen doen. Josepha Mendels liet talrijke, ongeordende geschriften na. In haar privéarchief bevinden zich honderden brieven van haar eigen hand, en eveneens van Berthe Edersheim en Sadi de Gorter. Bijzonder zijn de overgeleverde briefkaartjes, volgeschreven in piepklein handschrift die zij tijdens de oorlog vanuit Zuid-Frankrijk naar haar contactpersoon in Parijs stuurde. Ook de naoorlogse brievencollectie is bont en boeiend. Mendels, en ook haar geadresseerden, dateerde haar brieven niet altijd. Bovendien was ze nogal slordig in haar getypte brieven. Een verkeerd geplaatste spatie en de omkering van twee letters komt zo veelvuldig voor, dat die in citaten stilzwijgend zijn verbeterd. Ook in haar Franse brieven staan fouten en slordigheden. Ze vergat accenten, hoofdletters en leestekens. In citaten zijn dergelijke weglatingen stilzwijgend verbeterd. Grammaticale fouten of onjuiste vertalingen zijn blijven staan, ook in brieven van andere brievenschrijvers. LM in de noten verwijst naar een bron in het Letterkundig Museum. Citaten uit romans zijn afkomstig uit de eerste druk, behalve bij Welkom in dit leven, dit betreft de ongewijzigde tweede druk.

DEEL I 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

HOOFDSTUK 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

Toen op hoge leeftijd aan Josepha Mendels werd gevraagd wat haar visie op de dood was, antwoordde ze dat ze graag omgekeerd had willen leven. Geboren worden als een oude vrouw en sterven als een baby die terugkruipt in de baarmoeder. Dan was zij op het moment van spreken een mooie jonge vrouw geweest.1 Ze bracht de anekdote als uitweg voor het lichamelijk verval dat haar ten deel was gevallen. De auteur was altijd door haar uiterlijk in beslag genomen geweest en had veel aandacht aan kleding en uiterlijke verzorging besteed. Dat op haar tachtigste haar billen waren verdwenen en haar borsten op leeggelopen ballonnen leken, nam zij haar lichaam dan ook kwalijk.2 Mendels’ leven verliep echter niet in omgekeerde volgorde. In het voorjaar van 1902 bereidden haar ouders, Isidore en Emma Mendels-Levy, zich voor op de komst van hun derde kind. Hij was 41 en zij 26 jaar oud. Met hun twee dochters woonden ze in de Oosterstraat 62a, een bovenhuis in een winkelstraat in het centrum van Groningen. Op vrijdag 18 juli 1902 was het zover. Om 13.00 uur, volgens het aangifteformulier, kwam Josepha Judica Mendels ter wereld.3 Uit officiële bronnen is niet meer bekend dan deze kale feiten. Maar volgens de hoofdpersoon van dit verhaal lag er een grauwsluier over haar eigen geboorte. Vader Isidore had na twee dochters vast gerekend op een zoon. De naam van het beoogde kind lag al vast: Joseph. 79 jaar later gaf Josepha Mendels niet in haar beste proza een eigen versie van haar eerste uren: Mijn nulde verjaardag was heus geen pretje. Vanaf dat mijn vader mijn moeders (of mijn?) eitje had opgevist, waarden D(ood) en L(even) om mij heen. D’s laatste kans van mijn negen maanden buikwoning – de gordelstreng om mijn hals – mislukte, want L duwde mij met een reuzenvaart door het nauwe, warme steegje in het bed van mijn moeder, Oosterstraat 62a, Groningen, waar ik in de handen van Baker terecht kwam. ‘Wat was er dan,’ vroeg ze toen ik m’n eerste geluid gaf. ‘Wat is er dan,’ corrigeerde mijn vader, en tegen mijn moeder, ‘een zoon?’ Geen antwoord. ‘Nog een dochter?’ ‘Ja weer’, f luisterde zij. ‘Drie dochters, hoe is het mogelijk?’ ‘Ik weet het niet, dat moet je aan de dokter vragen.’ 1. Mendels vertelde dit aan Eddy Schaafsma (1986) ruwe versie van Schaafsma, Eddy. (2008) ‘”Schrijvers leven van draden die niet mogen breken”: een teruggevonden interview met Josepha Mendels’, in: De Parelduiker, jaargang 13, 1. Zie ook: Van Slooten (1979). Het gegeven van een

omgekeerd leven beschreef F. Scott Fitzgerald in het korte verhaal ‘The Curious Case of Benjamin Button’ (1921) dat in 2008 onder dezelfde titel in Hollywood verfilmd werd. 2. Laseur, Merel. (1983) ‘Josepha Mendels over schoonheid’, in: NRC Handelsblad, 15 oktober. Zie ook:

Holtrop, Aukje. (1981) ‘Rimpels kunnen mij niets schelen, maar dat alles zomaar weg is gevallen. Dat is vreemd’, in: Vrij Nederland, 14 november. 3. Aangifteformulier nummer 1100, 21juli 1902. Groninger Archieven.

37

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

‘Joseph, Joseph, wat doen we met Joseph?’ Hij f luisterde iets in het Hebreeuws. Zocht hij voor zijn enorme teleurstelling troost bij de Eeuwige onze God? Was de a die hij achter Joseph plakte, geplukt van Adenoj. 4 Vader Isidore zou zo teleurgesteld zijn, schrijft zijn dochter, dat hij de baker slechts een rijksdaalder gaf, terwijl zij er voor een jongen beslist twee zou hebben ontvangen. De reactie van vader leidde vervolgens tot oververhitting van de moeder. Na de geboorte kon zij niet stoppen met huilen, ook niet na drie dagen. Ze zou aan een zenuwinzinking leiden en werd gedurende enkele weken opgenomen. Ook vermeldt Mendels dat ze met de helm werd geboren, een teken van genialiteit of helderziendheid, zo wil het bijgeloof.5 Josepha Judica Mendels kwam in de eerste week van de zomervakantie ter wereld. Isidore, die leraar was, had zes weken vrij. Het huis was leeg en stil zonder zijn vrouw, die normaal gesproken zingend en lachend door het leven ging. Er zal een kindermeisje zijn geweest dat Edith en Ada bezighield en de baby verzorgde. Wellicht kwam Großmutti, Rosalie Levy-Aronheim, Emma’s moeder uit Altona, Hamburg, om met de nieuwe baby te helpen en om met haar andere kleindochters te wandelen. Emma’s band met haar moeder was goed gebleven sinds ze zeven jaar tevoren het ouderlijk huis in Altona had verlaten om met de Nederlandse Isidore te trouwen. Emma werd op 10 mei 1874 geboren in die voorstad van Hamburg. Een jaar later kwam haar broer Adolf Aron. Hun vader Joseph Levy was marskramer geweest en later koopman geworden. Tegen de tijd dat Emma geboren werd, was hij 65 jaar en gepensioneerd. Emma leek sprekend op haar moeder, die 45 jaar jonger was dan haar echtgenoot.6 Emma en haar moeder hadden lang, blond haar en blauwe ogen. Het waren uiterlijkheden die Josepha Mendels later met een zekere nadrukkelijkheid zou benoemen, deze zo niet-joodse kenmerken. Het gezin leefde als geassimileerde joden, dus zonder de religieuze gebruiken in acht te nemen. Duitse joden uit de middenklasse leefden al veel langer zonder religie dan vergelijkbare Nederlandse joden. In Hamburg woonden veel joden, omdat men er toleranter was dan elders. Midden- en bovenklasse joden leefden er hun geassimileerde levens, waarbij alleen hun hartstochtelijke liefde voor opera en klassieke muziek opviel, aldus Amos Elon in The Pity of It All: A Portrait of the German-Jewish Epoch 1743–1933.7 Wel had de familie een of twee generaties voor die van Joseph Levy de familienaam Insel veranderd in Levy, om meer aanzien te genieten in de joodse gemeenschap.8 Hiermee wordt duidelijk dat de joodse sociale context nog van belang was. Emma’s vader was volgens overlevering een hartelijke man die van het goede leven hield.9 Hij keek graag naar de vrouwen. Voor Emma was hij meer een opa vanwege zijn hoge leeftijd. Het zou een man zijn geweest die in de ogen van zijn dochter intensief

4. Mendels, Josepha. (1981) Welkom in dit leven. Amsterdam: Meulenhoff: 7. 5. ‘Met de helm geboren worden’, wordt gezegd van een baby die met het amnionvlies om het hoofd ter wereld komt. Het vlies wordt na de geboorte verwijderd en er zijn geen medische consequenties. 38

6. Genealogische gegevens ontleend aan de briefwisseling met Lilo AshLevy in 2006, aan Mendels, Eric. (1979) Een leven lang, een lang leven (film bevindt zich in privéarchief) en aan archiefonderzoek van Beyond History in het Staatsarchiv Hamburg, januari 2014.

7. Elon, Amos. (2002) The Pity of It All. A Portrait of the German-Jewish Epoch 1743–1933. New York: Picador: 260. 8. Brief Lilo Asch-Levy aan de auteur, 2006. 9. Mendels, Eric. (1979).

bezig was met de financiële kant van het bestaan. Hiermee zou ook de weerzin verklaard zijn die zij, maar ook haar toekomstige jongste dochter, voor altijd zou koesteren tegen mannen uit het zakenleven. Weerzin en minachting.10 Emma ging naar een kostschool en bezocht daarna het conservatorium waar ze piano studeerde. Mode, muziek, uitgaan en gezien worden waren haar passies. Ze behoorde tot wat wel de tweede of derde generatie joden wordt genoemd die voor het eerst niet genoodzaakt was hun bestaan rond de handel op te bouwen zoals hun ouders en grootouders. Andere beroepen waren inmiddels voor hen opengesteld, al was dat niet altijd van harte. De slimste mannen kozen voor de wetenschap, de journalistiek en de kunst waar ze als joden moesten pionieren. De tegenwerking die ze ondervonden maakte hun vindingrijk. De Nobelprijswinnaars Albert Einstein en Paul Ehrlich waren de bekendste Duitse ‘koopmanskinderen’ die het tot de intellectuele wereldtop brachten.11 Echtgenotes van deze pioniers, vrouwen die niet zoals hun moeders meehielpen in ‘de zaak’, kregen de taak om met het gezin het smalle pad te bewandelen tussen Duitse cultuur en joodse traditie. Enerzijds moesten de bourgeois-joden aansluiten bij het Duitse Bildungs-ideaal van muziek en literatuur, anderzijds werden binnenshuis de joodse gebruiken in ere gehouden. Het gezin was de centrale plek waarvandaan de gezinsleden sociale relaties aangingen die zich aanvankelijk voornamelijk tot de joodse kring beperkten.12 Toen Emma twintig jaar was, ging haar beste vriendin Flora Möller, die ze kende van kostschool, trouwen.13 Haar toekomstige echtgenoot was een Nederlander, Tobias Lewenstein, op dat moment opperrabbijn van Friesland. Emma woonde de feestelijkheden in Altona bij. Isidore Mendels was een intellectueel.14 Hij hield veel van geschiedenis, vooral van Napoleon, wiens invloed het Nederland van de negentiende eeuw blijvend veranderde. Geschiedenis en Nederlands onderwijzen was zijn beroep, maar ook in zijn vrije tijd was hij er vaak mee bezig. Dat hij zijn hele leven wijdde aan de geschiedenis van de joden in Nederland, zoals Jaap Meijer in 1947 stelde, is echter overdreven.15 Hij kon mooi vertellen en uit zijn geschriften blijkt een subtiel gevoel voor humor. Als gezagsgetrouwe, orthodoxe jood vervulde hij dagelijks zijn religieuze verplichtingen. Net als een groot deel van de joodse gemeenschap was hij bovendien behoorlijk oranjegezind. Geen koninklijke gebeurtenis ging voorbij – huwelijk, geboorte, overlijden – zonder dat hij meevoelde in vreugde of smart. Hij werd als oudste op 20 december 1861 geboren in Den Haag, waar zijn vader een sigarenwinkel had in de Wagenstraat, midden in de 10. ‘Er was een man waar ik dol op was, maar waar ik toch niet mee had willen trouwen. Een zakenman. Dat lag me niet. Ik houd niet van die gesprekken over geld. Ik houd wel van geld als ik het nodig heb, ‘tuurlijk.’ Van Verre (1982). 11. Elon (2002): 274 e.v. 12. Kaplan (1991).  13. In de door haar zoon gemaakte film (Eric Mendels 1979) vertelt Josepha Mendels dat haar ouders elkaar ontmoet hebben op de bruiloft van de genoemde vriendin Flora

Möller en Tobias Lewenstein. In het interview met Schaafsma vertelt ze dat haar ouders elkaar ontmoetten op de bruiloft van de broer van Emma. Het eerstgenoemde scenario is iets aannemelijker, omdat Isidore en Tobias elkaar goed kenden. De broer van Emma trouwde met een bakkersmeisje. Er zijn geen sporen gevonden dat Isidore haar kende en daarom voor haar bruiloft werd uitgenodigd. Schaafsma (1986). I.B. van Creveld vermeldt als geboorteplaats van Flora Möller Altona, waar ook Emma Levy

werd geboren. Creveld, I.B. van. (1995) Haagse rabbijnen: drie eeuwen geestelijke leiding. Zutphen: Walburg Pers: 50. 14. Biografische gegevens ontleend aan de levensbeschrijving van Isidore Mendels op www.jhm.nl en de levensbeschrijving van zijn broer Maurits Mendels op www.iisg.nl. 15. Meijer, Jaap. (1947) ‘Mr. Maurits Mendels: joods senator der Nederlandse arbeiders’, in: NIW, 16januari 1947.

39

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

joodse buurt. Na Isidore kwamen Jacques, Mietje en Maurits. Vader Isaäc Mendels was sjammes (koster) in de Hoogduitse synagoge aan de Wagenstraat – wat iets anders is dan ‘hoofd van de joodse gemeente’, zoals Josepha Mendels later verkondigde.16 De mannelijke leden van het gezin begonnen hun dag met het gebed, hun armen omhuld met gebedsriemen. Op zaterdag was de winkel gesloten en zat men in de synagoge. Isidores moeder, Judica Goedkind, die een bandeau (een pruik voor joodse vrouwen die hun haar alleen aan hun echtgenoot mogen tonen) droeg, was van betere komaf dan haar man, ze had op de Franse school gezeten. Ze bracht haar vier kinderen de liefde bij voor de klassieke en de Franse cultuur. Zij stonden met een been in de joodse traditie en met het andere in de burgerlijke Nederlandse maatschappij. Isidore ging na twee jaar hbs, privélessen en Isidore Mendels zelfstudie Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden studeren.17 Krap vier jaar na afronding van die studie promoveerde hij op een lijvig proefschrift over de achttiende-eeuwse politicus en militair Daendels: Herman Willem Daendels, vóór zijne benoeming als Gouverneur-Generaal van Oost-Indië (1762– 1807) (1890). Voor zijn promotie deed hij uitgebreid bronnenonderzoek, wat hem op grote waardering kwam te staan.18 Hij reisde onder andere naar Brussel en naar Parijs, waar hij in de Bibliothèque Nationale werkte. Geschiedenis en de Nederlandse taal zouden zijn levenslange belangstelling houden. Zijn honger naar wetenschappelijke kennis, waarmee hij net als zijn jongere broer Maurits afstand nam van het milieu van zijn vader, botste soms met zijn sterke geloofsovertuiging. Als vrome jood tussen medestudenten wist hij soms niet hoe hij zich uit discussies over bijvoorbeeld het darwinisme moest redden. Hij zocht daarover contact met verschillende rabbijnen.19 Een dergelijk conflict illustreert de penibele overgangssituatie waarin de beter gesitueerde joden zich aan het einde van de negentiende eeuw bevonden. Ze wilden hun jodendom thuis beleven en in het openbaar gelijk aan anderen zijn. Op zijn 26ste werd Mendels secretaris van de Vereeniging voor Joodsche Letterkunde en Geschiedenis in Den Haag, waarvan in het oprichtingsjaar 1887 zo’n zestig mannen 16. Schaafsma (1986). 17. In tegenstelling tot wat in een aantal levensbeschrijvingen staat, bezocht Isidore niet het gymnasium. Maurits Mendels wees Seeligmann op deze fout, toen hij een in memoriam schreef van Isidore Mendels. Seeligmann, S. (1928b), ‘Naschrift’, in: De Vrijdagavond, 19 oktober: 36. 40

18. Seeligman, S. (1928a) ‘I. Mendels herdacht’, in De Vrijdagavond, 7 september, jrg. 5, no.23, deel IX. 19. Isidore Mendels zocht contact met opperrabbijn Tobias Tal (1847–1898) om zijn standpunt te bepalen. Die adviseerde hem de evolutietheorie af te wijzen. Ook correspondeerde hij met opperrabbijn Boas van Arnhem

over zijn twijfels tussen de wetenschap en het geloof. In: Levensbeschrijving Isidore Mendels op www.jhm.nl, bezocht in 2006.

lid waren.20 Hier leerde hij Tobias Lewenstein kennen, een beruchte figuur die door zijn rigide karakter en streng orthodoxe opstelling voor menig conflict zorgde.21 Isidore en Tobias zouden de rest van hun leven bevriend blijven. De vereniging stelde zich ten doel ‘onder hare leden de kennis te vermeerderen van de talmoedische en rabbijnsche geschriften, van het leven en de lotgevallen van mannen, beroemd op Joodsch-literarisch gebied en van de Joodsche Geschiedenis’.22 Als jonge secretaris veroorzaakte hij een kleine rel. De vereniging publiceerde bundels met lezingen. Door zijn verblijf in het buitenland (voor zijn proefschrift) had Isidore niet de gelegenheid gehad alle drukproeven van te voren te corrigeren. Toen hij terugkwam bleek dat iemand anders zich met die taak had belast en dat in zijn optiek onvoldoende secuur had gedaan. In de laatste fase van het drukproces onderwierp Isidore de resterende drukproeven alsnog aan een strenge revisie en voegde zes pagina’s errata toe zonder daarin de auteurs te kennen. Het werd hem zeer kwalijk genomen.23 Nog voordat hij zijn promotie afgerond had, zocht hij een baan. Het werd een betrekking bij het stedelijk archief in Delft. Twee jaar later werd hij leraar geschiedenis en aardrijkskunde aan een hbs in Winterswijk. Met het salaris zou hij de rechtenstudie van zijn jongste broer Maurits bekostigen. Isidore was niet voor het beroep van leraar in de wieg gelegd. Het was een grote overstap van onderzoeker naar leraar, waar hij te maken had met een klas van twintig tot dertig baldadige jongens.24 Hij moest naar eigen inzicht de lessen inrichten. ’s Avonds werkte hij aan de afronding van zijn studie over Daendels. In Winterswijk kende hij niemand, maar hij sloot zich aan bij de kleine, maar groeiende joodse gemeenschap, die juist in het jaar van zijn komst een nieuwe synagoge in gebruik nam. De meeste Winterswijkse joden leefden van de vee- of textielhandel en de vleeshouwerij. Als Haagse jood zal hij zich daar niet thuis gevoeld hebben en na een jaar zocht hij iets anders. Hij vond een baan in Delft, dit keer als leraar Nederlands aan een hbs.25 Zijn dagen waren gevuld met het voorbereiden van zijn lessen, lesgeven, corresponderen en zijn

20. Dertien jaar later, in 1900, zou de Damesvereeniging ter beoefening van joodsche letterkunde en geschiedenis worden opgericht. Michman, Jozeph. (1992) Pinkas: Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland. Ede / Antwerpen: Kluwer: 379. 21. Tobias Lewenstein (1863–1953) werd geboren in Suriname en vertrok met zijn moeder naar Leiden nadat zijn vader op 35-jarige leeftijd overleed. Net als zijn vader werd hij rabbijn. Hij had veel korte aanstellingen, ongetwijfeld te wijten aan zijn rigide optreden. Hij was, na een periode in Rusland en Duitsland, tot 1899 opperrabbijn van Friesland benoemd. Daarna werd hij opperrabbijn van de gemeente Den Haag. Hij bleef dat tot 1905. Hij had onenigheid met het kerkbestuur en vertrok, inmiddels met zijn vrouw Flora,

naar Kopenhagen, waar hij grote conflicten zou veroorzaken. Hij weigerde kinderen van niet-joodse moeders en joodse vaders gemakkelijk over te laten gaan tot het jodendom, zoals zijn voorgangers decennialang gedaan hadden. De gemeente verzette zich hiertegen en wilde dat hij vertrok. Daar Lewenstein een levenslang contract had, ging hij hier tegenin. Er werd zelfs een andere rabbijn naast hem aangesteld, maar Lewenstein eiste zijn plaats in de synagoge op. Hij ontving na een gewonnen rechtzaak een flinke schadevergoeding, maar bleef in Denemarken om zijn aanhangers te bedienen, die zich in een aparte beweging hadden verenigd. Hij vertrok in 1912 naar Zürich om daar opperrabbijn van een orthodoxe gemeente te worden. S.A.L. (1933) ‘Dr. T. Lewenstein 70 jaar’, in: Ha’amoed nr.

14, 1 december 1933. Michman (1992): 377. Buckser, Andrew. (2003) After the rescue: Jewish identity and community in contemporary Denmark. Basingstoke UK: Pelgrave Macmillan: 40–41. 22. Levenbeschrijving Isidore Mendels op www.jhm.nl, gebruikt in 2006. 23. Seeligmann (1928a). 24. De hbs was formeel niet meer gesloten voor meisjes vanaf 1890. Tot 1906 moest (de vader van) een meisje toestemming vragen om toegang te krijgen. Pas daarna gingen meisjes er in groten getale naartoe. De hbs (wat men later hbs-b is gaan noemen) was vooral een voorbereiding op een natuurkundig of medisch beroep. 25. ‘Ontslag, overlijden, sollicitatiën, voordrachten en benoemingen’ in: .De Wekker, nieuwe bijdragen voor het onderwijs. 16 augustus 1890. 41

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

religieuze plichten. Vanuit Delft kon hij de bijeenkomsten van de Joodse Vereeniging voor Letterkundigen weer bezoeken. Toen zijn vriend Tobias Lewenstein in 1895 ging trouwen met Flora Möller, ontving Isidore een uitnodiging voor de choepa, het huwelijksfeest. Zoals alle meisjes van haar tijd en afkomst had Emma Levy een bestemming in het leven, trouwen.26 In het Duitse keizerrijk was het gewoonte om huwelijken in (joodse) bourgeoiskringen te arrangeren en joden, geassimileerd of niet, trouwden vooral met elkaar.27 Geld was hierbij een belangrijke factor om de politieke en sociale onzekerheid waarin de joodse minderheid had verkeerd het hoofd te bieden. Enige wederzijdse sympathie tussen de toekomstige echtgenoten was van ondergeschikt belang. De huwelijksmakelaardij was vergeven van conventies en richtlijnen. Hoe hoger de bruidsschat, hoe hoger de opleiding van de gewenste kandidaat kon zijn. Voor een arts of advocaat moest een bruidsschat van 100.000 mark ingebracht worden. Met 10.000 was een ambtenaar een realistisch doel. In grote steden zoals Berlijn en Hamburg was de bruidsschat hoger dan in dorpen, en wie als vrouw van een grote stad naar een kleinere plaats verhuisde voor een huwelijk, ging er in aanzien op achteruit. De broer van de bruid trad vaak op als tussenpersoon. Hij kon een advertentie plaatsen in een joodse krant of mensen benaderen. Ook waren er speciale bureaus actief die veel kennis hadden van de rijke joodse families. Door een tekort aan mannen in de Duits-joodse gemeenschap zochten vrouwen ook in het buitenland naar geschikte partners. Een meisje dat op haar 25ste nog niet getrouwd was, werd beschouwd als een oude vrijster. Orthodoxe meisjes werden vanaf hun vijftiende uitgehuwelijkt, geassimileerde joden hadden iets meer geduld. Traditioneel bracht de bruid niet alleen een bruidschat in, maar ook een flinke uitzet. Dat aanstaande huwelijkspartners elkaar voorafgaand aan een huwelijk niet zagen, was niet ongewoon, noch om enkele weken na de kennismaking te trouwen. Het contact met de wederzijdse families kon per brief verlopen, of bestaan uit enkele verkennende bezoeken. Dat Isidore Mendels en Emma Levy elkaar ontmoeten op de choepa van Tobias Lewenstein en Flora Möller was wellicht geen toeval. En hoewel Tobias en Flora wel de tijd namen voor een verloving van negen maanden, was dat bij Isidore en Emma niet het geval.28 Ze ontmoeten elkaar op 6 augustus 1895. Ruim anderhalve maand later, op 19 september 1895, traden ze zelf in het huwelijk, eveneens in Altona.29 Het feit dat Emma een buitenlandse man trouwde, wil zeggen dat ze niet veel keuze had en dat ze naar Sappemeer verhuisde was in maatschappelijke opzicht een neergang. Een leeftijdverschil van vijf tot zeven jaar was gangbaar, Isidore was elf jaar ouder. Voor Emma was dit echter een te verwaarlozen verschil, tussen haar ouders lag 45 jaar. Mogelijk speelt juist de geassimileerde achtergrond van Emma’s familie een rol in de keuze voor Isidore, die immers een man van de geest was en niet van de handel. Dat was wel-

26. Deze alinea is gebaseerd op het hoofdstuk ‘For Love or Money: Jewish Marriage Strategies’ uit Kaplan (1999): 85–116. 27. Kaplan (1991): 85. 28. Aankondiging van de verloving 42

van Tobias Lewenstein en Flora Möller op 7 september 1894 in: Algemeen Handelsblad, 8 september 1894. 29. http://www.maxvandam.info/ humo-gen/report_ancestor.php? database=humo9_&id=I17499,

bron: Boon E. P. & J.J.M. Lettinck. (2001) De Joodse gemeenschappen in Hoogezand-Sappemeer, Slochteren, Noord-en Zuidbroek en omliggende dorpen 1724 –1950. Stadskanaal: Mr. J. H. de Vey Mestdagh Stichting.

licht iets wat haar in hem aantrok. Zijn religieuze overtuigingen kunnen haar nauwelijks aangetrokken hebben. Om met hem te trouwen moest ze allerlei gebruiken leren die ze van huis uit niet had meegekregen, zoals het voeren van een koosjere huishouding. Het gebruik van twee sets bestek, twee sets keukenlinnen voor melk- en vleesspijzen, verschillende serviezen. Ze moest de (religieuze) feest- en treurdagen organiseren, althans de delen die binnenshuis plaatsvonden, en de sabbatmaaltijden voorbereiden. De Nederlandse taal moest ze zich eigen maken. En haar geboortegrond verlaten. De bruidsschat van haar vader bedroeg, gezien de maatschappelijk positie van Isidore, naar schatting 10.000 mark. Door met hem te trouwen kon ze dat geld zinvol besteden, namelijk aan de verdere ontwikkeling van zijn kennis. Volgens Josepha was dat een persoonlijk ideaal van haar moeder. ‘Mama was rijk’, aldus de schrijfster. ‘Ze wilde graag een man die de moeite waard was de kans geven verder te gaan.’30 Over het gearrangeerde aspect van dat huwelijk sprak ze nooit in het openbaar. Wel valt op dat Mendels haar levenlang een hartgrondige hekel had aan vrouwen die graag ‘onder de pannen’ wilden zijn. De Duitse huwelijksmakelarij was sterk gericht op een dergelijk sentiment. Voor de roman Als wind en rook (1950) nam Josepha Mendels het huwelijk van haar ouders als uitgangspunt, al is de tijd waarin de ontwikkelingen plaatsvinden veel moderner dan het eind negentiende-eeuwse Duitsland. De auteur kruipt in de huid van haar moeder en schetst de weg die ze aflegde voorafgaand aan het huwelijk. Na twee afwijzingen vanwege haar joodse achtergrond, raakt deze vrouw, Elisa van Dam, bezeten van de zoektocht naar een man bij wie ze haar bruidsschat onder kan brengen. Haar vader oefent grote druk op zijn dochter uit om te gaan trouwen. Dan ontmoet Elisa de leraar Simon Cohen op een bruiloft. Ze vindt hem onaantrekkelijk en oud. Ook Simon heeft zijn twijfels over Elisa, omdat haar moeder katholiek is en zij daarom ‘half joods’ is. Zij beschrijft hoe Simon Elisa na enkele alcoholische versnaperingen tijdens het huwelijksfeest voor zich probeert te winnen met zijn kennis van de literatuur. Na afloop gaan beiden echter huns weegs en Elisa zet Simon uit haar hoofd. Ze droomt van een avonturier, zelfs een moordenaar behoort tot de mogelijkheden, en Simon lijkt niet in het minst op haar gedroomde echtgenoot. Thuis houdt ze het echter niet meer uit. In een impuls pakt Elisa haar spullen en reist toch af naar Nederland. In zijn als burgerlijk omschreven omgeving gaat ze in op Simons aanzoek, om maar van haar vader af te zijn. En hoewel ze iets ‘van dat afschuwelijk erge gevoel’ heeft voor deze man, denkt ze tijdens het definitief vertrek uit de ouderlijke woning aan ‘steeds dezelfde krachtige jongen, met blauwe glinsterende ogen, die vrolijk was, die haar geen les in godsdienst en huishouden geven zou…’.31 Josepha Mendels giet een dikke, romantische saus over de huwelijksperikelen van haar ouders. Vooral de op haar moeder gebaseerde figuur Elisa van Dam is een gepassioneerde, ambitieuze vrouw die duidelijk met tegenzin in het huwelijk stapt, ‘met de kiem van overspel in haar hart’.32 Uiteindelijk zal Mendels het huwelijk laten uitlopen in een scheiding. Elisa van Dam valt vervolgens in de armen van een jeugdliefde, een soort ridder op het witte paard. 30. Mendels, Eric. (1979). 31. Mendels (1950): 51. 32. Mendels (1950): 51. 43

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

De eerste vier decennia van de twintigste eeuw worden wel gezien als het sluitstuk van de assimilatie en acculturatie van de joden in Nederland.33 Sinds zij in 1796 burgerrechten kregen zoals alle andere inwoners van Nederland die toen al hadden, startte er een proces waarin meer en meer eigen gebruiken werden opgeofferd om volledig deel uit te gaan maken van de Nederlandse samenleving. De drijfveer van dit proces was niet alleen gelijkstelling, maar ook de bestrijding van de grote armoede waarin een groot deel van de joodse bevolking leefde. Lodewijk Napoleon, die van 1808 tot 1810 Nederland bestuurde, trachtte de verdeeldheid in de joodse gemeenschap te verlichten en bestuurlijk orde op zaken te stellen.34 Ook van binnenuit de joodse gemeenschap kwamen van tijd tot tijd geluiden om de eigen gebruiken op te heffen en zich aan de sluiten bij de Nederlandse gewoontes.35 Halverwege de negentiende eeuw verdween het Jiddisch als voertaal, waarmee ook de kennis van de klassieke joodse wetenschappen deels teloor ging. In het officiële leven werd de taal verboden. Vanaf die periode dateert de wat eigenaardige situatie dat rabbijnen en godsdienstonderwijzers vasthielden aan de religieuze voorschriften, terwijl de bestuurders van de synagoge die gaandeweg loslieten. Joden die in het sociale en economische leven opgenomen wilden worden, hielden de sabbat en joodse feestdagen niet meer in ere. In Duitsland gingen in deze periode veel joden over tot het protestantisme, iets dat in Nederland nauwelijks voorkwam. De overheid moderniseerde het onderwijs, zodat joodse kinderen dezelfde kennis opdeden als andere kinderen. Ernaast kregen ze joodse les. Grote wijzigingen vonden eveneens plaats onder de Nederlandse koningen Willem I en II die zich intensief met de situatie van de joden bezighielden, reden waarom veel joden traditiegetrouw oranjegezind zijn. Armoedebestrijding was een van de belangrijkste issues. Een kleine bovenlaag van welgestelde joden had gemakkelijker toegang tot de Nederlandse samenleving en vervulde functies als bankier, arts of jurist. Vanaf de invoering van de parlementaire democratie in 1848 konden vertegenwoordigers van joodse komaf ook in de Tweede Kamer gekozen worden.36 De eerste was M. H. Godefroi, die eerst Tweede Kamerlid en later minister werd. Na 1870 gingen de veranderingen sneller, en vooral na 1900. Toen werd ook het joodse proletariaat in staat gesteld zich te ontworstelen aan de getto-achtige situatie, die vooral in Amsterdam heerste. De hogere klassen hadden de religieuze verplichtingen al losgelaten, het proletariaat kreeg nu ook die gelegenheid. Het is des te opvallender dat Isidore Mendels, behorend tot de middenklasse, tegen deze beweging van assimilatie in is blijven gaan. Zijn als politicus bekend geworden

33. Als standaardwerk wordt gezien: Blom, J.C.H. e.a. (1995) De geschiedenis van de joden in Nederland. Amsterdam: Balans. Madelon de Keizer meent dat er soms een te rooskleurig beeld wordt geschetst van de integratie van de joden in de Nederlandse samenleving, omdat het antisemitisme gebagatelliseerd wordt. Keizer, Madelon de (2006) De dochter van een gazan. Carry van Bruggen en de Nederlandse samenleving 1900–1930. Amsterdam: Bert 44

Bakker: 18–19. Zie voor een problematisering van assimilatie en acculturatie in Europese context: Sorkin (2007). 34. De verdeeldheid betrof niet alleen de vraag of alle joden wel burgerrechten moesten krijgen, maar had ook betrekking op de organisatie van de versnipperde joodse gemeenten, die door Lodewijk Napoleon, met uitzondering van de Portugese gemeenten, onder het gezag van het Opperconsistorie geplaatst wer-

den. Fuks-Mansfeld, R.G. (1995a) ‘Verlichting en emancipatie omstreeks 1750–1814’, in: Blom (1995): 194–195. 35. Fuks-Mansfeld (1995a): 198. 36. Hofmeester, Karin. (2011) ‘Jewish Parliamentary Representatives in the Netherlands, 1848–1914. Crossing Borders, Encountering Bounderies?’, in: Judith Frishman (et al). Borders and Bounderies in and around Dutch Jewish History. Amsterdam: Aksant Academic Publishers.

broer Maurits liet het geloof aan het einde van zijn studietijd los, ook al omdat hij daar door zijn maatschappelijke status toe werd gedwongen: een aangeboden niet-koosjer diner kon hij moeilijk afslaan.37 Isidore Mendels was naast zijn baan zijn hele leven actief in organisaties die de joodse gebruiken, de geschiedenis en de religie in ere hielden. Een functie in de synagoge bekleedde hij echter nooit, mogelijk omdat die meer een sociale dan een religieuze betekenis had. Hij was bevriend met rabbijnen en ex-leerlingen van het seminarium, de opleiding voor rabbijnen, zoals Sigmund Seeligmann en Tobias Lewenstein.

De heer en mevrouw Mendels Na het huwelijk nam het leven van Isidore Mendels en Emma Mendels-Levy z’n gewone loop. Isidore stond vroeg op, ging bidden, en daarna naar de hbs in Sappemeer, waar hij vanaf maart 1895 leraar Nederlands en geschiedenis was. Emma was veel alleen thuis. Sappemeer, destijds een plaats met enkele duizenden inwoners, bood haar nauwelijks afleiding. Ze correspondeerde ongetwijfeld met haar vriendin Flora, die in Friesland woonde, waar haar echtgenoot opperrabbijn was. Lang hoefde ze zich niet te vervelen of zich eenzaam te voelen. Ze was zwanger. De tijd gebruikte ze om alles in gereedheid te brengen voor de komst van de baby. En om te rusten. Zo’n 37 weken na hun trouwdag, op 28 mei 1896, werd Edith Rosa geboren. Met haar tweede naam was ze vernoemd naar haar Duitse grootmoeder van moederszijde, Rosalie. Emma moet zielsgelukkig geweest zijn met dit meisje. De afwezigheid van Isidore stelde haar in staat een heel hechte band met haar eerste dochter op te bouwen, waar hij maar moeilijk tussenkwam. Ruim twee-en-een-half jaar later, op 28 januari 1899, volgde Ada Mirjam. Na haar geboorte verhuisde het gezin in de zomer van 1900 naar Groningen, waar Isidore ging werken aan de vijfjarige Rijks-hbs. Na het dorpse leven was de stad een verademing voor het gezin, als haalde deze plaats het niet bij wat Isidore en Emma aan grootstedelijkheid kenden uit hun respectievelijke geboorteplaatsen, Den Haag en Hamburg. Groningen telde aan het begin van de twintigste eeuw zo’n 66 duizend inwoners.38 Het was in grootte de vijfde stad van Nederland. Inkomsten haalde de stad voornamelijk uit zijn functie als overslagcentrum voor agrarische producten. De waterwegen waarbinnen de stad (nog) ingesloten was, werden hiervoor gebruikt. De bebouwing buiten de vestigingwallen kwam langzaam op gang. Aan de zuidkant, bij de singels, werden grote woonhuizen voor de vermogenden gebouwd. Er woonden in vergelijking met andere grote steden veel welgestelden in Groningen, die aan dienstboden werkgelegenheid boden.39 De joodse gemeenschap was er verhoudingsgewijs groot, maar vrij arm. Het merendeel van de 3000 joden woonde in de omgeving van de Folkingestraat, waar in 1906 de nieuwe synagoge zijn deuren opende. Dit was de enige synagoge in de stad, waar

37. Meijer (1947). 38. Duijvendak, Maarten & Bart de Vries. (2003) Stad van het Noorden: Groningen in de twintigste eeuw. Groningen: Koninklijke Van Gorcum: 15–19. 39. Ibidem: 563. 45

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

Groningse joden samenkwamen. In de ene helft van de joodse buurt woonde de middenstand. Daar zaten koosjere slagers, bakkers en andere gespecialiseerde winkels. In de andere helft bewoonden de allerarmsten slechts een kamer met hele gezinnen. ‘Eén van die mensen heette Plakaandewand, zo smerig was het daar’. 40 Talrijk zijn de verhalen over dit deel van de stad, waarin de romantiek van de jodenbuurt de boventoon voert, maar waar de sociaal-economische omstandigheden beroerd waren. 41 Naoorlogse geschiedschrijving over de vooroorlogse decennia concentreerde zich lange tijd op het proletariaat, waardoor de joodse middenklasse uit beeld lijkt te zijn verdwenen. 42 De opperrabbijnen vestigden zich al heel lang (sinds 1848) niet meer in de arme joodse buurt. Joden die het zich konden veroorloven, vertrokken naar Helpman, Oranjewijk of (later) de Schildersbuurt. De status van iemand werd afgemeten aan de wijk waar hij woonde. 43 De familie Mendels woonde nooit tussen andere joden. De Oosterstraat, en zeker de Emmasingel, waar het gezin na de geboorte van Josepha naartoe verhuisde, lagen in een betere buurt. Aan het einde van de zomer van 1902 keerde Emma terug uit het ziekenhuis. Edith ging na de zomervakantie naar de Lagere Meisjesschool aan het Zuiderdiep. Ada was nog thuis. Emma kreeg steeds meer hulp in huis. Eerst was er alleen een dagmeisje. Na de verhuizing naar de Emmasingel 20 kwam er een kindermeisje bij. Het was een groot huis aan de inmiddels verdwenen Zuiderhaven, waar verschillende kanalen bij elkaar komen, vlakbij het treinstation in Groningen. De zware huishoudelijke taken werden in een gezin als dat van de Mendels gedaan. De stoep schrobben, de was verzamelen en afgeven aan de wasbaas, vloerkleden uitkloppen, ramen zemen, voor dit alles was personeel. 44 Hoe het leven er bij de Mendels aan toe ging in de beginjaren van de eeuw weten we alleen van Josepha Mendels zelf. Ze heeft erover geschreven in haar roman Rolien en Ralien en erover gesproken in interviews. 45 Deze informatie, die de narratieve identiteit van Mendels vormt, moet als selectief en onvolledig beschouwd worden. Toch geeft die inzicht in de familiale omgang die anders niet beschikbaar zou zijn. Aan de Emmasingel had Josje, zoals Josepha als kind genoemd werd, een kamer die ze deelde met Ada. Ze sliepen in één bed. Van het kindermeisje herinnerde Josepha Mendels zich dat ze met een Twents accent sprak. Josje, die al op twee- of driejarige leeftijd graag met een schooltas liep, noemde ze: ‘Den geleerden Josjen met den boekentas’. 46 Zo’n opmerking paste goed bij het latere zelfbeeld van de auteur en het is wellicht om die reden dat ze zich deze herinnerde. In Rolien en Ralien (1947) schetst de auteur het verloop van een willekeurige dag.

40. Mededeling Jacques Wallage aan de auteur, 2006. 41. Cf. J. van Gelder waarin oud-bewoners van de joodse buurt herinneringen ophalen aan de vooroorlogse tijd. Gelder, J. van. (1993) Terug van weggeweest, Getuigenissen over en uit joods Groningen in de jaren dertig en veertig plus razzia-lijsten met 3064 namen. Z.p.: Geldersboek. 42. Zie bijvoorbeeld de standaard46

werken Leydsdorff, Selma. (1987) Wij hebben als mens geleefd. Het joodse proletariaat van Amsterdam 1900–1940. Amsterdam: Meulenhoff. Gans, Evelien. (1999) De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland. Amsterdam: Vassallucci. 43. Poel, S. van der. (2004) Joodse Stadjers: De joodse gemeenschap in de

stad Groningen 1796–1945. Assen: Koninklijke Van Gorkum: 75. 44. ‘De leraar, de dominee en de ambtenaar hadden één dienstbode, en om mee te tellen in de betere kringen had je er twee.’ Montijn, Ileen. (1998) Leven op stand 1890–1940. Amsterdam: Thomas Rap: 220. 45. Van Verre (1982), Schaafsma (1986), Meulenbelt [1984], Nord (1981). 46. Mendels, Eric. (1979).

[Haar moeder] ontvangt Rolien en haar zusjes ’s ochtends voor zij naar school gaan in de slaapkamer. Meestal ligt zij dan nog in bed, de blonde krullen als vreemde bloemen op het kussen verspreid. Ze is vriendelijk en maant met zachte stem goed op te letten. Rolien treuzelt wat, zodat zij nog even alleen met haar kan blijven. ‘Mag ik een beetje parfum?’ vraagt ze, of soms: ‘Mag ik vandaag die gouden broche van je aandoen?’ en dikwijls: ‘Als ik naar de grote school ga, mag ik dan twee vlechten dragen?’ Om twaalf uur vindt zij haar moeder terug; ze ruikt de parfum en de gouden broche siert haar blouse. Het matinale verlangen, die geur en die glans zelf te bezitten, is verdwenen. Op haar bord ligt brood en koek en ernaast staat een zachtgekookt eitje. Ze speelt met het blank en warm ovaal tot ze het op moet eten. In de gang bij het fonteintje worden de zusjes herkamd en herwassen. Dan is het tijd voor Roliens middagslaapje. Dit meest vernederende ogenblik van de dag gaat teniet door die ene, grote compensatie: het licht dat door de rode gordijnen om de blonde moeder schijnt. 47 Emma kon zich dankzij de huishoudelijke hulp wijden aan de aangenamere kanten van het leven. Vriendinnen ontvangen op de thee bijvoorbeeld. Als die pech hadden, had Jos alle chocolaatjes al opgesnoept en voor iedere lekkernij een cent in het schaaltje teruggelegd, zo vertelde zij later aan Tony van Verre. 48 Eigenaardig gedrag voor een jong kind, dat ongetwijfeld niet onbestraft bleef. Mode was een van de hartstochten die Emma Mendels van haar moeder had overgenomen, ze las graag modebladen. Emma en haar drie dochters zagen er altijd keurig uit. Een buurmeisje zou Emma zich herinneren als ‘een statige mooie vrouw’. 49 Met Pasen kwam er een nieuwe garderobe. Wat Edith niet meer paste, ging naar Ada. En wanneer zij eruit gegroeid was, ging de kleding niet naar Josje, omdat die tegen die tijd versleten was. ‘Lange krullen. Met Pasen iets nieuws. Vreemde roze manteltjes uit de uitverkoop, zilveren en strooien hoeden, geelgoud, mutsjes met een lintje erachter.’50 Ze kochten kun kleding, als die niet door de naaister was gemaakt, wellicht bij de Grand Bazar Français, het eerste warenhuis in Groningen, dat in 1904 werd gesticht door twee Franse ondernemers. Aan het begin van de twintigste eeuw veranderde het winkelaanbod in Groningen. Zaten de voornamelijk kleine detaillisten voorheen vooral aan de aanvoerswegen naar de stad, nu begon zich een concentratie van winkels te vormen op de Vismarkt, de Grote Markt en de Herestraat. Hier werden winkelpuien verbouwd om met opvallende etalages het publiek te trekken. Kledingketens openden in Groningen een filiaal. Aan de Vismarkt zat bijvoorbeeld een Gerzon, evenals een winkel van Brenninkmeijer (C&A). In de Herestraat bevond zich een vestiging van Peek & Cloppenburg. Er opende in die tijd ook een HEMA (Hollandse Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam) in Groningen.51 De modewinkels voerden een krachtig promotiebeleid in dagbladen met paginagrote advertenties met de zomer- en wintercollec-

47. Mendels, Josepha. (1947) Rolien en Ralien. Amsterdam: Querido: 8–9. 48. ‘‘s-Middags kwam er visite voor m’n moeder, oude dames Shelly en Pelly, prachtig aangekleed. En dan was [er] de bonbonnière en dan maakten ze ‘m open en dan lag er nog één

chocolaatje en vijftien centen. Met een briefje erbij: “Ik heb ze opgegeten maar betaald”. Voor elk chocolaatje dat ik snoepte legde ik een cent neer. Had ik toch het gevoel dat ik niet gapte.’ Van Verre (1982).

49. A.C. Bleeker-Vonk aan JM, 10 november 1981. 50. Oosthoek, André. (1982) ‘Nu ik terug kom, ben ik uiterst modern’, in: Nieuwsblad van het Noorden, 16 april. 51. Duijvendak & De Vries (2003): 96.

47

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

ties en ter aankondiging van de uitverkoop. Ook de overwegend joodse Folkingestraat veranderde begin twintigste eeuw van een woon- naar een winkelstraat.52 Emma bracht regelmatig muziek ten gehore. Jos groeide op met de klanken van klassieke pianomuziek, schreef ze in Welkom in dit Leven. Chopin en Mendelssohn waren favoriet. Ze had zelf ook pianoles en ongetwijfeld moesten ook Edith en Ada eraan geloven. In het portret dat Josepha Mendels in 1981 van haar familie schetste, schreef ze over haar moeder: Mooi, jong en de sjiekste vrouw van Groningen. Steil blond haar en blauwe ogen. […] Piano en mode. Chopin en op zonnige dagen Mendelssohns Hochzeitmarsch. Uren denken over kleur en snit van een nieuwe japon en naar het andere eind van de stad gaan om Rosalie Levy-Aronheim daar Kwatta-repen te kopen die per stuk een halve cent goedkoper zijn dan ergens anders. Knuffelde alle aanvallige kleuters en was een Duitse verjaardagsfee, ‘mein liebstes Geburtstagskind’. Mijn moeder met fantasie, gouden sieraden, nukken en schaterbuien. Verrukkelijk lief als een van ons ziek is. 53 Moeder en dochter maakten gezamenlijke reisjes naar de moeder van Emma in Hamburg. Ze bleven meestal een paar dagen logeren. Jos liet zich daar verwennen door Großmutti Aronheim. Zij zong liedjes voor haar kleindochter.54 Ze bezochten ook Onkel Adolf (Emma’s broer) en zijn gezin: zijn vrouw Emmie Levy-Eybächer en de kinderen Heinz en Lieselott.55 Adolf voelde zich als volwassen man verantwoordelijk voor zijn moeder, die door het grote leeftijdsverschil met haar man al langere tijd weduwe was. Hij zorgde (ook financieel) voor haar. Lieselott (Lilo) Asch-Levy, een nicht van Josepha Mendels kon zich in 2006 de bezoekjes van bijna tachtig jaar daarvoor nog vagelijk herinneringen. Haar tante Emma en nichtje Jos waren nooit vergezeld van Isidore, die Lieselott alleen van foto’s kende. Ook Edith en Ada ontmoette zij nooit in levenden lijve.56

52. Ast-Boiten, Lies & Gerben Zaagsma. (1996) De Folkingestraat. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Groningen. Groningen: Forsten. 53. Mendels (1981): 15. 54. Een van de liedjes die Großmutti voor Josepha zong, is opgenomen in Mendels (1981): 46. Josepha Klein läuft allein 48

In die grosse Welt hinein Rock und Hut Steh’n ihr gut Mit dem frischen Mut. Doch die Mutter weint sosehr Hat nun gar kein’ Josepha mehr Läuft geschwind wie der Wind Bringt nach Haus das Kind. 55. Emma (Emmie) Eybächer was de

dochter van een bakker. Rosalie LevyAronheim vond het, volgens Josepha Mendels, verschrikkelijk dat haar enige zoon zo beneden zijn stand trouwde. Het zou haar jaren gekost hebben hier overeen te komen. Mendels, Eric (1979). 56. Gegevens afkomstig uit een briefwisseling met Lieselott Ash-Levy, 2006.

Edith en Ada werden vrij streng opgevoed en ze groeiden op tot gehoorzame, nette meisjes. Edith was sterk aan Emma gehecht, meende Josepha, terwijl Ada meer naar Isidore trok. Edith kopieerde graag haar moeder in deftigheid. Ada was een wat driftig kind, dat zich snel misdeeld voelde. ‘Ada was het verongelijkte kind.’57 Waarschijnlijk gebeurde in het gezin Mendels wat in veel gezinnen voorkomt. Bij de oudste kinderen worden de opvoedkundige regels het strengst toegepast. Bij de jongere worden de teugels wat losser gelaten. Jos bleef het langste klein en hield zich graag op in de nabijheid van haar moeder. Ze genoot ervan als ze haar moeder ‘voor zichzelf’ had. De intimiteit spreekt ook uit een herinnering van later: ‘zij speelt veel met mijn krullen, hierna lik ik haar vingers af, ze ruiken naar ons beiden.’58 Het is mogelijk dat Emma met haar extra liefde probeerde de teleurstelling van haar man ten opzichte van Jos te compenseren. Hij kon moeilijk accepteren dat hij geen zoon had. Isidore hield zich in de vroege jaren weinig met zijn dochters bezig. Later, toen bleek dat Josje gevoel voor taal had, en al jong over een grote woordenschat beschikte, werd hij trots op haar. Zijn met sigarenwalm bezwangerde werkkamer was een heiligdom voor de meisjes, waar ze af en toe naar toe slopen. Soms maakte Josje er haar huiswerk, of legde Edith er haar iets uit.59 Net als haar zusjes ging Josje aanvankelijk naar de Lagere Meisjesschool aan het Zuiderdiep. Een joodse school was er niet in Groningen. Wel werd er joodse les gegeven na schooltijd, maar die was van erbarmelijke kwaliteit.60 Josje kreeg daarom privé joodse les van meneer Van Gelderen. De gebeden die ze moest leren vond ze onbegrijpelijk, Josje bleef bovenal blij dat de leraar drop voor haar meenam.61 In 1910 werd er een particuliere basisschool opgericht in Groningen. Het betrof de Groningsche Schoolvereniging, waartoe Johan Huizinga het initiatief nam. Huizinga was in 1905 benoemd als hoogleraar Vaderlandse en algemene geschiedenis in Groningen. Hij had in 1910 drie kinderen in de schoolgaande leeftijd en er zouden er nog twee volgen. De schoolvereniging onderscheidde zich met meer vrije tijd voor de lagere klassen dan andere scholen (de eerste en tweede klas hadden vier middagen in de week vrij), gemengd onderwijs, kleine klassen (maximaal twintig leerlingen) en een ‘zorgvuldige keuze van onderwijsmethode’.62 Zang, spel en handenarbeid kregen daarnaast extra aandacht. Maar meer nog dan deze uitgangspunten bracht het initiatief de gegoede bovenlaag van Groningen bij elkaar. Het schoolgeld van tachtig gulden per jaar was simpelweg niet op te brengen voor de lagere klassen. Het bestuur stelde zich niettemin op het standpunt dat iedereen welkom was op de school.63 In september 1910 begon het eerste jaar aan de Zuidersingel 29. De Mendels verhuisden rond deze tijd naar de nieuwe schilderswijk en kwamen in de Jozef Israëlsstraat 37 te wonen, een voornaam huis met een souterrain en een bel-etage. Voor Edith en Ada

57. ‘Ada was het verongelijkte kind, maar wel de leukste vond ik.’ Van Verre (1982). 58. Mendels (1981): 15. 59. Schaafsma (1986). 60. ‘Het joodse onderwijs in Groningen bestond uit de joodse school na de gewone lesuren van de lagere school. Dat was abominabel slecht,’ aldus Meir Asscher, zoon

van de latere rabbijn van Groningen, Abram Asscher. In: J. van Gelder, (1993): 179. 61. Schaafsma (2008): 2–22. 62. Archief GSV, Groninger Archieven. 63. Uit de notulen van de Groningsche Schoolvereniging: ‘De Vereenging wenscht in geenen deele een haars inziens schadelijke afzondering van de

kinderen der meer gegoeden te scheppen, en hoopt dit gevaar te kunnen ontgaan door de regeling der schoolgeldheffing. Dit zal evenwel alleen door ruime deelname mogelijk zijn, daar de inkomsten zoo groot moeten zijn, dat de Vereeniging door goede bezoldiging eerste onderwijsleerkrachten aan de school kan verbinden.’ In: Archief GSV, Groninger Archieven. 49

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

kwam de school te laat, maar Josje zou er de derde tot de zesde klas volgen. Onderwijs is in de joodse context een groot goed en Isidore wilde zijn dochter een goede basis geven voor haar verdere ontwikkeling. Dat ze een meisje was maakte voor hem nu eens geen verschil. Ze zat zodoende vanaf haar achtste jaar in de klas met kinderen van notarissen, hoogleraren en artsen. Hoewel leraar aan een hbs geen onaanzienlijk beroep was, waren de milieus toch niet te vergelijken. Althans, zo sprak Josepha er achteraf over. Ze maakte min of meer een karikatuur van haar medeleerlingen, waarbij ze geen aansluiting zou hebben gevonden. Het was altijd hetzelfde verhaal: ‘Wat doet jouw vader?’ ‘Mijn vader is advocaat.’ ‘Mijn vader heeft een fabriek van porselein.’ ‘Mijn vader is notaris.’ … ‘En jouw vader dan?’ ‘Mijn vader gaat naar school.’ ‘He? Gaat naar school?’ ‘Ha ha, haar vader is nog niet van school af.’ Ja, dat was reuze vervelend. Maar ik begreep het niet. Ik kon toch niet zo goed uitleggen wat hij wel deed. 64 Josepha voelde zich niet thuis op de school die haar vader voor haar uitgekozen had. Misschien was het verzet, misschien was het inderdaad lastig vriendinnen te maken in de nieuwe omgeving. Feit is, en daarmee openbaart zich het eerste tegendraadse gedrag van Mendels, dat ze niet wilde leren om zich volgens de normen en waarden van de hogere klasse te gedragen, wat deze kinderen wel deden en waar haar vader haar kennelijk zo graag zag. Ze kwamen voor Josje uit een andere wereld. Buiten het standsverschil was er nog iets dat haar van haar klasgenootjes vervreemdde: ze was joods. De joodse gemeenschap in Groningen was niet heel klein, maar de hogere middenklasse joodse gezinnen waren op de vingers van één hand te tellen. Op de openbare Lagere Meisjesschool troffen Josjes zusjes wel joodse kinderen aan, maar op de Groningse Schoolverenging zaten ze praktisch niet.65 Dat maakte haar anders. Bij elkaar gaan spelen na schooltijd was complex door de 613 ge- en verboden waar religieuze joden naar leven. De spijswetten zijn daar een voorbeeld van: Ik werd op een verjaardag gevraagd. Ze vroegen of ik mocht blijven eten. Nee, dat mocht niet. ‘Maar ik weet het wel’, zei die mevrouw dan. ‘Ik koop een nieuwe pan en ik haal de kip bij een jodenslager en ik haal de boter bij een jodenkruidenier. ‘Ooohh’, zei m’n vader dan. ‘Kip met boter! Het levende en het dode dier bij elkaar. Dat mag volstrekt niet, mevrouw.’ Dus ik mocht niet gaan. 66 Door de godsdienst werden aan Josje beperkingen opgelegd. Zij mocht niet, wat andere kinderen wel mochten, en dat maakte haar opstandig. Vanwege haar relatief vrije opvoeding had ze nog niet vaak ‘nee’ te horen gekregen, maar nu ze wat ouder werd, moest ook zij aan de joodse wetten geloven. Met Pesach mocht Josepha als jongste van 64. Van Verre (1982). 65. Zo zat de moeder van Jacques Wallage, afkomstig uit een middenstandmilieu op de Lagere Meisjesschool. Mededeling van Jacques Wallage, 2006. 66. Van Verre (1982). 50

1908, Ada, Edith en Josepha het gezin de vraag stellen: waarin verschilt deze dag van andere? ‘s Avonds zette Isidore met dit herdenkingsfeest traditiegetrouw een glas rode wijn en een gekookt ei klaar, mocht de Messias komen. Josepha vertelde en beschreef dat zij als kind ‘s nachts naar beneden ging en het glas opdronk of leeggooide, een sterk verhaal dat waarschijnlijk aan haar verbeelding is ontsproten en dat haar verzet illustreert.67 Op alle belangrijke feestdagen zat Josepha in de synagoge in de Folkingestraat. Met haar zussen en moeder gezeten op het hoger gelegen vrouwenbalkon aanschouwden ze de dienst. Saai, vond ze het. Vrouwen speelden geen enkele rol in de synagoge. Beneden zaten de mannen. De voorste banken werden ingenomen door de meest welgestelde joden. Een hele bank werd bezet door het mannelijk deel van de familie De Swaan, een handelaar in jute met zijn zes zonen. Een van de jongens, Meik de Swaan, zou Josepha later in haar leven opnieuw tegenkomen. Achterin vonden de arme joden hun plek. Jongens die rond hun dertiende bar mitswo (meerderjarig voor de synagogale dienst) werden, mochten een rol vervullen in de synagoge. Het was een feestelijke ceremonie waarbij ze beloond werden met cadeaus. Voor meisjes was dit niet weggelegd. De schrijfster Carry van Bruggen, geboren in 1881 en opgegroeid in Zaandam, ‘ergerde zich groen en geel’ aan dit ritueel.68 Dat was ook omdat ze wel werd gevraagd om haar jongere broers te helpen hun parasja’s (stukje uit de Thora) uit hun hoofd te leren, die ze ter gelegenheid

67. Schaafsma (1986) en Mendels (1986): 47. 68. Fontijn, Jan & Diny Schouten

(samenstelling en inleiding). (1985) Carry van Bruggen. Een documentatie. Den Haag: Nijgh & Van Ditmar: 89. 51

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

van hun bar mitswo in de synagoge opzegden, een inzet die onzichtbaar bleef.69 De rol van joodse vrouwen lag voornamelijk in het huishouden, voor Josje nooit een erg aantrekkelijk perspectief. Ze had een hekel aan alles wat dagelijks moest gebeuren. De dubbele boodschap waarmee ze werd opgezadeld, begon haar te verwarren. Op school kreeg ze andere waarheden te horen dan thuis: Kreeg je les op school dat de Germanen je voorvaderen waren, kreeg je les van de joodse leraar dat het níet zo was. Wat moest ik geloven? Het was vervelend. Als ze me gewoon naar een bijzondere joodse school hadden gestuurd, had ik niet beter geweten.70 Van Josje werd verwacht dat ze zich per situatie aanpaste aan haar omgeving, maar als kind verwachtte zij dat de omgeving zich aan haar aanpaste. Door de keuzes van haar ouders was dat geen realiteit. Het kind moest begrip hebben voor het feit dat ze uit een minderheid afkomstig was en leefde in een christelijke omgeving, de praktijk van de acculturatie. Binnenshuis golden de joodse wetten, buitenshuis de christelijke. Voor Josepha werd het ingewikkeld, omdat de religie onwaarachtig op haar overkwam en haar vader daar zo sterk aan vasthield. Zo kreeg ze eens een gedichtenbundel van Justus van Alphen. Twee bladzijden waren dichtgeplakt. Daar bleek een gedicht over Jezus te staan. Josje mocht dat niet lezen en dat riep vragen bij haar op.71 Een andere herinnering gold de sabbat. Als zij per ongeluk een scheur in de krant maakte, viel haar vader tegen haar uit, omdat scheuren op die dag als een verboden activiteit is omschreven in de joodse wet.72 Op sabbat had haar vader zijn zakdoek niet in zijn broekzak, maar onder zijn riem vanwege het verbod iets te dragen. Voor kinderen waren deze rituelen niet te begrijpen, en eenvoudigweg accepteren kon Josje niet. Toch moet ze als kind gelovig zijn geweest, omdat ze niet anders wist. Een per ongeluk in haar mond gestopt snoepje spuugde ze van schrik uit, toen ze zich realiseerde dat ze moest vasten. Het liefst wilde ze zijn zoals de andere kinderen. Spelen wanneer andere kinderen speelden. Hetzelfde eten, hetzelfde geloven. ‘Oh, wat was ik blij als de joodse datum [van Pesach] op de Hollandse viel. Dat vond ik fijn, want dan merkten ze het niet.’73 Maar ze was anders en daar werd ze regelmatig aan herinnerd. Dit is hoe de assimilatie en het tegengestelde proces waarvan Isidore de verpersoonlijking was, er in de praktijk eruit zag: onbegrip en tegenstellingen binnen een gezin. In hoeveel andere families zullen in de vooroorlogse jaren dergelijke richtingenstrijden gevoerd zijn die in de geschiedschrijving gladgestreken zijn?

De wereld van het schrijven Josje was zowel op school als thuis een buitenstaander. In tegenstelling tot haar zusjes zat ze op een dure school met chique kinderen. Edith en Ada hadden vriendinnetjes die in andere buurten van Groningen woonden. Bovendien konden zij elkaar op school ontmoeten. Zodoende werden zij nog meer ‘zusjes van elkaar’. Misschien hadden ze

69. De Keijzer (2006): 36. Ook Fontijn & Schouten (1985): 89. 70. Van Verre (1982). 52

71. Ibidem. 72. Ibidem. 73. Ibidem.

dezelfde onderwijzers. Josje niet. Achteraf heeft ze haar jeugd als eenzaam en onbegrepen omschreven.74 Het is niet ondenkbaar dat die eenzaamheid aangedikt is om het latere schrijverschap een logische basis te geven. Een bewijs hiervoor ligt in de liefdevolle brief die Mendels aan haar familie schrijft, jaren later wanneer ze een tijd bij een ander gezin woont. Daaruit blijkt afstand noch verwijdering.75 In een interview erkent ze dat het beeld van haar zussen in Rolien en Ralien overdreven onaardig is. ‘De zusjes, dat viel later nog wel mee. […] Dat was niet zo erg als in Rolien en Ralien.’76 Dat haar vader niet vaak beschikbaar was, was destijds niet ongewoon. Naast zijn werk als leraar schreef hij artikelen en een boek.77 Ook vervulde hij een bestuursfunctie in een rederijkersvereniging en richtte hij in 1920 een Groningse afdeling van de mizrachi-beweging (orthodox zionisten) op.78 Of hij was bezig met de voor Josje onbegrijpelijke rites van zijn geloof. Of ze nu eenzaam was of niet, Josje keerde zich naar binnen. Ze zocht en vond afleiding in haar geest en begon speelkameraadjes te verzinnen. Haar fantasie kon ze helemaal uitleven toen ze eenmaal leerde lezen en schrijven. Er brak een nieuwe, belangrijke periode voor haar aan. Het schrijven trok haar, ze vond het leuk en was er goed in. Thuis deden moeder en de zusjes wel eens een spelletje: iedereen kreeg vijf minuten om iets te schrijven over een willekeurig onderwerp. Daarna lazen ze het aan elkaar voor. ‘Ik dacht, het mijne is heel anders dan de andere verhalen. “Wat mooi”, zeiden ze. Ik wist toen al: ik wil schrijfster worden of kinderjuffrouw.’79 Schrijven gaf haar plezier. Ze zonderde zich ervoor af op zolder. In een gelinieerd schrift van tachtig bladzijden schreef ze het verhaal ‘De kinderen van mevrouw Staphorst.’ Vijfendertig jaar later zou ze dit gegeven opnemen in Rolien en Ralien.80 Het schrijven van dit eerste verhaaltje, de titel en de inhoud, de lengte, het potlood waarmee het geschreven werd, het schrift waarin ze schreef, dit geheel is een sleutelgebeurtenis. Het staat voor het aanwijsbare begin van haar schrijverschap. Het jeugdverhaal is regelmatig onderwerp van gesprek in latere interviews, waarin Mendels telkens gelijksoortige bewoordingen gebruikt.81 Het schrift waarin ze het schreef telde tachtig bladzijden, ze schreef met een potlood en in het derde hoofdstuk komt de vader van het beschreven gezin om het leven door een ongeluk met een tram. Het vertellen van het verhaal over haar schrijverschap is niet vrijblijvend, het is een noodzaak om de eigen identiteit en daarmee het zelf te beheren. De nadruk die Mendels op haar schrijverschap legt, is een uiting van haar verlangen schrijver te zijn, haar schrijversidentiteit keer op keer te bevestigen. Het schrijven van autobiografieën en het spreken over zichzelf maken deel uit van die 74. ‘Je bent ook wel eenzaam want ze begrijpen niet veel van je. Maar ach.. aan de ander kant: het akelige was dat je in zekere zin in een uitzonderingspositie leefde.’ Van Verre (1982). 75. JM aan familie, 21 oktober 1916. 76. Van Verre (1982). 77. Van Isidore Mendels verscheen in 1907 ‘De joodse gemeente te Groningen’ als onderdeel van de Groningsche Volksalmanak. Het werk werd afzonderlijk gepubliceerd in boekvorm in 1906. In 1910 verscheen

een vermeerdere herdruk, die ‘niet het werk van een achternamiddag was’ aldus de auteur zelf in het voorwoord. Mendels, I. (1910) De Joodse Gemeente te Groningen. Groningen: erven B. van der Kamp: VII. Ook schreef hij bijdragen voor de Winkler Prins Encyclopedie en onder het pseudoniem Jacob Varkenvisser bijdragen in een ‘Gronings Dagblad’. Mendels, Josepha. [1964] ‘Mijn vader’, in: Gedenkboek Rijks Hogere Burgerschool te Groningen 1864–1964. Groningen: J.B. Wolters: 136–140.

78. Van der Poel (2004): 204 en 106. 79. Uit een ongepubliceerd en ongedateerd interview met Anja Meulenbelt [1984]. Atria: kennisinstituut voor vrouwengeschiedenis en emancipatie, Amsterdam. 80. Josepha Mendels schreef Rolien en Ralien in de jaren 1940–’42. De roman werd 1947 gepubliceerd bij Querido. 81. Schaafsma (2008), Van Verre (1982), Meulenbelt [1984], Van Slooten (1979).

53

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

zelfconstructie, waarmee kinderen op jonge leeftijd al vertrouwd raken. Het verhaal dat verteld wordt, staat gelijk aan de identiteit die de spreker wil uitdragen.82 Leren schrijven viel min of meer samen met een andere ontwikkeling bij Mendels die verbonden was met het schrijven. Ze ging een innerlijke stem horen. Deze gaf haar opdrachten om dingen te doen die ze eigenlijk niet durfde, of droeg haar dwangmatige taken op, zoals de trekker in de wc tien seconden vasthouden of een buiging maken voor een kast. De stem dicteerde haar ook de verhaaltjes die ze schreef. De uitwerking van de stem is vooral beschreven in Rolien en Ralien. Niet het speelgoed overheerst maar een andere nauwverwante Rolien, die zich telkens tussen haar denken en doen dringt. – En in het geheim noemt zij haar Ralien – dicteert haar tweede ik. – Ik denk in boekentaal. Met deze woorden tracht zij de stem aan haar moeder te verklaren. Als ik Dora’s haar kam, dan zegt iemand in me: – Nu nam zij de kam en kamde het lange, zwarte apenhaar van haar lievelingspop. Het was mooi weer en dus zette zij haar een lichtblauw mutsje op. – Ik word er zo moe van, klaagde ze een ander keer, – want ik ga ook al in zinnen droomen. Agnes en Mieke hadden nooit zo gek gedaan, en de Moeder zelf ook niet, en de Vader stellig niet; paedagogische papieren brachten ook geen oplossing, dus restte er plagen. Vooral aan tafel:…. – en nu nam Rolien weer een berg jam op haar boterham. Ze kreeg er opgeblazen wangen van. Onverwacht gooit Rolien dan die boterham met jam in Miekes gezicht. Er volgt straf van een week geen snoep. Maar het heeft geholpen, want niemand waagt het meer met Ralien te spotten. 83 Hoe de stem met het schrijven is verbonden, laat de auteur zien. De handen om het hoofd gevouwen, kijkt ze met verwonderde ogen, die niets zien. De Moeder (wat ontdaan) vraagt: – Wat doe je toch? – Luisteren, antwoordt Rolien. – Naar wie? – Naar iemand die mijn boek dicteert. 84 Ralien spreekt dus in boekentaal: een afstandelijke, formele taal. De stem blijft tot het einde van het boek, als Rolien volwassen is en naar Parijs gaat. Deze wijze van schrijven, door te luisteren, zou de auteur altijd blijven gebruiken om te omschrijven hoe ze schreef. Alsof haar de regels werden ingegeven door een hogere instantie, of alsof ze het automatisch schrijven van de surrealisten imiteerde. Ook dit is een deelaspect van haar narratieve identiteit waarmee ze vooral voor zichzelf haar zelf beheert, een schrijversidentiteit die anders is dan anderen omdat ze geen schema’s maakt en simpelweg luistert. Haar schrijverschap is voor haarzelf een ‘natuurlijke gave’. Enkele herinneringen die Mendels later in interviews zou beschrijven, zijn terug te vinden in de roman. De herinnering die Rolien in het hoofdstuk ‘Sint-Martinus en 82. Eakin (2008): 34 en Sacks (1985): 105–106. 54

83. Mendels (1947): 21–22. 84. Mendels (1947): 45.

Schaffhausen’ heeft aan het Sint Martinusfeest (Sint Maarten) vertoont dezelfde overeenkomst op woordniveau. In de roman staat hoe ze achter de deur de kinderen opwacht met een buisje met halve centen. Het liedje dat de kinderen zingen nadat ze hebben aangebeld bij een ‘rijk huis’ is opgenomen, evenals de blijdschap als dit beloond wordt met een halve cent in plaats van de gebruikelijke appel of peer. Wanneer ze hier in de jaren tachtig over spreekt, komt de tekst van het liedje weer boven, net als de positieve reactie op de halve centen: Die halve cent gaf ik op Sint Martinus Bisschop aan de kinderen die langs kwamen, in plaats van een peer. Mooi liedje: [zingt] Sint Martinus Bisschop, komt door alle landen / Nee, het is geen schande / Hier woont een rijke man / Die ons wel wat geven kan / geef een appel of een peer / kom het hele jaar niet weer. Dan gaf ik ze een halve cent. Vonden ze prachtig. Dat was vroeger al een heel bedrag. Daar kon je een stukje drop voor kopen. 85 In een interview gaan Mendels’ associaties met de tekst zo ver, dat ze zich ook de tekstpassage voorafgaand aan de Sint-Maartenscène herinnert, waarin Rolien moet overgeven. Die [halve cent] gaf ik op St. Martinusbisschop aan de arme kinderen. [interviewer] – Dat staat ook in Rolien en Ralien. – Ja, het is allemaal autobiografisch. Ik herinner me dat ik heb overgegeven van die hutspot toen. 86 Ook jeugdherinneringen aan de man die op zaterdag de was ophaalde en de keer dat Josje een literair clubje wilde oprichten, lijken sterk op herinneringen aan de tekst Rolien en Ralien, in plaats van herinneringen aan de feitelijke gebeurtenissen van destijds.87 Dit is een effect dat bij meer schrijvers gezien wordt. Wanneer een auteur zijn of haar herinneringen aan het papier heeft toevertrouwd, bestaan die herinneringen voortaan alleen nog in de daarvoor gebruikte taal. ‘Once they have been textualized, memories lose their potential: there is no way back to an original memory when writing has done its work.’88 De jaren waarin Josje de geneugten van het schrijven leerde kennen, waren tevens de jaren waarin ze zich meer en meer bewust werd van haar geïsoleerde, begrensde positie. Haar ouders vormden steeds minder een eenheid. Ze kibbelden veel, ook waar de kinderen bij waren. Dat is althans het beeld dat Mendels later schetst. Vader drong aan op een strikte naleving van de joodse wetten, terwijl moeder daar meer en meer de hand mee lichtte. Hun uiteenlopende belangstelling speelde hen parten. Weinig dingen pakten ze gezamenlijk aan. ‘Het waren hele goeie mensen, maar er was geen samengang tussen hen’.89 Op straat liep Isidore achter zijn vrouw, in plaats van naast haar. Zijn uiterlijk verwaarloosde hij volgens zijn dochter, het was een slecht geklede man wiens manchetten over zijn handen gleden en iemand die zijn overschoenen

85. Van Verre (1982). 86. Cartens (1981). 87. Citaat van de wasbaas Mendels

(1947): 49 en Schaafsma (1986). Herinnering literair clubje Mendels (1947): 67 en Van Verre (1982).

88. Michael Sheringham geciteerd in King (2000): 175. 89. Van Verre (1982). 55

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1: ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

binnenshuis vergat uit te doen.90 Dit beeld staat overigens in contrast met de foto’s die er van de man zijn overgeleverd. Hij richtte zijn aandacht volledig op zijn eigen werkzaamheden en op het naleven van de religieuze regels, en wanneer daarbij iets mis ging, waren de rapen gaar. Wanneer er op vrijdagavond een korstje van het gallebrood af was, barstte hij in woede uit.91

Barsten in het huwelijk Isidore was een man met een gebruiksaanwijzing, ook voor mensen buiten zijn gezin. Toen hij eens een lezing over de emancipatie over de joden voorbereidde, bleek tot zijn grote irritatie dat de bibliotheek van het Portugees Israelietisch Seminarium in Amsterdam geen boeken uitleende. Mendels was daarover zo ontstemd, dat hij zijn werk niet beschikbaar stelde voor die bibliotheek.92 Later hield hij eens de voordracht ‘de Jood in de middel-Nederlandsche Letteren’ voor het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap. Er was maanden werk ingestoken, zo stelde zijn vriend Sigmund Seeligmann, en de bijdrage stond op eenzame hoogte. Stomverbaasd was Mendels dan ook, dat zijn tekst niet integraal werd opgenomen in de Mededelingen van dat genootschap. Mendels schreef teleurgesteld aan Seeligmann: De lui die eigenlik niks anders doen dan gevonden akten met enkele regels aan elkaar te lijmen, en die in een stijl schrijven à dormir debout, zijn heel gauw bij de hand om een studie, die op het voorbeeld der beste historici, vooral Franse, niet alleen op ernstige Vorarbeit berust, maar daarbij in een kunstvorm is gegoten, die de lezer boeit – uit te maken voor oppervlakkig werk. 93 Mendels zocht een andere weg om de vrucht van zijn arbeid bredere bekendheid te geven: vier stukken die voortkwamen uit de lezing verschenen in het joods-culturele weekblad De Vrijdagavond.94 In boekrecensies kon Mendels ook scherp zijn, aldus Seeligmann. Vooral wanneer het slechte boeken betrof. ‘Hoe kon hij daar op meesterlijke wijze met zijn vlijmscherp sarcasme de mantel van schaamteloze schijngeleerdheid aan flarden scheuren en de scribent in zijn geestelijke naaktheid te pronkstellen.’95 Voor Emma was de glans van het huwelijk af en zij spande zich minder in om het eerbetoon aan de religie vorm te geven. Zij moet jaloers geweest zijn, meende haar jongste dochter toen zij op haar jeugd terugkeek ‘omdat mijn vader Hem prefereerde boven alles en iedereen.’96 Emma leed aan aangezichtspijn, een chronische kwaal die in golven sterke pijn in kaak of wang met zich meebrengt. De oorzaak kan psychosomatisch

90. Cartens (1981). 91. Ibidem. 92. In het voorwoord van de bundel met de serie lezingen staat dat Mendels ‘om bijzondere redenen zijn lezing niet voor den druk heeft afgestaan.’ Seeligmann (1928a): 360. 93. Ibidem: 361. 56

94. Mendels, Dr. I. (1924) ‘De middeleeuwen en wij’, in: De Vrijdagvond, 16 mei 1924, jg. 1 nr. 8. Mendels, Dr. I. (1924) ‘De middeleeuwse kerk en de joden’, in: De Vrijdagvond, 11 juli 1924, jg. 1, nr. 16. Mendels, Dr. I. (1924) ‘Een jood in het dierenepos “Van den vos Reinaerde”’, in: De Vrijdagvond, 21

november 1924, jg. 1, nr. 35. Mendels, Dr. I. (1925) ‘Een rare joodse zedenleer’, in: De Vrijdagavond, 2 januari 1925, jg. 1, nr. 41. 95. Seeligmann (1928a): 361. 96. Mendels (1986): 43.

Emma Mendels en Edith Mendels of neurologisch zijn. Wanneer ze pijnvrij was, ging ze haar eigen gang met haar vriendinnen en haar muziek. In augustus 1914 vertrokken Josje en haar moeder voor een paar dagen naar Zandvoort. Voor het eerst ervoer het kind de weldaad van het verblijf in een hotel, die later een licht verslavende werking op haar zou hebben. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moest hun vakantie echter vroegtijdig worden afgebroken.97 De zichtbare barsten in het huwelijk van haar ouders leidde bij Josje tot opstandig gedrag. Op school lachte ze veel, hing de pias uit en lette niet goed op. ‘Wilde Josje’ werd ze genoemd. Soms leek ze op een jongen. En waren gezinnen waar ze zich maar beter niet meer kon vertonen.98 Haar schoolprestaties waren niet om over naar huis te schrijven. Ze zette zich alleen in voor lezen, schrijven en taal.99 De Groningsche Schoolvereniging met de kleine klassen was voor de meeste leerlingen een opstapje naar het gymnasium. Naarmate het einde van de lagereschooltijd naderde, bleek dat voor Josje een onhaalbare kaart. De school veranderde de becijfering. ‘Het derde rapport 1914 / ’15 bevat cijfers, gegeven met het oog op het feit dat de leerling

97. Mendels, Eric (1979). 98. Bijvoorbeeld wanneer Josje zoiets deed: ‘Ik herinner me nog dat ik bij hele deftige mensen had gespeeld. Het domste meisje uit de klas, maar

heel deftig. Heel leuk gespeeld. En toen werd er geroepen: “Josepha wordt gehaald!” Ik zei: “Ik dank u wel voor de boodschap, ik zal hem met poep besmeren, mevrouw”. Hoe ik daaraan

gekomen ben weet ik niet. Dat was natuurlijk heel erg. Er werd onmiddellijk naar huis gebeld.’ Van Verre (1982). 99. Archief Groningsche Schoolvereniging, Groninger Archieven. 57

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

J.J. Mendels examen zal afleggen voor de middelbare meisjesschool (H.B.S.). De vorige rapporten zijn opgemaakt vanuit de maatstaf voor het examen voor ‘t Gymnasium.’100 Het lag voor de hand dat Josje dan na de lagere school naar de hbs ging waar haar vader doceerde.101 Het leek hem leuk om les aan zijn dochter te geven. Maar Josje had twijfels of ze haar vader kon steunen als klasgenoten zijn gezag in twijfel zouden trekken. En ze had intuïtief in de gaten dat dat aan de orde van de dag was. Isidore Mendels vormde met enkele andere leraren in de humaniora een kleine enclave in de bèta-omgeving die de hbs was.102 Hij was te veel een intellectueel en had weinig beschikking over de noodzakelijke sociale vaardigheden. Als leerlingen de kans kregen, namen ze een loopje met hem. Wanneer hij door de klas wandelend een boek voorlas, daarbij zo ontroerd raakte dat hij niet goed oplette waar hij liep, barricadeerden de leerlingen het pad met hun tafels, aldus een herinnering van Josepha Mendels, die zij uit tweede hand moet hebben vernomen.103 Toch hielden sommigen tot op hoge leeftijd warme herinneringen aan hem, juist door het voorlezen. ‘Wat was het zalig’, schreef een oud-leerlinge aan Josepha Mendels, ‘als we hem konden overhalen de schippersknecht [uit Camera Obscura van Nicolaas Beets] voor te dragen.’104 Om toegelaten te worden tot de hbs moest iedere leerling een toelatingsexamen afleggen. Josepha Mendels meldde dat ze deze test opzettelijk verknoeide, net als haar zussen gedaan hadden.105 Het was nog niet gangbaar dat meisjes naar de hbs gingen en het is denkbaar dat de zusjes Mendels helemaal geen zin hadden om naar dat jongensbolwerk te gaan. Rond de tijd van Josjes overstap naar het voortgezet onderwijs bestond gemiddeld eenvijfde deel van een hbs-klas uit meisjes. Tot 1907 moesten ouders zelfs een gemotiveerd verzoek indienen om hun dochter naar een hbs te laten gaan.106 Isidore vond lesgeven aan meisjes leuk. Als ze hun best deden kregen ze van hem een haags hopje. Het speet hem, dat zijn dochters voor een andere school kozen. In september 1915 ging Jos, zoals ze zichzelf inmiddels noemde, zodoende naar de vijfjarige mms aan de Hofstraat 12. Edith had daar een jaar eerder haar diploma gehaald en Ada begon toen aan de vierde klas. Zij had de tweede klas gedoubleerd en kreeg vanaf de derde klas een vrijstelling voor rekenkunde, algebra en meetkunde. In tegenstelling tot haar zussen zou Jos er niet lang blijven. Ze haalde het eerste jaar niet. Jos had twaalf vakken in de eerste klas en één cijfer voor gedrag. Daarvan waren er zes onvoldoende, inclusief het cijfer voor gedrag.107 Toen Josepha Mendels later terug-

100. Idem. 101. Meisjes op de hbs waren nog een uitzondering. Op de Rijks-hbs waar de vader van Josepha werkte, werd in 1890 het eerste meisje toegelaten. Zij was de dochter van de directeur. Pas na 1906 waren de administratieve regelingen gelijkgetrokken met de jongens en begon het aantal vrouwelijke leerlingen langzaam te groeien. In: Gedenkboek Rijks Hogere Burgerschool te Groningen 1864–1964: 92–93. 102. Johan Huizinga verkeerde in eenzelfde positie als Isidore Mendels. Hij was ook een pas gepromoveerde 58

historicus die zonder pedagogische kennis voor een hbs-klas – in Haarlem – stond. Hij vertelt daarover: ‘Geschiedenis doceren in de sfeer van een hbs waar elke aanraking met de bonae literae ontbrak, en leeraren en leerlingen allen doordrongen waren van een geloof in volstrekte superioriteit der natuurwetenschap, is reeds op zichzelf geen eenvoudige taak’. Huizinga, Johan. (1947) Mijn weg tot de historie. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon: 35. 103. Mendels (1964): 134.

104. A.C. Bleeker-Vonk aan JM, 10 november 1981. 105. Mendels (1981): 12. 106. Essen, Mineke van & Wilna Meijer. (2000) ‘Sekse en algemene vorming: de pedagogische boodschap van 1898 in longitudinaal perspectief’, in: Maria Grever & Fia Dieteren (eds.) Een vaderland voor vrouwen: a fatherland for women, the 1898 ‘Nationale tentoonstelling van Vrouwenarbeid’ in retrospect. Amsterdam: IISG / VVG: 151–166. 107. Archief MMS, Groninger Archieven, inv. nr.1568, toegangsnr. 239–250.

keek op die tijd, debiteerde ze met smaak dat ze een dramatisch slecht rapport had met zeventien onvoldoendes, waarvan negen cijfers voor gedrag.108 Dat was dus lichtelijk overdreven. Over wat er hierna gebeurde, heeft de schrijfster twee verhalen de wereld in geholpen. In het ene verhaal zijn haar slechte cijfers en de schaamte van haar vader er de oorzaak van, dat zij van school moet. In het andere verhaal, dat pas na haar overlijden bekend werd, is haar lastige gedrag de reden voor een bezoek aan de dokter, mogelijk zelfs een psychiater.109 Ze was een nerveus kind geworden dat veel hoestte. Deze dokter zou op de hoogte zijn van de thuissituatie en geoordeeld hebben, dat het meisje te lijden had onder het slechte huwelijk van de ouders. Hij adviseerde om het kind enige tijd uit huis te plaatsen, om tot rust te komen. Het zal geen prettige boodschap zijn geweest, maar Isidore en Emma gingen op zoek naar een plek voor hun dochter, waar ze volgens de joodse spijswetten kon leven. Haar onderbrengen bij familie in Amsterdam was blijkbaar niet aan de orde, want ze kwamen uit op een gezin in Deventer, 125 kilometer reizen. Op 9 oktober 1916 stapte Jos alleen op de trein naar de Hanzestad.110 Ze droeg in haar herinnering een zilverkleurige hoed van stro en een blauwe mantel. Ze reisde derde klasse. De verhuizing was achteraf een prettige ervaring, maar ongetwijfeld zal het nieuwe perspectief, alleen in een andere stad bij een vreemde familie haar ook vervuld hebben van angst en onzekerheid. Zelf interpreteerde ze haar verhuizing retrospectief als een opluchting. ‘In Deventer zal ik mijn geluk vinden’, zou ze gedacht hebben.111

Vrijheid in Deventer Jos kwam in huis bij het joodse gezin De Vries, bestaande uit meneer De Vries, zijn vrouw, twee dochters, en nog een vrouw die er in huis woonde aan de Nieuwe Markt 20, mogelijk betrof het een pension.112 Bij het zoeken naar een gastgezin had Isidore zich laten leiden door de religie. Daar kreeg hij snel spijt van, want met de gastheer bleek iets mis. De twijfelachtige reputatie had de man, die zich ten onrechte voordeed als rabbijn, te danken aan de tweede vrouw die hij in huis gehaald had en met wie hij een verhouding zou hebben.113 Josje, die zeventien kinderen van zeventien verschillende mannen wilde, had niet in de gaten wat er in dit huis onder haar neus gebeurde. Ook niet toen de rabbijn haar toegevoegd zou hebben: ‘Er gebeuren hierboven viezigheidjes.’114 Isidore wist niet hoe snel hij zijn dochter er weer weg moest halen toen hij lucht kreeg van de situatie. Wijs geworden selecteerde hij het volgende adres op fatsoen en kwam geloofsovertuiging op een tweede plaats. Het was bovendien belangrijk dat zijn dochter niet nogmaals van school hoefde te wisselen. De concessie die hij deed was dat hij Jos onderbracht bij een lutherse dominee Bekedam, die met zijn gezin aan de Binnensingel 58 woonde.115 ‘Als God maar met haar mee reist, moet mijn vader gedacht hebben’.116 Het was een hele organisatie, want rond zes uur ‘s avonds moest Jos

108. Schaafsma (1986). 109. Schaafsma (2008), na het overlijden van JM teruggevonden en gepubliceerd.. 110. Gezinskaart Mendels, Groninger Archieven. dd 23 maart 2009. 111. Van Verre (1982).

112. Gegevens ontleend aan een mail van het Stadsarchief en Athaneumbibliotheek Deventer, 8 juli 2009. 113. Groep, Geerte van de. (1982) Josepha Mendels: beschouwingen over een biografie- schetsen van haar leven. Doctoraalscriptie moderne letterkunde

UvA: 56. 114. Van Verre (1982). 115. Gegevens ontleend aan een mail van het Stadsarchief en Athaneumbibliotheek Deventer, 8 juli 2009. 116. Cartens (1981): 42–48. 59

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

dagelijks naar een joodse slager, waar ze de avondmaaltijden gebruikte. Het eten was onderwerp van tegengestelde herinneringen. ‘Ik heb nog nooit zulk lekker vlees gehad. Verrukkelijk, die mergpijpen die daarin rondzwommen.’ zei ze op het ene moment.117 Op het andere moment schreef ze: ‘Omdat ik verplicht was de warme maaltijd bij een koosjere slager te nemen, kwam het slachten en de dood van het dier zo dicht bij mij, dat ik al die jaren vegetariër ben geweest.’118 De sabbat en feestdagen moest ze ook met de slager doorbrengen. Uit een brief naar huis van oktober 1916 blijkt ze dat allemaal zonder tegenzin onderging en netjes haar schoolwerk inhaalde als er joodse feestdagen waren, waarvan Rosh Hasjana (joods nieuwjaar), Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Soekot (Loofhuttenfeest) en Simchat Tora (Vreugde der Wet) allemaal in het najaar vallen. Het uitdelen van bonbons duidt op Simchat Tora. Donderdagmorgen en avond ben ik naar sjoel geweest, vrijdagsmorgens ook toen hebben we daar ook bonbons gehad. […] Ik heb haast niets in te halen want donderdags heb ik m’n werk van vrijdag geleerd. Nu hebben we gauw repetitietijd. 119 Op zondag ging het domineesgezin naar de kerk. Jos bleef thuis. Er waren strenge regels, maar ‘wilde Josje’ gedijde er in haar herinnering goed. Het is een volledig welslagen geworden, om daar te wonen. Het milieu was zeer godsdienstig. Zeer precies om elf uur koffie met een stukje koek op zondag. Zeer Hollands. Ik was vrij, ik was niet ongelukkig. ‘s Avonds zat ik bij m’n slager en z’n vrouw en kreeg heerlijk eten. 120 Ook al woonde ze 125 kilometer van huis, de joodse tradities bepaalden haar leven nog volledig in deze jaren. Jos was op de hbs voor meisjes in de Assenstraat gekomen. Het was een kleine school, waar verdeeld over vier klassen per jaar zo’n dertig tot veertig meisjes op zaten. Jos kwam in een klas van vijftien meisjes, waarvan er na vier jaar nog negen over waren. Opnieuw was ze een uitzondering, maar de omgeving was kleinschaliger dan in Groningen. Met de sabbat werd rekening gehouden: ze ging wel naar school op zaterdag, maar hoefde geen schrif-

117. Van Verre (1982). 118. In Van Verre (1982) vertelt Josepha Mendels hoe ze gesmuld heeft van het eten bij de slager. Het ‘vegetarische verhaal’ is afkomstig uit: 60

Mendels, Josepha. (1988) ‘Biografische Momenten’, in Josepha Mendels Informatie. Amsterdam: Meulenhoff: 15. 119. JM aan familie Mendels, 21 oktober 1916.

120. Van Verre (1982). ‘Een volledig welslagen’ zijn ook de woorden die Jan Greshoff gebruikte voor de beoordeling van het manuscript Rolien en Ralien. Greshoff aan JM, 16 juli 1944, LM.

telijk werk te doen.121 Ze werd later herinnerd als ‘het jodinnetje’, in het bijzonder ‘het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’ door haar docente Nederlands.122 Een bewijs dat haar joodse afkomst haar in de perceptie van anderen onderscheidde van de rest van de klasgenoten. Ondanks de veranderde thuissituatie was haar gedrag niet veel beter geworden, getuige de notulen van de lerarenvergaderingen.123 En haar cijfers ook niet. Na het eerste jaar had ze een herexamen Natuurlijke Historie dat ze in de zomervakantie moest voorbereiden. In het tweede en derde jaar waren er klachten over haar gedrag en haar cijfers. Alle leraren hadden last van de derde klas, waarin Jos met een paar klasgenoten de orde verstoorde. De derde klasse staat over het algemeen niet best aangeschreven wat betreft ijver en het maken en leren van huiswerk. Agnes Abbema is door herhaalde afwezigheid achteruitgaande. De lijst van Erna Goudriaan is van dien aard, dat zij ernstig gewaarschuwd dient te worden. Hetzelfde geldt voor Jos Mendels wier gedrag bovendien bij velen te wensen overlaat. 124 Jos was in de vierde klas nog tweemaal onderwerp van gesprek op de lerarenvergadering: in november 1919 vanwege haar aanhoudend slecht gedrag en in maart 1920 omdat ze tot opluchting van het lerarenkorps ‘wat schijnt te kalmeren’.125 De afstand tot het ouderlijk huis deed haar uiteindelijk goed. Ze ging alleen nog in de vakanties naar huis en genoot daarvan. Jos kwam in de klas bij een meisje dat Titi genoemd werd en die net als zij al op een andere school – in haar geval een gymnasium – had gezeten, en daar niet was overgegaan. Ze sloten al snel vriendschap, wat vergemakkelijkt werd omdat Titi tegenover de school woonde. Ze leende De Katjangs van J.B. Schuil aan Josje.126 De vriendschap met Titi speelt een rol in Rolien en Ralien en Mendels sprak over haar in diverse interviews. Titi maakt deel uit van Mendels’ narratieve identiteit. In de narratieve identiteit van Mendels komen een aantal vriendschappen en liefdes voor die nooit harmonisch zijn, maar uitlopen op een desillusie. Daarmee dragen de beschrijvingen van de vriendschappen en liefdes bij aan een beeld dat Mendels van zichzelf creëerde van een vrouw die geen duurzame relaties aan kon gaan en die een eenzame jeugd had. Die eenzame jeugd betekende echter een uitstekende voedingsbodem voor haar schrijverschap, en zo staan de negatieve ervaringen in het teken van het ontstaan van haar ‘hogere’ identiteit: die van schrijver. In de beschrijving van de omgang met dit meisje vormen haar deftigheid, haar zweetdruppeltjes, haar witte bloesjes, het verraad dat ze pleegde aan de vriendschap en de gevoelens die de auteur voor dit vreemde wezen koesterde terugkerende grootheden. Titi was overigens minder deftig dan de auteur vermoedde. Zij is gebaseerd op Erry Anna Eringaard (1903–1993), wier vader een buitenechtelijk kind was van de onder-

121. Dit werd in de notulen van de lerarenvergadering vastgelegd op 21 november 1917. Notulen van de lerarenvergaderingen, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek NL-DvSA ID 811 inventaris nr. 282.

122. Wesselius, Jacqueline. (1986) ‘Dat jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’, in: Het Parool, 6 november 1986. 123. Notulen van de lerarenvergaderingen, Stadsarchief en

Athenaeumbibliotheek NL-DvSA ID 811 inventaris nr. 282. 124. Ibidem. 125. Ibidem. 126. JM aan familie Mendels, 21 oktober 1916. 61

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

nemer Jacob Cornelis van Marken en Marie Eringaard.127 In Rolien en Ralien is Titi vereeuwigd onder haar toenmalige roepnaam. Zij is in de roman een sjiek meisje met een Franssprekende gouvernante. Rolien raakt gefascineerd door haar. Titi is een heel bijzonder meisje. Wat haar volgens Rolien van alle andere leerlingen onderscheidt, zijn de witte voile smokblousjes, die zij niet alleen ’s zomers maar ook ’s winters draagt. In het heetste jaargetijde kan je op haar huid kleine zweetpareltjes zien schitteren; en het behoeft niet eens zo heel koud te zijn om je te amuseren met het verschijnen en verdwijnen van kippenvel. Deftig en arm zijn dus wel heel nauw verwant. Want als Titi bij een temperatuur van zoveel onder nul constant een van haar vier witte voile smokblousjes draagt, en tegelijkertijd twee diamanten ringetjes, één van de adellijke grootmoeder van vaders zijde en één van een gestorven burgemeestersvrouw, altijd naar seringenparfum in een meinacht ruikt, en tegelijkertijd enzovoort, enzovoort enzovoort, dan geschiedt dit uit deftigheid. Titi is dus deftig en uit die deftigheid bibbert ze kippenvel in witte voile smokblousjes, waarmee een ander kind in een meer versleten stadium, in de koude straat het traditionele medelijden moet opwekken. 128 Titi wordt beschreven als vreemd. Vroegrijp gaat ze haar eigen gang en neemt Rolien op sleeptouw. Titi probeert haar wat kennis bij te brengen over de liefde tussen man en vrouw, maar Rolien snapt er nog niet veel van. Ze doen ook woordspelletjes, waarbij ze aan elkaar gewaagd zijn. Op een dag gaan ze samen op stap. Om naar de dierentuin te gaan moeten ze een half uur fietsen of anderhalf uur lopen. Wie een fiets heeft denkt niet aan een tram, en wie graag een arm om iemand heen slaat denk weer niet aan een fiets. 129 Eenmaal, lopend, in de dierentuin aangekomen, gaan ze op zoek naar evenbeelden van zichzelf. Vooral Rolien put zich uit in rare grimassen om zoveel mogelijk op een bepaald dier te lijken. Titi vindt haar ‘aper dan aap’, ‘leeuwer dan leeuw’ en ‘olifanter dan een olifant,’ maar uiteindelijk is ze toch ‘eekhoorner dan een eekerhoorner’, omdat ze haar chocolade zo vreemd opknabbelt.130 Rolien is zo blij met deze gelukzalige momenten met Titi dat ze bijna over haar interne stem Ralien vertelt, maar die houdt haar juist op tijd tegen. De mooie vriendschap is van korte duur, want er komt een nieuw meisje in de klas, Ernie. Titi laat Rolien als een baksteen vallen om met Ernie afspraakjes met jongens te maken. Of Titi Jos in werkelijkheid zo liet vallen is onbekend, wel dat ze na een jaar van school

127. Titi’s vader was een buitenechtelijk kind van de ondernemer Jacob Cornelis van Marken en Marie Eringaard. Samen kregen zij vijf kinderen, twee overleden, drie werden na de dood van zijn maîtresse door Van Marken en zijn wettige vrouw geadopteerd. Titi’s vader leefde niet meer toen Josepha Titi ontmoette. Biografisch woordenboek van het 62

Socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. http://hdl.handle. net/10622/29A9F133-3F08-4952969F-60F1CF5F8DDA (21 januari 2014) Zie ook: www.historici.nl/ bwn1880-2000/lemmata/bwn4/matthes (21 januari 2014) 128. Mendels (1947): 82. 129. Mendels (1947): 85–86. 130. Mendels (1947): 88, 90.

ging en dat zij daar het gevoel aan overhield dat ze niet goed genoeg werd bevonden.131 In een interview in 1981 sprak Mendels over de waarheidsgetrouwheid van de passages in haar debuutroman. Ze had inmiddels weer contact met Titi. – Titi is een hele deftige dame geworden. Ze was altijd deftig. [interviewer Elsbeth Etty] -In Rolien en Ralien noemt u haar al deftig. Deftig maar arm. – Nu is ze deftig en rijk geworden. 132 Etty stelde dat er in de roman sprake was van een erotische relatie, beeldvorming op de omgang van de meisjes die pas in de jaren tachtig geopperd werd.133 Mendels antwoordde daarop: Erotisch was het in zoverre niet. Je hield van zo’n meisje, ze rook lekker en je gaf haar een zoen. Ze rook anders dan je gewend was, had al parfum, enzo. Ze had een Franse gouvernante en haar moeder was heel sjiek en alles meer. Een soort mensen dat je niet kende. Heel weelderig. 134 Tegen een andere interviewer erkende ze echter dat ze wel degelijk verliefd was geweest op Titi. Ik was verliefd op haar, zo denk ik er nu over. Heel mooie blanke handen had ze, met een ring om haar vinger. […] Ieder meisje is wel eens verliefd op een meisje. Iedereen, iedere man en vrouw, is biseksueel, is het niet in het echt dan toch in gedachten. 135 In de roman raakt Rolien ook onder de indruk van een docente, Clara Balto. Omdat Rolien niet kan tekenen, mag ze tijdens de lessen van juffrouw Balto voorlezen. Het valt Clara op dat haar pupil goed kan schrijven en ze vindt haar amusant. Clara nodigt haar op een dag bij zich thuis uit. Het bevreemdt Rolien dat haar lerares slechts in een onderlijfje gekleed is, evenals het feit dat het bed niet opgemaakt is. In de roman staat de genoeglijke avond beschreven, waarop ze onder andere taalkwesties bespreken. Rolien koestert verliefde gevoelens voor haar docente en is jaloers op haar vriend, die op de achtergrond aanwezig is. Later zal de auteur in een interview aan dit bezoek refereren, en opnieuw melden dat de docente haar in een ‘onderlijfje’ ontving.136 Het is erg onwaarschijnlijk dat een lerares in het eerste decennium van de twintigste eeuw een leerling in haar ondergoed ontvangt. Deventer bracht Jos eveneens in contact met de andere sekse. Ze keek op straat nieuwsgierig naar de mooie Indische jongens van de landbouwhogeschool, maar die reageerden niet op haar. Dat deden anderen wel, die haar uitnodigden voor schoolbals. Erg enthousiast was ze daar niet over, want voor jongens was ze eigenlijk nog niet klaar.

131. Schaafsma (2008): 8. 132. Etty (1981). 133. Etty (1981). 134. Etty (1981).

135. Schaafsma (2008): 8. 136. Laseur, Merel. (1983) ‘Josepha Mendels over schoonheid’, in: NRC Handelsblad, 15 oktober 1983. 63

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

Meisjes en vrouwen vervulden haar met veel meer fascinatie. Ze begon wel na te denken over haar uiterlijk en vergeleek zichzelf met klasgenoten. Ik liep over de IJsselbrug in een witte jas met een zwarte ruit. […] en ik keek in dat heldere water en zag mezelf eigenlijk voor het eerst. M’n gezicht, m’n profiel met een kleine onderkin… Ik was zo gedégouteerd, zo teleurgesteld… En op school, daar in Deventer, was ik juist omringd door hele mooie meisjes, met kleine neusjes en mooie monden. 137 Ook vond ze haar voeten te groot en haar schouders te breed. Dit gevoel lelijk te zijn heeft ze lang gehouden. Later sprak ze over twee jongens met wie ze omging in Deventer. Jo Spier (1900–1978), de latere tekenaar van joodse komaf, inviteerde haar voor het afscheidsbal van zijn gymnasium in Zutphen.138 Hij plakte een roos in haar poëziealbum. Jos zette erbij: ‘Heeft deze roos enige betekenis voor mij?’139 De vraag stellen was hem beantwoorden. Jo verhuisde na de zomer naar Amsterdam en ging zich voorbereiden op het toelatingsexamen voor de Academie voor Beeldende Kunsten. Een ontmoeting met een andere jongen mondde ook niet uit in iets blijvends. Ze ontmoette hem net als Jo in Zutphen en ‘ging’ kortstondig met hem. Ter gelegenheid van hun afscheid begroeven ze in het bos bij Gorssel de strikjes van de schoenen van Jos, vertelde ze aan Tony van Verre.140 Deze scene komt overeen met een passage in Als wind en rook, waarbij Elisa en Richard afscheid van elkaar nemen omdat hij zich liever niet inlaat met een half-joodse.141 Na vier jaar deed Jos met succes examen op de hbs. Haar ouders kregen het advies, aldus de schrijfster zelf, om haar naar een toneelschool te sturen, want bij het declameren van teksten was haar aanleg daarvoor duidelijk geworden. Maar voor haar vader hadden actrices dezelfde status als prostituees, dus hij weigerde. Jos ging weer thuis in Groningen wonen. Ze werd die zomer 18 jaar. Als beloning voor het behalen van haar diploma mocht ze in de vakantie naar een orthodox-zionistisch meisjeskamp op de Veluwe, een geschenk waarmee ze niet erg blij was.142 Jos vertrok met weinig overtuiging, want met zionisme had ze niets, zo beschreef ze 66 jaar later in Joelika (1986). De discussies waren saai en de liedjes kende ze niet, maar de fiets- en wandeltochten vielen haar mee, en de meisjes waren best aardig. Jos won er zelfs een opstelwedstrijd.143 Het zionisme, het verlangen naar een eigen staat voor joden, bereikte aan het begin van de twintigste eeuw Nederland. De beweging was een gevolg van de pogroms in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. In Nederland zou die niet veel aanhangers kennen zolang de joden er veilig waren. Doorgaans waren degenen die zich aangetrokken voelden tot het zionisme zelf socialist. Isidore was een aanhanger van de religieuze vertak-

137. Ibidem. 138. Josepha Mendels wekt de indruk dat er een band bestond tussen de families Mendels en Spier. Van Verre (1982). Later in zijn leven, namelijk in Theresienstadt, zou Jo Spier Maurits Mendels ontmoeten. 139. Poëziealbum JM. 64

140. Van Verre (1982). 141. Mendels, Josepha. (1950) Als wind en rook. Amsterdam: Querido: 23. 142. Mogelijk was dit het eerste jongerenkamp dat door de Nederlandse mizrachi-beweging georganiseerd werd. Het zou in ieder geval de komende veertien jaar iedere zomer plaatsvin-

den. In de organisatie zat onder andere Isidores vriend Sigmund Seeligmann. 143. Een korte herinnering aan het zomerkamp beschrijft de auteur in: Mendels, Josepha. (1986) Joelika. Amsterdam: Meulenhoff: 47–48.

king van het zionisme, de mizrachi. Hij richtte daar een afdeling in Groningen voor op in 1920 en de organisatie van het vakantiekamp maakte daar deel van uit. Jos was het jaar waarin ze eindexamen had gedaan dus terug onder het (joodse) juk van haar vader. Hoe zat het op dat ogenblik met haar joodse identiteit? Zeker tot haar achttiende domineerde de joodse wetgeving haar bestaan. In haar herinnering kwam ze rond haar achttiende los van de orthodoxie, ze herinnerde zich dat ze ‘er helemaal uit [was] gestapt, zoals je uit een bad stapt wat leegloopt. Ik heb het leeg laten lopen, stop eruit gehaald en weg was het.’144 Wat zij hier precies mee bedoelt, is lastig na te gaan. Mogelijk kon ze onder het wekelijkse sjoelbezoek uitkomen en bevrijdde ze zich ook van ande1917, Jo Spier re knellende verplichtingen, zoals het vasten en urenlange gebed in de synagoge met Jom Kippoer. Of Edith en Ada, die in 1919 het huis uit gingen, de rol van wegbereider hebben gespeeld, is niet bekend. Maar de voedselwetten bleef ze vooralsnog volgen en ook zal een beperkt godsgeloof een rol hebben gespeeld. Josepha Mendels, die duidelijk was in haar afkeer van het joodse, bewandelde een behoedzame weg in het afstand nemen. Die weg is niet bewust gekozen, maar het gevolg van toevallige gebeurtenissen en omstandigheden, waarbij haar vader een van de factoren was waarmee ze rekening hield.

Herexamen huishoudschool Jos’ ouders zochten na haar terugkeer uit Deventer een nuttige vervolgopleiding voor hun jongste dochter. Vader hoopte dat ze op een of andere manier de weg naar de universiteit zou kiezen om Nederlands te gaan studeren. Hij was trots op Jos’ gevoel voor taal en haar aanleg voor schrijven. Edith had enkele jaren Engels gestudeerd in een tijd dat het nog verre van gangbaar dat meisjes naar de universiteit gingen, dus Isidore was in dit opzicht zijn tijd vooruit.145 Maar Jos voelde er niets voor. Ze hield niet van studeren en zag er tegenop nog erg lang afhankelijk van haar ouders te blijven. Voor ‘iets met kinderen’ of ‘iets met schrijven’ werd geen acceptabele opleiding gevonden, dus moest het maar iets algemeens worden. Jos werd ingeschreven op de Kook- en Huishoudschool aan de Kraneweg 76.146 Op deze school leerden meisjes koken, strijken,

144. Van Verre (1982). 145. In 1930 is het aandeel van joodse vrouwen met een academische titel bovengemiddeld in het totaal van

vrouwen met een academische titel. Blom, J.C.H. & J.J. Cahen, ‘Joodse Nederlanders, Nederlandse joden en joden in Nederland (1870–1940)’. In:

Blom (1995): 265. 146. Het gebouw werd aan het einde van de oorlog in brand gestoken en daarna herbouwd. 65

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

wassen en kleding verstellen. Stiekem hoopte haar moeder dat Jos snel zou trouwen, en een degelijke mevrouw zou worden, waarbij de huishoudelijke kennis van pas zou komen. Jos begon in 1920 aan de tweejarige cursus. Tegen de zomer bleek het rapport niet zodanig dat ze verder kon met het tweede jaar, ondanks het hoge cijfer voor opvoedkunde en voldoendes voor koken, rekken en huishoudelijke administratie. En voor vlijt. Ze had herexamens voor strijken, huishoudkunde en hygiëne.147 Blijkbaar vond ze het niet de moeite deze examens af te leggen, want ze ging van school. Josepha Mendels vertelde later kleurrijk over haar tijd op de huishoudschool.148 Ze zou brandvlekken met de strijkbout in de molton onderbroeken van de onderwijzeressen hebben gemaakt. Ze at het eten dat ze kookte op voordat het gekeurd werd door de onderwijzers – wat een dubbele overtreding was, want het voedsel was niet koosjer. In de zomer die volgde op het huishoudschooljaar begeleidde Jos een kinderkamp in Monster. In dit werk had ze plezier. Wat nu aan te vangen met haar toekomst? Jos was nog steeds meer een meisje dan een vrouw. Ze had geen middelen om zichzelf te onderhouden. Er werden winkelmeisjes genoeg gevraagd in de krant, maar dat was beneden haar stand en vooral die van haar vader. Kinderverpleegster worden was een ambitie, maar omdat ze als interne geen koosjere maaltijden zou kunnen gebruiken, verviel deze optie. Achteraf bezien is het ook een vreemde ambitie, want bij Josepha Mendels was zorgzaamheid een van de minst ontwikkelde eigenschappen. Isidore probeerde zijn dochter voor een stoomcursus tot onderwijzeres te interesseren. Dat was een keurig beroep voor meisjes uit de hogere burgerklasse. En aangezien ze de omgang met kinderen nog altijd heerlijk vond, was dit een voorstel waar ze geen ‘nee’ tegen kon zeggen. Ze ging niet naar een kweekschool, maar deed een verkorte opleiding die in die jaren als paddenstoelen uit de grond schoten. Voor iedere geslaagde kandidaat ontving het opleidingsinstituut een premie.149 Ze hoefde geen hele dagen op school door te brengen, daar had ze geen geduld voor.

Bewondering voor Carry van Bruggen Er bleef zodoende genoeg tijd over voor haar passie: de literatuur. Ze leerde het werk van Carry van Bruggen (1881–1932) kennen. Josepha’s oom Maurits was met haar bevriend doordat ze in Zaandam bij elkaar in de straat woonden en omdat zijn dochter en die van Van Bruggen vaak samen speelden bij het buitenhuisje van de familie (Maurits) Mendels in Laren.150 Belangrijke thema’s in Van Bruggens oeuvre waren het jodendom (ook: assimilatie en zionisme), de positie van de vrouw en individualisme versus collec-

147. Inventaris van het archief van de Groningsche Kook- en Huishoudschool NV (1893)1897–1977, toegangsnr. 1351, nr. 249. 148. Schaafsma (2008), Van Verre (1981). Ook: Bresser, Jan Paul. (1986) ‘Ik heb bijna geen tranen meer. Gesprek met de schrijfster Josepha Mendels’, in: Elseviers Magazine, 8november. 66

149. De normale duur voor een opleiding tot onderwijzeres was drie of vier jaar. Josepha Mendels nam waarschijnlijk deel aan een particuliere schriftelijke spoedcursus. De examinering vond plaats via een staatsexamen. Essen, Mineke van. (2006) Kwekeling tussen akte en ideaal. De opleiding tot onderwijzer(es) vanaf 1800. Amsterdam: SUN: 202.

150. Judica Mendels schreef later dat haar vader Maurits Mendels gesprekken met de schrijfster voerde en dat zij ‘proeven van haar kookkunst naar de buren bracht’. Wolf, Ruth. (1980) Van alles het middelpunt. Over leven en werk van Carry van Bruggen. Amsterdam: Querido: 193. Zie ook de brief van Judy Mendels over Van Bruggen in Fontijn & Schouten (1985): 51–53.

tivisme.151 Haar vroegste werken stonden nog onder invloed van het naturalisme, maar met Heleen (1913) vond zij een eigen stem. Het ging haar om de mens, en niet om mooischrijverij. In veel romans komt een vrouwelijke hoofdpersoon voor die zoekt naar de balans tussen collectiviteit en individualiteit, tussen overgave en zelfbehoud. Met haar laatste roman Eva (1927) bereikte ze de zuiverste vorm van een bewustzijnsroman. De filosofische achtergronden van het individualisme in de literatuur beschreef ze in het lange essay Prometheus (1919), dat wisselend werd ontvangen. De joodse thematiek is het sterkst aanwezig in Breischooltje (1910), De Verlatene (1910), Het joodje (1914) en in de latere romans Het huisje aan de sloot (1921) en Avontuurtjes (1922) waarin ze terugkijkt op haar jeugd. Haar werk vertoont bovendien sporen van lesbische verlangens.152 Josepha Mendels’ favoriet, De Verlatene (1910), gaat over de tragiek van een vrome jood wiens kinderen losraken van het geloof. In het arme gezin Lehren gaan de twee jongens en twee meisjes na de dood van hun moeder allemaal huns weegs. Josef komt terecht in een liberaal joods milieu, wat voor zijn vader onverteerbaar is. Daniel, een wat in zichzelf gekeerde jongen die wel geloven wil, kan niet omgaan met de poppenkast die het geloof in zijn ogen is geworden, waarbij mensen betalen om een rol te spelen in de synagogedienst. Wanneer hij op een dag van pure weerzin de sjoel uitloopt tijdens de plechtigheden voor het oog van de hele gemeente, hoeft hij van z’n vader niet meer terug te keren. Esther probeert van jongs af aan haar joodse identiteit in te ruilen voor iets beters. Zij lijdt enorm onder het antisemitisme en trouwt jong met een veel oudere niet-joodse man. Later keert zij, krankzinnig geworden, terug naar het ouderlijk huis. Roosje blijft het langst thuiswonen en verzorgt haar vader, die steeds behoeftiger wordt. Ze doet werktuigelijk wat van haar verwacht wordt. Wanneer zij haar niet-joodse vriend op een dag mee naar huis durft te nemen, blijkt haar vader net overleden te zijn. Bij Mendels moet De Verlatene herkenning hebben opgeroepen. Ook zij was bezig zich los te maken van het jodendom. Madelon de Keizer verklaart het succes van Van Bruggens vroege, joodse romans uit de ‘toenmalige nostalgische tendens in Europa om authentieke culturen die in de moderne tijd verloren gingen, te musealiseren – als bewonderenswaardig relict tentoon te stellen’.153 Dit gold dan voor de niet-joodse lezers die zich klaarblijkelijk druk na druk vergaapten aan een wereld die hen vreemd was. De Keizer: ‘Kennelijk voorzag haar werk in een behoefte kennis te nemen van de dramatiek van het verval van het Nederlandse jodendom en het pijnlijke integratieproces van de joden in de Nederlandse samenleving.’154 Jos had die dramatiek sinds haar jeugd aan den lijve ondervonden, ook al was bij haar geen sprake van het uitgesproken antisemitisme waarover Van Bruggen schreef en waaronder zij in haar jeugd geleden had. Jos – en zeker ook Van Bruggen – wilde in haar volwassen leven niet bij joden horen, maar hoorde niet bij de niet-joden. Ook de opstandige houding van Van Bruggen ten opzichte

151. Gebruikte bronnen: J.M.J.Sicking (1993) Overgave en verzet. De levens en wereldbeschouwing van Carry van Bruggen. Groningen: Passage. Geeft een inzicht in haar filosofisch gedachtegoed. M.A. Jacobs (1963) Carry van Bruggen Haar leven en literair werk. Gent: Heideland is verouderd.

Ruth Wolf (1980) is charmant maar impressionistisch. Fontijn & Schouten (1985) geeft veel informatie. Tenslotte zijn er de drie essays van De Keizer (2006) die actueel en scherp zijn en onder andere Van Bruggens positie als Europees modernistisch schrijfster willen versterken.

152. Koning, Wouter de (2002), ‘Biseksualiteit in het werk van Carry van Bruggen. Meisjes kussen elkaar toch niet op de lippen?’, in: Lover, tijdschrift over feminisme, vol. 29, afl. 1 /mrt: 42–45, 57. 153. De Keizer (2006): 34. 154. Ibidem: 34–35. 67

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

van de zeer beperkte plaats van de vrouw binnen de religie zal Jos hebben aangesproken. Van Bruggens werk was een eye-opener en het is dan ook waarschijnlijk dat Josepha’s beeld van het vrouwelijk schrijverschap voor een deel op de reputatie van Van Bruggen is gebaseerd. Aan de vooravond van de verschijning van haar eerste roman, vele jaren later, zou ze aan een vriend vragen ‘Denk je dat ik een tweede Carry van Bruggen zal worden? […] Ik lijk op haar maar zij is krankzinnig geworden,’ waarmee Mendels zichzelf omschreef als joods auteur en onconventionele vrouw.155 Recensenten zouden de schrijfsters later met elkaar vergelijken, zoals W.L.M.E. van Leeuwen in de jaren veertig en Frida Balk, Elsbeth Etty en Diny Schouten in de jaren tachtig.156

Josef Cohen, literair inspirator Jos vervolgde haar literaire tocht. Ze werd een frequent bezoeker van de openbare leeszaal in Groningen, die aan de Vismarkt gevestigd was. Daar leerde ze een man kennen, de directeur Josef Cohen.157 Hij had drie broers van wie David Cohen later bekend zou worden als voorzitter van de Joodse Raad. Josef Cohen was getrouwd met een christelijke vrouw en had twee kinderen. Aan het joodse geloof, waarin hij was opgegroeid, deed hij weinig meer. Als directeur liep hij dagelijks rond in deze voorloper van de openbare bibliotheek en adviseerde bezoekers over de collectie. In Mendels’ literaire werk en in interviews komt deze man voor. Hij maakt deel uit van haar narratieve identiteit. Ze heeft een romance met hem gehad, het is onduidelijk hoe ver deze ging. Wanneer Jos de leeszaal bezocht, zou hij haar onder het voorwendsel van mooie schilderijen of zeldzame uitgaven naar achteraf gelegen plekjes in de bibliotheek hebben gelokt. Voor ze het wist, zat ze bij hem op schoot te wiebelen. Het gehijg dat de man daarbij voortbracht, weet ze aan een verkoudheid, lepelde ze quasi-naïef op uit haar geheugen.158 Het vermoeden van een aanranding dat gewekt wordt, neemt Mendels bewust of onbewust weg door er op een dergelijke, vrolijke manier over te spreken. Ondanks het leeftijdsverschil hadden zij en Cohen veel overeenkomsten. Hij was net als zij een buitenbeentje geweest in zijn jeugd en had verschillende baantjes gehad. Geboren in Deventer, had hij Duits gestudeerd in Göttingen en was hij journalist geweest in Amsterdam. Op jonge leeftijd publiceerde hij romans en novelles. Een van zijn publicaties, de novelle Barmitswo handelde over een dertienjarig jongetje dat de seksualiteit ontdekte. Een van de broers van Josef Cohen vond dit werk zo onfatsoenlijk, dat hij alle exemplaren opkocht en vernietigde.159 Cohen had een artistieke inslag en was niet geknipt voor formaliteiten en grote verantwoordelijkheden. Hij had regelmatig onenigheid met het

155. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [januari 1947]. 156. Leeuwen, W.L.M.E. van. (1947) ‘Literaire Kroniek’, Tubantia 26 april 1947. Balk (1980). Ook Etty, Elsbeth. (2012) vergelijkt Josepha Mendels met Carry van Bruggen. ‘Josepha Mendels: Lichtend voorbeeld voor de moderne vrouw’, in: Jacqueline Bel & Thomas Vaessens (red.), Schrijvende vrouwen: Een kleine literatuurgeschiedenis van de 68

lage Landen 1880–2010. Amsterdam UP. Diny Schouten ziet veel overeenkomsten tussen Als wind en rook en De Verlatene. Schouten, Diny. (1981) ‘Frauenliebe und –leben’, in: Vrij Nederland, 19 december 1981. 157. De openbare bibliotheek in Groningen wijdde in 1987 een tentoonstelling aan het leven en werk van Josef Cohen (1886–1965). Het boekje dat hierbij verscheen, is als

bron gebruikt voor gegevens over het leven van Cohen. Sijens, Doeke. (1987) Josef Cohen: literator en bibliothecaris. Groningen. Cohens dochter Riwka Bruining publiceerde in 1974 de autobiografische roman Een droge boterham met affectie (Amsterdam: Querido) waarin haar vader als een vrijbuiter wordt afgeschilderd. 158. Nord (1981): 11. 159. Sijens (1997): 8.

bestuur over de wijze waarop hij de leeszaal leidde. Wanneer het kon, wandelde hij met Jos langs de slootjes buiten Groningen. Josef nam zijn zwembroek mee en maakte die nat, om zijn vrouw in de waan te laten dat hij had gezwommen. Pikant is, dat die echtgenote, Corry Cohen-van Hamersveld, een door Jos zeer gehate lerares ‘nuttige handwerken’ op de huishoudschool was. Haar omgang met Josef zag ze als een lichte vorm van wraak.160 In de roman Heimwee naar Haarlem (1958) heeft Josepha Mendels een hoofdstuk aan de bibliotheekdirecteur gewijd. Josef treedt hier op onder de naam David. Hij loopt met haar langs een slootje en maakt zijn zwembroek daarin nat. Hij zegt dat hij echt houdt van Roberta, zoals de ik-figuur in deze roman heet. Hij wil scheiden van zijn vrouw om met haar verder te gaan. Roberta trekt zijn mooie praatjes in twijfel. Zal hij niet tegen haar liegen zoals hij nu tegen zijn vrouw liegt? Maar David is vastbesloten. Hij is de vele echtelijke ruzies beu. Hij gaat vast voorbereidingen treffen om zijn huwelijk te ontbinden. In die tijd kan Roberta mooi haar eindexamen afleggen. Zonder vooraankondiging belt hij op een dag aan bij Roberta’s ouders met de bedoeling hen een voorstel te doen. Roberta is net boven haar haren aan het wassen. Voordat hij zijn verhaal kan houden, wordt hij het huis uit gestuurd want zijn reputatie is hem vooruit gesneld. Ook in werkelijkheid zou Josef Cohen het ouderlijk huis van Jos zijn uitgebonjourd, terwijl Jos bovenaan de trap het schouwspel gadesloeg met shampoo in haar haren. Mendels vertelt dit althans in de film die Eric Mendels over zijn moeder maakte. Door zijn overhaaste vertrek moesten hem hoed en wandelstok door de meid nagebracht worden. De schande was groot.161 Deze gebeurtenis leidde tot een reeks koppelpogingen van Jos’ ouders, om haar maar zo snel als mogelijk netjes onder te brengen. Maar hun smaak kwam niet overeen met die van hun dochter. Jos’ belangstelling voor mannen was nu definitief gewekt en zij legde zelf contacten. Sally van Amerongen, wiens ouders een pettenwinkel dreven, vond haar vader beneden hun stand. De jongen van hoedenwinkel Tuyt die haar ouders voor de sabbatmaaltijd inviteerden, viel bij Jos niet in de smaak.162 De mooie, joodse Bob, met wie Jos in de synagoge door middel van gebaren contact maakte tijdens het urenlange gebed op Grote Verzoendag, bleek een zwijgende passieveling. Sam Baumgarten die met haar wilde gaan, werd door Jos te jong bevonden. Een niet-joodse jongen was niet aan de orde. ‘Dan kan ze net zo goed met een paard aankomen’, was haar vaders mening daarover.163 Aan de interesse die Jos voor mannen aan de dag legde, blijkt dat ze op deze leeftijd kennelijk nog niet besloten had zelf niet trouwen, al was haar kritische gedrag er wel een voorbode van. De zusjes Ada en Edith waren ook nog niet in het huwelijk getreden. Edith beleefde volgens Welkom in dit leven in die jaren een treurige geschiedenis. Ze had een joodse jongen ontmoet, die voor een mooie carrière in overheidsdienst naar Nederlands Oost-Indië was vertrokken. Edith mocht niet naar hem toe, want ze zou daar niet koosjer kunnen eten. Hun contact beperkte zich daarom noodgedwongen tot brieven. Iedere zondag haalde ze zijn post op van het post-

160. Mendels, Eric. (1979). In Nord (1981): 11 staat abusievelijk dat CohenVan Hamersveld de zanglerares van Mendels was.

161. Ibidem. 162. Mendels (1981): 29. 163. Ibidem: 30.

69

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 1 ‘Het jodinnetje dat zo mooi opstellen kon schrijven’

kantoor in Groningen. Op een dag was er geen brief. Jules bleek zichzelf van het leven beroofd te hebben.164 ‘Een leven is verstild’, schreef Josepha hierover.165

Literaire inspiratie Naast andere bronnen is Josepha’s belangstelling voor literatuur op te maken uit een schriftje waarin ze van juni 1922 tot oktober 1923 literaire citaten noteerde.166 Mogelijk verzamelde ze op eigen kracht haar collectie, mogelijk fungeerde Josef Cohen als gids. Van hem is in ieder geval een gedicht opgenomen en een ander kan aan hem worden toegeschreven. Bij veel van de citaten is een foto van de auteur geplakt, waarbij geboorte- en indien van toepassing, sterfdatum, is gevoegd. We zien onder andere proza- en poëziefragmenten van Willem Kloos, J.C. Boutens, P.H. van Moerkerken, Ary Prins en Israel Querido. Ook is een behoorlijk aantal vrouwelijke auteurs vertegenwoordigd: Jacqueline van der Waals, Top Naeff, Hélène Swarth, Jo van Ammers-Küller, Albertine Draayer-de Haas, Else Anwijk Fack, Marie Verhoeven-Schmelz, Ellen Parqui, Elisabeth Zernike, J. IJssel de Schepper-Berker, Augusta de Wit, Marie Rubben-Koenen, Fenna de Meyier, Jo de Wit en Annie Salomons. Het is een staalkaart van auteurs die in de jaren twintig publiceerden of daarvoor al hun naam gevestigd hadden, zowel uit de wat uit de gratie geraakte Tachtigers, als meer eigentijdse auteurs. De ‘vrouwenroman’ mocht zich in een grote belangstelling verheugen. Sinds het begin van de eeuw betraden historisch veel vrouwelijke auteurs het literaire veld, tientallen in de eerste drie decennia. Hoewel zij zich niet aansloten bij een tijdschrift of een beweging, en hun thematiek noch hun poëtica eenduidig was, werden ze door critici gezien als een groep en werd hun werk onder de noemer ‘vrouwenromans’ geplaatst.167 De jonge mannelijke literaire generatie, onder wie Anthonie Donker, E. du Perron en Menno ter Braak, verzette zich in de loop van de jaren twintig steeds meer tegen de ‘vrouwenroman’, die zij plaatsten in een verwaterde variant van de naturalistisch-realistische traditie. De psychologie was niet goed uitgewerkt, beschrijvingen waren te uitvoering en er was te veel sprake van een Hollandse (burgerlijke, bekrompen) sfeer.168 De romans werden zelfs sterk geassocieerd met theedrinken: ‘Thee symboliseert het knusse, kleinschalige, het burgerlijke en het banale dat de ‘vrouwenroman’ uitademt […].’169 Niettemin hadden de vrouwelijke auteurs grote commerciële successen, en waren er uitschieters van enorme oplagen die door mannelijk auteurs niet behaald werden zoals Ida Boudier-Bakker’s De klop op de deur (1930), Jo van Ammers-Küller met De opstandigen (1925) en Alie Smeding met De zondaar (1927), dat ook een pornografieschandaal veroorzaakte. Een van de conclusies over de receptie van het werk van vrouwelijk auteurs van Erica van Boven, auteur van Een hoofdstuk apart: ‘vrouwenromans’ in de literaire kritiek 1898–1930 luidt dat de critici een dubbele standaard hanteerden waarbij ‘vrouwelijkheid’ onverenigbaar geacht werd met ‘kunstenaarschap’.170 Carry van Bruggen ontliep meestal dergelijke bevooroordeelde beoordelingen. Zij zal dit voor een deel te danken hebben

164. Ibidem: 15. 165. Ibidem: 16. 166. Het schriftje bevindt zich in het Letterkundig Museum, nummer M 00462. 70

167. Boven, Erica van. (1992) Een hoofdstuk apart. “Vrouwenromans” in de literaire kritiek 1898–1930. Amsterdam: Sara / Van Gennep: 59, ook 339–340. 168. Ibidem: 79–80.

169. Ibidem: 91. 170. Ibidem: 262.

gehad aan het gebrek aan ‘bewustzijnsverenging’ in haar werk, haar distantie tot collegaschrijfsters in haar stukken over literatuur en aan de groeiende verwantschap van haar werk met dat van de jongere generatie.171 Zelf zou Jos nog met de naweeën van deze beperkte visie op vrouwenromans te maken krijgen. Ook na de oorlog kwam het bijvoorbeeld voor dat vrouwelijk auteurs gezamenlijk besproken werden. Jos oriënteerde zich op de literatuur van haar tijd en kreeg waarschijnlijk weinig mee van de vooringenomenheid van de critici. Terugkerende onderwerpen in haar citaten zijn liefde, verliefd zijn, moeders en moederliefde, maar de thematiek is breder. Een fragment waar de naam van Josef Cohen bij is vermeld, schreef Jos op 9 juli 1922 in haar literaire schrift: Vrees niet wat mensen zeggen. Wat mensen zeggen gaat voorbij, Als een donkere wolk op een zomerdag. Wil met mij gaan langs deze weg De bloemen zijn er mij bekend De vogels zingen mij hun lied Ik zal je leren hoe je minnen moet Vergeet jezelf en je zult herinnerd zijn. De Zaligmaker (1921) van Jo van Ammers-Küller is eveneens vertegenwoordigd in het schrift: ‘Het lichtende geluk, de kracht van dat jonge liefde-gevoel, die roekeloze moed om, boven schuld en schande, boven hoon en giftige verwijten uit, zoo volkomen, zoo mateloos en over alle grenzen verliefd te durven zijn.’ Van Jacqueline van der Waals nam Jos het gedicht ‘Moeder’ over uit Laatste Verzen (1922), van de Tachtiger P.C. Boutens een vers dat eindigt met: ‘Want mijn liefde is niet voor u’. Ook naturalistisch aandoende strofen als ‘de dag is schoon maar / schooner nog de nacht / Dan opent zich de ziel der dingen / en woud en wilde beken zingen / met diepen pracht’ uit P.H. van Moerkerkens bundel XXX Verzen (1907). Van de socialistische realist Israel Querido een prozafragment uit De Oude wereld: Het land van Zarathustra (1918–1921) een romancyclus waarbij hij de Oudheid als inspiratie gebruikte. Van de realist Herman Robbers een passage uit zijn literair-kritische Het ontstaan van een roman (1922) ‘Zoo vertrouw dan ook uzelf en uw medemensen, veroordeelt nooit, maar helpt elkander, zelf zult ge niet veroordeeld, maar geholpen worden.’ Jos verzamelt wijsheden en aforismen, zoals meer meisjes in die tijd deden, op zoek naar kennis over het leven. Enkele schreef ze in haar poëziealbum. ‘De zon is hoog, héél hoog, niemand bereikt haar. Slechts weinigen krijgen den zegen van hare stralen’, schreef ze in 1918. In een rijper handschrift noteerde ze eronder: ‘Omdat? ….ze er geen moeite voor doen en er geen strijd voor over hebben.’172 Uit andere bronnen is bekend dat Jos ook kennis nam van het werk van Alie Smeding en dat deze haar beïnvloed heeft. Deze uit Enkhuizen afkomstige auteur getuigde in

171. Ibidem: 108–109 over hoe Carry van Bruggen zich uitliet over schrijfsters. 172. Poëziealbum JM. 71

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

haar werk van het loskomen van haar gereformeerde jeugd. Met rode oortjes nam ze ook Phil’s amoureuze perikelen tot zich, het debuut van Emmy van Lokhorst dat in 1917 verscheen. Die roman gaat over de moeizame betrekkingen die het hoofdpersonage met mannen onderhoudt. Of Jos in de periode dat ze deze notities maakte, zelf ook schreef is niet te achterhalen. Pas in 1927 publiceerde ze haar eerste gedicht. Ze zou onder het pseudoniem Soj Slednem wel eerder het verhaaltje ‘De blauwe ogen van mevrouw Dolfijn’ in het Groninger Ochtendblaadje hebben gepubliceerd.173 De literaire aantekeningen stoppen in oktober 1923, de maand voorafgaand aan het vertrek uit Groningen. Jos had toen zowaar een diploma op zak: de akte lager onderwijs. Het was een zware opgave geweest, met bijlessen en nog eens wisselen van opleiding. 174 Ze had nu een beroep, ook al had ze geen minuut voor de klas gestaan. Naar dit diploma had ze reikhalzend uitgezien. Het was haar entree tot de vrijheid. Nu kon ze eindelijk, en ditmaal definitief, Groningen verlaten.

173. Mendels, Josepha. (1949) ‘Josepha Mendels geboren 18 juli ... te Groningen’ in: Singel 262: zesentwintig biografieën. Amsterdam: N.V. Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij en n.v. Em. Querido’s Uitgeversmaatschappij: 48–50. Het Groninger dagblad 72

Ochtendblad voor de Noordelijke Provinciën kan in de volksmond het Groninger Ochtendblaadje hebben geheten. Een verhaal van Josepha Mendels werd niet aangetroffen in de periode juni 1920 tot november 1921. 174. Mendels, Eric. (1979).

HOOFDSTUK 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

Jos en haar zussen Ada en Edith maakten deel uit van de eerste generatie middenklassevrouwen die zonder in maatschappelijk aanzien te dalen een betaalde baan konden aanvaarden. Dat deden ze gretig. Naast het onderwijs en de verpleging werd het kantoor een plek waar ze aan de slag konden. Enerzijds was dit te danken aan de effecten van de eerste feministische golf, anderzijds leverde de industrialisatie functies op en zorgde zo voor nieuwe werkgelegenheid. Vanaf 1897 werd er, mede door het grote succes van de Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid, volop in de kranten, tijdschriften en tijdens lezingen gediscussieerd over de vraag of de vrouw kon deelnemen aan het arbeidsproces en zo ja, onder welke voorwaarden.1 De roman Hilda van Suylenburg (1897) van Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk, waarin een vrouw voorkomt die gelukkig wordt van werken, was een bijdrage aan die discussie. Een behoorlijk deel der natie geloofde toen, net zoals een van de personages uit die roman, dat een vrouw lelijk werd van kantoorwerk.2 Nog geen 25 jaar later zouden Edith en Ada juist dat werk gaan doen. Zij ontvingen waarschijnlijk een voorlichtingbrochure van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid, dat was opgericht met de 20.000 gulden die over was van de tentoonstelling. Ieder meisje dat van school afkwam, kreeg zo’n brochure. Na haar hbs-diploma was Edith in 1915 Engels gaan studeren aan de Groningse universiteit en lid geworden van Magna Pete, een studentenvereniging voor vrouwelijke studenten die opgericht was in 1898.3 In oktober 1919 vertrok ze naar Amsterdam zonder haar diploma gehaald te hebben. 4 Een maand later volgde Ada haar. Edith vond een baan als kantoorbediende in Amsterdam. Een dergelijke betrekking omvatte typen, boekhouden, correspondentie (Nederlands en buitenlands, in Ediths geval Engels) en steno. Ze ging wonen aan het Sarphatipark 121, op de bovenste verdieping. Ada was twintig jaar en had mogelijk na haar hbs-diploma alleen een opleiding tot typiste gevolgd. Het personage dat naar haar voorbeeld voorkomt in Josepha Mendels’ roman Je wist het toch… (1948), Mirjam, was voor haar huwelijk typiste en woonde in een pension. In Groningen was weinig keus in kantoorwerk. De graan- en veehandel was weliswaar omvangrijk, maar bood niet veel werkgelegenheid. Ook bij de overheid, die destijds als grootste werkgever gold, was een zeer bescheiden aantal betrekkingen beschikbaar.5 Werkgevers met een joodse achtergrond waren in Amsterdam ruim voorhanden in de textiel, in de drukkerij en grafische industrie, het bank- en effectenwezen,

1. Het belangrijkste andere item in die tijd was vanzelfsprekend de verkrijging van het actief en passief kiesrecht, waarvoor in 1894 de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht was opgericht. 2. Haan, Francisca de. (1992) Sekse op kantoor: over vrouwelijkheid, mannelijk-

heid en macht, Nederland 1860–1940. Hilversum: Verloren: 51. 3. Brief van A.C. Bleeker-Vonk aan JM, 10 november 1981. De briefschrijfster was samen met Edith lid geweest van Magna Pete. 4. Groninger Archieven, toegang 1161:

GVSC Magna Pete, inv. nr. 1033. In de almanak met lijsten van studenten die een diploma hebben gehaald, komt Edith Mendels niet voor. Toegang 1766, cat. nr. 28. 5. Duijvendak & de Vries (2003): 89 e.v.

73

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

Kindermeisje in Overveen

Ada, Josepha, Edith de metaalindustrie, het grootwinkelbedrijf en de voedings- en genotmiddelenindustrie. De diamantindustrie was vrijwel geheel in handen van joodse ondernemers.6 Maar het is niet zeker dat Edith voor een joodse werkgever koos. De werkgever waar ze lang werkte was Blikman & Sartorius, een grote niet-joodse firma in kantoorartikelen.7 Tijdens haar studie en het lidmaatschap van een algemene studentenvereniging kon zij zich al niet houden aan religieuze verplichtingen, zoals koosjer eten en het in ere houden van joodse treur- en feestdagen. Haar vader had dit kennelijk toegestaan. Er woonde inmiddels meer familie in de hoofdstad. Isidores zus Mietje, die was getrouwd met weduwnaar Elias de Lange en vijf kinderen had en met wie zij nog een zoon kreeg: Isidore (Issie) de Lange. Het huwelijk duurde kort, haar echtgenoot overleed binnen vijf jaar waardoor Mietje weduwe werd. Mietje en Edith zouden in de jaren dertig op hetzelfde adres gaan wonen. Maurits, Isidores jongste broer, woonde met zijn vrouw Sara Mendels-Stokvis en hun dochter Judica, na omzwervingen in Zaandam en Hilversum, vanaf 1913 aan de Prinsengracht. Maurits koos na verschillende functies in de landelijke politiek voor de SDAP voor zijn advocatenpraktijk, die hij vanaf 1919 combineerde met het lidmaatschap van de Eerste Kamer. Isidores andere broer Jacques, handelaar in modeartikelen, woonde ook in Amsterdam, maar overleed in januari 1919 op 55-jarige leeftijd. Zijn vrouw Anna Citroen en hun dochter Marianne (Jantie) vertrokken naar Berlijn. Hun zoon Lodewijk bleef in Amsterdam.

6. Berg, Hetty. e.a. (1994) Venter, fabriqueur, fabrikant: joodse ondernemers en ondernemingen 1796–1940. Amsterdam: JHM. De auteurs stellen overigens dat het lastig is om een definitie te geven van de joodse ondernemer. 7. Edith Mendels wordt in de bedrijfs74

geschiedenis van Blikman & Sartorius genoemd als een van de drie, als enige joodse, werknemers die de oorlog niet overleefde. Graft, Mej. Dr. C.C. van de [z.j.] Lotgevallen van een Amsterdams Koopmanshuis 1749–1949. Amsterdam: Blikman & Sartorius N.V.: 250.

In de zomer van 1922 werd Jos 20 jaar. Ze brandde van verlangen om net als Edith het ouderlijk huis te verlaten. Maar onderwijzeres worden, zoals in de lijn der verwachting lag vanwege haar zo moeizaam verkregen akte, was niet haar eerste keus. Het salaris voor een onderwijzeres met akte lager onderwijs was slecht en ongehuwde vrouwen konden geen zelfstandige woonruimte krijgen.8 Dat betekende, dat ze alsnog thuis zou moeten blijven wonen, of een kamer zou moeten huren bij een hospita. Bovendien was het zeer de vraag of Jos geschikt was om voor de klas te staan. Ze realiseerde zich ongetwijfeld dat ze in niets leek op de doorgaans strenge, autoritaire onderwijzeressen die een grote klas onstuimige kinderen in het gareel moest houden. Haar eigen schoolcarrière was verre van vlekkeloos verlopen. Bovendien zou ze maar een deel van het lesprogramma met overtuiging kunnen brengen. Ze hield van taal, van opstellen schrijven en van declameren, maar rekenen kon haar nauwelijks boeien. Jos werd daarom geen onderwijzeres maar kindermeisje. Ze kon zo het huis uit, ze ging met kinderen om en had kost en inwoning. Ook voor haar ouders was dit een acceptabele keus, al was het wat laag op de maatschappelijke ladder. Haar fantasie om zeventien kinderen te krijgen, breidde ze uit met de wens die allemaal zelf les te geven. Een rol als kindermeisje was daar niet zo ver van verwijderd. Bij kinderen kon Jos zelf kind blijven. De functie die ze zou gaan uitoefenen, was in de jaren twintig aan het veranderen. Echte gouvernantes bestonden bijna niet meer.9 Hun werkkring, adellijke families, werd kleiner, scholen werden beter bereikbaar en de Leerplichtwet van 1900 bepaalde dat ieder kind van zeven tot dertien jaar onderwijs moest volgen, overigens niet noodzakelijkerwijs op school. Traditioneel bereidde een gouvernante meisjes (ook wel jongens) voor op een bestaan in de maatschappij. Voor meisjes betekende dit vooral talenkennis, sociaal gedrag en handwerken. In de overgangsperiode van 1900 tot ongeveer 1940 bleef er wel vraag naar gouvernantes, maar hun taken veranderden.10 De te verzorgen kinderen gingen bijvoorbeeld wel naar school (jongens op een jongere leeftijd dan meisjes) en de gouvernante stond hen dan bij met huiswerk of muziekles. Het woord gouvernante verdween en maakte plaats voor au pair of kindermeisje. Dat maakt meteen duidelijk dat het niet meer alleen om onderwijs en opvoeding ging, maar ook om verzorging. Jos kreeg zo’n gecombineerde functie. Na een kortstondig dienstverband bij een gezin waarmee ze naar Zwitserland reisde, kwam ze terecht in Overveen.11 Het ging om Maurits Rozelaar en zijn vrouw Sara Rozelaar-Franken (Saar) die zojuist waren teruggekeerd van een tweejarig verblijf in Engeland.12 Rozelaar was met zijn gezin in september 1921 van Bloemendaal naar Brighton vertrokken, waar hij directeur was geworden van de

8. Rond de eeuwwisseling gingen diegenen die een akte lager onderwijs hadden gehaald, door voor een hoofdakte omdat alleen daarmee een redelijk inkomen verworven kon worden. Van Essen (2006): 164. 9. Huisman, Greddy. (2000) Tussen salon en souterrain: gouvernantes in Nederland 1800–1940. Amsterdam: Bert Bakker: 179 e.v.

10. Ibidem: 191. 11. Over de familie waarmee ze naar Zwitserland reisde, schreef Mendels: ‘Daarna met een familie mee naar Zwitserland. Ik haatte van de eerste dag af aan de sombere bergen en de trotse Mevrouw.’ Mendels (1949): 48–50. 12. In Nord (1981) staat ten onrechte dat het een verblijf in Ierland betrof. 75

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

National Diamond Factory. Deze fabriek was een van drie die waren opgericht door de tot Brit genaturaliseerde Duitser Bernard Oppenheimer.13 Zijn fabrieken vormden een directe concurrent van de Amsterdamse diamantindustrie. Brighton had voor op Amsterdam dat ruwe diamant werd gedolven op Brits grondgebied, namelijk in Zuid-Afrika. Door gebrek aan succes en het voortijdige overlijden van Oppenheimer in juni 1921 moesten de fabrieken in 1923 hun deuren sluiten. Rozelaar stond op straat, maar hij zat niet bij de pakken neer. Hij keerde terug naar Nederland en pakte zijn handel op aan de diamantbeurs in de Amsterdamse Sarphatistraat, waar hij voor zijn vertrek naar Engeland ook gewerkt had. De Amsterdamse diamantindustrie was na de Eerste Wereldoorlog een substantieel deel van de omzet kwijtgeraakt aan Antwerpen en kon alleen nog terugkijken op de hoogtijdagen, maar Rozelaar hield het hoofd boven water. De Rozelaars waren een geassimileerd gezin, dat niet meer sterk hing aan de joodse gebruiken, hoewel Saar een stuk traditioneler was dan Maurits.14 Maurits was een vrij kleine, verzorgde man die hoffelijk was voor vrouwen. Hij kon af en toe driftig zijn. Zijn vader en broers waren ook werkzaam in ‘de diamant’. Saar was een wat stijve, wereldvreemde en onaantrekkelijke vrouw. Ze had een zwakke gezondheid en besteedde haar schaarse energie vooral aan vioolspelen. Maurits’ vader vond het belangrijk dat zijn zoon joods trouwde en had dit huwelijk, tussen een neef en een nicht, gearrangeerd. Huwelijken tussen leden van de families Rozelaar en Franken kwamen veel voor. Er waren twee kinderen geboren: Paul en Anna. Jos trok in november 1923 bij dit gezin in op de Julianalaan 28, een ruim, drie verdiepingen tellend, pand. Overveen was toen net als nu een stil dorp, aan de noordwestkant geflankeerd door de duinen en de chique villa’s van Bloemendaal en aan de oostkant door Haarlem. De twee jonge kinderen hadden bijles nodig om hun in Engeland opgelopen achterstand in het Nederlands in te halen. Paul van negen en zijn zus Anna van zeven moesten vooral Nederlands leren schrijven. Al na vier maanden bereikten ze het niveau dat bij hun leeftijd hoorde, vertelde Josepha later. Het is waarschijnlijk, vanwege de lichamelijke zwakte van Saar, dat Jos een groot deel van de verzorging op zich nam: brengen en halen van school, ook tussen de middag, ontbijt en lunch verzorgen, de kleding klaarleggen, de kinderen bezighouden in de vakanties. Jos had in het huis geen eigen kamer, haar bed stond op een van de kinderkamers. ’s Avonds at ze – naar eigen zeggen – mee aan tafel met de Rozelaars. Josepha’s tijd bij de familie vertegenwoordigde een verdere verwijdering van haar vader en zijn orthodoxie, zonder een breuk te betekenen. Bij de Rozelaars werd niets aan de joodse gebruiken gedaan, maar het is waarschijnlijk dat de sfeer er herkenbaar was. Geassimileerde joden lieten bijvoorbeeld als allerlaatste de voedselvoorschriften los. Ook zal de vrijdagavond op een of andere wijze anders beleefd zijn dan de andere dagen van de week. Josepha functioneerde drie jaar in dit geassimileerde milieu voordat haar vertrek door een schandaal werd ingeluid.

13. Zie voor de achtergronden van het ontstaan van de Engelse diamantindustrie in Brighton, de betrokkenheid van de Nederlandse vakbondsleider Henri Polak en die van de Engelse regering: Bloemgarten,Salvador. (1993) 76

Henri Polak: sociaal democraat 1868–1943. Den Haag: Sdu: 405–459. 14. De typering van Sara en Maurits is afkomstig van M.L. Rozelaar-Chevallerau (2008, 2009) en van Saul Groen (2009).

‘Why did I kiss that girl’ Dienstmeisjes, kindermeisjes en andere vrouwenberoepen waarbij intern wonen aan de orde was, droegen een zeker risico voor het meisje in zich: het kwam op grote schaal voor dat zij door de heer des huizes of diens zoon gebruikt werden om hun seksuele lusten op te botvieren. Dit was voor veel meisjes reden om een ander beroep te kiezen. De interne meisjes zaten in een ondergeschikte positie, ze waren beschikbaar en seksueel contact met hen was veiliger en goedkoper dan met een prostituee. ‘[Zij] bevond zich onmiddellijk in een uitzichtloze positie: afwijzen, klikken, toegeven, wat moest zij doen? Zij kon alleen maar verliezen,’ aldus Ileen Montijn in haar charmante schets van de hogere burgerklasse Leven op stand 1890–1940.15 Ook al kwam Jos niet uit een lagere klasse dan de familie Rozelaar, ze was personeel en daarmee ondergeschikt. Maurits zocht inderdaad toenadering tot Jos, waarna een affaire ontstond. Verliezen deed zij echter niet. In Maurits bleek zij een man gevonden te hebben die haar voor de rest van zijn leven op handen zou dragen en veel van haar grillige gedrag zou accepteren. Als kindermeisje was ze misschien beschadigd, maar het incident heeft een verdere loopbaan niet in de weg gestaan. Over haar ervaringen met Maurits Rozelaar heeft Josepha Mendels op een kleurrijke manier verteld in interviews, in gesprekken met Max Nord voor de monografie en de roman Heimwee naar Haarlem (1958) is erop gebaseerd. Daarmee maken de verwik­ kelingen deel uit van haar narratieve identiteit. De toonzetting van dit deel van haar geschiedenis, waarop ze in de jaren vijftig terugkeek toen ze de roman schreef en nogmaals in de jaren tachtig toen ze erover sprak, is ronduit luchtig. Ze profileert zichzelf als een handelende, actieve vrouw en legt de schuld van het overspel van Rozelaar bij zijn echtgenote, die niet heeft opgelet. Haarzelf treft vanzelfsprekend geen enkele blaam. Bij de eerste kennismaking was ze al gecharmeerd van Maurits, herinnerde ze zich: ‘De eerste dag dat ik er werkte, kwam er tegen de avond een heerlijk riekende man binnen, een vrolijke vent. […] Hij was de eerste leuke, frisse, prettige man die ik ontmoette. Een sensuele man die lekker rook naar Chanel no. 5.’16 Deze vrouwengeur bij uitstek werd in 1921 op de markt gebracht. Aan Max Nord vertelde ze hoe ze Maurits in de avonduren beter leerde kennen. De diamantair had een radio, een grammofoon en een stel grammofoonplaten waar ze samen naar luisterden.17 Tijdens het lied ‘Why did I kiss that girl why oh why oh why?’ zou hij haar voor het eerst gekust hebben, een bijzonder groot en fantasierijk toeval. Uit een aantal andere bronnen wordt duidelijk, dat dit de aanzet was tot de affaire die ze vervolgens kregen. Jos was toen 22 en Maurits 37 jaar.18 Het was een liefde van de neus, geur was voor Jos heel bepalend. Als het even kon sloop ze overdag naar de ouderslaapkamer om de pyjama van Maurits te besnuffelen. Diep zoog ze zijn lucht in zich op.19 Ze was er dan ook niet aan gewend dat mannen lekker konden ruiken. Haar vader was doortrokken van een tabakslucht en werklui

15. Montijn (1998): 238. 16. Schaafsma (2008): 10. 17. Maurits was een early adopter, want de radio deed in 1923 zijn intrede in de huiskamer. De uitzendingen raakten meteen onder invloed van de verzui-

ling. Melching, Willem. (1989) ‘Radio 1910–1930: Van zendmast tot zuil’. Bericht uit 1929: het veelzijdige gezicht van de Nederlandse samenleving ten tijde van de oprichting van het PTT museum. Den Haag: Stichting Het Nederlandse

PTT Museum: 59. 18. Josepha Mendels bevestigt de relatie in een vraaggesprek voor de radio met Etty (1986) en deze wordt eveneens genoemd in Nord (1981): 18. 19. Laseur (1983). 77

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

zoals de wasbaas die vroeger aan huis kwam, roken verre van fris.20 Zelf droeg ze actief bij aan het verleiden van Maurits, ‘daar stelde ik alles in het werk om ‘meneer’ te behagen. Met m’n eerste zijden kousen, en in een rode jurk met witte noppen, alles voor ‘meneer’.’21 Aan Nord vertelde ze dat de intieme ontmoetingen plaatsvonden in het bed van Jos, naast een slapend kind, waarschijnlijk Anna. ‘Het kind sliep lekker vast, dus dat was niet zo erg.’22 Maurits Rozelaar zou er na verloop van tijd een tweede minnares bij hebben genomen, waar Jos geen problemen mee gehad zou hebben. Dit was een vriendin van Saar.23 Het overspelige gedrag van Maurits zou aan het licht zijn gekomen doordat hij eenzelfde horloge aan Jos en aan zijn tweede minnares schonk. Toen Saar dat uurwerk aan de pols van haar kindermeisje zag, zou ze zijn flauwgevallen.24

in de woorden die gebruikt zijn om een ervaring vast te leggen. Mendels beschrijft in Heimwee naar Haarlem (1958) de avond waarop ze de heer des huizes voor het eerst ontmoet:

Josepha Mendels’ roman Heimwee naar Haarlem (1958) refereert sterk aan haar avonturen in Overveen en ze heeft er ook in interviews naar verwezen.25 Maurits Rozelaar stond model voor het personage Bert van Smeent. Hoofdpersoon Roberta komt als kindermeisje in zijn gezin. In plaats van Engeland keert dit gezin terug uit Frankrijk, maar voor het overige zijn de romaningrediënten duidelijk aan de realiteit ontleend. Twee kinderen en een lichamelijk zwakke echtgenote die haar tijd passeert met vioolspelen bevolken de woning. Bert wordt afgeschilderd als een vrolijke, hartelijke, maar eenvoudige man die lekker ruikt naar lavendelwater. Vanwege zaken is hij vaak afwezig, ook in het weekend. Bij terugkeer neemt hij altijd cadeaus mee. Mevrouw gaat iedere avond vroeg slapen, nadat ze een slaappil heeft ingenomen. Bert zoekt al snel toenadering tot Roberta. Eerst legt hij zijn cadeaus in haar bed, vervolgens treft ze hem zelf in haar bed aan. Ze krijgen een verhouding die zich voornamelijk afspeelt wanneer de echtgenote slaapt of weg is. Roberta slaapt zelfs in het echtelijke bed als mevrouw een week weg is. De echtgenote gaat bij hoge uitzondering naar Parijs om haar vioolspel aan een kenner te laten horen. In het volle vertrouwen dat Roberta goed voor de kinderen en haar man zal zorgen, vertrekt ze. Roberta’s schuldgevoelens spelen op, maar mevrouw heeft voorlopig nog niets in de gaten. Wanneer het Roberta duidelijk wordt dat Bert nog een verhouding heeft, namelijk met een vriendin van mevrouw, zorgt ze ervoor dat zij betrapt worden. Mevrouw huilt dikke tranen en Bert moet het huis verlaten. De kinderen zijn nu nog meer aangewezen op Roberta, die afspraakjes met Bert heeft in Amsterdam. Wanneer mevrouw ook achter deze verhouding komt, verlaat Roberta het gezin. Veel later komt ze Bert tegen in Amsterdam. Hij vertelt dat hij in ondertrouw is, maar dat hij die verbintenis wil verbreken als zij met hem wil trouwen. Dat wil ze niet, maar ze hernemen wel hun affaire. Een voorval laat zien hoe nauw de band is tussen Mendels’ literaire werk en haar herinneringen. Net als bij Rolien en Ralien is hier sprake van het stollen van herinneringen

In interviews, waarin ze de werkelijke kennismaking met Rozelaar omschrijft, gebruikt ze een soortgelijke situatie:

20. Van Verre (1982). 21. Laseur (1983). 22. Nord (1981): 18–19. 23. M.L. Rozelaar-Chevallerau weersprak dit (2008). 24. Wester, Rudi. (1986) ‘Ik ben gemaakt om eersteklas te reizen, over 78

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

Anna Bijns-prijs’, in: Opzij, november 1986. 25. ‘Heimwee naar Haarlem’ klonk nu eenmaal beter dan Heimwee naar Overveen, vertelde Josepha Mendels aan Daan Cartens, 2 november 1981, Theater Pepijn, Den Haag.

Ze zijn al met de soep begonnen als Bert van Smeent binnenkomt, ‘Ha, daar is vader!’ roept Fransje, ‘kijk eens, de juffrouw is gekomen. Vind je haar niet leuk?’ ‘Hallo’, is zijn antwoord, en tegen zijn vrouw: ‘Hallo, Boemsje.’ Hij laat zijn koude hand in haar decolleté glijden, zij huivert, duwt hem weg. […] ‘En die dan?’ vraagt Tonnie, zoen je die niet?’ ‘Nog niet’, antwoordt hij en stelt zich voor aan Roberta. 26

Hij kwam de eerste avond thuis, vertelt ze, en – daar is het weer – hij rook zo lekker. Hij zoende zijn vrouw, ‘dag Poelie’, en kinderen. Het meisje vroeg of hij de nieuwe juf niet kuste en hij antwoordde: nog niet. 27 De eerste dag dat ik er werkte, kwam er tegen de avond een heerlijk riekende man binnen, een vrolijke vent. Hij kuste zijn vrouw, hij kuste zijn kinderen. Toen vroeg het meisje: ‘Kus je haar niet?’ ‘Nog niet.’28 Deze korte passage toont opnieuw het stollen van de herinnering en daarmee de grote overeenkomst tussen Mendels’ werk en haar herinneringen.

‘Zorgen dat de aardappels klaar zijn’ Na de ontdekking van de verhoudingen van haar man wilde Saar Franken scheiden.29 Officieel werd de scheiding in augustus 1927 uitgesproken. Maurits vertrok al eerder uit de woning aan de Julianalaan en verhuisde naar de Harmoniehof in Amsterdam.30 Josepha Mendels verklaarde later, dat ze er toen niet veel meer aan vond om de kinderen te verzorgen en in de huishouding te werken en uit Overveen vertrok. Waarschijnlijker is, dat Saar Franken weinig behoefte meer had aan de diensten van Jos. Nu Maurits een vrij man was, was het mogelijk dat Jos en hij zouden trouwen. Hij vroeg haar dan ook.31 Het was voor het eerst in Josepha Mendels’ leven dat een huwelijk zo realistisch was. Ook al was ze dol op deze man, zij verwierp de mogelijkheid onmiddellijk. Trouwen was niet iets waar ze warm voor liep en zeker niet met een zakenman. Daar had ze, net als haar moeder, een grote afkeer van. Later heeft de auteur heel vaak haar mening over het huwelijk geventileerd, ook omdat er steeds naar werd gevraagd.

26. Mendels (1958): 50. 27. Nord (1981): 18. 28. Schaafsma (2008): 10. 29. Mededeling Saul Groen, 2009. 30. Archiefkaart M. Rozelaar. Stadsarchief Amsterdam.

31. JM in een ongedateerde brief aan Sadi de Gorter, jaren veertig: ‘Ik trouw geen man in elektriciteit, of in diamant. Ik zou zo ongelukkig zijn, ik ga nog liever een nacht voor een heleboel geld naar bed, dan is het tenminste

voorbij…. Ik trouw alleen als ik liefheb.’ En tegen een journalist in 1979: ‘In een van m’n eerste werkkringen werd een man op me verliefd, die wilde met me trouwen, toen ben ik weggegaan.’ Van Slooten (1979). 79

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

Ze zag het ‘als een gevangenis. Je bent gevangen en je wordt gecommandeerd.’32 Ze vond het een ‘belachelijk instituut, verouderd, vervelend’, ze zou zich erin ‘opgesloten voelen’.33 En de gedachte voortdurend voor een man klaar te moeten staan, stond haar tegen. ‘Altijd in een kamer, altijd alles voor hem doen. En vooraf toch weten dat je het niet volhoudt.’34 ‘Dat leven, in een huis gezet worden, zorgen dat de aardappels klaar waren, ik kon het niet op me nemen, ik kon het niet.’35 Deze afkeer moet voor een groot deel terug te voeren zijn op het huwelijk van haar ouders. Hun geruzie en de onenigheden hadden haar als kind letterlijk ziek gemaakt. Jos zag dat haar ouders vanwege elkaar een gefrustreerd bestaan leidden. Haar moeder had er waarschijnlijk meer last van dan haar vader. Ze hadden niet de partner die hen op een natuurlijke manier volgde en steunde. Dat was bepalend voor het beeld dat Jos had. In een huwelijk kwam bovendien alles samen waar Jos een weerzin tegen had: het huishouden bleef een levenslange kwelling voor haar. Ze zou zich in een huwelijk niet kunnen ontplooien op de manier die haar voor ogen stond, de ondergeschikte zijn van iemand anders lag haar nu eenmaal slecht. Een schrijverscarrière, waarvan ze droomde sinds ze op haar achtste jaar ‘De kinderen van mevrouw Staphorst’ schreef, zou als getrouwde vrouw onmogelijk zijn. Een laatste niet onbelangrijke factor was de druk die haar ouders uitoefenden om een ideale huwelijkskandidaat te vinden. Wat voor hun ideaal was, was dat voor Jos juist niet. Van haar vader moest de toekomstige man van zijn dochters een jood met een behoorlijke maatschappelijke status zijn. Na de teleurstellende geboorte van een derde dochter had Isidore zijn hoop gevestigd op een ideale schoonzoon. De diamantair Maurits had die toets waarschijnlijk wel doorstaan, hoewel het natuurlijk niet comme il faut was dat hij al getrouwd was geweest. Tenslotte moet Jos zich hebben afgevraagd of Maurits haar gedroomde man was, voor wie ze haar afkeer van alles wat met het huwelijk te maken had, opzij schoof. Daar had ze het antwoord al op en dat luidde ontkennend. Ze zocht poëzie, inspiratie, culturele rijkdom. Ze wilde een man kunnen bewonderen om zijn geest en ze wilde zelf bewonderd worden om wat ze kon en wist op literair en cultureel gebied. Ze wilde gehoord worden. In haar huisde de actrice die ze niet mocht worden van haar vader. Geduld moest ze betrachten voordat ze een podium vond, maar ze werd wel voortgedreven door de drang om in de schijnwerpers te staan. Maurits mocht dan een hartstochtelijk man zijn, erg cultureel aangelegd was hij niet. Hij plaatste haar op een voetstuk omdat ze beschikbaar was voor zijn seksuele behoeften, maar ze was er allang achter dat je met hem ‘een echt gesprek niet kon voeren.’36 Voor het lezen van een roman had hij geen geduld. Zijn taalgebruik was verre van hoogstaand. Muziek was zijn enige culturele passie en hij was een trouw bezoeker van het Concertgebouw. Maar dit was onvoldoende. Er kwam geen huwelijk met Maurits. Op zijn beurt trok hij zijn conclusies. Een klein jaar na zijn scheiding trouwde hij met de niet-joodse Carolina van Duuren (Lientje) met wie hij een zoon kreeg, Hans.

32. Kroon, Mark de. (1986) ‘De late roem van ‚La Josepha’, over Anna Bijns-prijs’ in: privéarchief Mendels. 33. Bijvoorbeeld Van Slooten (1979) en Dijl, Frank van. (1986) ‘Josepha Mendels zou zich met een vent gevangen 80

voelen, over Anna Bijns-prijs’, in: Het Vrije Volk, 1 november 1986. 34. De nieuwe rozengeur [radio-interview] NCRV, 2 december 1985. 35. Van Dijl (1986). 36. Schaafsma (2008): 10.

Adriaan Roland Holst In Overveen had Jos weinig kans om haar literaire ambities na te jagen. Omdat ze nauwelijks tijd had om ‘de literatuur’ te volgen, zou ze een advertentie gezet hebben om een literaire correspondentie te beginnen. Van deze penvriend is geen spoor gevonden, noch van de brieven.37 Ze kreeg onverwachts wel de gelegenheid een bekend dichter beter te leren kennen. Aan Tony van Verre vertelde ze, dat ze in februari 1926 Adriaan (Jany) Roland Holst in de trein tegenkwam. Hij zou haar bij zich in Bergen uitgenodigd hebben. De dan 38-jarige Roland Holst was redacteur poëzie van De Gids en publiceerde enkele dichtbundels en het verhaal Deirdre en de zonen van Usnach (1916). Hoewel Mendels niet staat vermeld in de agenda waarin Roland Holst nauwgezet al zijn afspraken noteerde, kwam ze wel in het bezit van zijn dichtbundel Voorbij de Wegen (1925) met een persoonlijke opdracht.38 De ontmoeting met Roland Holst was een grote deceptie.39 Ze schreef nu enkele jaren zelf gedichten en had daarover soms contact met anderen. Ze stuurde probeersels naar Dirk Coster, een invloedrijk criticus van onder andere de Nieuwe Rotterdamsche Courant, De Wereld, Europa en De Gids. Hij zou geantwoord hebben dat het wel iets kon worden als ze maar bleef proberen. 40 Roland Holst had daarentegen geen enkele belangstelling voor haar poëtische zoektocht. Terugkijkend kon ze er nog giftig om worden hoe de dichter, maar ook andere mannen, haar benaderden: Ik heb toen wel gezegd: ik wil ook schrijfster worden en ik heb dit gedaan, maar daar ging deze man niet op in. Dat waren de treurigheden van een leven. L’object de l’homme: voilà, het voorwerp van de man. […] Willen ze dan helemaal niet weten wat voor geest ik heb, wat ik denk? Ik had wel schilderes kunnen zijn. Ik had pianiste kunnen zijn. Ik betekende niks. […] Ik zocht altijd, waarom zoekt hij niks bij mij? Waarom werd er niet gezocht bij mij? Ik moest alleen maar leuk zijn. 41 Jos’ literaire talent werd tot haar verdriet (nog) niet gezien, althans niet door Roland Holst. Uit deze periode is een van de weinige overgeleverde gedichten van Josepha Mendels bekend. In een brief heeft zij een verband gesuggereerd tussen de tekst en de ontmoeting met Roland Holst, maar het kan evengoed een fantasie of een heel andere man betreffen. 42 Je bent te ver, te ver gegaan Je hebt mijn ziele doen verstaan

37. Josepha Mendels meldde over deze penvriend: ‘Deze man is later nazi geworden, heeft iemand mij wel eens gezegd. Dat weet ik niet zeker. Maar hij correspondeerde verdomd leuk.’ Van Verre (1982). 38. Mededeling Jan van der Vegt, 2008. 39. De handgeschreven opdracht van Roland Holst (‘Aan Josje Mendels – ter herinnering aan 20 febr tussen Haar-

lem en Leiden – van Jany R.H. – Bergen N.H. april 6, 1926) werd afgedrukt in Josepha Mendels – Informatie, 1988. Dit boekje bevat een essay van Daan Cartens over het werk van Mendels en een volledig willekeurige lijst gebeurtenissen uit Mendels’ leven, door Mendels opgeschreven. Het verscheen bij de heruitgave van Als wind en rook in de serie Literair Moment, een initi-

atief van Uitgeverij Meulenhoff en de literaire boekhandel. 40. Van Verre (1982). 41. Van Verre (1982). 42. ‘Of ze beide [de gedichten] zijn gemaakt na een kortstondige liefde met een Nederlandse dichter? Je n’en sais plus rien. Het was in 1926 geloof ik.’ JM aan Geerte van der Groep, geciteerd in: Van der Groep (1982). 81

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

Te lieven. Je hebt mijn lippen week gekust. Gekust, gekust en niet gerust, Voordat je me in je armen had. De tijd, de tijd die ging verloren En toen bij ’t eerste ochtendgloren De zon weer door het venster scheen, Toen ging je heen. Maar nog niet ben je heen gegaan En nooit meer zul je henen gaan, Ik voel het aan het blijde slaan Van ’t warme hart. Je bent te ver, te ver gegaan, Je hebt mijn ziele doen verstaan Te lieven. 43 In 1927 verscheen haar eerste en enige gepubliceerde vers in De Vrijdagavond, het joods culturele weekblad dat verscheen tussen 1924 en 1932. 44

Kort voor de klas Na haar vertrek in 1926 uit Overveen was Jos zonder werk en zonder woonruimte. Haar ouders waren na de pensionering van haar vader in 1924 vanuit Groningen naar Den Haag verhuisd, Isidores geboortestad. Jos trok even bij hen in aan de Wilhelminastraat 71 en vertrok na enkele maanden naar een kamer aan het Louise de Colignyplein 12. Ook al was het crisis, ze ging op zoek naar een baan. Haar akte lager onderwijs kwam van pas: ze werd alsnog onderwijzeres. Op haar curriculum vitae prijkten de lessen Nederlands aan twee kinderen. Maar de arbeidsmarkt zat niet mee. Door de krimpende economie kortte de overheid op de collectieve sector. Bezuinigingen in het onderwijs leidden ertoe dat nieuwelingen bijna geen kans kregen. De leraarssalarissen gingen omlaag en het aantal leerlingen per klas groeide. Klassen van vijftig leerlingen waren niet ongewoon. Het werd vooral in de grote steden bijna ondoenlijk om een aanstelling te krijgen. Er kwamen termen als kort-tijdelijken en lang-tijdelijken in zwang, maar het perspectief was voor beiden beroerd. Kort-tijdelijken werden per dag betaald en hadden geen enkele zekerheid. Lang-tijdelijken maakten in theorie aanspraak op een vaste aanstelling, maar daar kwam in de praktijk niets van terecht. 45 De crisis trof

43. De overlevering van dit gedicht is opmerkelijk. De meeste correspondentie en eventuele proeven van gedichten van voor WOII zijn verloren gegaan. Geerte van de Groep, die in 1982 afstudeerde op het leven en werk van Josepha Mendels, vroeg bij een van de ontmoetingen met de schrijfster of zij een van haar vroegere gedichten op schrift kon stellen. Uiteindelijk deed 82

Berthe Edersheim dat uit haar eigen geheugen voor haar. Josepha noteerde bij het gedicht nog een flard van een ander gedicht (Lange stille wegen ben ik toen gegaan / Als een moede vrouw met lege handen / Tastend en zoekend naar dat wat verdween). Van de Groep (1982). De regels ‘Langs stille wegen…’ tot ‘… handen’ komen ook voor in Mendels (1947): 127. Rolien zegt ze

geschreven te hebben nadat ze afscheid had genomen van de door haar bewonderde juffrouw Balto. 44. Mendels, Josepha. (1927) ‘De Banneling’, in: De Vrijdagavond, vol. 4, nummer 32. 45. Bakker, Nelleke. (1982) ‘Een mooi beroep voor een meisje: onderwijzeressen tijdens het interbellum’, in: Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 1982: 108 e.v.

vrouwen harder dan mannen, omdat van vrouwen in het onderwijs werd gevonden, dat zij de plek van een man – al dan niet met gezin – innamen. Het gevolg was dat er heel veel werkeloze onderwijzeressen kwamen. Sommigen bleven hun werk onbetaald doen. 46 Enkele malen stond Jos als kort-tijdelijke voor de klas, het werk dat haar vader zo lang gedaan had. Ze moest achteraf erkennen dat ze er niet in slaagde orde te houden. Quasi-naïef doet ze voorkomen alsof ze niet op de hoogte was van het niveau van de kinderen: ‘Ik vroeg: kan jij schrijven? De hele klas zei: “nee”. Ze konden allemaal schrijven’, zei ze in 1981 over haar onderwijzeressencarrière. 47 In 1986 kreeg een andere interviewer een variant hierop: ‘”Lezen jullie eens wat voor”, zei ik tegen ze. Dat konden ze niet.’48 Toen de inspecteur langskwam terwijl de kinderen op de tafels stonden, wist Jos dat ze hier niet te lang mee moest doorgaan. Een laatste ervaring, als onderwijzeres voor de hoogste klas, gaf de doorslag. ‘Ik ben eens geroepen voor een zesde klas van een lagere school. Daar moest ik rekenles geven. Maar ik kende de sommen zelf niet, dus ik ben weggelopen.’49 Jos vond weer een betrekking in het huisonderwijs. Ze stoomde een zekere Heskeliene klaar zodat die op haar zesde jaar in de tweede klas kon komen, zoals haar ouders graag wilden. Ze ging er iedere ochtend naartoe.50 In het najaar van 1926 werd ze benaderd met de vraag of ze leidster wilde worden van een nog op te richten clubhuis voor joodse meisjes. Het doel was om werkeloze meisjes en fabrieksarbeidsters kennis bij te brengen op maatschappelijk, cultureel en hygiënisch gebied en om ze te behouden voor het jodendom.

Oprichting joodse vrouwenraad Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er veel initiatieven op om de jeugd te vormen. Het was voor het eerst dat kinderen vanaf dertien jaar onderwerp waren van zorg. Het clubhuis dat Josepha zou gaan leiden, stond in dit veel bredere kader van de groei van de jeugdzorg. De aanzet daarvoor zat hem in een aantal ontwikkelingen: arbeiders kregen het sociaaleconomisch beter, waardoor het makkelijker werd groepen te vormen die extra zorg nodig hadden; de psychologie en pedagogiek ging aandacht aan adolescenten besteden; het idee dat (arbeiders)ouders hun kinderen onvoldoende konden begeleiden kreeg steeds meer steun en tenslotte wilde men de (seksuele) losbandigheid onder de jeugd, als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en de revoluties in Rusland en Duitsland, intomen.51 Mieke Lunenberg stelt in Geluk door geestelijke groei (1988) dat het jeugdwerk ontstond om de problemen op te lossen die de jeugd veroorzaakte. Piet de Rooy echter stelt dat men het disciplineren van de jeugd zag als een manier om de toekomst te kunnen beheersen. Die toekomst was ongewis door een enorme groei van wetenschap en techniek, zichtbaar in de uitbreiding van wegen, kanalen en havens en de successen 46. Morée, Marjolein & Marjan Schwegman. (1981) Vrouwenarbeid in Nederland 1870–1940. [z.p.] Elmar: 117–118. 47. Van Verre (1982). 48. Schaafsma (2008): 2–22. 49. Van Verre (1982). 50. ‘Toen ik in Den Haag dat interview

had in het Pepijntheater [in 1981, met Daan Cartens] kwam er een van die leerlingetjes bij me terug. “Oh Heskelientje, je was zo dom!”, ze ik. Maar ze was heel wat geworden. Niettegenstaande, maar ondanks mijn onderwijs.’ Van Verre (1982). 51. Lunenberg, M.L. (1988) Geluk door

geestelijke groei. De institutionalisering van de jeugdzorg tussen 1919 en het midden van de jaren dertig, uitgewerkt voor Amsterdam. Amsterdam: VU: 19–22. Zie ook: Rooy, Piet de. (2002) ‘VI Crisis 1918–1940’, in: Republiek der rivaliteiten: Nederland sinds 1813. Amsterdam: Mets & Schilt: 172–174. 83

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

van bedrijven als Philips, Shell en Unilever. De algemene welvaart steeg door bijvoorbeeld het beschikbaar komen van de fiets voor een ieder en een flinke toename van het toerisme.52 Het ontstaan van de jeugdzorg is eveneens te danken aan de ambitie van (joodse) middenklasse vrouwen die iets voor de maatschappij wilden betekenen en zich met de jeugd gingen bezighouden. De grotere bewegingsvrijheid van vrouwen in de jaren tien en twintig van de twintigste eeuw leidde ertoe dat zij zich gingen bezighouden met het ‘verbeteren van de maatschappij’.53 Een groot aantal vrouwen begon zich te organiseren: in een zuil, als staatsburgeres of als huisvrouw. Zij werden actief op het grensvlak van politiek en cultuur en traden zodoende voor het eerst massaal in de openbaarheid.54 Dat gold eveneens voor joodse middenklasse vrouwen die aanvankelijk een groeiende betrokkenheid bij joden in andere werelddelen aan de dag legden. De pogroms in Oost-Europa en het antisemitisme in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk baarden hun zorgen. Nederland fungeerde eind negentiende en begin twintigste eeuw regelmatig als tussenstation voor vluchtelingen van de in golven oplaaiende pogroms. De hulp was erop gericht om de joden door te laten reizen, want in Nederland was men bang dat grote groepen vluchtelingen door hun afwijkende en opvallende levensgewoonten het antisemitisme zouden aanwakkeren.55 Deze doorgangsstatus van Nederland was er de oorzaak van dat de zorg voor vluchtelingen in Nederland veel later op gang kwam dan die in andere Europese landen, zoals Groot Brittannië waar zich al in 1902 joodse vrouwen verenigden.56 Actieve vrouwen in Nederland waren onder andere Adriana Kann-Polak Daniels en Caroline Wijsenbeek-Franken. Zij was in 1908 medeoprichter van de zionistische studentenvereniging NZSO en redacteur van De Joodsche Wachter, het blad van de zionistische bond. Ida van Raalte-Simons, gepokt en gemazeld in het sociaal werk voor vluchtelingen, was eveneens een vrouw van het eerste uur. Een ontmoeting met een Amerikaanse delegatie van joodse vrouwen leidde in 1921 tot de oprichting van de Amsterdamse Joodse Vrouwenraad onder leiding van Wijsenbeek-Franken.57 Dit was het begin van een periode van twintig jaar waarin joodse vrouwen, voornamelijk afkomstig uit de middenklasse, zich maatschappelijk verenigden. De raad had een zionistische oorsprong, hoewel hij een neutrale positie wenste in te nemen. De Nederlandse afvaardiging op het congres van joodse vrouwen in Wenen in 1923 bracht het idee van een wereldbond van joodse vrouwen naar voren, dat met instemming werd begroet. Vandaar dat de Nederlandse vrouwen zich sterk gebonden voelden, om snel meer afdelingen van de grond te krijgen, die konden fuseren tot een landelijke vereniging, die op haar beurt lid kon worden van de wereldbond. Vooral Wijsenbeek-Franken was hierop gebrand. Het streven is terug te vinden in de statuten van de Joodse Vrouwenraad in Amsterdam

52. De Rooy (2002): 169–171. 53. Posthumus-Van der Goot, W.H. (e.a.). (1977) Van moeder op dochter: de maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd. Nijmegen: SUN reprint: 168. 54. Marjan Schwegman stelt dat vrouwen, in tegenstelling tot wat Kees Schuyt en Ed Taverne suggereren in 1950: welvaart in zwart wit (2000), juist 84

wel zichtbaar werden na het verkrijgen van het kiesrecht. De verenigingsgraad was nog nooit zo hoog geweest en de organisaties trokken veel leden. Schwegman, M. (2001) ‘Strijd om de openbaarheid: sekse, cultuur en politiek in Nederland’, in: D.W. Fokkema & Frans Grijzenhout, Rekenschap. 1650–2000. Den Haag: Sdu: 146 e.v. 55. Blom & Cahen (1995): 288.

56. Tananbaum, Susan L. (2007) ‘Jewish women, philanthropy, and modernization’, in: Judith Frishman & Hetty Berg (2007): 152. 57. (1925) ‘Overzicht van de pogingen tot oprichting van een Ned. J.V.R.’, in: Maandblad van den Joodschen Vrouwenraad te ’s Gravenhage (hierna: Maandblad Den Haag), 1ste jg., nr. 2: 1.

waarin onder andere als doelstellingen staan: plaatselijke afdelingen oprichten, samenwerken met binnen- en buitenlandse verenigingen ‘voor zover mogelijk’, ‘het verrichten en steunen als neutrale organisatie van praktische arbeid ten behoeve van het Joodse Nationale Tehuis in Palestina’, kennis over het jodendom bevorderen en een maandblad uitgeven.58 De Joodse Vrouwenraad beoogde zo veel mogelijk vrouwen te verenigen en koos daarom voor een neutrale positie, maar het kon een zionistisch signatuur toch nooit helemaal afschudden. Daardoor ontstonden intern conflicten. Het zionisme was namelijk het ideaal van een beperkte groep joden, die, eerder nog dan zelf naar Palestina te trekken, het joods nationaal tehuis wenste voor vervolgde joden uit andere delen van de wereld. De joodse gemeenschap kende sterke anti-zionistische krachten, zowel vanuit orthodoxe als geassimileerde hoek. De orthodoxen vonden het ongeoorloofd om naar het beloofde land terug te keren voordat de Messias was gekomen. Bovendien had het zionisme in hun ogen een te weinig religieus karakter.59 Assimilanten, joden die de traditie hadden losgelaten, zagen het zionisme als verraad aan het vaderland Nederland.60 Als zionist was het voor Wijsenbeek-Franken soms lastig de neutrale positie uit te dragen, vooral wanneer zij assimilatie zag als een spaak in het wiel van de ‘joodse eenheid’ waaraan de Joodse Vrouwenraad een bijdrage wilde leveren. Gelukkig voor haar was die assimilatie meestal denkbeeldig: … maar al te dikwijls bleef bij [de joodse vrouw] de assimilatie beperkt tot het aanleren van uiterlijke ‘beschaving’ der omgeving en bracht zij het niet tot deelneming in haar cultuur. […] En zelfs heden ten dage zijn joodse vrouwen, die weldoordacht en bewust assimilant zijn, uitzonderingen; de velen, die het schijnen, zijn het innerlijk niet. 61 Deze passage geeft een interessante inkijk in de wijze waarop Wijsenbeek-Franken de assimilatie van haar tijd ervoer. Er was kennelijk sprake van sociale druk om te assimileren, maar als men hieraan toegaf, was die volgens deze auteur zelden doorleefd. Gedurende de assimilatie tussen 1880 en 1930 in Europa en de Verenigde Staten verschoof de verantwoordelijkheid voor het opvoeden van kinderen tot joodse burgers van de openbare naar de privésfeer, waarin vrouwen optraden. Mannen vervulden steeds meer functies in de algemene maatschappij en lieten de joodse vorming over aan vrouwen. Paula Hyman noemt dit de paradox van de assimilatie: terwijl mannen assimileerden bewogen vrouwen zich in tegengestelde richting. Zij kwamen als hoedsters van het jodendom te boek te staan en kregen ook de schuld wanneer dit in de ogen van de joodse leiders mislukte. Weliswaar kregen ze meer invloed, maar die was beperkt tot iets wat tot de privésfeer was gaan horen.62 Deze situatie lijkt ook van toepassing op de vrouwen van de Joodse Vrouwenraad. Zij gingen zich immers bezighouden met de vorming van joodse meisjes en wilden ze voor het jodendom behouden. Toen zij door maatschappelijke druk zelf ook in de richting van aanpassing en assimilatie geduwd

58. Boas, H. (1992) Bewust-joodse Nederlandse vrouwen: veertien portretten. Kampen: Kok: 163. 59. Er waren wel orthodoxen die toch zionist waren, de mizrachisten. Zij

streefden naar een joodse, religieuze staat, in tegenstelling tot de hoofdbeweging, die een meer socialistisch karakter had. Isidore Mendels was een mizrachist.

60. Blom & Cahen (1995): 290–291. 61. (1925) ‘Overzicht van de pogingen tot oprichting van een Ned. J.V.R.’, in: Maandblad Den Haag, 1ste jg., nr. 2: 2. 62. Hyman (1995): 10–49. 85

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

werden, kwamen ze in een moeilijke positie die bij sommigen leidde tot ‘uiterlijke beschaving der omgeving’. Twee jaar na de oprichting van de Amsterdamse Joodse Vrouwenraad werd er een Haagse afdeling opgericht, wederom op instigatie van Wijsenbeek-Franken. Korte tijd was Adriana Kann-Polak Daniels voorzitter, maar toen haar echtgenoot Jacobus Kann in 1924 Nederlands consul in Palestina werd, nam Ida van Raalte-Simons de hamer over.63 De Amsterdamse afdeling gaf vanaf 1 januari 1923 het Maandblad van den Joodschen Vrouwenraad uit. De Haagse raad begon met de uitgave van een sterk daarop gelijkend blad, het Maandblad van den Joodschen Vrouwenraad te ’s Gravenhage, in april 1925. Ook Rotterdam, Arnhem en later Utrecht, Groningen en ’t Gooi vormden een raad, waarna in 1924 de onderhandelingen voor de oprichting van een landelijke bestuur konden beginnen.64 Die zouden ruim vijf jaar in beslag nemen. 65 In de hele periode van hun bestaan bleven de verschillende afdelingen elkaar bevechten om invloed en macht. De Amsterdamse club voelde zich verheven boven de plaatselijke afdelingen. Men ruziede over de vraag of de vrouwenraad wel of niet het Opbouwwerk in Palestina moest steunen en over de oprichting van een jeugdafdeling.66 De dames gooiden met modder betreffende het imiteren van elkaars initiatieven: Amsterdam nam de theemiddagen van Den Haag over, Den Haag kopieerde de gehele opzet van een Joodse Vrouwenraad, met klerendepots, maandblad en Zwaluwnesten van Amsterdam.67 Al met al zou er pas met ingang van januari 1930 sprake zijn van een Nationale Joodse Vrouwenraad, met een bestuur van afgevaardigden uit de plaatselijke afdelingen naar rato van het aantal leden. Wijsenbeek-Franken werd presidente. Het pleit tegen de bemoeienis van de Joodse Vrouwenraad met het Palestina opbouwwerk werd op alle fronten verloren. Door de jaren heen werd er veel aandacht besteed aan Palestina, de Joodse Vrouwenvereniging voor Practisch Palestina-werk kreeg zelfs een eigen hoekje in het fusieblad Ha’ischa en was aanwezig op jaarvergaderingen. De Wereldbond voor joodse vrouwen, waarvoor de Nederlandse vrouwen in 1923 al ijverden, kwam in 1929 (weer) tot leven en de Nationale Vrouwenraad sloot zich erbij aan.68

de eeuwenlang uitgeoefende weldadigheid der joodse mannen geschiedt (…), zoveel aan echt sociaal opbouwend werk, dat sterk individualiserend gebeuren moet en waarvoor wij vrouwen als aangewezen zijn.’69 Hun pijlen richtten zich de eerste jaren op moeilijk opvoedbare meisjes, kinderen, armen en jonge arbeidersvrouwen. Het inzamelen (en soms herstellen) van gebruikte kleding bestemd voor behoeftigen, het beschikbaar stellen van wiegjes aan minvermogende moeders en het organiseren van gezellige middagen met muziek waren andere activiteiten. Vanzelfsprekend werden de ontwikkelingen in Palestina nauwlettend gevolgd. Lezingen over joodse geschiedenis, de herkomst van joodse gebruiken en vraagstukken als gemengde huwelijken moesten de joodse bewustwording versterken. Bekende namen die door de jaren heen bij verschillende afdelingen cursussen gaven waren Caroline Eitje, de publiciste en lerares geschiedenis aan een Amsterdamse hbs en de latere schrijfster Clara Asscher-Pinkhof die over jeugdliteratuur sprak.70 Ook werd er vooral in de beginjaren veel energie besteed aan het werven van leden. De Amsterdamse raad bereidde in 1923 een propagandacampagne voor waarbij 10.000 exemplaren van het maandblad verspreid zouden worden.71 Midden jaren twintig had de Haagse afdeling zo’n 400 leden en Amsterdam 800.72 In later jaren groeide dat aantal naar elkaar toe tot rond de vijfhonderd. Het totaal aantal leden van alle afdelingen bij elkaar zou de tweeduizend nooit te boven komen. In het maandblad van Amsterdam was al snel veel plaats ingeruimd voor de zorgen om de vrouwelijke jeugd die een opmaat vormen voor de oprichting van de Zwaluwnesten waar Josepha ging werken. ‘Waarlijk – er heersen bedenkelijke toestanden onder de joodse jeugd,’ schreef een redactielid van het Amsterdamse Maandblad van de Joodse Vrouwenraad in 1923:

‘Bedenkelijke toestanden’

De meisjes terugbrengen tot de godsdienst is niet de oplossing, stelt de auteur – waarschijnlijk Wijsenbeek-Franken omdat zij als enig redactielid vermeld staat. Nee, de beroepskeuze is een geschikter middel om het meisjesleven de juiste wending te geven. Omdat joodse meisjes een minachting voor huishoudelijk werk hebben en geen gelegenheid hebben om in de land- of tuinbouw te werken, komen ze te vaak terecht in fabrieken waar ze werken in ‘geestdoodende eentonigheid van arbeid en daarmee

De joodse vrouwenraden waren oorspronkelijk opgericht ten bate van emigranten. Kort na de oprichting bleek dat er dichterbij huis echter veel te doen was ‘dat niet door 63. De Kanns keerden al na drie jaar terug naar Nederland, omdat Ariana het klimaat niet kon verdragen. Giebels, Ludy. (2008)‚ Kann, Jacobus Henricus (1872–1944)’. www.historici.nl/ Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/ bwn2/kann. 64. De afdeling Arnhem gaf in 1927 en 1928 een eigen blad uit. De afdeling Rotterdam liet een bijlage verschijnen in het blad van de afdeling Amsterdam gedurende de jaren 1926–1928. Na de vorming van de landelijke raad gingen alle bladen op 86

in Ha’ischa, dat verscheen van januari 1929 tot december 1940. 65. Een feitelijk en hier en daar vermakelijk verslag van de eerste pogingen om tot een landelijke raad te komen, staat in Maandblad Den Haag, 1ste jg., no. 2, mei 1925. 66. Hoe gevoelig het zionisme lag, blijkt wel uit het feit dat de Joodse Vrouwenvereniging voor Practisch Palestina-werk het woord ‘zionistisch’ in haar naam vermeed, omdat dat vrouwen af zou schrikken. Boas (1992): 167.

67. De ‘ruzie’ begint in het Maandblad Amsterdam van januari 1928, dan in het Maandblad Den Haag februari 1928 (Raalte-Simons, I. van (1928) ‘Rumor (=Humor) in Casa! (Naar aanleiding van zekere beschouwingen over den Jeugdbond’, in: Maandblad Den Haag, februari 1928) , Maandblad Amsterdam, maart 1928 ([Wijsenbeek-Franken, C.] (1928) ‘Symptomatisch’, in: Maandblad Amsterdam, maart 1928). 68. Boas (1992): 164.

En wanneer wij ons tot de meisjes bepalen, dan moet worden vastgesteld, dat met de oude tradities, ook veelal de oude joodse deugden zijn verdwenen en dat van het bonte velerlei, dat de buitenwereld haar te bieden heeft maar al te vaak niet het innerlijk waardevolle, maar de uiterlijke schone schijn wordt gekozen.73

69. Wijsenbeek-Franken, Caroline (1923) ‘Waarom een Joodsche vrouwenraad’, in: Maandblad Amsterdam, 1ste jg., nr.9: 2. 70. Portret van Caroline Eitje in Boas (1992). 71. ‘Onze Octoberplannen’, in: Maandblad Amsterdam, 1ste jg., no. 7, juli 1923. 72. In Maandblad Den Haag, 1ste jg. No. 9, dec. 1925 staat dat Den Haag ruim

vierhonderd leden heeft, waarvan er maar dertig komen opdagen voor een cursus van mejuffrouw Eitje. 73. Maandblad Amsterdam, eerste jaargang, nr. 8, 1923, p.1. De auteur is waarschijnlijk Caroline Wijsenbeek-Franken omdat zij als enig redactielid vermeld staat en omdat ‘gastbijdragen’ meestal wel ondertekend werden. 87

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

gepaard gaande weinig verheffende belangstelling.’74 Omdat ze thuis ook moeten helpen zal zij op zoek gaan naar ‘sensatie’.75 Op verschillende bijeenkomsten van de Joodse Vrouwenraad wordt gesproken over de oprichting van Zwaluwnesten. De term is van Marie Heinen, adjunct-directrice van het Bureau voor Nationale Vrouwenarbeid. De vogel is een geliefde metafoor in het sociaal werk: in Den Haag waren er Mussen (katholieke jeugdvorming), in Rotterdam was er het clubhuis de Arend en bij de AJC heetten de leden (rode) valken. De Amsterdamse Joodse Vrouwenraad zette alles in gang om een plek in te richten waar joodse fabrieksarbeidsters ’s avonds samen konden komen om hun persoonlijkheid te ontwikkelen. De Vereeniging tot Bescherming van Joodse Meisjes en de Maatschappij tot Nut der Israëlieten in Nederland zegden financiële steun toe. Het idee was dat er op drie plaatsen in Amsterdam locaties kwamen waar de meisjes zo’n drie keer per week terecht konden. Van belang was dat de leidster geschikt was voor het werk: ze moest de meisjes kunnen laten groeien, ze vrijheid geven, maar toch sturen. Niet lang daarna bleek Elisabeth (ook: Betsy of Betty) Polak, een gedreven onderwijzeres van een openbare meisjesschool en actief lid van de Joodse Vrouwenraad, gevraagd om het eerste Zwaluwnest in Amsterdam te gaan leiden. Een jaar nam ze voor de voorbereidingen. Ze werkte onder andere samen met de gemeentelijk inspecteur van het jeugdwerk.76 Ook stak Polak haar licht op in Zürich en Londen waar de arbeidersjeugd al langere tijd werd begeleid.77 Ze keerde verrukt terug. In Zürich betrof het een zogenaamde neutrale inrichting voor arbeiders, die in de ogen van Polak echter ‘diep-religieus-pacifisties’ was.78 In Londen werden lessen gegeven in gymnastiek, tekenen, zingen, handwerken, hoeden maken en dansen. Polak was niet zo’n voorstander van dansen, dat vond ze een ledige bezigheid, net als overmatig bioscoopbezoek. Ze begon daarom het liefst met meisjes die net van school waren, ‘die zijn nog niet verkino’d en verdanst’.79 Via hoofden van scholen kreeg Polak namen van potentiële Zwaluwnest-bezoeksters, die zij thuis opzocht. Zo was er bij aanvang een groep van achttien meisjes. Op zondagmiddag 22 november 1925 was het zover: het Amsterdamse Zwaluwnest in het Koggeschip aan de Nieuwe Achtergracht ging open – later verhuisde het naar de Zwanenburgstraat. Betsy Polak had voor de meisjes een middag georganiseerd met een zangeres, spelletjes en thee met een koekje. Het was meteen een succes. De meisjes

74. De opvatting dat joodse meisjes een minachting voor huishoudelijk werk hebben, werd blijkbaar breder gedragen door vrouwen van de Joodse Vrouwenraad. Jaren later schrijft een anonieme redactrice van hun huisorgaan: ‘Het is bijvoorbeeld nog steeds een heel gewoon verschijnsel, dat een joods volksmeisje zo uit het atelier gaat trouwen, verstoken van de meest elementaire kennis van het huishouden en dat een meisje precies op haar veertiende verjaardag (dus op de dag dat zij volgens de wet in betrekking mag gaan) van de huishoudschool wordt genomen, omdat zij 88

een plaatsje op een atelier kan krijgen, waar zij dadelijk wat verdient. Er is dan alle kans, dat zij een jaar of tien niet anders doet dan knopen aanzetten of broeken stikken en dat er, als zij gaat trouwen niets van het op school geleerde is blijven hangen (…). Er zijn veel volksvrouwen, die ternauwernood een eenvoudig gerecht kunnen bereiden; in veel gezinnen wordt dan ook zelden warm eten gebruikt.’ Ha’ischa, 12e jg. Nr. 9, sept. 1940. 75. ‘Maatschappelijk werk: Zwaluwnesten’, in: Maandblad Amsterdam, derde jaargang, nr. 5, mei 1925. 76. Lunenberg besteedt een paragraaf

aan alle activiteiten van de gemeentelijk inspecteur, H. Deelen. Hij kreeg ook klachten te verwerken over kinderen die op straat vals zongen. Lunenberg (1988): 108–111. 77. Polak, Betsy. (1925a en 1925b) ‘Wat ik in Zürich zag!’ en ‘Mijn bezoek aan de clubs in Londen’ In: Maandblad Amsterdam, resp. derde jg. Nr. 10, oktober 1925 en nr. 11, november 1925. 78. Polak (1925a). 79. Polak (1925b).

bleven komen. Er werd aanvankelijk geëxperimenteerd met verschillende losse activiteiten, maar al snel was er een vast rooster. Maandag: ritmische gymnastiek, dinsdag: bibliotheek- en kooravond, woensdag: spelletjes afgewisseld met clubjes (joodse les, knutselen met raffia en pitriet, prentenboeken maken, witgoed naaien), donderdag: handwerken en joodse geschiedenis voor de oudere meisjes, op vrijdag en aanvankelijk op zondag was het Zwaluwnest gesloten, op zaterdag: vrije clubavond. Maandag was de populairste avond.80 Ter gelegenheid van Poeriem, een carnavalsachtig feest dat in het voorjaar valt, dus krap drie maanden na de opening, voerden de meisjes zelf inderhaast voorbereide stukjes op. Het niveau was er nog niet helemaal. ‘Ze spanden zich buitengewoon in, we hebben buitengewoon geklapt, maar ’t was… om te huilen,’ schreef Polak achteraf.81 Ze wist meteen weer, waarom ze dit opvoedingswerk begonnen was.

Een ‘gezellig, eenvoudig smaakvol interieurtje’ De Zwaluwnesten waren voor de Joodse Vrouwenraad een gekoesterd ideaal. De initiatiefneemsters konden structureel iets doen voor meisjes. Dat ze daarbij hun eigen waarden en normen wilden doorgeven, en ook het joodse bewustzijn wilden opwekken tegen de assimilatie in, moet als gegeven worden beschouwd. Van zionistische propaganda is overigens geen spoor gevonden. Na de eerste ervaringen in Amsterdam werden ook in Den Haag voorbereidingen getroffen voor een nest.82 Achter de schermen zocht men inmiddels naar een ‘Haagse’ Betsy Polak. Wat werd er van haar verwacht? Niet in de eerste plaats zal het dan aankomen op wat zij kent, maar op wat zij is; of zij in staat is de meisjes te begrijpen in haar leven en werken, haar voelen en denken en of zij de sfeer zal weten te maken van vertrouwelijkheid, waarin zij ongemerkt de leidster blijft. Natuurlijk zal zij de meisjes ook iets van haar meerdere kennis moeten kunnen geven; handwerken of handenarbeid in den modernen zin van cartonnage-, hout-, raffia-, rietwerk en derg., of praatavonden leiden, eerst over onderwerpen uit het dagelijks leven, dan uitgaande van deze verruiming brengend van de geestelijke gezichtskring, of vertellen van een reis, van een belangrijke gebeurtenis of een belangwekkend persoon, eerst liefst zo dichtbij mogelijk, dan wat verder af. Van gewichtige herinneringsdagen ook, waarbij men joodse wensen en gebeurtelijkheden vooral niet verontachtzame. Wie enkele van deze dingen zou kunnen geven, brengt een voldoende aan kennis mee. Daarnaast echter moet men kunnen spelen, opgewekt en met plezier in het spel, rustig om de tafel of vooral met de jongeren in blijde en toch ordentelijke beweging. 83 Deze duizendpoot werd gevonden. In november 1926 maakt het Maandblad melding van de benoeming van mejuffrouw Jos Mendels tot leidster van het Zwaluwnest te ’s-Gravenhage. Zij werd daar volgens eigen zeggen voor gevraagd. Mogelijk speelde haar moeder daarbij een bemiddelende rol: de dames organiseerden nogal eens

80. Lunenberg (1988): 137–138. 81. Polak, Betty (1926) ‘Ons eerste nestje’, in: Maandblad Amsterdam, 4e jg., nr. 1, januari.

82. Boas (1992): 117. 83. Geciteerd in: Lunenberg (1988): 136. Oorspr. Maandblad Amsterdam, vierde jaargang nummer 1, 1926. 89

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

muziekavondjes en -middagen. Caroline Wijsenbeek-Franken zal vanuit Amsterdam tandenknarsend van de benoeming kennis hebben genomen: zij zag recentelijk het huwelijk van haar zus Saar Franken stranden, nadat deze zojuist benoemde leidster als kindermeisje een affaire had gehad met haar zwager Maurits Rozelaar. De Haagse gemeente stelde (door toedoen van het joodse gemeenteraadslid M. Joëls Jr.) kosteloos een ruimte beschikbaar op de bovenste verdieping van het voormalig politiebureau aan de Riviervismarkt 2. Jos verrichtte ‘wonderen’ door in drie weken tijd de kale ruimtes, een lokaal en een keukentje, te veranderen in een ‘gezellig, eenvoudig smaakvol interieurtje, waar de meisjes zich wel thuis moeten voelen’.84 Anderhalve maand na haar benoeming opende het Haagse Zwaluwnest op 3 januari 1927 zijn deuren. In tegenstelling tot de bijna geruisloze opening van het Amsterdamse nest, maakte Den Haag werk van een officiële opening. Er waren die middag diverse gasten: de wethouder van Sociale Zaken, de jonge Willem Drees, opperrabbijn Isaac Maarsen, en verschillende bestuurders van de kerkeraad en het -bestuur van de Nederlands Israelitische Gemeente. Als vertegenwoordiger van de subsidiegevers was in ieder geval A. Simons Mzn. aanwezig. Hij was de vader van Ida van Raalte-Simons, de voorzitter van de Joodse Vrouwenraad in Den Haag die de bijeenkomst opende. Na een praatje overhandigde zij Jos een hangklok en uitte de wens, dat die alleen aangename uren zou aanwijzen. Wethouder Drees sprak vervolgens enkele woorden en ook Simons, als voorzitter van het Joods Tehuis, sprak zijn gelukwensen uit. ’s Avonds kwamen de eerste meisjes.85 Josepha Mendels dacht zich 55 jaar later de ceremonie nog heel goed te herinneren. Vooral haar eigen verschijning heeft zich feilloos in haar geheugen genesteld: Het staat als vandaag voor me alsof het gisteren gebeurd is. Ik had bij Gerzon in de Venestraat een roodf luwelen rokje met jasje gekocht met gouden knopen eraan. Ik was 24 jaar. De meisjes die daar kwamen waren tussen de 13 en de 21 jaar. Het werd geopend in het oude politiebureau in de Riviervismarkt door de wethouder van Den Haag. Hoe hij heette weet ik niet meer. Die meisjes stonden daar allemaal. Hij hield een speech. Hij bood mij een klok aan. Toen porde iemand van het bestuur mij in m’n rug en zei dat ik praten moest. Dat had ik nog nooit gedaan, nu is het wat anders. Toen zei ik: ‘Dank u wel voor de klok. Ik hoop dat ‘ie goed gaat en dat de club ook goed gaat.’ Ik had nog nooit gesproken. Daarna gingen de officiële mensen weg. Ik ging thee schenken voor die meisjes. Ze gooiden alles in de lucht: de bordjes en alles en ze gingen de charleston dansen. Ik werd bijna onder de voet gelopen. 86 Josepha Mendels verklaarde achteraf dat ze niet blij was met het ‘sektarische’ karakter van het Zwaluwnest, maar dat ze het werken met de meisjes te leuk vond, om het daarvoor te laten schieten. In verslagen achteraf neigde ze ernaar het joodse karakter te bagatelliseren.87 Ze zou als voorwaarde gesteld hebben dat ze geen joodse feestdagen zou vieren en dat ze niet uitsluitend joodse leraren hoefde te engageren voor het onderwijs aan de meisjes. Een teken dat ze op haar route uit het jodendom was en daarbij

84. ‘Ons Zwaluwnest’, in: Maandblad Den Haag, 2de jg. Nr. 10, jan. 1927. 85. ‘Ons Zwaluwnest’, in: Maandblad Den Haag, 2de jg. Nr. 10, jan. 1927. 90

86. Van Verre (1982). Een verhaal met gelijke strekking in Nord (1981): 20. 87. Van Verre (1982).

Berthe Edersheim en Josepha geen oponthoud wenste. Maar er kwam maar weinig terecht. Ze vierde de feestdagen wel degelijk en de meeste leraren waren van joodse komaf. Ze bleef zodoende in de joodse sfeer hangen, terwijl ze daar zo hartstochtelijk vandaan wilde. Jos moest het eerste jaar hard werken om een vaste groep meisjes aan het nest te binden. Ze kwamen en gingen zoals het hen uitkwam, sommigen konden door hun werk of privéomstandigheden niet altijd aanwezig zijn. Iedere avond zat Jos klaar. Ze zorgde die eerste koude maanden van het jaar dat het er behaaglijk was. Na drie maanden was er al een vaste groep van vijftien tot twintig meisjes. Aanvankelijk was er geen vast programma, maar al snel kwam de leiding, dat wil zeggen de commissie van het Zwaluwnest en Jos, erachter dat enige voorspelbaarheid tot meer regelmaat zou kunnen leiden. Enkele te opstandige meisjes werd met bloedend hart de toegang ontzegd, omdat ze een slechte invloed op de anderen hadden. Men realiseerde zich wel, dat dit juist de meisjes waren die de steun het meest nodig hadden. Anderen gingen vroeg weg, om dingen te doen waar hun ouders niets van wisten. Allemaal ervaringen waar lering uit werd getrokken. Jos’ werkdagen waren goed gevuld. In de ochtend verzorgde zij de administratie. ’s Middags deed zij huisbezoeken om nieuwe meisjes te werven of om toestemming te vragen voor excursies. ’s Avonds was het nest geopend van half zeven tot tien uur, in de loop der jaren werd het soms ook wel elf uur of half twaalf. In de zomer gingen ze een vaste avond in de week zwemmen in het Haagse Zuiderbad. Drie kwartier lopen, 91

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

een uur zwemmen en drie kwartier teruglopen. Niet alle meisjes mochten of durfden mee: zwemmen was in de jaren twintig geen gemeengoed. Op zondagmiddag waren er ook activiteiten: in de zomer een wandeling of een dagje naar het strand. In de winter lezingen of muziek. Deze zondagsopenstelling was sterk door het bestuur gewenst omdat die voorkwam dat zendingsfunctionarissen de joodse meisjes die anders op straat zouden hangen, de kerk in lokten met warme chocolademelk en koekjes.88 In de loop van het eerste jaar werd het aantal cursusleid(st)ers uitgebreid. Er kwamen docenten voor koorzang, voor handwerken en voor hoedenmaken. Ook voor gymnastiek, hygiëne- en verbandleer en toneel werden mensen aangetrokken. Voor Engels en tekenen kwam Jos in contact met Berthe Edersheim, de vrouw met wie Jos een innige en levenslange vriendschap zou sluiten. Edersheim was afkomstig uit het gegoede Haagse milieu van joodse bankiers en ondernemers. Haar vader was mededirecteur van SVH, een papier- en kantoorbenodigdhedenfabriek.89 In de jaren twintig waren er ruim tweehonderd mensen in dienst en bestonden er nevenvestigingen in Rotterdam, Amsterdam en Nederlands-Indië. Haar moeder was telg uit het geslacht Van den Bergh, oorspronkelijk afkomstig uit Oss, dat grote industriële successen kende. Het gezin leefde volledig geassimileerd. Berthe kreeg nadat ze de hbs had afgerond alle vrijheid te doen met haar leven wat ze wilde, zolang haar activiteiten haar in de richting van een huwelijk brachten. Om die reden mocht ze niet studeren.90 Berthe had een oudere broer, Maurits, die op zijn 17e overleed aan een longaandoening. Haar jongere zus Leni werd violist. Na de hbs wijdde Berthe zich aan haar grote passie: schilderen. Ze ging echter niet naar een academie om er een volledig opleiding te volgen. Met een paar vriendinnen had ze een atelier waar ze naar model schilderde. Soms nam ze individuele schilderlessen, onder andere bij Charley Toorop.91 In 1922 ontmoette ze in Den Haag de Oostenrijkse expressionistische schilderes Marie-Luise von Motesiczky, met wie ze het internationale artistieke leven verkende. In de winters van 1925 en 1926 woonden ze samen in Parijs en hadden les aan de befaamde Académie de la Grande Chaumière in Montparnasse.92 Edersheim had een zachtzinnig karakter, was meegaand, taalvaardig en intelligent. Ze vormde een perfecte tegenkracht ten opzichte van de impulsieve Josepha, die negen maanden jonger was dan haar nieuwe vriendin.

88. Ida van Raalte-Simons vertelde dit een jaar voordat ze op hoge leeftijd overleed aan Veerman. Veerman, L.M. (1986) De joodsche vrouwenraad in Nederland. Doctoraalscriptie nieuwste geschiedenis Vrije Universiteit: 27–28. 89. De naam SVH stond voor Simons-Veerkade-Den Haag. Het bedrijf was opgericht door Philip Simons en aanvankelijk gevestigd op de Haagse Veerkade. Abraham Simons 92

was een neef van de oprichter. ‘Abraham Simons Mzn’, in: R. Fuks-Mansfeld. (2007) Joden in Nederland in de twintigste eeuw. Een biografisch woordenboek. Utrecht: Spectrum: 291. De beide directieleden waren via een familieband met elkaar verbonden: Simons was getrouwd met een nicht van zijn zakenpartner Edersheim. Boas (1992): 114. Anno 2014 bestaat het merk nog altijd onder de naam Esveha.

90. Berthe Edersheim bezocht waarschijnlijk de gemeentelijke hbs voor meisjes aan het Blijenburg, waarvan de archieven verloren zijn gegaan. 91. Manassen, Jo. (1964) ‘Berthe Edersheim, sterk gebonden aan de werkelijkheid’, in: Het Vrije Volk, 31 juli 1964. 92. Lloyd, Jill. (2007) The undiscovered expressionist: A Life of Marie-Luise von Motesiczky. Yale UP: 13.

‘Een verrukkelijke tijd’ Op een voorlichtingsmiddag van de Joodse Vrouwenraad in maart 1927 mocht Jos komen vertellen over het ‘nest’. Ze was inmiddels een vaardig spreker, zo kunnen we uit het verslag in Het Vaderland opmaken. Ze typeerde de meisjes met humor, observeerde dat ze even snel een vriendschap konden sluiten als verbreken en deed aan het einde een oproep om boeken, tijdschriften of handwerkmateriaal af te staan.93 In het Maandblad van de Joodsche Vrouwenraad in Den Haag werd met grote regelmaat ruimte vrijgemaakt voor een bijdrage over het reilen en zeilen van de Zwaluwnestmeisjes, met name in het eerste jaar.94 Er verschenen stukjes ter gelegenheid van de eerste zes maanden en bij de viering van het eenjarig bestaan. Deze verslagachtige stukjes werden door anderen geschreven. Jos schreef de inhoudelijke stukjes, waarin ze haar observaties met de lezers deelde: Liesje, geen volks- maar een burgerkind, eenig meisje van krachtige gezonde ouders, dat van thuis veel meekrijgt. Overmoedig is. Brutaal soms. Ze wil haar fouten niet inzien. Ze wil niet begrijpen. Heel haar wezen vraagt strengheid. En dan Eva. Eva, op wie nooit gelet wordt. Die vanaf den dag dat ze de wereld zag, zichzelf opgevoed heeft, met een beetje bijstand van de school. Eva, die op het nest verwonderd rondkijkt, als een verschrikt vogeltje, en die schreit bij een berisping. 95 Jos was geboeid door de manier waarop de meisjes met elkaar omgingen. Ze spaarden elkaar bepaald niet. Sonja, die slechts zelden komt, vereert ons hedenavond met een bezoek. Maar ze wordt aangevallen door de trouwe Zwaluwen en ieder verweer van haar kant blijkt niet bestand tegen hun stortvloed van woorden. ‘Ben jij een Zwaluw? Hè, niks geen clubkind, hoor! Je leeft heelemaal niet met ons mee. Waarom ga je er eigenlijk niet af? Vind u ook niet, Juffrouw? Zij is niets geen Zwaluwzusje van ons!’96 Ook gaf de leidster een inkijkje in de toekomst zoals de meisjes die voor zich zien. Ze stellen hoge eisen. Dan zeurt Rozetta. Ze wil een betrekking hebben, en moeder vraagt, of ik haar kan helpen. ‘Wil je in de huishouding?’ ‘Niks, hoor!’ ‘In een winkel?’ ‘Ja, maar geen boodschappenmeisje spelen!’ Rozetta heeft te veel gelezen. Ze wil de

93. ‘Joodsche Vrouwenraad’, in: Het Vaderland, 16 maart 1927. 94. JM schreef de volgende bijdragen in Maandblad Den Haag: ‘Ons Haagsche Zwaluwnestje’ nr. 12, maart 1927; ‘ ’t Zwaluwnest’ nr. 3, juni 1927; ‘Er is eigenlijk geen grooter geluk denkbaar

dan een zonnige dag buiten’ nr. 5, augustus 1927; ‘Wat onze zwaluwen deze winter leeren’ nr. 7, oktober 1927; ‘Zwaluw-vertelling’ nr.9, december 1927; ‘Brieven van een Zwaluw over een vacantie, die geen vacantie was’ nr.4, juli 1928. In Ha’ischa; ‘In en om

het Zwaluwnest’ nr. 10, 1929. Ook anderen schreven bijdragen over het Haagse Zwaluwnest. Eenmaal deed Berthe Edersheim het. 95. Mendels, Jos (1929) ‘In en om het Zwaluwnest’, in: Ha’ischa; nr. 10, 1929. 96. Idem. 93

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

romantiek, zonder er moeite voor te doen. Ze wil, wat niet in haar bereik ligt. […] Rozetta is een meisje, dat ‘n goede moeder kan worden. Maar ik wacht mij wel, dit tegen haar te zeggen. En ik dring er op aan, dat ze werken gaat – de meest nuchtere arbeid; die rest, die ze zoekt, moet ze ’s avonds op haar club vinden. 97 Jos stuurde en begeleidde wat ze kon. In haar stukjes beschreef ze voor de buitenwacht een tamelijk ideaal beeld, waarbij vordering op vordering gestapeld werd. Een meisje met een laag IQ liet ze enkele weken later dan de anderen beginnen, zodat ze haar konden opvangen – wat ook gebeurde. Een luidruchtig meisje dat ineens stil was, kreeg speciale aandacht. Een brutaal meisje kreeg extra sturing. Het leek haar goed te lukken de meisjes te krijgen, waar ze ze wilde hebben. Dat zíj de vijf trappen afgingen, als de bel ging. Dat ze uit zichzelf opruimden. Al na een half jaar werd de ruimte als te klein ervaren, omdat het aantal meisjes snel toenam. Op basis van de bijdragen aan het maandblad dringt zich het beeld op van Josepha als een vrouw die haar bestemming gevonden heeft. De meisjes waren soms maar enkele jaren jonger dan zij. Jos was dan wel de leidster, en die rol beviel haar goed, maar de afstand tot haar pupillen was klein. Het was een verrukkelijke tijd, we waren een soort van club. We dansten ‘s avonds de charleston, we droegen gekke jurken en hoge hakken. We waren verliefd. Ik brak toen echt uit de strengheid van mijn jeugd. Alles was nieuw. In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld. Het waren allemaal leuke, vaak talentvolle meisjes. 98 Ze was niet, zoals in Deventer, de wilde uitzondering op de mooie meisjes. Deze meisjes waren zelf wild, ongemanierd en namen geen blad voor de mond. Hier was iedereen joods, dus ook in dat opzicht ging ze op in de massa. Haar persoonlijke assimilatie stond stil. Ook al vierde ze niet van harte de joodse feestdagen, ze accepteerde de context waarin ze haar werk deed. Jos had de aan haar toevertrouwde meisjes wat te bieden. Ze gaf advies. De meisjes keken tegen haar op. Haar opvoeding en haar ervaringen kon ze nu gebruiken voor anderen. Ze leerde hun een tafel mooi te dekken, de boter in een vlootje te doen, in plaats van die in de papieren verpakking neer te leggen. Ze liet hun een spaarbankboekje nemen, zoals ze dat zelf ook had. De meisjes leverden hun geld bij Jos in. Jos wilde ook graag voorlezen, maar daar moest de club aanvankelijk niks van hebben. ‘Nee, juffrouw, daar houwen wij niet van,’ zou een van de meisjes gezegd hebben, toen Jos een boek te voorschijn haalde tijdens het handwerken. Maar Jos hield vol en probeerde het later nog eens – met Schoolidyllen (1900) van Top Naeff. Hoe wonderlijk geboeid waren ze, zo ongekend geboeid. Betsy gaf Leny een stomp, omdat ze het waagde water te vragen. Een moest even naar beneden, en voor de eerste keer werd de deur expres zachtjes geopend en weer gesloten. Er hing een sfeer van stilte – van luisteren. […] En toen het boek dichtgeklapt werd, toen zaten daar die grote, gevoelige kinderen te snikken, en wie niet snikte, zat in gedachten en een enkele lachte nerveus. 99 97. Idem. 98. Bresser (1986). 99. Mendels, Jos. (1927) ‘Zwaluw-ver94

telling’, in: Maandblad van den Joodschen Vrouwenraad te ’s Gravenhage nr. 9, december.

Het Zwaluwnest. Berthe Edersheim staat links tegen de muur, tussen twee andere meisjes. Het voorlezen bleef een vast onderdeel op het programma, liefst Jos’ eigen favorieten, zoals De geheime tuin (1911), van Frances Hodgson Burnett en werk van Carry van Bruggen, onder andere De verlatene (1910). Later ook Joodse Volkschverhalen van Perez om aan de zo gewenste joodse vorming toe te komen. Op andere momenten gaf Jos dictees of vroeg de meisjes op te schrijven hoe zij een clublokaal als het Zwaluwnest zouden leiden. Het Zwaluwnest werd meer en meer een echte vereniging met een eigen symbool, de zwaluw. Voor de lessen ritmische gymnastiek zetten de meisjes zelf hun kleding in elkaar, met een gele geborduurde zwaluw erop. Er kwam een vlag (een zwarte met een gele zwaluw erop) met de belegen slogan ‘eendracht maakt macht’. Het Zwaluwnest hield regelmatig optredens, waarmee aandacht en daarmee geld werd gevraagd voor het Zwaluwnest. De Haagse krant Het Vaderland deed er verslag van.100 In september 1929 was er zo’n avond met zang-, dans- en voordrachtsnummers. Alle leden van de Joodse Vrouwenraad werden in het maandblad opgeroepen om van de partij te zijn. Het nest zat altijd om geld en spullen verlegen. Er werden regelmatig oproepen gedaan voor boeken en andere bijdragen. Het budget werd door subsidiegevers en anonieme particulieren opgebracht. De gemeente deed op heel bescheiden schaal mee. Verschillende bedrijven begunstigden het Zwaluwnest: het van oorsprong joodse modemagazijn de

100. ‘Joodsche Vrouwenraad’ in: Het Vaderland 16 maart 1927, ‘ ’t Zwaluwnest van den Joodschen Vrouwenraad’, in: Het Vaderland 14 maart 1929, ‘Haagsch Joodsch Zwaluwnest’,

in: Het Vaderland, 4 september 1929, ‘Uitvoering Zwaluwnest Joodsche Vrouwenraad’, in: Het Vaderland, 28 februari 1930, ‘Vijfde Volkszangavond’, in: Het Vaderland, 4 februari 1931. 95

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

Bijenkorf stelde regelmatig breiwol ter beschikking en gaf tien procent korting op alle handwerkartikelen. Na verloop van tijd werden er vakanties voor de meisjes georganiseerd in de zomer. Jos en Berthe Edersheim waren hierachter de drijvende krachten. Het begon met een weekend aan zee, bij het dorpje Ter Heijde ten zuiden van Den Haag. Met negentien meisjes in twee janpleziers trokken ze er vrijdagavond (voor het begin van de sabbat) naartoe. Enigszins beteuterd waren de meesten wel, toen bleek dat ze op een hooizolder moesten slapen, zo tekende Jos in het Maandblad op. Groepjes meisjes verzorgden het eten (voor de lunch op zaterdag brood met pekelvlees omdat er niet gekookt mocht worden, zondag aardappelen met boter, komkommersla, eieren en aardbeien toe). Bruinverbrand en uitgeput keerden ze zondag terug en een van de meisjes was zo braaf om de anderen te vragen niet te gillen als ze door de straten van Den Haag zouden rijden.101 Voor veel meisjes was dit het eerste uitje van hun leven. En het smaakte naar meer. Vakantie was een nieuwe verworvenheid in de jaren twintig. Het jaar daarop ging het met de trein naar Emst op de Veluwe, waar ze in jeugdherberg de Heemhoeve verbleven. Dat was ook al zo’n plek waar de meeste meisjes nog nooit geweest waren. De organisatie was ‘geprofessionaliseerd’: de meisjes droegen een zelfgemaakt zwarten-wit geruit uniform met rode lakceintuur. Er waren vier groepen, aangeduid met een kleur die verwerkt was in de eveneens zelfgemaakte ‘kampjurk’ van een van de vier leidsters, aldus het trotse verslag van Jos in het Maandblad.102 Vakantiehuis de Vonk in Noordwijkerhout, dat speciaal voor fabrieksmeisjes werd gebouwd op initiatief van de nestor van het sociaal werk Emilie Knappert, werd in 1929 bezocht. Jos schreef een lied dat tijdens de vakanties werd gezongen:

Fusie met de orthodoxie Eind 1927 maakte het Zwaluwnest in Amsterdam zich los van de Joodse Vrouwenraad. Het werk voor fabrieksmeisjes groeide nog en men wilde, zoals van tevoren ook het plan was geweest, een tweede Zwaluwnest in de stad openen. Het bestuur, waarin ook de sponsoren waren vertegenwoordigd, achtte zichzelf niet in staat, hieraan haar volledige aandacht te geven en besloot daarom tot verzelfstandiging.105 Het Amsterdamse Zwaluwnest werd een vereniging. Het Zwaluwnest in Den Haag maakte zich enkele jaren later, in september 1930, los van de Joodse Vrouwenraad. Hier werd voor een andere constructie gekozen: het Haagse Zwaluwnest fuseerde met het Joods Tehuis tot clubhuis voor jongens en meisjes. Het Joods Tehuis was een in 1913 door de Haagse opperrabbijn Isaac Maarsen opgerichte instelling om de joodse jeugd in contact te brengen en te houden met joodse gebruiken, door middel van feestjes en cursussen. Het Joods Tehuis was vanaf het begin een subsidiënt van het Zwaluwnest geweest en de organisaties werkten veel samen. De jongensafdeling was vergelijkbaar met het Zwaluwnest, alleen hielden zij zich naast joodse vorming vooral met knutselen met hout en karton bezig. Op woensdag- en zondagmiddag was het de beurt aan de joodse kleuters die in tientallen kwamen opdraven. Vrouwen van de Joodse Vrouwenraad hielden de kinderen bezig.106 Maarsen was in 1931 ook de oprichter en redactielid van het tweewekelijkse Ha’amoed, het orgaan van gecombineerde Haagse joodse wijk-, cultuur-, sport- en jeugdvereenigingen. Ha’amoed (vuurzuil) was een traditioneel joods blad dat steevast opende met een religieus stuk van de rabbijn. Daarmee was het blad de spreekbuis van de orthodox joodse gemeente van Den Haag, waarin men kon lezen hoe laat

Wij zijn jong De aard’ ligt open Lokt en roept Met sterk geluid Ons verlangen en ons hopen Drijven ons de wereld uit 103 Een week na het zomerkamp in Emst sloot het Zwaluwnest voor het eerst sinds de oprichting. Jos ging vier weken op vakantie. In gezelschap van Berthe en haar zus Leni reden ze onder andere via Parijs naar de Bretonse kust. Berthe beschikte over een eigen auto. Tussen de drie was een hechte vriendschap ontstaan. Op hun vakantieadres ontving Jos post van de meisjes, die de moeilijke periode zonder hun juffrouw door moesten zien te komen, zoals Jos met nauwelijks ingehouden trots beschreef in het Maandblad. Ze zochten elkaar op om te gaan zwemmen of een Zwaluwnestavond bij een van de meisjes thuis te houden. Jos was tevreden over zoveel zelfwerkzaamheid.104 Berthe Edersheim 101. Mendels, Jos. (1927) ‘Er is eigenlijk geen grooter geluk denkbaar dan een zonnige dag buiten’, in: Maandblad van den Joodschen Vrouwenraad te ’s Gravenhage nr. 5, augustus. 102. Mendels, Jos. (1928) ‘Brieven van 96

een Zwaluw over een vacantie, die geen vacantie was’, in: Maandblad van den Joodschen Vrouwenraad te ’s Gravenhage nr.4, juli. 103. Van Verre (1982). 104. Mendels (1928).

105. De omzet van het Zwaluwnest bedroeg in 1929 4.000 gulden, terwijl de totale omzet van de Joodse Vrouwenraad 14.000 gulden was.

106. ‘”Het Joodsch Tehuis” (Clubhuis voor jongens en meisjes)’ in: Ha’amoed, no. 22, 24 maart 1933.

97

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

de sabbat begon en waar men het servies kon laten kasjeren, dat is koosjer maken voor gebruik met Pesach.107 Ieder nummer besteedde ruimte aan de damclub, de gymnastiekvereniging en de debatingclub. Van het Zwaluwnest werd slechts vier keer in zes jaar tijd summier melding gemaakt, veel minder vaak dan in de tijd van de Joodse Vrouwenraad. De context waarin Jos haar werk voortaan deed, verschoof van neutraal-joods naar orthodox-joods. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit het organiseren van sabbatavonden in het Joods Tehuis voor kinderen van 10 tot 15 jaar in 1933.108 Rabbijn Maarsen, onder wiens leiding de joodse gemeente stond, was een zeer orthodox, afstandelijke figuur, die bijvoorbeeld huwelijkssluitingen, waarbij de bruid zwanger was, aan een ander overliet. Ook huwelijken tussen oostjoden (vluchtelingen uit Polen en de Sovjet-Unie) wilden hij niet zelf sluiten, omdat hij neerkeek op deze mensen.109 De voorzitter van het Joods Tehuis, A. Simons Mzn. was qua religieuze opvattingen uit hetzelfde hout gesneden. Het moet voor Jos een bittere pil zijn geweest dat ze zo werd teruggeworpen in de orthodoxie, waaraan ze zich juist ontworsteld had. Dat de jeugdvorming in de greep van de orthodoxie kwam, kan, hoe kleinschalig dit ook was, gezien worden als een aan de assimilatie tegengestelde beweging. Het nest was al ruim voor de fusie, in november 1928 verhuisd naar de Paviljoensgracht 27a waar het Joods Tehuis gevestigd was.110 Jos bleef zich (uitsluitend) met de meisjes bezighouden. Twee vrouwen (later een) van de Joodse Vrouwenraad namen zitting in het bestuur van het clubhuis. Er zijn geen aanwijzigen gevonden dat Jos een grote invloed op dit proces heeft gehad. Zij was lid van de commissie voor het Zwaluwnest. Desondanks betoogde ze later dat ze het Zwaluwnest had ‘omgebouwd’ tot een algemene instelling voor zowel joodse als niet-joodse jongens en meisjes.111 In Amsterdam werd begin jaren dertig een tweede Zwaluwnest geopend (Transvaalkade 109) en in Rotterdam opende er ook een. Door de economische crisis leidden die vestigingen een moeizaam bestaan en fuseerde de twee Amsterdamse nesten in 1933 tot een plek aan de Cronjéstraat 6, vlakbij de Transvaalkade in Oost, waar veel joden woonden. Berthe Edersheim verhuisde in oktober 1931 van Den Haag naar Amsterdam. Ze had in 1930 in Parijs de Nederlandse schilder Harmen Meurs leren kennen, die in de hoofdstad woonde. Zij stopte met lesgeven aan de zwaluwen maar bleef betrokken bij de zwaluwmeisjes, waardoor Jos en Berthe elkaar regelmatig bleven zien. De vakanties met de Zwaluwen had hun vriendschapsband stevig verankerd. Zij deelden het plezier dat ze hadden in de omgang met de meisjes. Berthe sprong bij in drukke tijden en verving Jos bij ziekte, zodat het Zwaluwnest niet gesloten hoefde te worden. Berthe vond bij Jos het impulsieve dat ze zelf miste en zij vormde voor Jos een evenwichtige en liefdevolle vriendin die altijd voor haar klaarstond. Samen waren ze zo een uitstekend begeleidend team. Inmiddels waren ze kind aan huis bij elkaars ouderlijke woningen. Jos kwam regelmatig eten aan de Laan van Meerdervoort 116 en later de Laan Copes

107. I.B. van Creveld suggereert dat de oprichting van het orthodoxe blad een signaal was tegen de opkomende reformbeweging uit Duitsland, de latere liberaal-joodse stroming. Van Creveld (1995): 134. 108. I.H., W. v. (1933) ‘Een nieuwe taak 98

van het Joodsche Tehuis’, in: Ha’amoed, nr. 15, 15 december. 109. Van Creveld (1995): 106. 110. (Nord) 1981: 20 schrijft ten onrechte Paviljoenstraat. 111. ‘… in Den Haag waar ik jarenlang directrice was geweest om joodse meis-

jes en jongens, maar vooral meisjes op te voeden en van de straat te houden. Het was een particuliere instelling. Ik heb het niet orthodox noch joods willen houden. Ik heb het algemeen gemaakt, maar het moesten toch joodse meisjes zijn.’ Van Verre (1982).

van Cattenburch 42. Ze vierde er soms sinterklaas en Berthes moeder organiseerde copieuze diners ter gelegenheid van de lente. Jos’ zussen Edith en Ada raakten ook gesteld op Berthe. En ook Berthe’s zus Leni sloot zich als vriendin aan. Zelfs Maurits Rozelaar leerde Berthe kennen. Isidore was, zo bleek, nog steeds op zoek naar een geschikte echtgenoot voor zijn jongste dochter, want toen hij Berthe ontmoette, ontsnapte hem, in de parafrase van zijn jongste dochter: ‘Juffrouw Edersheim, u hebt maar een fout. U bent geen jongen.’112 Isidore hoefde zich wat een huwelijkskandidaat betreft over één dochter minder zorgen te maken. Ada had de man van haar leven ontmoet, Simon Slagter. Hij was de ideale schoonzoon: een orthodoxe jongen, handelaar in goud en zilver. Na hun joodse bruiloft in de zomer van 1924 vestigden zij zich in Hillegersberg, waar ze in de jaren dertig woonden aan de Stadhouderslaan 6, direct gelegen aan de Bergse Achterplas. Ada beviel in juli 1926 van een zoon. Grootvader Isidore kreeg eindelijk ‘zijn’ Joseph, geholpen door het feit dat Simons vader zo heette. In Je wist het toch… (1948) schetst Josepha Mendels een portret van haar zus Ada, onder haar tweede naam Mirjam. Het verhaal beeldt het meisje uit op kantoor, waar ze Simon, hier Arthur de Bruin, ontmoet. Het komt schutterig tot een verloving. Mirjam werkt als typiste op het kantoor waar Arthur in dienst is. Arthur is een rustige, lieve jongen die zijn zinnen op Mirjam heeft gezet. Hij neemt haar mee naar het circus, waar ze verrukt van is, omdat ze daar een groot liefhebber van is. Na hun verloving bezoekt Arthur Mirjam ’s avonds in het pension waar ze woont. Ze trouwen vrij snel daarna. Het is een joodse bruiloft waarvoor Mirjam de avond ervoor in het mikwe (ritueel bad) moet. Na het huwelijk gaan ze wonen in een wit huis aan het water, waar twee zonen worden geboren. Mendels: ‘In Je wist het toch… heb ik dat [huwelijk] beschreven, zo’n vrouw was ze.’113

Overlijden Isidore Mendels Sinds zijn pensionering in 1924 kon Isidore weer volop deelnemen aan joods-wetenschappelijke en religieuze bijeenkomsten in Den Haag. Zo was hij een actief lid van de Haagse mizrachi, het godsdienstig genootschap Beësrath Hasjeein (belangenbehartiging joodse bevolking Bezuidenhout) en Reisjies Chochmo (godsdienstige leeroefeningen). Hij was bovendien een veelgevraagd commissielid voor rijks-hbs-examens. Ook had hij meer gelegenheid om artikelen te schrijven en lezingen te geven. Maar veel tijd na zijn pensionering was hem niet gegund. In juli 1928 bracht Isidore een bezoek aan zijn vriend Sigmund Seeligmann, de historicus en boekverzamelaar in Amsterdam. Het viel hem op dat Isidore een kwestbare indruk maakte en veel moest hoesten. Isidore was toen al erg verzwakt. Hij overleed op 28 augustus 1928. Josepha Mendels heeft de dood van haar vader op verschillende manieren onder woorden gebracht, zowel in haar literaire werk als in interviews, deze gebeurtenis maakt deel uit van haar narratieve identiteit. Ze geeft voeding aan het beeld van een complexe, maar liefdevolle relatie met haar vader, die geen man in haar buurt accepteert. In ’Mijn Vader’, dat voor het eerst

112. Cartens (1981): 44. 113. Cartens (1981): 45. 99

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

gepubliceerd werd in het gedenkboek van de hbs waar Isidore lang gewerkt had, schreef ze: Zijn laatste woorden waren: ‘Ik ga naar Napoleon’, toen vroeg hij ons met hem het danklied van de Sabbathmaaltijd te zingen, tot zijn stem met de woorden verstierf. 114 Ze zou hem vlak voor zijn dood nog gesproken hebben. ‘En zijn laatste woorden waren: Josepha, die man achter jou, wat moet die daar?’115 In een van de laatste hoofdstukken van Rolien en Ralien zijn eveneens de laatste momenten van een stervende vader opgenomen. Ook hier zegt de vader: ‘Wat doet die man daar naast je?’ Haar moeder, die erbij staat, fluistert: ‘Zij is heus alleen.’116 Rolien en haar vader kunnen nog enkele woorden wisselen. De vader biedt Rolien geld aan en zegt dan Jij hebt nooit van mij gehouden, nietwaar? Jawel, Vader, zegt Rolien ontroerd, ik kon alleen maar niet… Neen, neen, geen van mijn kinderen heeft van mij gehouden. Als je een jongen was geweest dan had je beter begrepen hoe ik van jou hield. Alleen Moeder en ik hebben elkander liefgehad. 117 Als laatste zegt hij: ‘Toen je een klein meisje was, toen wilde ik je…’.118 En met die raadselachtige zin is de dialoog beëindigd. Isidore Mendels werd volgens de joodse rituelen begraven. De familie was vrijgesteld van alles: zij rouwen zeven dagen lang, zittend op de grond of op lage stoelen. Wij hebben dat gedaan voor m’n vader. Ik voelde er niets voor, maar ik heb het gedaan, want hij voelde ervoor. […] Je moest een mitswe [goede daad] doen voor de dode. Ik heb z’n voet in m’n hand genomen. Ik kan het zo nog voelen, en een witte sok daaroverheen getrokken. Toen werd hij afgedekt en gingen we sjiwwe zitten. Op kleine stoeltjes met gescheurde truien aan. Vrouwen brachten ons eten. 119 Emma vroeg Tobias Lewenstein, de oude vriend van Isidore en orthodoxe rabbijn die zich inmiddels in Zürich had gevestigd, per brief om advies over de Hebreeuwse tekst op de grafsteen. Ook hij was verdrietig dat zijn vriend was overleden en hing een foto ‘van den gelukstralenden grootvader’ met kleinzoon Joseph in zijn studeerkamer op.120 Isidore Mendels werd begraven op de joodse begraafplaats in Wassenaar, waarbij heel joods Den Haag bij aanwezig was.121 Aan zijn overlijden werd aandacht besteed door zowel Het Vaderland als de Nieuwe Rotterdamsche Courant.122 Lewenstein was tevens de auteur van een in memoriam in de Bijdragen en mededelingen van het genootschap voor de joodse wetenschap in Nederland, waarin hij de overledene omschreef als een wijs man en enkele van zijn brieven aanhaalde, waarin hij joodse vraagstukken behandelde.123 Het lange stuk van

114. Mendels (1981): 13. Ook in iets andere vorm: Mendels, Josepha. (1964): 136–140. 115. Van Verre (1982). 116. Mendels (1947): 191. 100

117. Mendels (1947): 191. 118. Mendels (1947): 192. 119. Van Verre (1982). 120. Tobias Lewenstein aan Emma Mendels-Levy, 7 januari 1929.

121. ‘Teraardebestelling I. Mendels’, in: Het Vaderland, 30 augustus 1928. 122. Het Vaderland, 30 augustus 1928 en NRC, 30 augustus 1928. 123. Lewenstein, Tobias. (1928) ‘Dr.I.

Sigmund Seeligmann in De Vrijdagavond ter nagedachtenis aan Isidore was van persoonlijker aard. Hij prees zijn vriend onomwonden als een uitstekend historicus die onderwerpen als eerste en soms met opvallende eigen interpretaties presenteerde. Ook de minder diplomatieke kanten van Isidore werden belicht. Seeligmann memoreerde een ‘jeugdzonde’, toen hij als secretaris zonder overleg een lezingenbundel aan een strenge redactie onderwierp. Ook maakt hij melding van de grote teleurstelling van Isidore, toen zijn ook door Seeligmann belangrijk geachte lezing ‘de jood in de middel-Nederlandse letteren’ niet compleet afgedrukt zou worden in het blad van het Genootschap voor de joodse wetenschap, waarna hij het aan De Vrijdagavond ter plaatsing aanbood.124

Zeventien kinderen Op een van haar schaarse vrije dagen van het Zwaluwnest had Jos een afspraakje gemaakt met Maurits Rozelaar. Sinds hij weer getrouwd was, hadden de voormalig geliefden het contact hernieuwd. Die dag huurden ze, zo vertelde Josepha dat later aan Max Nord, een bootje en gingen zeilen op de Kagerplassen.125 Het kwam tot een vrijpartij. Een paar weken later moest Josepha constateren dat ze zwanger was. Als leidster van het Zwaluwnest werd zij verondersteld de meisjes voor zwangerschap te behoeden. Hun ontging trouwens niets, want al snel zou er een ‘zwaluw’ een opmerking over de toegenomen omvang van haar borsten gemaakt hebben.126 Wanneer Josepha Mendels later vertelt over haar zwangerschap, is ze dubbelzinnig over het moment waarop die plaatsvond en zelfs over de onopzettelijkheid ervan. Ze zou het haar vader niet kunnen aandoen om als ongetrouwde vrouw een kind te krijgen. Dan zou de zwangerschap van voor zijn overlijden in 1928 moeten dateren. Uit een brief van 1948 lijkt het erop dat ze pas in 1934 zwanger raakte. De verwekker wilde het kind best houden. Maurits Rozelaar, die ze Kaai noemde, was toen alweer zeven jaar getrouwd met Lientje en zij hadden samen een zoon, die toen vier jaar oud was. Als hij het kind werkelijk gewild had, zette hij zijn tweede huwelijk op het spel en vroeg hij van overige familie en vrienden een grote mate van ruimdenkendheid. Ook Jos zou heel wat te verantwoorden hebben, en maar moeilijk haar positie kunnen handhaven. Elders verklaarde ze doodleuk: ‘Ik wilde wel een kind hebben. Altijd. Ik wilde er zeventien hebben. Dus ik dacht: laat ik maar met de eerste beginnen. Ik was 34, dus ik moest wel opschieten.’127 In welk geval de zwangerschap overigens pas in 1936 aan de orde zou zijn. Josepha ging uiteindelijk over tot een abortus, omdat alle alternatieven even complex zouden blijken. Ze reisde ervoor naar Amsterdam. Daar waren in de jaren dertig zeker vijfhonderd adressen waar abortussen werden uitgevoerd. De helft daarvan waren beroepsaborteurs en –teuses, die geen medische achtergrond hadden.128 Jos nam een arts en geen malafide amateur in de arm en liep zo een beperkt risico. Berthe ging mee, en liet haar vriendin geen moment alleen, getuige een brief: ‘... op een matje heeft ze geslapen als een hondje voor mijn bed in 1934 toen het kindje van Kaai moest komen. En ze was erbij en riep

Mendels’, in: Bijdragen en mededelingen van het genootschap voor de joodse wetenschap in Nederland, no. IV. Amsterdam: Menno Hertzberger. 124. Seeligmann (1928a).

125. Nord (1981): 19. 126. In deze bewoordingen: ‘[N]ou, jij hebt ook dikke tieten gekregen, zei er een’. Van Verre (1982). 127. Etty, Elsbeth. (1981b) ‘Over een fe-

ministe die geen feministe genoemd wil worden’, in: De Waarheid, 4 juli 1981. 128. Valkhoff, J. [1933] Het vraagstuk van de abortus provocatus. Amsterdam: Kosmos: 19. 101

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

– haar ogen waren groot en verschikt… een wezentje o Ljoebietska [koosnaam voor Jos], een wezentje!!!!!’129 Na de behandeling kreeg ze hoge koorts. Ook Edith was aanwezig rond haar bed. Ondanks haar lichamelijke conditie – de koorts duurde weken – was Jos er vooral moreel slecht aan toe. Het verlies hield haar nog maanden bezig, en de gedachte eraan liet haar nooit meer los.

Internationale onrust De Joodse Vrouwenraad was vanaf 1930 een landelijk initiatief. Hij opereerde nog steeds op het gebied van liefdadigheid en opvoeding. In de loop van de jaren dertig verlegde deze de aandacht van meisjes uit de lagere klassen naar emigranten die op de vlucht gingen voor het nazisme. Het aan de macht komen van Hitler in januari 1933 bracht in april daarop grote stromen joodse vluchtelingen op gang. Hun aantal beliep de vijfendertig duizend.130 De Nederlandse regering ging ervan uit dat de joodse gemeenschap hen zou opvangen en de kosten daarvan zou dragen, zoals iedere zuil zijn eigen liefdadigheid in het verleden had betuigd. In 1933 werd daartoe het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen en het Comité voor Joodse Vluchtelingen opgericht. De hoogleraar David Cohen en de met hem bevriende directeur van een bekende Amsterdamse diamantfabriek Abraham Asscher waren hierachter de drijvende krachten. De regering voerde wel restrictieve maatregelen door rond de opvang van gevluchte joden in 1934. Nederland verkeerde nog in crisis en men was bang dat de weinige beschikbare arbeidsplaatsen ingenomen zouden worden door de vluchtelingen. Er waren meer redenen waarom zij niet welkom waren: de hoge kosten die met de opvang gepaard gingen, de angst voor vluchtelingen met activistische motieven en de goede relatie met het buurland.131 Deze argumenten werden ook door de joodse gemeenschap zelf gehanteerd. Het regeringsbeleid werd in 1938 verder aangescherpt, terwijl het aantal vluchtelingen in dat jaar weer toenam door de Kristallnacht en de Anschluss. De Joodse Vrouwenraad, die vanaf 1932 onder leiding stond van de zionistische Adolphine Schwimmer-Vigeveno (Wijsenbeek-Franken ging zich meer bezighouden met jonge vluchtelingen, maar publiceerde nog regelmatig in Ha’ischa over zionistische onderwerpen) droeg haar steentje bij aan de opvang. De raad zorgde, meestal in opdracht van het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen, voor het werven van gezinnen waar gevluchte kinderen onderdak konden vinden, zamelde bij ettelijke acties geld in en stuurde 5000 boeken naar vluchtelingenkampen en kindertehuizen.132 Acties voor Palestina waren niet langer een twistappel in de raad: de internationale ontwikkelingen hadden de leden doen inzien dat de stichting van een eigen staat voor joden een noodzakelijkheid was geworden. De komst van de vluchtelingen had effecten op de joodse gemeenschap als geheel. Enerzijds nam de onderlinge solidariteit toe, anderzijds kwamen joden in de samenleving meer apart te staan. In het openbare debat waren joden, en vluchtelingen in het bijzonder, vaak onderwerp van gesprek. Hierdoor werden joden sneller als joden

129. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [eerste helft 1948]. 130. Blom & Cahen (1995): 296. 131. Ibidem: 297. 102

132. Schwimmer-Vigeveno, A. (1939) Joodsche Vrouwenraad in Nederland: bij het tienjarig bestaan. [Den Haag].

herkend. Ook zij die zich allang niet meer identificeerden met hun joodse achtergrond, konden hier niet aan ontkomen.133 De Nederlandse samenleving stond er in de jaren dertig niet goed voor. Als gevolg van de crisis, die zijn oorzaak had in de beurskrach van oktober 1929, raakten velen hun baan kwijt. Lange wachtrijen voor stempellokalen bepaalden in de steden het straatbeeld. In 1936 bereikte de werkeloosheid zijn hoogtepunt met ruim 17 procent. Maar ook degenen die een baan wisten te behouden, zoals boeren, ambtenaren en (kleine) ondernemers en hun personeel werden hard getroffen.134 Sociale onrust lag op de loer. De regering Colijn riep verzet op door veel langer dan buurlanden vast te houden aan de gouden standaard. Het effect hiervan was dat Nederlandse ondernemers hun waar nauwelijks meer in het buitenland konden afzetten, wat tot een sociale crisis leidde. Communistische en extreem-rechtse groeperingen kregen in deze periode meer aanhang. Musserts NSB, opgericht in 1931 als een partij voor nationalisten en conservatieven, toonde in 1936, na de eclatante verkiezingsoverwinning bij de Provinciale Staten van 1935, zijn ware, antisemitische gezicht. Veel leden zegden daarop hun lidmaatschap op. Tegen de NSB kwamen verschillende tegenbewegingen op gang, waaronder de Eenheid door Democratie en het veel kleinere, door intellectuelen gevormde, Comité van Waakzaamheid.135 Josepha Mendels heeft zich niet uitgelaten over de vluchtelingenproblematiek of over het vooroorlogse antisemitisme. Ook al omschreef ze zichzelf in die jaren als a-politiek, de maatschappelijke gevolgen van de economische crisis kunnen onmogelijk aan haar voorbijgegaan zijn. Ongetwijfeld kreeg ze te maken met een kleiner budget en kwamen er minder, of alleen nog werkeloze meisjes naar het Zwaluwnest toe. Des te opmerkelijker is de publicatie van een gedicht over de vluchtelingenproblematiek in 1927 in De Vrijdagavond, het weekblad waar haar vader toen incidenteel medewerker van was. Kennelijk is het vers geschreven naar aanleiding van een tekening met de titel ‘De Banneling (naar het nieuwe Vaderland)’ van de Poolse kunstenares Regina Mundlak (1887–1942) die ernaast afgedrukt is. Het toont een wat ineengedoken, joodse man, gezeten op een bankje met naast hem op de grond een plunjezak. De Banneling Het lijden van zijn Joodsche volk Ligt als een eeuwig grijze wolk Op zijn gelaat. En in zijn trekken draagt hij ’t leed, Van hem, die weet, Wat armoe is…. Want – wie als hij heeft moeten vluchten, Naar landen, waar geen blauwe luchten

133. Blom & Cahen (1995): 301. 134. Conway, Martin & Peter Romijn. (2007) ’Belgium and the Netherlands’, in: Robert Gerwarth (ed.), Twisted

Paths: Europe 1914–1945. Oxford: Oxford UP: 84–110. 135. Ibidem: 103–104.

103

1 1902–1936 Vooroorlogs joods leven

Hoofdstuk 2 ‘In het Zwaluwnest veranderde mijn wereld’

Hem groeten – Waar hij en and’ren om te leven, Lijdend te leven, werken moeten Ied’re week de zeven dagen. Waar geen het waagt, den heiligen dag, Als niet d’arbeid men verrichten mag En tòch arbeiden mòet, maar geen het waagt te rusten, (dit is hong’ren). Waar geen doet Of doen kan, wat zijn hart toch wil…. Het land, waar al de dagen stil voorbijgaan, waar niet één licht Den dooden gloed op zijn gezicht Weer wekken kan. Dáár leeft die man, Die balling, tot die dag zal komen, En in zijn denken en zijn droomen Is het de heilige Sabbath-dag, Dat hij voor altijd rusten mag. 136 Omdat Josepha nooit op een grote betrokkenheid bij de vluchtelingenproblematiek betrapt kon worden, is deze tekst waarschijnlijk in opdracht geschreven. In haar latere leven heeft ze zich nooit laten voorstaan op deze publicatie. Enkele regels hergebruikte ze in de roman Je wist het toch…. In 1936 had Jos genoeg van het Zwaluwnest. Na tien jaar kreeg zij behoefte haar loopbaan een nieuwe wending te geven. ‘Ik kwam ’s avonds thuis. Ik ging nooit meer naar een concert, ik ging nergens heen. Ik was alleen op vrijdagavond vrij en die bracht ik bij m’n ouders door. En op zondagavond was ik half dood.’137 Ze ontdekte een grijze haar en realiseerde zich dat ze meer wilde beleven dan iedere avond dertig meisjes bezighouden. Dit leven vond ze te eenzijdig. Bovendien begon het haar op te breken dat ze eenvoudig gekleed door het leven ging, om niet te ver van de meisjes af te staan. Mogelijk was haar enthousiasme voor het werk ook afgenomen sinds het Zwaluwnest onder verantwoordelijkheid van de orthodoxe rabbijn Maarssen viel. In het Zwaluwnest was haar taak om meisjes bij de (joodse) les te houden en dientengevolge bleef ze dat zelf ook, van een doorgaande assimilatie was dus geen sprake. Deze ogenschijnlijke stilstand staat echter los van de vele ervaringen die ze opdeed waardoor ze wel een persoonlijke groei doormaakte. Haar contacten met de meisjes, met het bestuur en haar verhouding met Kaai hadden haar een zekere volwassenheid gebracht. Ze was niet meer onwetend over de raadselen van het leven en de liefde. Mogelijk leidde dat tot een verlangen naar meer: ze wilde stralen, zich mooi maken, mannen ontmoeten en vooral: schrijven. Ze besprak haar gedachten met Berthe. Die adviseerde haar om naar Parijs te gaan, de stad met de poëtische klank. Maar ook: de stad waar je anoniem kon leven. Haar joodse identiteit zou er geen rol meer spelen, ze hoefde er geen rekening te houden met de sociale controle van Haagse kennissen van haar ouders, ze 136. Mendels, Jos. (1927) ‘De Banneling’, in: De Vrijdagavond, vol. 4, nr. 32, 1927. 104

137. Van Verre (1982).

zou zich helemaal vrij kunnen voelen. Haar vriendin, die zelf regelmatig in Parijs was geweest voor schilderlessen, wist dat ze verlangde naar schrijven en stelde voor dat Jos er journaliste zou worden. Dat ene duwtje in de rug had ze net nodig. Jos nam ontslag bij het Zwaluwnest. De zwaluwmeisjes organiseerden een afscheidsfeest voor haar. Over dit afscheid kon Mendels niet spreken zonder te vermelden dat praktisch alle meisjes in de oorlog zijn omgekomen. Die meisjes hebben een afscheidsfeest gegeven […]. En toen was het gedaan. Met die meisjes was het een paar jaar later ook gedaan want ze zijn allemaal gedeporteerd, op een of twee na. 138 In het clubblad Ha’amoed verscheen geen dank- of afscheidsbijdrage voor de leidster die tien jaar het Haagse Zwaluwnest had geleid. Wel een introductieberichtje voor haar opvolgster, die een compliment verdiende omdat ze in korte tijd een avond rondom de hoge feestdagen had georganiseerd.139 Afgezien van de poging het joodse karakter van het Zwaluwnest af te zwakken en haar eigen rol iets invloedrijker te maken dan die feitelijk was, lijkt Josepha Mendels over haar werk bij het Zwaluwnest weinig fictie de wereld ingebracht te hebben. De periode was nooit onderwerp van een roman.140 Het was ontegenzeggelijk een rijke periode uit haar leven, waarin het joodse een ondergeschikte en geen storende factor was omdat andere aspecten van meer waarde waren. Vanuit Parijs wilde Jos voor Nederlandse kranten gaan werken. Met een speciaal voor dat doel genomen treinabonnement bezocht ze een maand lang een groot aantal krantenredacties met de vraag, of die haar een perskaart kon leveren. Slechts één krant ging op haar verzoek in: het Kamper Nieuwsblad. Op 12 september 1936 bracht die hun eerste nummer uit en een correspondent in Parijs moet een welkome aanvulling op de redactie zijn geweest. Jos zegde haar kamer in de Agathastraat op en schafte zich een paar degelijke kledingstukken aan voor de reis en het verblijf in een grote, onbekende stad, waar ook de winter in aantocht was. Ze werd uitgezwaaid door haar moeder, haar zussen, Berthe en een aantal zwaluwnestmeisjes. Later verwoordde ze half in de derde persoon haar vertrek, waarbij de aandacht voor het uiterlijk weer prominent aanwezig is: 5 oktober 1936, meer dan 45 jaar geleden. Het was geen meisje, want ze was al 34 jaar. [Zij had] al een leven achter zich in 1936. Niet zo’n heel groot leven, geen groot liefdesleven gekend, maar wel veel verdriet en veel eenzaamheid gehad [...]. Niet een gelukkig mens, nee. Met zes koffers en rieten manden met alle rotzooi erin met de goedkope nachttrein naar Parijs. 300 gulden van m’n vaderlijk erfdeel wat ik in m’n zak had. Ik had […] een stevige winterjas uit Den Haag, fijne sportschoenen. Slippers eraan enzo. Goeie handschoenen, f linke, stevige jurk. Allemaal stevig, keurig. Niet opgemaakt. Bruin haar, een beetje wild. Die ging daar, zonder bril, naar Parijs. 141

138. Van Verre (1982). 139. G., A. (1936) ‘Rosch Ha-Sjanah in het Joodsch tehuis’ in: Ha’amoed, no. 9, 8 oktober 1936.

140. De hoofdpersoon van Als wind en rook werkt wel als directrice van een soort Zwaluwnest. Mendels (1950): 194 e.v.

141. Van Verre (1982).

105

DEEL II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

HOOFDSTUK 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

Toen Josepha Mendels na de lange, nachtelijke reis voet op Franse bodem zette, deed ze een stap terug in de tijd. Frankrijk liep in veel zaken achter op Nederland. Stromend water was geen vanzelfsprekendheid, in Parijs was een enorm gebrek aan woonruimte en Franse vrouwen hadden geen kiesrecht. Wel was betaalde arbeid voor hen gewoner dan in Nederland. Ook al bevonden beide landen zich in een crisis, Frankrijk stond er in de jaren dertig minder goed voor dan Nederland. Dat was vooral een gevolg van de deelname aan de Eerste Wereldoorlog, een demografische en financiële aderlating voor de Franse natie. Bijna anderhalf miljoen mannen hadden het leven gelaten in de loop­ graven van Verdun, bij de Somme en aan de andere fronten. Nog eens een miljoen soldaten was levenslang invalide geraakt door amputaties van een of meer lichaams­ delen. Rolstoelen, krukken en andere hulpmiddelen werden na 1918 vertrouwde ver­ schijnselen in het straatbeeld. Er waren honderdduizenden wezen en oorlogsweduwen. Ook zat Frankrijk financieel aan de grond door de oorlog die de bevolking bovendien had achtergelaten met een trauma: het verlies van zoveel zonen, broers, echtgenoten en vaders had de Fransen een anti-oorlogshouding bezorgd, die in de jaren dertig omsloeg in een verkokerd pacifisme: men dacht dat het opkomend fascisme en nazisme niet zo slecht konden zijn als een oorlog.1 1936, het jaar waarin Josepha Mendels in Parijs kwam wonen, was in politiek opzicht turbulent.2 Toen zij de indrukken bij haar aankomst kenschetste als: ‘Frankrijk was onder premier Léon Blum een socialistisch land geworden. De mensen hadden net hun vijfde week vakantie gekregen. Overal gelukkige gezichten’, was dat misschien wel een speelse observatie, maar een tamelijk onwaarschijnlijke.3 Het socialisme kwam slechts met horten en stoten op gang en zou van korte duur blijken. Toen de joodse socialist en intellectueel Léon Blum in juni aan de macht kwam, lagen achtduizend fabrieken plat vanwege stakingen van ongekende omvang. Bijna twee miljoen arbeiders voornamelijk uit de metaalindustrie, hadden het werk neergelegd, terwijl vakbonden nog nauwelijks bestonden en er geen heldere eisen op tafel lagen. In de nieuwe regering sloegen com­ munisten, socialisten en radicalen (een antikerkelijke, centrum-rechtse partij) verenigd in het Front Populaire de handen ineen tegen het fascisme. De stakingen waren een van de grote problemen die opgelost moesten worden. In juni kwamen de Matignon-ak­ koorden tot stand, die verbetering voor de arbeiders beloofden. De regering-Blum lag door deze vliegende start al meteen onder vuur van rechts. De coalitie stond ook om andere redenen onder druk (niet ingrijpen bij Spaanse burgeroorlog, behoudend finan­ cieel beleid, gebrek aan voortgang bij vakbonden, interne verdeeldheid). Blum legde

1. Vinen, Richard. (1996) France, 1934–1970. Macmillan: 19. 2. Deze alinea is gebaseerd op Vinen (1996): 1–24. 3. Schaafsma (2008). 107

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

een jaar na zijn aantreden in juni 1937 zijn functie neer. Na hem kwamen er twee gematigd rechtse premiers, Camille Chautemps en tot juni 1940 Édouard Daladier. Vanuit Nederland had Josepha een eerste verblijfsplaats geregeld, een kamer in de ban­ lieu Sèvres. Bij het opstaan lag de dag voor haar, sinds lange tijd zonder afspraken of verplichtingen. Wat te doen? Per trein naar Parijs, eindeloos wandelen, alles verken­ nen, plekken zoeken die ze met Berthe had gezien, rondhangen in cafés en restaurants, bijvoorbeeld in La Coupole waar de intellectuelen en schrijvers zaten. Ze wierp er nieuwsgierige blikken op andere klanten en kwam vooral in contact met Duitsers, omdat ze het Frans nog onvoldoende beheerste. 4 Joden waren er ook in Parijs, niet verzameld in een grote gemeenschap, maar verdeeld in twee groepen.5 Enerzijds waren er de van oorsprong Franse, geassimileerde joden en anderzijds de sinds 1880 in drie golven geïmmigreerde joden uit Oost-Europa en Rus­ land. De eerste golf rond 1880, de tweede na afloop van de Eerste Wereldoorlog en de derde in de jaren dertig. In tegenstelling tot Nederland nam Frankrijk deze joden aan­ vankelijk wel op, van wie vooral leden uit de eerste immigratiegolf snel naturaliseer­ den. Er waren grote verschillen tussen de Franse en buitenlandse joden. De assimilan­ ten waren grotendeels opgenomen in de Franse maatschappij, gezagsgetrouw aan de Franse staat en op straat niet herkenbaar als jood. De zegswijze ‘Heureux comme un juif en France’ zal vooral op deze eerste groep van toepassing zijn geweest en zou later door antisemieten tegen hen gebruikt worden: ze hadden het te goed en hun succes zou ten koste gaan van de Fransen.6 Buitenlandse joden hielden vast aan hun Jiddisch, aan hun traditionele kleding en waren wantrouwig tegen autoriteit, opgedaan in hun lan­ den van herkomst waar ze in veel gevallen als intellectueel, jood of communist vervolgd werden. Josepha kwam nauwelijks met deze bevolkingsgroepen in contact. Ongetwijfeld bezocht ze de Bibliothèque Nationale, waar haar vader meer dan veertig jaar eerder onderzoek had gedaan voor zijn dissertatie. Aan het einde van de dag ging ze terug naar Sèvres. ‘Ik vond er geen klap aan om buiten Parijs te zitten, Ik heb er niet lang gewoond.’7 In 1937 verhuisde ze naar Auteuil, een buurtje net buiten de huidige Boule­ vard Périphérique.8 Ze was naar Parijs gekomen om journaliste te worden. Met haar perskaart die ze in Parijs kreeg van de buitenlandse persvereniging namens het Kmper Nieuwsblad (men vergat de a te typen) kon ze overal naar binnen.9 Ze schreef overigens nooit voor die krant, maar de kaart stond garant voor haar nieuwe bestaan als journalist. In het Interbellum was een vrouwelijke correspondent een tamelijk zeldzaam verschijn­ sel. Amy de Leeuw was een voorloper in 1880, daarna volgden enkele vrouwen haar voorbeeld en schreven vanuit Londen, Parijs of Berlijn hun stukjes, vaak onder pseudo­

4. Mendels, Josepha. (1988), Josepha Mendels Informatie. Amsterdam: Meulenhoff: 18. 5. Poznanski, Renée. (2001) Jews in France during World War II. Brandeis UP: 5 e.v. 6. Wasserstein, Bernard. (2012) Aan de vooravond. Europese Joden voor de Tweede Wereldoorlog. Nieuw Amster­ dam Uitgevers. 108

7. Van Verre (1982). 8. Nord (1981): 29. In Rolien en Ralien is een hoofdstuk onder de titel ’Auteuil’ het verslag van een kortstondig verblijf bij een familie als kindermeisje. 9. Arnoldussen, Paul. (1997) ‘Corres­ pondente van het Kmper Nieuwsblad’, in: Het Parool, 21 juni.

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

niem.10 Tine Laudry ging in 1925 voor De Tijd, een katholieke krant, naar Parijs. Ze was de dochter van de hoofdredacteur en dat feit heeft mogelijk in haar voordeel gewerkt. Hilda van Praag-Sanders werd in 1936 cor­ respondent voor onder andere het Algemeen Handelsblad in Brussel.11 Kranten zagen steeds beter in dat vrouwen ook (kranten)lezers waren. Zij trachtten te profiteren van de populariteit van damesbladen als Eva, Libelle en Margriet en begonnen in de jaren dertig met vrouwenrubrieken en vrouwen­­ pagina’s. Die werden door vrouwen geschre­ ven en dat was dan ook lange tijd het afgeba­ kende domein van de vrouwelijke journalist: mode, dagelijks leven, faits divers, voeding en kunst. Het waren vooral de socialistische en liberale kranten en de enkele uitzonde­ Josepha door Berthe Edersheim ring De Tijd die vrouwelijke correspondenten aannamen of met vrouwelijke freelancers werkten. Politiek was en bleef het terrein van mannen en dat gold zowel voor medewer­ kers in eigen land als die in het buitenland. Iedere krant die het zich kon veroorloven had correspondenten in het buitenland, en daar waren ook relatief kleine kranten bij. In de jaren twintig en dertig was Berlijn een van de belangrijkste wereldsteden, de NRC had er vier correspondenten. Ook Londen en Parijs waren voorname centra, de Franse hoofdstad trok vooral literair geïnteresseerde journalisten.12 E. du Perron was er vanaf 1936 (literair) medewerker voor Het Vaderland, voor het Algemeen Handelsblad de in de rechten gepromoveerde Marius Voorbeijtel en namens De Telegraaf Henk van den Broek. De vrouw was sowieso beter geschikt voor achtergrondnieuws, zo luidde een door de voorzitter van de Nederlandse Journalisten Kring geuite opinie, omdat het harde nieuws te zware eisen aan haar gestel stelde.13 Er waren voldoende vrouwen die het tegendeel bewezen hadden: Emmy Belinfante, vanaf 1901 journaliste bij diverse Haagse kranten, werkte zonder problemen op een nachtredactie. Ro van Oven was sinds 1912 journaliste bij onder andere De Vrouw en haar huis, de Groene Amsterdammer, Haagse Post en De Telegraaf.14 Tenslotte was er het duo Anna Holdert-Zuikerberg en Hélène van Meekren die als eindredacteuren bij het Algemeen Handelsblad en vanaf 1915 samen als hoofd­ redacteur van de Haagsche Dameskroniek een uitstekende reputatie hadden. 10. Diekerhof, Els, Mirjam Elias & Marjan Sax. (1986) Voor zover plaats aan de perstafel: vrouwen in de dagbladjournalistiek, vroeger en nu. Amster­ dam: Meulenhoff en Hagen, Piet. (2002) ‘Vrouwen’, in: Idem, Journalisten in Nederland; een persgeschiedenis in portretten 1850–2000. Amsterdam: De Arbeiderspers: 127–139.

11. Meer over Hilda van Praag-Sanders en haar echtgenoot Siegfried van Praag in de vooroorlogse tijd in: Levie, Sophie. (2010) ‘De contacten van Siegfried E. van Praag met zijn uit­ gevers’, in: Helleke van den Braber & Jan Gielkens (red.). In 1934: Nederlandse cultuur in internationale context. Amsterdam: Querido: 173–182.

12. Hagen (2002): 52. 13. Hagen (2002): 132. 14. Groot, Marjan. (2007) Vrouwen in de vormgeving in Nederland 1880–1940. Rotterdam: Nai uitgevers: 40.

109

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Josepha had geen duidelijk beeld van haar toekomstig werkveld. Nergens blijkt uit of ze zich inhoudelijk had voorbereid. De enige ervaring waarover ze beschikte waren de vriendelijke stukjes in Ha’ischa die een beperkt lezerspubliek bereikten. Aanvankelijk hanteerde ze dezelfde methode die in Den Haag gewerkt had: ze observeerde mensen – toen de meisjes van het Zwaluwnest – en schreef daarover. Alleen deze keer kende ze haar personages niet en vulde ze hun onzichtbare levens zelf in. Ze zag bijvoorbeeld een vrouw met een kind in La Coupole zitten. Na verloop van tijd kwam er een man bij. Daarover maakte ze een verhaaltje.15 Dergelijke stukjes verzond ze aan een aantal kran­ ten, die ze allemaal terugkreeg met beleefde bedankjes. Alleen De Groene Amsterdammer nam de moeite enige toelichting te verschaffen: ‘Ze zeiden: “Dat is geen journalis­ tiek, dat is schrijven. Dat kan niet in kranten. U weet niet wat kranten nodig hebben.” Ik heb dat verhaaltje opzij gelegd en ben kranten gaan lezen.’16 Zo leerde Josepha zich­ zelf het journalistieke vak. Ze had er niet eens gek veel tijd voor nodig. Op 5 december 1936, twee maanden na haar aankomst in Parijs, verscheen van haar een klein stukje over het leven van sinterklaas in de Lochemse Courant. Het leverde haar drie gulden op, in 2014 zou de tegenwaarde zo’n dertig euro zijn.17 Op 12 december 1936 nam De Dameskroniek een eerste stuk van haar op, ‘De vrouw en het huisdier’. Een fors artikel, rijk geïllustreerd met een cartoon en vier foto’s van katten, honden en een vrouw met een konijn in de armen. Ondertekend met: ‘Josepha Mendels, Parijs, december 1936.’ 84 francs en 45 centimes verdiende ze ermee, vergelijkbaar met 59 euro. Het weinig nieuwswaardige stuk gaat over echte of gefingeerde historische personen en de omgang met hun huisdieren, in het bijzonder katten. De auteur lijkt zich eerder op sagen en fabels gebaseerd te hebben dan op de actualiteit. De Dameskroniek was een blad voor vrouwen uit de midden- en hogere klasse en stond onder de hoofdredactie van het al eerder genoemde journalistenduo Anna Holdert-Zuikerberg en Hélène van Meekren. Josepha’s moeder viel beslist in de doelgroep en zij werd zeker nadat er stuk­ ken uit Parijs in verschenen, een trouwe lezeres. Josepha’s derde artikel getuigde van meer journalistiek inzicht: ‘Hoe Franse journalis­ ten over Holland schrijven’ heette het en de Haagse liberale krant Het Vaderland plaatste het op 9 januari 1937. Ze schreef over de misvattingen van Franse journalisten die massaal naar Nederland trokken ter gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en Bernhard op 7 januari. Ze maakten schrijffouten, vertelde Josepha: ‘Voorh’ [Voor­ hout], ‘Noreind’ [Noordeinde], ‘Groote Kirk’ [Grote Kerk] en ze stelden Marken en Volendam voor als de belangrijkste steden van Nederland. Het Koninklijke huwelijk leende zich ook voor een stukje in het Franse blad C’est la mode, maar een artikel in een Franse krant was een zeldzaam uitstapje. In het voorjaar van 1937 publiceerde Josepha met enige regelmaat stukken. Meer dan twee artikelen per maand kon ze echter niet kwijt. De ene keer betrof het een kort nieuwsbericht, de andere keer een interview of een reportage. Ze bezocht een kinderte­ huis en maakte een interview met filmactrice Daniëlle Darrieux. Ze voegde de Haagse Post en De Telegraaf aan haar opdrachtgevers toe, maar erg veel geld verdiende ze nog 15. Van Verre (1982). 16. Ibidem. 17. Kasboek 1936–1940 JM. 110

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

niet. Voor een artikel ontving ze tussen de tien en vijftien gulden bij de Dameskroniek, de Haagse Post betaalde haar tussen de tien en de twintig gulden, de Nieuwe Rotterdamsche Courant bracht rond de tien gulden of minder in het laatje.18 Van twee artikelen per maand kon ze niet leven. Dat werd een probleem. De driehonderd gulden (tegenwaarde in 2012: 2900 euro) die ze uit Nederland had meegenomen, leende ze bovendien zomaar uit aan een would-be acteur. Althans, dat is haar versie van het verhaal waarin ze dit forse bedrag kwijtraakte. Ze heeft dit voorval aan verschillende journalisten verteld en illustreert hiermee hoe naïef ze was.19 Ze ontmoette de man, die een Nederlandse krant zat te lezen, in een café. Ze raakten aan de praat. Hij zou acteur zijn, maar door gebitsproblemen geen rollen kunnen krijgen. Een bezoek aan de tandarts kon hij niet betalen. Als hij geld had, zou hij het kunnen verdubbelen door ermee te gokken. Josep­ ha kon niet verhullen dat ze driehonderd gulden bezat. Ze leende het hem uit, in de veronderstelling dat hij het de dag erna terug zou geven. Op het afgesproken tijdstip was de man er niet. Ik heb lang gewacht, maar ik heb hem niet terug gezien. Eén keer, in een restaurantje bij de Bourse. Daar zat hij aardappelpuree te eten. Hij kon niet kauwen. Dat was m’n eerste goede daad in Parijs. Enfin, [dat geld] was ik kwijt. 20 Het kwijtraken van de driehonderd gulden – uitgeleend of zelf uitgegeven – uit de erfe­ nis van haar vader vormde voor Josepha aanleiding om aan te kloppen bij de Nederland­ se gezant in Parijs voor financiële bijstand. Zo kwam ze terecht bij jonkheer John Loudon, voormalig minister van Buitenlandse Zaken in het Kabinet-Cort van der Linden (1913–1918). Hij was sinds 1919 Parijs’ gezant. Van Loudon kreeg ze een vaderlij­ ke preek, een som geld én hij bracht haar in contact met de organisatie van de Wereld­ tentoonstelling voor Kunst en Techniek, die vanaf mei 1937 gehouden werd in Parijs.21 Loudon was betrokken bij de Nederlandse vertegenwoordiging op die tentoonstelling. Hij wees Josepha op de mogelijkheid om er te solliciteren als gids. Dat deed ze. Omstreeks januari 1937 begon de werving van gidsen en tolken voor de wereldtentoon­ stelling. Als journalist heeft Josepha enkele artikelen aan die werving gewijd, zonder aan te geven, dat ze zelf een van de kandidaten was. Zij schreef in Het Vaderland dat er vierhonderd kandidaten werden geselecteerd uit vijfentwintighonderd gegadigden die tolk of gids wilden worden. De geselecteerden volgden een cursus van drie maanden, twee avonden in de week, over de geschiedenis van de wereldtentoonstellingen, archi­ tectuur en theater en de opbouw van de tentoonstelling met zijn paviljoenen. De aspi­ rantgidsen en -tolken moesten een examen doen. Honderdzestig van hen werden in dienst genomen van de tentoonstelling. Degenen met een Franse nationaliteit kregen de voorkeur.22 Josepha werd een van de gidsen. 18. Kasboek 1936–1940 JM. 19. Van Verre (1982), Cartens (1981), Schaafsma (1986). 20. Van Verre (1982). 21. Onderzoek in het archief van het gezantschap in Parijs, aanwezig in Nationaal Archief in Den Haag, heeft

geen schriftelijke bewijzen opgeleverd van de bijstand die Josepha Mendels ontvangen zou hebben. 22. Mendels, Josepha. (1937) ‘2500 candidaten voor gids entolk op de wereldtentoonstelling’, in: Het Vaderland, 22 april 1937. 111

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

In de geschiedenis van wereldtentoonstellingen is die van 1937 een pijnlijke geworden. De aanloop naar de tentoonstelling was voor de Fransen lang en moeizaam. Nationale en internationale spanningen, politieke onrust, financiële crises en de stakingen waren maar enkele van de problemen die het vinden van een juiste toon en uitstraling in de weg stonden. Daarbij kwam dat Parijse hoteleigenaars en restaurants, die in het buiten­ land niet bekend stonden om gastvrijheid en service, niet wilden meewerken aan col­ lectieve arrangementen. Al in 1932 waren de voorbereidingen begonnen en tot de ope­ ning waren er niet minder dan twaalf regeringen die zich met de expositie moesten bezighouden. Eén keer werd die helemaal afgeblazen, omdat het in de crisisjaren geen pas zou geven om veel geld aan zoiets als een tentoonstelling uit te geven.23 Tegenstan­ ders van dat besluit beargumenteerden, dat Frankrijk met de tentoonstelling juist veel banen zou kunnen creëren en het toerisme, dat door de crisis ernstig was teruggelo­ pen, weer op gang zou kunnen brengen. Zij kregen hun zin. Er werd bepaald dat de ‘B.V. Frankrijk’ onderwerp van de tentoonstelling moest zijn. Hoe de Fransen ook hun best deden, al snel bleek dat andere landen het maken van propaganda beter in de vin­ gers hadden dan zij. Vooral Duitsland en de Sovjet-Unie namen de internationale expo­ sitie te baat om hun respectievelijke fascistische en communistische regimes te propa­ geren, deels op kosten van Frankrijk, dat een bijdrage leverde aan de bouwwerken van alle deelnemende landen. Het tentoonstellingsterrein, dat in de aanloop van de opbouw drie keer uitgebreid werd, was gevestigd op de plaats waar al drie keer eerder een wereldtentoonstelling was gehouden. Het Palais du Trocadéro was een herinnering aan die van 1878 (overigens deels afgebroken voor de tentoonstelling van 1937), de Eiffel­ toren herinnerde aan die van 1889, het Grand Palais, Petit Palais en de Alexander IIIbrug waren overblijfselen van die van 1900. Het gebied strekte zich aan de westelijke kant uit van het Place Trocadéro naar het zuidelijker gelegen Champs de Mars en ging in oostelijke richting naar het Louvre, in totaal 105 hectare. Het Palais de Chaillot zou een herinnering aan deze tentoonstelling worden. De Exposition internationale des arts et techniques dans la vie moderne opende op 24 mei 1937, in plaats van de geplande datum van 1 mei. Bij de opening waren alleen de Duit­ se, Italiaanse, Russische, Deense en Nederlandse paviljoens gereed en enkele van de Franse. De Nederlandse gezant Loudon, die in de Franse pers voordurend had kunnen lezen met welke tegenslagen de tentoonstelling kampte, deed droogjes verslag van de opening aan zijn minister van Buitenlandse Zaken: Begunstigd door het schitterende weder had [de feestelijkheid] een gunstig verloop, niettegenstaande het feit dat behalve de blijvende gebouwen […] de verschillende paviljoens slechts voor een klein deel gereed zijn en voor het overige door een min of meer geslaagde camouf lage van zeildoek en vlaggen den waren staat van het grotendeels onvoltooide geheel aan het oog onttrokken. 24

23. Peer, Shanny. (1998) France on display: Peasants, provincials, and folklore in the 1937 Paris World’s fair. State University of NY: 24. 112

24. Nationaal Archief, Inventaris van het archief van het Gezantschap te Frankrijk (Parijs), 1866–1940 toegangs­ nummer 2.05.102, stukken betreffende

de in 1937 te Parijs gehouden inter­ nationale tentoonstelling over kunst en techniek in het hedendaags leven, 1930–1940, inventarisnummer 2082.

Het bezoek aan de tentoonstelling werd ironisch genoeg afgeraden voor half juni, terwijl stakingen, waarbij de arbeiders die aan de opbouw werkten, de Internationale zongen en met rode vlaggen zwaaiden, potentiële buitenlandse bezoekers hadden afgeschrikt. De meest in het oog springende gebouwen waren die van de Sovjet-Unie en Duitsland, die uitdagend tegenover elkaar stonden en overal bovenuit staken, behalve de nabijgelegen Eiffeltoren. Per toeval had Albert Speer, de architect van het Duitse paviljoen, tijdens een rondleiding de geheime bouwtekeningen ingezien van de SovjetUnie. Hij zag hoe hoog de Russen gingen bouwen en besloot zijn bouwwerk nog hoger te maken zodat zijn adelaar met een swastika in de poten kon neerkijken op het Russi­ sche paviljoen, dat bekroond was met een fors beeldhouwwerk van een arbeider en een boerin die tezamen een hamer en sikkel in de lucht staken.25 Een opvallende bijdrage aan de tentoonstelling was de in Engeland en de VS verboden, want controversiële film Triumph des Willens van Leni Riefenstahl, een gestileerd verslag van het Nazi-congres van 1934 in Neurenberg. De Franse directeur van de tentoonstelling beval hem zelfs aan.26 Een tegengeluid bood de Guernica in het Spaanse paviljoen, het drieënhalf bij acht meter grote doek dat Pablo Picasso in hoog tempo had gemaakt in reactie op de vernietiging van de Baskische stad Guernica door de Duitse en Italiaanse bommenwerpers op 26 april 1937. De schilder woonde in Parijs en hij vormde zich een beeld van de slachting door foto’s uit de Franse kant Ce Soir en filmjournaals, waarmee de zwart-, wit- en grijstinten waarin het schilderij is uitgevoerd, worden verklaard.27 Het is opmerkelijk dat Josepha Mendels zich op geen enkele wijze kritisch heeft uitge­ laten over de politieke lading van de tentoonstelling. Zij omschreef zichzelf als a-poli­ tiek en hield kennelijk de ogen gesloten voor bepaalde ontwikkelingen, ondanks haar contacten met politiek geïnteresseerde vrienden, waarvan Berthe er een was. Daar staat tegenover dat niemand zich realiseerde dat zich hier het grootste conflict uit de twintig­ ste eeuw aankondigde. Mendels deed haar werk als gids en schreef waar mogelijk een wervend stukje over de tentoonstelling. In de Franse media werd de tentoonstelling vooral gehekeld om zijn grote vertragingen en geldverslinderij. Het Nederlands pavil­ joen moest het in Nederland ontgelden. Dat bouwwerk was in relatief korte tijd tot stand gekomen onder leiding van een club gewichtige mannen.28 Architect J. H. van den Broek, die later met J. Bakema grote faam verwierf met de Lijnbaan in Rotterdam, tekende voor het ontwerp. Het tentoongestelde was een combinatie van traditioneel en nieuw: religieuze kunst versus moderne brievenbussen en telefooncellen. Een colum­ nist van Haagse Post (Eduard Bouquin, een pseudoniem van Eduard Elias) maakte het Nederlands paviljoen volledig belachelijk, door het een ‘uitgerekte vogelkooi’ te noe­ men, en als enige pré te melden dat de koffie er slechts één franc kostte.29 Josepha Mendels deed dat niet. Afbranden was iets dat haar als journalist volledig vreemd was. 25. Peer (1998): 44. 26. Peer (1998): 29. 27. Weber, Eugen. (1994) The Hollow Years, France in the 1930’s. New York/ Londen: Norton: 167. 28. Als commissaris-generaal werd de architect Jan de Bie Leuveling Tjeenk benoemd, die dezelfde functie had uitgeoefend bij de wereldtentoon­

stelling voor decoratieve kunsten in 1925, eveneens in Parijs. Jonkheer A.van den Berch van Heemstede werd gedelegeerde van de commissie van uitvoering. De gezant J. Loudon werd erevoorzitter van het Nederlands Comité van Ontvangst. Zie: Verslag betreffende de Nederlandsche Deel­ neming aan de internationale ten­

toonstelling kunst en techniek in het hedendaagsche leven, Parijs. Nationaal Archief, toegangsnummer 205.102 inv. 2082. 29. Bouquin, Edouard. (1937) ‘Ik dacht zoo… de schande van Parijs’. Haagse Post, 24 juli 1937.

113

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

Haar stijl was soms wat belegen en zou niet misstaan hebben in een voorlichtingsbrochure. Voor het reismagazine Op reis schreef ze over de tentoonstelling Zeer belangrijk is ook het centrum van het huisgezin: de vrouw, het kind en de familie. De Haagsche Post van 1 mei j.l. wijdt hier een uitvoerig artikel aan. Vermeld zij, dat men allerlei inlichtingen kan krijgen, die op het familieleven betrekking hebben, van beroepskeuze tot kookcursussen toe! Modern speelgoed wordt tentoongesteld, de goedkope restaurants zijn een uitkomst voor een talrijke familie, het kindertheater, kinderkiosken en -bewaarplaatsen zijn slechts enkele bijzonderheden van dit belangrijke centrum. 30 Ze koesterde de expo als een goudmijn en had er geen moeite mee om reclame te maken voor een artikel van haar eigen hand in een ander tijdschrift. Er was zoveel over te vertellen, dat ze er tussen mei en november 1937 maandelijks wel een of meer artike­ len over kon schrijven. De opening van het Palestijnse paviljoen was nieuws voor de joodse lezeressen van Ha’ischa; voor de Groene Amsterdammer schreef ze een interview met de beeldhouwster van het Russische paviljoen; voor reisbladen schreef ze een over­ zichtsartikel over de tentoonstelling; over ervaringen en wensen van bezoekers schreef ze voor Haagse Post, een stuk dat vertaald werd voor een Frans blad. Als gids werd ze geacht dagelijks bij de receptie te wachten tot er vraag was naar een Nederlandse rondleiding, maar veel gidsen maakten er een sport van om bezoekers uit het eigen taalgebied op afstand te herkennen en hen voor een ingang – er waren er 31 – aan te spreken en een tour aan te bieden voor vijftien francs per uur. De toegang bedroeg zes francs. Eenmaal binnen werd de bezoeker overweldigd door het aanbod: er waren 11.000 exposanten. Landenpaviljoens, bedrijfspaviljoens, films, muziekuitvoeringen, conferenties, adviesbalies, het aanbod was eindeloos. Alles was gerangschikt naar thema, waaronder wetenschappelijke ontdekkingen, geesteswetenschappen, sociale kwesties, stedenbouw en architectuur, boek- en tijdschriftenuitgeverij en nog veel meer.31 Het rondleiden op de expo beviel Josepha wel, hoewel ze er niet veel mee verdiende. ‘s Avonds leidde ze namelijk weinig kapitaalkrachtige toeristen rond door Parijs, zoge­ naamd puur uit socialistische motieven, maar vooral om wat bij te verdienen. In de metro ging Josepha met deze Nederlandse en Duitse toeristen de stad door en liet ze ook de hoerenbuurt zien, wat zeer gewaardeerd werd. Als ze met zo’n groep in een café eindigde, kreeg ze daarvan een klein deel van de omzet: De volgende dag kon ik m’n procenten halen op die drankjes. En weet je waarin die vrouw me die procenten gaf? In een preservatiefje. Kwam ze met zo’n zakje aanzetten. Met een paar munten erin. Zo leefde ik toen. 32 Josepha woonde in de zomermaanden in Hotel de la Paix aan de Quai d’Anjou 29 op het Ile Saint Louis. In november sloot de wereldtentoonstelling zijn deuren. Rond die

30. Mendels, Josepha. (1937), ‘Een greep uit de vele bezienswaardigheden op de wereldtentoonstelling te Parijs’ in: Op reis, juni 1937. 31. Zie voor een uitgebreider overzicht 114

van de tentoonstellingscategorieën: Schroeder-Gudehus, Brigitte & Anne Rasmussen. (1992) Les fastes du progrès: le guide des expositions universelles 1851– 1992. Paris: Flammarion: 195–197.

32. Van Verre (1982), Radiointerview met Alice Oppenheim Close Up, 30 januari 1976, Schaafsma (2008).

tijd waren alle paviljoens eindelijk af en men was van plan de tentoonstelling te herope­ nen in het voorjaar, om meer bezoekers de kans te bieden een compleet beeld te krijgen en zo meer inkomsten te verwerven, maar dat idee werd afgekeurd door de oppositie.33 Al met al had de tentoonstelling 31 miljoen bezoekers getrokken.34 Dit aantal stond in de schaduw van de 50 miljoen die op de Parijse wereldtentoonstelling van 1900 af waren gekomen. Het evenement was in de Franse publieke opinie geen succes gewor­ den, al bleek in 1940 wel dat er geen verliezen waren geleden, zoals men dacht, maar dat er zelfs winst was gemaakt. Van een toename van het toerisme was echter geen sprake geweest en de werkgelegenheid had alleen een tijdelijke impuls gekregen. De linkse regering kreeg de schuld.35 Vol goede moed gingen echter veel van de deelne­ mende landen, waaronder Frankrijk, aan het werk voor de volgende wereldtentoonstelling die in 1939 in New York plaatsvond.

Harmen Meurs Wanneer Josepha ’s avonds laat naar haar hotel terugkeerde, vond ze daar twee tot drie keer in de week een briefkaart van Berthe, die in juni en juli genoot van haar huwe­ lijksreis: een rondreis per auto door Frankrijk met Harmen Meurs. Sinds ze hem in 1930 in Parijs op het atelier van de beeldhouwer Jacques Lipschitz had ontmoet, waren ze elkaar niet meer uit het oog verloren. Meurs was toen nog getrouwd, het was zijn tweede huwelijk. Berthe was in 1931 van Den Haag naar Amsterdam verhuisd om zijn assistent te worden.36 Meurs was een magere verschijning met rossig haar, een hoog voorhoofd en uit zijn mond stak vaak een pijp of sigaret. Ondanks zijn vooraanstaande positie in de kunstwereld was hij geen man met grote sociale vaardigheden. Hij kon ronduit nors zijn, een karaktereigenschap die met de jaren de overhand zou krijgen. Vanaf het begin was hij betrokken bij de kunstenaarskring De Onafhankelijken, die in 1912 was opgericht. 37 Spraakmakend waren de Dada-avond met Kurt Schwitters in 1920 en de overzichtstentoonstelling van Wassily Kandinsky ter gelegenheid van zijn 60ste verjaardag in 1927. Marc Chagall, Ossip Zadkine, Schwitters en Kandinsky waren slechts enkele van de kunstenaars die vanuit het buitenland bij De Onafhankelijken betrokken waren en hun werk beschikbaar stelden voor tentoonstellingen. Meurs beleefde in de jaren twintig en begin dertig als bestuurslid van De Onafhankelijken zijn finest hour. Hij had contacten met kunstenaars uit binnen- en buitenland en riep vanaf 1933 kunstenaars op hun stem te laten horen tegen het opkomend fascisme en nazisme. Zijn betrokkenheid bij de voorhoede van de kunstscene eindigde abrupt door twee incidenten. De in 1933 georganiseerde voorjaarstentoonstelling van De Onafhankelijken in het Stedelijk Museum onder voorzitterschap van Meurs bestond naast werken van leden uit tekeningen, aquarellen en olieverfschilderijen die geweigerd waren op de Berlijnse kunsttentoonstelling van dat jaar. Baard, de katholieke directeur van het Stedelijk

33. Peer (1998). 34. Weber (1994): 171. 35. Peer (1998): 41. 36. Mededeling Evelyne Mendels, 2007. 37. Meurs was in 1926 tot tweede

voorzitter gekozen en in 1929 tot voor­ zitter. Dat bleef hij drie jaar. Venema (1979): 47–48. Venema weerspreekt dat Meurs, zoals hij zelf later beweer­ de, behoorde tot de oprichters van De

Onafhankelijken (Venema 1979: 56). Meurs was sinds 1912 wel lid van de vereniging en maakte deel uit van het bestuur als ‘bijzittend lid’. Zie: Archief De Onafhankelijken, RKD. (online) 115

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

Museum, maakte vlak voor de opening ‘uit zedelijksheidsoverwegingen’ bezwaar tegen het doek Namiddag van surrealist J.H. Moesman – twee amorfe lichamen, kennelijk in elkaar opgaand – en bestempelde Selig sind die geistig Armen, waarop paters soldaten en zwangere vrouwen zegenen voor het executiepeloton van de Duitser Horst Strempel als een ‘grove bespotting van de katholieke kerk’.38 Besloten werd het oordeel van de gemeenteraad te vragen en voorlopig de gewraakte doeken van de tentoonstelling te verwijderen. De Onafhankelijken beloofden tot die tijd de pers niet in te lichten, maar toen bleek dat zij enkele dagen op het oordeel van de raad zouden moeten wachten, besloten zij zelf de tentoonstelling te sluiten. De meeste leden en het bestuur van de kunstenaarsvereniging legden zich neer bij de gang van zaken, maar Meurs niet. Hij bracht de tentoonstelling over naar een andere locatie, Bellevue, en heropende die een maand later. Het afzijdige gedrag van een groot deel van het bestuur en de leden bete­ kende een grote teleurstelling voor hem. Hij stapte op als voorzitter.39 Bij de volgende voorjaartentoonstelling in 1934, waarbij Meurs als exposant was betrok­ ken, waren De Onafhankelijken zo deemoedig om van te voren Baard op mogelijke ‘moeilijke’ werken te wijzen. Het waren er twee: wederom een doek van Moesman, de Aangekomene en een van de twee werken die Harmen Meurs had ingestuurd: Tijdsbeeld 1933 / 1934. Moesmans stuk zou een homoseksuele thematiek hebben en dat van Meurs beeldde SA’ers uit die een hakenkruis op de borst van een arbeider brandden. Baard velde een negatief oordeel over de werken, dat door het gemeentebestuur werd overge­ nomen. De argumentatie bij Meurs’ doek was, dat het ‘krenkend voor een bevriende natie’ was. 40 Weer legde het bestuur zich neer bij de gang van zaken en weer was Meurs hevig teleurgesteld. Voor hem waren deze ervaringen aanleiding om zich uitein­ delijk volledig terug te trekken uit De Onafhankelijken. Meurs’ politieke activiteiten vonden wel doorgang. In zijn atelier aan de Albert Cuyp­ straat had hij al langere tijd bijeenkomsten voor collega’s en hun aanhang georgani­ seerd, die aanvankelijk een artistieke inslag hadden, maar in de loop van de jaren der­ tig een politiek karakter kregen. De kunstenaars (onder wie Monnie Schwartz, Else Berg, Nola Hatterman en Jan Havermans) vormden een collectief en werkten aan span­ doeken en wandschilderingen, waarmee zij hun afkeer van het nazisme vormgaven. Meurs maakte zelf politieke doeken waarop demonstrerende vrouwen waren uitge­ beeld. Hij schreef zijn vrienden in binnen- en buitenland aan om materiaal te sturen voor een anti-fascisme tentoonstelling die hij in 1934 organiseerde onder de titel ‘Kul­ tuur 1934’ in het grote huis aan de Sarphatistraat van Else Berg en Monnie Schwartz. 41 Ook werd hij actief binnen de BKVK (Bond van Kunstenaars ter Verdediging van Kultu­ rele rechten), die zich verzette tegen het fascisme, en waar kunstenaars uit allerlei dis­ ciplines bij waren aangesloten: Nico Rost, Maurits Dekker, Lou Lichtveld, Joris Ivens, Fré Cohen, Paul Citroen, Louis van Gasteren en Eva Besnyö waren enkelen. Meurs vond in Berthe Edersheim zijn volgende geliefde. Aanvankelijk werkten ze als kunste­ 38. Jansen van Galen & Scheurs (1995): 64. 39. Venema (1979): 61–62. Deze lezing wordt overigens weersproken door het feit dat Ger Gerrits wordt genoemd als voorzitter van het bestuur in de cata­ logus van de voorjaarstentoonstelling. 116

Mogelijk trok Meurs zich dus al eerder terug uit de vereniging. 40. Venema (1979): 67. 41. Berthe Edersheim beschrijft de organisatie van de tentoonstelling in de handgeschreven niet geheel objectieve biografie Harmen Hermanus

Meurs 1891–1964 z.j., z.p. Voor een uitgebreide beschrijving van de ten­ toonstelling: Wolf, Caroline de. (2008) Kultuur 1934: een communistische kreet van artistiek protest, masterthesis UU.

Harmen Meurs en Berthe Edersheim naars en linkse activisten samen en betrokken, nog ongehuwd, twee verdiepingen aan de Amstel 194–II, vlakbij de Blauwbrug. Ze keken uit over het Waterlooplein, de ver­ pauperde jodenbuurt, en haalden daar inspiratie uit. In hun ateliers aan huis schilder­ den ze ‘de gewone man’ en Afrikaanse modellen. Samen maakten ze excursies naar de mijnen in Zuid-Limburg en de Borinage in België, deprimerende omgevingen die de gemoedstoestand van Meurs weerspiegelden. 42 Josepha leerde Harmen vanzelfsprekend ook kennen begin jaren dertig. In 1936, voor­ dat zij naar Parijs vertrok, poseerde ze voor hem in hun huis aan de Amstel. ‘Naakt met rode doek’, waarop Josepha met opgetrokken knieën half op de rug en half op de zij ligt met de borsten vol in het zicht, behoort tot de grotere werken uit zijn oeuvre. Het idee van het schilderij was ogenschijnlijk een teken van vriendschap en wederzijdse interes­ se en vertrouwen. Eronder broeide vanuit Harmen irritatie over en jaloezie op de hech­ te vriendschap tussen Berthe en Jos die voor menig conflict zou zorgen. Berthe had er soms een dagtaak aan om te schipperen tussen de wensen van Harmen en haar eigen plannen met Josepha. De eerste jaren zou Berthe de wrevel met de mantel der liefde bedekken. Voor het huwelijk van Harmen en Berthe in juni 1937 kwam Josepha enkele dagen uit Parijs over. De jonggehuwden vertrokken daags na de ceremonie op huwe­ lijksreis met Berthes auto ‘Robbie’. De schildersezels gingen vanzelfsprekend mee. Elke drie à vier dagen stuurde Berthe een ansichtkaart aan Josepha. Frankrijk deed Berthe zo nu en dan denken aan de keren dat ze daar met Josepha en haar zus Leni was geweest. ‘Lieve Wolkje’, schreef ze op 26 juni 1937 aan Josepha. ‘De Loire is schit­ terend, ik herinnerde me er niet veel meer van.’43 Op 11 juli kwamen Berthe en Harmen aan in Fréjus, aan de Zuid-Franse kust. ‘Lieve Bol’, schreef Berthe op die dag. ‘Dit is ons nieuwe adres vlakbij St. Raphael. Ik denk dat we hier wel een paar dagen blijven. 42. Venema (1979): 82. 43. Berthe Edersheim aan JM, 26 juni 1937. 117

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

Harm is gelukkig weer beter. We hebben veel rondgereden en gekeken vandaag. Hier is een mooie omgeving om nog wat te werken. 44 De reis ging via Marseille, Nîmes, Avig­ non weer noordwaarts richting Grenoble. Op de terugweg bezochten ze Josepha in Parijs. 45 Via Harmen en Berthe leerde zij eind jaren dertig veel Nederlandse schilders in Parijs kennen, zoals Jeanne Buruma Oosting, Mena Loopuyt, Mattieu Wiegman, de broers Tjerk en Tjeerd Bottema en Frans Boers, van wie enkelen lid waren (geweest) van De Onafhankelijken. Eenmaal thuis hadden Harmen en Berthe de handen vol aan hun volgende plan. Na een kampeervakantie op de Veluwe hadden ze besloten om daar een stuk land te kopen, dat hun aangeboden werd door een boer. 46 Op het snel aangeschafte terrein lieten ze een huis bouwen. Het joods-antifascistisch schildersechtpaar voelde zich in Amster­ dam niet meer op haar gemak. Ook Meurs’ deconfiture met de kunstenaarswereld zal een rol hebben gespeeld bij de wens zich terug te trekken op de Veluwe. Hij had in Amsterdam alleen nog contact met kunsthandelaar Karel van Lier, zijn internationale contacten bloedden dood. Harmens broer Jan was architect en tekende voor een ont­ werp voor het huis. Er moest vooral veel ruimte komen voor twee ateliers met grote ramen op het noorden, de rest was bijzaak. In de uiteindelijke woning bevond Harmens grote atelier zich aan de voorkant en heeft een fraai uitzicht over de weilanden. Berthes ruimte lag aan de zijkant, had naast een raam op het noorden een zijraam dat uitkeek op de achtertuin, waarin een moestuin aangelegd werd. Op dezelfde etage was ruimte voor een kleine woonkamer met open haard. Op de begane grond kwamen naast de keuken, een ruime hal en twee garages, en voor Berthe en Harmen ieder een apart slaapkamertje. Eind 1939 kon het kunstenaarsechtpaar hun droomwoning, die moge­ lijk gemaakt werd door Berthes kapitaal, in het gehucht Speuld bij Putten betrekken. In Parijs had Josepha haar bestaan inmiddels redelijk op orde. Via de wereldtentoon­ stelling kreeg haar carrière als freelance journalist een impuls, ze leerde er journalis­ ten kennen en werd onder collega’s bekend vanwege haar kwaliteiten als correspondent. Haar joodse achtergrond speelde hier geen rol meer. Over joodse onderwerpen schreef ze, afgezien van een klein berichtje, helemaal niet. 47 Op basis van haar uiterlijk werd ze niet meer herkend als joods: haar ‘scheve rotneus’ kwam meer voor in de Franse hoofd­ stad. Ze was niet, zoals in Deventer of Groningen, dat ‘jodinnetje’ dat opviel door haar wilde gedrag. Op vrijdagavond kon ze doen wat ze wilde, er was geen joodse buurman of kennis die haar zou kunnen ‘betrappen’. Het is aan te nemen dat ze zich niet meer aan de voedselvoorschriften hield. Ontbijten, lunchen en dineren in een café of restau­ rant was in Parijs gebruikelijk en Josepha paste zich gemakkelijk aan. Ook de joodse feestdagen, het vasten op Jom Kippoer en het verbod op gerezen brood met Pesach kon ze probleemloos naast zich neerleggen. Voor haar was haar identiteit als vrouw in deze jaren van groter belang. Haar uiterlijk werd steeds Franser, ze ging zich eleganter

44. Berthe Edersheim aan JM, 11 juli 1937. 45. Berthe Edersheim aan Edith Mendels, 13 juli 1937. 46. De bronnen lopen uiteen: de ene stelt dat Berthe en Harmen het land 118

aangeboden kregen, de andere dat zij uit eigen initiatief tot aankoop over­ gingen. De eerste optie komt van Liesbeth Buree, de andere van de familie Mendels.

47. Het betrof een klein bericht over de viering van seideravond georganiseerd door de Rothschild-stichting in 1938. ‘Seideravond te Parijs’, in: Het Handelsblad, 20 april 1938.

kleden en gebruikte make up zoals de Franse vrouwen dat deden. Ongetwijfeld ont­ moette ze mannen en die waren niet joods. Parijs bood haar de anonimiteit waar ze naar gezocht had, al zal deze ook geleid hebben tot momenten van eenzaamheid. Na de wereldtentoonstelling had ze het hotel verruild voor een kamer in de Rue Vavin 9, op enkele minuten lopen van een van haar favoriete etablissementen la Coupole aan de Boulevard Montparnasse. 48 De Jardin du Luxembourg was bij wijze van spreken haar achtertuin en in haar straat bevond zich op nummer 21 het nog immer bestaande Hotel Danemark waar tal van schrijvers voor kortere of langere tijd hun intrek namen, eind jaren dertig onder andere Simone de Beauvoir. Ze was onafhankelijk, ook in professioneel opzicht. Het beroep waarvan ze leefde, had ze zichzelf geleerd. Het gaf haar vrijheid, maar vroeg tevens om daadkracht, nieuwsgie­ righeid en resultaatgerichtheid. Het correspondentschap was een functie die maar door enkele andere Nederlandse vrouwen werd uitgeoefend. Ze had zodoende de contouren gecreëerd voor het schrijversbestaan waarvan ze droomde sinds haar achtste. Een van de niet-joodse mannen die ze voor de oorlog ontmoette, was Valéry Jahier. Over de toevallige kennismaking met hem schreef ze twee korte verhaaltjes, ‘Jaloezie’ en ‘Liefde’, opgenomen in de memoires Welkom in dit leven, en besprak ze in een inter­ view. 49 Bovendien gebruikte ze de ingrediënten in een journalistiek stuk.50 Deze gebeurtenissen behoren tot haar narratieve identiteit. Net als de vriendschap met Titi tijdens haar adolescentie is de verbintenis met Jahier geen harmonische, al ligt dat niet aan Josepha. Met de beschrijving van haar verhouding met deze man versterkt Mendels het beeld van zichzelf als een vrouw die geen duurzame relaties aan kon gaan en die tot eenzaamheid gedoemd was. Die eenzaamheid betekende echter een rijke voedings­ bodem voor haar schrijverschap, en zo staan de negatieve ervaringen in het teken van haar ‘hogere’ identiteit: die van schrijver. Het vertellen van dit verhaal is een manier het zelf te beheren. De episode gaat als volgt: omdat haar huurbaas, met wie ze een verhouding zou hebben gehad, haar inruilt voor een ander, wordt ze geteisterd door jaloezie. Om die kwijt te raken spreekt ze een willekeurige man op straat aan en vraagt hem met haar opgewekt sprekend langs het café te lopen waar de huurbaas met zijn nieuwe verovering zit. Met deze man krijgt ze een verhouding die twee jaar zou duren. Of ze hem werkelijk van straat heeft geplukt valt niet vast te stellen. Het is ook mogelijk dat ze hem in haar rol van journalist heeft ontmoet, V.J. hield zich net als zij namelijk met film bezig.

Valerio Jahier, souffrant V.J. is Valerio Jahier, schrijver en filmcriticus. Getrouwd. In 1899 geboren in het Italiaanse Aosta ontvluchtte hij na de Eerste Wereldoorlog zijn land vanwege het snel opkomende fascisme.51 Volgens Josepha was hij de ‘zoon van een Franse dominee die via Zwitserland in Parijs terecht kwam’.52 Hij veranderde, eenmaal in Frankrijk, zijn

48. Nord (1981): 29. De afmeting van de kamer is af te lezen uit de drie­ maandelijkse kwitantie van de huur. 49. Oppenheim (1976).

50. ‘Een Pinkster-idylle in Parijs’, in: De Dameskroniek, 27 mei 1939. 51. Amoureux, Rémy. (2010) ‘Marie Bonaparte, her first two patients and

the literary world’, in: International Journal of Psychoanalysis 91: 879–894. 52. Mendels (1981): 36.

119

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

Valéry Jahier Italiaanse voornaam in het meer Franse Valéry. Jahier werkte bij het Institut Internatio­ nal de Coopération Intellectuelle, een voorloper van UNESCO, dat gevestigd was in het Palais Royal. In de jaren dertig schreef hij gezaghebbend over de Franse film, onder andere in het linkse, katholieke blad Esprit. Jahier was een van de meest gerespecteerde critici van zijn tijd en hij schatte het nieuwe medium film op de juiste artistieke waar­ de.53 In zijn vrije tijd schreef hij romans en novelles, die niet gepubliceerd werden. Persoonlijke problemen verhinderden hem volledig in het leven te staan. Hij leed aan angsten, spanningen, onderdrukte agressie en een minderwaardigheidsgevoel dat ‘zijn bestaan vergiftigde en zijn leven tot een hel maakte.’54 Hij zou al enkele keren een zelf­ moordpoging hebben gedaan voordat hij zijn heil in de psychoanalyse zocht, een nieu­ we behandelmethode in zijn tijd. Hij was met zijn (joodse) vrouw Alice onder behande­ ling van verschillende analytici, waarvan Marie Bonaparte de belangrijkste was. Deze Griekse prinses werd bekend omdat ze de eerste pleitbezorgster was van de psychoana­ lyse in Frankrijk. Ze was bovendien bevriend met Freud. Jahier was met Alice haar eerste officiële patiënt, die ze besprak met haar leermeester in Wenen.55 Eind jaren twintig voerde Jahier een briefwisseling met de Italiaanse auteur Italo Svevo, naar aanleiding van diens roman La coscienza di Zeno (1923, vertaald als Bekentenissen van Zeno).56 Het hoofdpersonage vertelt op advies van een psychiater zijn levensverhaal. Jahier bediscussieerde met Svevo het nut van de psychoanalyse. Jahier schreef hem, dat hij van zijn minderwaardigheidscomplex af wilde komen, hij voelde zich geremd. Ook vond hij van zichzelf, dat hij het leven vooral vanuit een literair perspectief ervoer.

53. Andrew, James Dudley. (1995) Mists of regret: culture and sensibility in classic French film. Princeton UP: 92. Zie ook: Abel, Richard. (1988) French Film Theory and Criticism: A History / Anthology 1907–1939, Princeton UP. 120

54. Amoureux (2010): 884. 55. Ibidem: 887. Zie ook: Stouten, Han­ na. (2011) Marie Bonaparte 1882–1962. Freuds prinses zoekt haar dode moeder. Amsterdam: UP.

56. Svevo, Italo. (1965) Carteggio con James Joyce, Eugenio Montale, Valery Larbaud, Benjamin Crémieux, Marie Anne Comnène, Valerio Jahier. Dal Oglio.

Jahier hoopte sterk op genezing, maar Svevo had een beperkt vertrouwen in de helende werking van de psychoanalyse.57 Aan de briefwisseling die in de loop van de tijd met gezamenlijke bezoeken met de wederzijdse echtgenoten gepaard ging, kwam abrupt een einde toen Svevo bij een auto-ongeluk op 13 september 1928 om het leven kwam. Jahier verbleef op dat ogenblik met zijn vrouw Alice in Nederland, waar ze een gezond­ heidskuur deden in Scheveningen. Er is een handvol brieven van Jahier aan Josepha overgeleverd, die hij schreef als zij in Nederland was. Als buitenlander moest ze eens in de drie maanden het land verlaten om haar verblijfsstatus te vernieuwen. Die verplichting combineerde ze met een bezoek aan familie en vrienden. Hij drukte haar regelmatig op het hart, goed voor zichzelf te zorgen en hij leek werkelijk bezorgd om haar gezondheid. ‘Soignez-vous, mangez, dor­ mez et soyez sage’, schreef hij haar.58 En later dat jaar: ‘J’aimerais que vous vous soigne­ rez très sérieusement, car il ne faut pas plaisanter avec la santé.’59 Enkele maanden later: ‘Ne rentrez pas trop tôt, car à Paris vous ne pourrez plus vous soignez. Il faut donc que vous reveniez en parfait état si vous voulez tenir le coup.’60 Reflecteerden deze adviezen de wankele gemoedstoestand van de auteur zelf, die zich door uiterlijke verzorging op de been trachtte te houden? Hun correspondentie ging ook regelmatig over boeken. Hij vroeg een catalogus te leen van het werk van Jeroen Bosch, zijn lieve­ lingskunstenaar, van ‘le mari de votre amie’.61 Een volgende brief in het voorjaar van 1939 ondertekende hij met ‘V.J., pur aryen’. Jahier was bepaald niet blind voor de poli­ tieke ontwikkelingen in de wereld. Net als veel andere oorlogsveteranen was hij angstig voor een nieuwe oorlog. In mei 1939 was Josepha wederom in Nederland. ‘Saluez vos amis de ma part et dites leur que j’espère bien les connaître un jour’, schreef hij nog.62 Maar daar zou het niet meer van komen. Valéry Jahier pleegde op 23 juni 1939 zelfmoord, volgens Josepha’s fictie schoot hij zich om economische redenen op zijn werk een kogel door het hoofd, de begrafeniskosten zouden zo ten laste van zijn werkgever komen.63 Zijn psychoanalytische behandeling was twee jaar ervoor gestopt, dus rond het moment dat hij met Josepha een verhouding begon. Rémy Amoureux, een Franse literatuurwetenschapper die zich verdiepte in de literaire kring rond Bonaparte, veronderstelt dat het na het stoppen met de analyse berg­ afwaarts ging met Jahier. ‘Apparently, things went from bad to worse and he committed suicide shortly before the outbreak of war on 23 June 1939.’64 Zijn tamelijk vrolijke ver­ houding met de Nederlandse schrijfster, die Amoureux onbekend was, duidt daar echter niet op.65 Jahiers omgang met Josepha kan hem juist opgetild hebben uit zijn psychische problemen, althans tijdelijk. De directeur van het tijdschrift Esprit gaf in zijn in memo­ riam aan dat Jahiers problemen erger waren doordat hij zijn Italiaanse geboortegrond miste, maar die niet terug wilde zien zolang er een fascistisch bewind heerste.66 In ‘Liefde’ beschreef Josepha hoe ze als minnares op de hoogte van zijn dood kwam. Ze verwachtte hem de avond tevoren nog.

57. Svevo (1965). 58. Valery Jahier aan JM, 3 januari 1938. 59. Valery Jahier aan JM, 28 december 1938.

60. Valery Jahier aan JM, 20 januari 1939. 61. Valery Jahier aan JM, 28 december 1938. 62. Valery Jahier aan JM, 6 mei 1939.

63. Mendels (1981): 42. 64. Amoureux (2010):888. 65. Mededeling Rémy Amoureux, 2011. 66. Geciteerd in Amoureux (2010): 880. 121

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

Ik sliep weer in, het was geen rustige slaap, soms schokte ik, viel uit een lift of bleef erin steken en werd pas om twee uur wakker door het eerste onweer van de zomer die een paar dagen telde. V.J. was niet gekomen om mijn pannenkoeken te proeven waarvan het beslag al sinds gisteravond in de schaal stond. 67 Na enkele telefoontjes naar zijn werkgever die haar geen helderheid over Valéry gaven, kreeg ze te horen dat V.J. ‘souffrant’ was en omdat ze niet wist hoe ze dat moest inter­ preteren, ging ze langs bij een vriend van hem. Hij zei haar: ‘Als hij de moed had opgebracht om zijn vrouw te verlaten zou dit nooit gebeurd zijn. […] Hij leefde in tweestrijd en angsten en zocht naar een oplossing.’68 Na de officiële begrafenis waarbij ze als minnares niet aanwezig kon zijn, bezocht Josepha zijn graf. Ze legde er, schrijft ze in ‘Liefde’, zijn lievelingbloemen neer, lobelia’s.69 Josepha lichtte het thuisfront in over de dood van haar getrouwde geliefde. Edith, wier vriend zich zo’n twintig jaar eerder eveneens van het leven beroofde, stuurde meteen een telegram: ‘Hartelijke deelneming groot verlies. Zal ik morgen komen – telegrafeer antwoord’.70 Ook Berthe stond op het punt een vliegtuig te pakken om naar Parijs te komen, maar werd door Harmen tegengehouden. Hun verhuizing naar Speuld vond juist de volgende dag plaats en hij vond het een ‘gril van een rijk, verwend meisje’ om hals-over-kop naar Parijs te gaan.71 Josepha zou haar hele leven aan deze bijzondere liefde blijven denken en over hem spreken. De naam Valéry hield een speciale beteke­ nis voor haar.72

Parijs in oorlogstijd Drie maanden na de dood van Valéry Jahier was Frankrijk in oorlog. Toen Duitsland Polen binnenviel, zagen Frankrijk en Engeland zich genoodzaakt om op 3 september 1939 de oorlog aan Duitsland te verklaren. Josepha bevond zich toen in Cavalaire-surMer aan de Zuidfranse kust, bij vrienden. Ze herstelde daar van de klap die de suïcide van Valéry haar had toegebracht. In Nederland was de mobilisatie op 28 augustus 1939 afgekondigd. Het bezorgde Berthe een naar gevoel dat haar vriendin zo ver weg zat, dat telefoon en telegrafie niet werkten en dat de post er langer over deed dan normaal. Het liefste had ze haar vriendin dichtbij zich. ‘Hier is een mooi kamertje voor je en genoeg eten voorlopig!’73 In dat najaar zou Josepha inderdaad twee maanden in Speuld logeren. Zowel Berthe als Josepha zou later weemoedig terugkijken op deze periode, omdat ze elkaar zo nabij waren gekomen. De eerste tien maanden van de oorlog gebeurde er relatief weinig in Frankrijk, omdat de oorlogshandelingen elders plaatsvonden, alhoewel de mobilisatie de mannen aan het economisch leven onttrok. Men sprak van een drôle de guerre. In het journalistieke werk van Josepha dook de oorlog steeds vaker op en er is uit op te maken hoe de Fran­ sen zich op de ongewisse tijden voorbereidden. In Libelle liet ze alle grote en kleine

67. Mendels (1981):38. 68. Ibidem: 41. 69. Ibidem: 42. 70. Edith Mendels aan JM, 26 juni 1937. 122

71. Berthe Edersheim aan JM, ongedateerd [juni ’39]. 72. Toen haar kleinzoon in 1979 gebo­ ren werd, moest die de naam Valéry dragen.

73. Berthe Edersheim aan JM, onge­ dateerd [omstreeks augustus 1939] ‘Liefste Wokje, Daar ik toch aan de machine zit…’

wijzigingen in het dagelijks leven de revue passeren.74 De eerste dagen reden metro’s en bussen onregelmatig, sloten restaurants hun deuren en werkten telefoons niet. Taxi’s werden bezet ofwel door vluchtende vrouwen met kinderen, ofwel door militai­ ren. Wilde je naar de kapper – zoals bij de auteur regelmatig het geval was – dan bleek dat hij gemobiliseerd was. De eerste nachten van de oorlog werden opgeschrikt door sirenes die bewoners naar de schuilkelders dirigeerden. In de krant en op de radio had men kunnen horen wat er verwacht werd. Warme kleding, gasmasker, geld en waarde­ volle papieren voor het grijpen naast het bed bewaren, luidden de voorschriften. In de schuilkelder onder de appartementencomplexen trof men dan enkele buurmannen, maar vooral -vrouwen aan die men voor het eerst eens goed kon bekijken. Je zag meteen dat de rasechte Parisienne zelfs in de allergrootste haast haar lippenstift en andere schoonheidsmiddelen trouw blijft en dat ze, voor een groot deel althans, allerliefst maar volkomen onpraktisch gekleed was: in een wijde ochtendjas met bijpassende muiltjes en dat ze zelfs met haar papillotjes allercharmantst is! 75 Ondergronds, waar de bevolking soms drie uur achter elkaar zat, mocht niet te veel gesproken worden, want dat zou een te groot beroep doen op de beperkte hoeveelheid zuurstof. Na die eerste weken bleven de sirenes stil en hernam het ‘gewone’ leven zich. Restaurants openden en mochten tot tien uur in de avond serveren, bioscoop- en operavoorstellingen vonden plaats, zij het iets eerder op de avond dan normaal. Josepha gaf aan de Libelle-lezeressen een uitgebreid overzicht van de beschikbaarheid van voedingsmiddelen en de kosten ervan. ‘Groenten en vruchten zijn heel goedkoop, de beste druiven een franc per pond; eieren, kalfschvlees en wijn zijn opgeslagen (goede rode tafelwijn b.v. kost nu per liter 3.20 fr. In plaats van 3.00 fr.[vorig jaar]).’76 Hamste­ ren was (nog) niet aan de orde en verboden. Het vlees werd duurder, wat in restaurants leidde tot een curieuze ‘vleesloze dag’, de maandag, waarop alleen ham en worst ver­ krijgbaar was. Voor een uitstekend vegetarisch middagmaal hoefde echter niet meer dan 5.50 francs betaald te worden, deelde Josepha als journaliste mee, en echt lekker at men voor 18 francs.77 Confectie werd niet duurder en maatkleding was al duur. De prijzen van naaisters gingen omhoog vanwege de bewapeningsbelasting. Consumenten werden terughoudend omdat ze bang waren dat bij een eventuele gasaanval hun eigendommen beschadigd zouden raken. Daarom lieten ze verouderde kleding vermaken. In ’Oorlogssfeer in Parijs’ voor de Haagse Dameskroniek schrijft Josepha over de geadviseerde evacuatie van kinderen naar het platteland.78 Zij mogen daar zonder bureaucratische handelingen een school gaan bezoeken en als er hierdoor een tekort aan onderwijzers komt, zou er een oproep aan gepensioneerden gedaan worden. De kunstschatten uit het Louvre werden in veiligheid gebracht evenals de dieren uit de dierentuin, met uitzondering van de zeeolifant die te groot was. Zaklantaarns en klap­ stoeltjes (voor in de schuilkelders) en koffers (voor hen die Parijs verlieten) waren niet aan te slepen in de winkels.79

74. Mendels, Jos. (1939) ‘Dwars door Parijs in oorlogstijd’, in: Libelle, 10 november. 75. Ibidem

76. Ibidem. 77. Ibidem. 78. Mendels, Josepha. (1939) ‘Oorlogs­ sfeer in Parijs’, in: De Haagse Dames-

kroniek, 20 oktober 1939. 79. Ibidem.

123

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 3 ‘U weet niet wat kranten nodig hebben’

Vanzelfsprekend onderging de mode de invloed van de oorlog. Een pantoffel van Joseph Casale zou handig zijn in flatwoningen die niet volledig verwarmd konden worden. ‘[Dit exemplaar is] uitgevoerd in hardrood wollen vilt. Voering en strik zijn van turkooiskleurig vilt, en de dikke zolen zijn met blauwgroene zijde door middel van een koordje aan het schoeisel bevestigd.’80 Op de eerste modeshow die sinds de oorlog gehouden werd, stond alles in het teken van eenvoud en gemak. Elsa Schiaperelli had een gewaad ontworpen dat ’s nachts bij sirenegeloei snel over de gewone nachtkleding aangetrok­ ken kon worden. Een ‘pyama d’alerte’, een soort broekpak van zachte wol, met een rits­ sluiting van voren, voorzien van grote zakken. Er kwamen charmante etuis om gasmas­ kers in op te bergen en grote praktische handtassen. Hoofddeksels: ‘er zijn hoeden die op kleine bootjes gelijken, andere die aan kepi’s herinneren en kleine vierkante muts­ jes; een nagedachtenis aan de Poolse strijders’.81 De kleuren waren sober: veel zwart, grijs en blauw: het ‘bleu alerte’ of het ‘bleu Royal Air Force’.82

Thuisfront

Ada Slagter-Mendels met haar zoons Joseph en Isidore

Wanneer Josepha eens per drie maanden naar Nederland reisde, maakte ze een ronde langs familie en vrienden. In Hillegersberg zocht ze Ada op, die ook de was van Josepha voor haar rekening nam. De zoons Joseph en Isidore, die in de wandelgangen Jopi en Dodi genoemd werden, groeiden op tot keurige jongens. In de zomer waren ze met hun kano’s steeds op het water van de Bergse Achterplas te vinden, op letterlijk een steen­ worp afstand van hun huis. Simon, Ada’s man, vervulde naast zijn werk als handelaar in edele metalen een rol in de lokale joodse gemeenschap. Er was geen synagoge in Hillegersberg, maar in de jaren dertig werd de vereniging Tsofouno opgericht, die sjoeldiensten organiseerde en kinderen joodse les gaf in uitspanning Lommerrijk. Simon trad op als leraar en chazzan (voorzanger) tijdens de diensten.83 In Je wist het toch… schreef Josepha Mendels over haar zus en haar gezin: ...hun beide zoons, twee gezonde Hollandse jongens, waarvan er een op tienjarige leeftijd kampioen dammen werd, en de andere drie hockeyprijzen kreeg en die beiden in de tweede klasse van de hbs bleven zitten. Mirjam droeg het deel der joodse opvoeding bij. Ze werden barmitswo, waar de jongens, op de langdradige lessen na, niets tegen hadden. Want er kwamen zoveel cadeau’s binnen: een gouden horloge, een vulpen, een encyclopedie, en dit alles in het meervoud, o, het was een gelukkig gezin. 84 Midden jaren dertig was Ada enkele jaren lid geweest van het bestuur van de Rotter­ damse Joodse Vrouwenraad, ongetwijfeld aangestoken door haar zus, waar ze rappor­ teerde over het Rotterdamse Zwaluwnest. Ada was vaardig met naald en draad en zette kleding in elkaar en breide vesten en truien voor gezin en familie. Ze had als enige van de drie zussen een joods gezin gesticht en maakte daarmee de droom van haar vader

80. Mendels, Josepha. (1939) ‘Pantoffel­ fantasie’, in: NRC, 24 december 1939. 81. Mendels, Josepha. (1939) ‘De oorlog en de mode: nieuwe Parijse modellen’, in: NRC, 29 oktober 1939. 124

82. Ibidem. 83. Zie www.joodsmonument.nl > gezin Simon Salomon Slagter, dd. 18januari 2010 en Stapelkamp, Anton. (2009) Een gedenkteken en een naam:

Herinneringen aan joods Hillegersberg en Schiebroek. Deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek. 84. Mendels, Josepha. (1948) Je wist het toch… Amsterdam: Querido: 134.

waar. Jopi en Dodi werden gekoesterd als belofte voor de toekomst, ze zouden alles kunnen bereiken. Josepha zocht Edith in Amsterdam op en haar moeder in Den Haag. Haar oudste zus werkte nog altijd als kantoorbediende. Tijdens vakanties trok ze naar het buitenland, naar Oostenrijk bijvoorbeeld ‘in prettig gezelschap’ getuige een ansichtkaart, maar om wie het ging bleef in nevelen gehuld. Edith bezocht wel eens haar zus in Frankrijk en stuurde geld als zij in nood zat. Emma Mendels-Levy had sinds de dood van haar echt­ genoot een eigen leven opgebouwd. Ze nam een vriendin in huis die eveneens weduwe was, L. Hollander-Denekamp. Na een jaar of vijf was ze van de Wilhelminastraat naar de Amalia van Solmsstraat 82 verhuisd, die in dezelfde buurt ligt. Ze speelde piano, maakte quatre mains-afspraken en las de Dameskroniek. Af en toe ging ze op reis, iets waar haar man nooit voor te vinden was geweest. In 1936 verbleef ze met vrienden in Spa, mogelijk om de aangezichtspijnen te verdrijven waar ze aan leed. Vanzelfsprekend bezocht Josepha ook Berthe, eerst in Amsterdam en vanaf de oplevering van hun huis in 1939 in Speuld op de Veluwe. Daar dook ze in december 1939 op met haar oude vriend Kaai, oftewel Maurits Rozelaar. Hij bleef zijn hele leven een lichamelijke, maar ook zorgzame liefde voor Josepha koesteren, en als ze in Nederland was, ontmoetten ze elkaar. De toenemende internationale spanningen aan het einde van de jaren dertig gingen aan Josepha voorbij. Door haar a-politieke houding had ze er nauwelijks oog voor, al moet ze via Harmen en Berthe en hun politieke contacten in de kunstwereld wel enige informatie hebben gekregen over wat er in Duitsland gebeurde. De klopjacht op joden, linkse intellectuelen en communisten die er was losgebarsten moet Harmen en Berthe waakzaam hebben gemaakt en die zorg kwam ook Josepha ter ore. 85 Maar ze betrok de 85. Dat blijkt uit een zinsnede in een brief van JM aan Berthe Edersheim toen de oorlog eenmaal uitgebroken

was, 21 mei 1940: ‘O Wolkje, jij hebt dit alles voorzien… ik veel minder.’

125

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

informatie niet op Nederland, en ook niet op haar Franse omgeving, ze was optimis­ tisch en wellicht wat naïef, zoals het merendeel van de Nederlandse bevolking. Haar beeld van Duitsland was gebaseerd op haar eigen ervaringen en die van haar moeder. Zij zagen vooral de cultuur, de muziek, de beschaving en niet de dreigende politieke situatie, de werkeloosheid, de woede en ontevredenheid van de massa. Zoals Marja Vuijsje over haar vader in de periode vlak voor de oorlog schrijft Het was bijna onmogelijk terug te halen hoe mijn vader zijn leven onderging toen hij het woord ‘kamp’ voornamelijk associeerde met het AJC-terrein rond de Paasheuvel, zijn trombone dienst deed om feestjes op te vrolijken en iedereen er nog was. De onbekommerdheid waarmee hij die periode had beleefd was na de oorlog gênant geworden. 86 Er heerste een sfeer die achteraf gezien als naïef gekenmerkt werd, maar dat is achter­ af. De problemen in die jaren bestonden uit het afwenden van de crisis, werk vinden en werk behouden. In februari 1940 was Josepha opnieuw in Nederland. De oorlog had het noodzakelijk gemaakt, dat zij in Frankrijk speciale toestemming voor haar bezoek moest aanvragen. Tijdens haar verblijf in Nederland ging zij bij al haar vrienden en bekenden langs. Ik ben overal geweest. In een dag of zes zag ik iedereen. En toen ging ik weer terug. En of het zo moest weet ik niet, maar mijn moeder met een veertje op haar hoed, altijd heel sjiek gekleed,[…] stond in [bij] de trein in Den Haag en zei me goeiedag. Ik zoende haar goeiedag en ik wuifde haar na. In Rotterdam, ze woont in Hillegersberg, stond m’n zuster met de beide jongens. En in Amsterdam stond mijn oudste zuster, ik was bij haar gelogeerd. En m’n zwager, allemaal stonden ze er. Ze zoenden me goeiedag. […] Zo wonderlijk. Nooit komen ze allemaal aan de trein. 87 Het zou de laatste keer zijn dat Josepha haar familie zag.

86. Vuijsje, Marja. (2012) Ons kamp: Een min of meer joodse geschiedenis. Amsterdam: Atlas. 87. Van Verre (1982). 126

HOOFDSTUK 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

Toen het mei 1940 werd, had Josepha haar volgende bezoek aan Nederland in het vooruitzicht en verzamelde haar vuile was. Maar die reis ging niet door. De inval van de Duitsers in Nederland op 10 mei was ook in Parijs groot nieuws. Het bracht de Nederlanders in Parijs samen in cafés, waar volop gegeten en gedronken werd. ’s Ochtends om half negen hoorde ik het van ons landje. Meteen kwam Hetty van Baer al, we gingen naar de Dôme, troffen Cor en Matthieu [Wiegman]. We zijn toen in [café] Select gegaan en hebben ontbeten met twee f lessen champagne en sandwiches en dat gaf moed. 1 Voor iedereen brak een chaotische tijd aan, met een groot gebrek aan informatie. Nederlanders moesten eerst de volledige verrassing te boven komen van een Duitse aanval. Het was ieders vaste overtuiging, niet in de laatste plaats die van de Nederlandse regering, dat Nederland buiten het conflict tussen Duitsland enerzijds en Frankrijk en Engeland anderzijds kon blijven.2 Toen het nieuws van de capitulatie op 14 mei zich verspreidde, bracht dat velen in Nederland met beide benen op de grond. Het begin van de oorlog betekende voor Josepha het voorlopig einde van haar loopbaan als journalist. Die eerste dagen was contact met Nederlandse kranten onmogelijk. Een van de eerste zaken die de bezetter aanpakte, waren de media. Al op 16 mei begon in Nederland de gelijkschakeling van de dagbladen en de overige pers, waarmee die onder Duits toezicht kwamen te staan. Joodse medewerkers werden ontslagen of kregen voor korte tijd een positie in de luwte om later alsnog op straat gezet te worden. De overgebleven journalisten moesten zich voegen naar de wensen van de Duitsers. Heel voortvarend ging het er bij het ANP aan toe, waar de Duitse cultureel attaché Andreas Hushahn een coup pleegde en alle 23 joodse medewerkers op staande voet ontsloeg. Hij verbrak meteen de contacten met de Franse en Engelse persbureaus die in het kantoor van het ANP waren gevestigd.3 Bij Het Volk en De Telegraaf werden in augustus 1940 alle joodse journalisten ontslagen. 4 Het is waarschijnlijk dat er vanaf toen geen bijdragen van joodse freelancers meer werden geplaatst, zeker niet uit landen waarmee Duitsland in oorlog was. Bij het Algemeen Handelsblad werd een Verwalter aangesteld naast de hoofdredacteur D.J. von Balluseck, die een jaar later gearresteerd werd en vervangen door een NSB -er.5 Een bekend joods journalist als Philip Mechanicus, die

1. JM aan Berthe Edersheim, 11 mei 1940. 2. Romijn, P. (1995) ‘De oorlog (1940– 1945)’, in: Blom (1995): 315 e.v. 3. Vos, René. (1988) Niet voor publica-

tie. De legale Nederlandse pers tijdens de Duitse bezetting. Amsterdam: Sijthoff: 58–59. 4. Hagen (2002): 343. 5. Von Balluseck was getrouwd met

Erry Anna Eringaard, die samen met Josepha Mendels op de meisjes-hbs zat in Deventer en in Rolien en Ralien voorkomt onder de naam Titi. Eringaard was secretaresse geweest bij het 127

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

chef buitenland bij het Algemeen Handelsblad was en al voor de inval kritisch was geweest over nazi-Duitsland, werd de eerste weken geadviseerd weg te blijven. Later schreef hij onder een schuilnaam over literatuur en a-politieke onderwerpen, zoals Artis.6 Vanaf mei 1941 moesten alle journalisten zich aanmelden bij de Journalistenbond, maar diegenen met een joodse achtergrond konden geen lid worden. Bij het Algemeen Handelsblad vertrok een tiental journalisten uit solidariteit. Bij het Dagblad van Rotterdam stapte de socialistisch journaliste Gerda Brautigam op.7 ‘Toen de oorlog uitbrak, werd de journalistiek te smerig om je brood in te verdienen’, verkondigde ze achteraf.8 Maar zij was een uitzondering op de regel dat de meeste journalisten zich voegden naar de nieuwe wereldorde onder Duits gezag.9 Het aantal krantenabonnees nam wel sterk af, omdat men geen waarde meer hechtte aan het gemanipuleerde nieuws. Opdrachtgevers van Josepha, zoals de Haagse Post, kregen ‘een duitse voogd’, en De Telegraaf verscheen uit verzet van hoofdredacteur Goedemans één dag niet, om vervolgens de draad weer op te pakken en de zwarte jaren in te gaan.10

Radio Vrij Nederland Op 15 mei werd er in de Nederlandse legatie in Parijs een persconferentie georganiseerd door de minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens, de minister van Koloniën Charles Welter en Adriaan Dijxhoorn van Defensie, die even uit Londen waren overgekomen. Josepha was hierbij aanwezig. Na afloop besloten enkele journalisten, omdat ze niets konden schrijven, een radiozender op te richten die de Duits gekleurde nieuwsvoorziening moest nuanceren.11 Naast Henk van den Broek (De Telegraaf ) waren Joop Kolkman (ook De Telegraaf ), Ernst Kuiper (De Maasbode), Max en Nelly Vredenburg (hij was muziekcorrespondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant) en Henri Sandberg (Het Volk) enthousiast voor dit plan. Josepha sloot zich hier namens de Haagse Post bij aan. A. den Doolaard (pseudoniem van C.J.G. Spoelstra) die kort tevoren op zijn fiets met zijn vrouw Erie vanuit België in Parijs was aangeko-

Handelsblad en had zo Von Balluseck ontmoet, die voor haar scheidde van zijn eerste vrouw. Of Mendels en Eringaard in de jaren dertig contact hadden is niet bekend. www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn3/ balluseck 6. Hagen (2002): 340–247. Zie uitgebreider: Koert Broersma, (1993) ‘Buigen onder de storm’. Levensschets van Philip Mechanius 1889–1944. Amsterdam: Van Gennep, p. 96 e.v. 7. www.inghist.nl/Onderzoek/ Projecten/BWN/lemmata/bwn5/ brautigam dd. 28 maart 2010. 8. Groenteman, Hanneke. (1986) ‘Portret van een bijzonder journaliste: Gerda Brautigam, geen flauwekul, geen franje, een echte vakvrouw’, in: Els Diekerhof, Mirjam Elias & Marjan 128

Sax (red.), Voor zover plaats aan de perstafel: vrouwen in de dagblad journalistiek, vroeger en nu, Meulenhoff, Amsterdam: 67–74. 9. Volgens Hagen waren er aan het begin van de oorlog 1200 journalisten in Nederland. 50–75 van hen namen ontslag wegen gewetensbezwaren en 20 hoofdredacteuren werden gedwongen ontslag te nemen. Een derde interessant cijfer is het aantal journalisten dat in mei naar Engeland of Frankrijk wist te ontkomen: 10 à 20. Hagen (2002): 124. 10. Bij De Telegraaf werd het systeem van de ‘zelfnazificatie’ gehanteerd. Omdat de oplage zo omvangrijk was, wilde de bezetter de krant niet meteen onder NSB-bestuur plaatsen. De krant bleek niettemin braaf aan de leiband

te lopen van de Presse-Abteilung en een grote mate van zelfcensuur toe te passen. Joodse journalisten werd de wacht aangezegd, behalve een enkeling. Zo mocht Jo Spier blijven omdat de Duitse persofficier zijn tekeningen, die voortaan anoniem verschenen, zo mooi vond. Hij was niet op de hoogte van Spiers joodse achtergrond. Wolf, Mariëtte. (2009) Het geheim van De Telegraaf.Geschiedenis van een krant. Amsterdam: Boom: 240–298. 11. Henk van den Broek beschrijft de avontuurlijke ontwikkelingen rond de haastige oprichting van de radiozender in Van den Broek, H.J. [1947] Hier Radio-Oranje. Vijf jaar radio in oorlogstijd. Amsterdam: Uitgeverij Vrij Nederland.

men, voegde zich later bij het gezelschap.12 Toestemming van Van Kleffens en de Franse autoriteiten werd verkregen en op 16 mei begon men al met een selectieprocedure. Josepha deed op 23 mei als enige vrouw van twaalf kandidaten een stemtest, hoewel de initiatiefnemer Henk van den Broek eigenlijk alleen mannen wilde.13 Ze mocht een tekst met veel Engelse en Italiaanse namen vijf minuten van te voren inkijken. Na afloop bleek dat zij en Joop Kolkman het beste hadden gepresteerd. Josepha werd plaatsvervangend speaker na Kolkman, als tweede reserve werd A. den Doolaard aangesteld. De zender, Radio Vrij Nederland, had dagelijks drie uitzendingen van in totaal vijftig minuten, die gemaakt werden ten burele van Radio Paris aan de Rue de Grenelle. De uitzendingen waren vanzelfsprekend bestemd voor Nederland. Na enkele dagen kreeg de redactie bovendien de gelegenheid om programma’s voor Nederlands-Indië te maken. Elke aflevering eindigde met: ‘Moed en vertrouwen, luisteraars, Nederland zal nooit een Duitse provincie worden!’14 Alle medewerkers waren schrijvende journalisten. Een uitzending bestond dan ook uit het voorlezen van een artikel, een enkele keer van Josepha’s hand. Door de aard van het werk ontstond onder de journalisten een groeiende kameraadschap. De zender werd echter verrast door het snelle oprukken van de Duitsers tot Parijs en staakte de uitzendingen op 10 juni.15 De radioactiviteiten waren verzetswerk, waarvoor alle journalisten opgepakt zouden kunnen worden. Om die reden ging Kolkman bijvoorbeeld niet meer terug naar Nederland.16 In plaats daarvan probeerde de radioploeg het werk te verplaatsen naar ‘vrij’ gebied, zuidelijk Frankrijk dat niet bezet was. Ze zetten koers naar Poitiers. De wegen naar het zuiden waren in die dagen afgeladen vol met mensen die per auto of fiets of lopend met een kinderwagen, handkar of kruiwagen de Franse hoofdstad wilden ontvluchten. Honderdduizenden trokken de stad uit, uit angst voor de oorlogszuchtige Duitsers. Veel andere noordelijke Franse steden liepen geheel leeg.17 In haar postuum verschenen roman Suite Française (2004) geeft de Russisch-joodse Irène Némirovsky een blik van binnenuit op deze volksverhuizing. De verloren vluchtelingen, de teleurstellende aankomst in een volgend oord waar geen voedsel of bed meer beschikbaar is, beschrijft ze met een vaardige pen voor sprekende details. Ook Josepha maakte deel uit van deze wanhopige exodus. Ze reed mee in de auto van Van den Broek, die onderweg een ongeluk kreeg. Zij kwam er met een paar schrammen vanaf, maar Van den Broek brak zijn arm en lag enkele dagen in het ziekenhuis. Josepha bereikte Poitiers wel, maar van het maken van radio-uitzendingen kwam niets meer door de chaos die daar heerste.18 Een kleine twee weken bleef ze in de stad hangen. Nadat hotels gevorderd werden week ze uit naar een tot slaapzaal omgebouwde grot even buiten de stad.19 In Poitiers zag Josepha de bezetter

12. Olink, Hans. (2011) Dronken van het leven: A. den Doolaard, zwerver, schrijver, journalist. Amsterdam: Atlas: 176 e.v. 13. In het privéarchief van Josepha Mendels bevindt zich de uitnodiging voor deze test, die op 23 mei om 15.00 uur plaatsvond in de Studio Paris P.T.T., 103 Rue de Grenelle. Dat Van den Broek geen rekening met vrouwelijke speakers had gehouden, blijkt uit

de voorgetypte ondertekening: ‘Veuillez agréer, Monsieur, nos salutions distinguées’. 14. www.inghist.nl/Onderzoek/ Projecten/BWN/lemmata/bwn4/ broekhj, geraadpleegd op 8 maart 2010 en brief JM aan Berthe Edersheim, 24 mei 1940. 15. www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn4/broekhj, geraadpleegd op 8 maart 2010.

16. Plantinga, Sierk. (1998) ‘Joseph Willem Kolkman (1896–1944) en de Engelandvaarders: de hulp aan Nederlandse vluchtelingen in Vichy-Frankrijk’, in: Oorlogsdocumentatie ’40–’45. Negende jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Amsterdam: RIOD [geannoteerde versie]. 17. Wesseling (2006): 223. 18. Plantinga (1998). 19. JM aan Berthe Edersheim, 6 juli 129

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

op straat. ‘Dan kijk ik alle Duitsers aan, die er langs komen, harde, groeve smoelen. Maar sommigen maken een gunstige uitzondering.’20

Theo Oegema van der Wal In de dagen na de capitulatie, voordat sommigen naar Poitiers vertrokken, deden journalisten vrijwilligerswerk voor de vele vluchtelingen uit Nederland die Parijs bereikten. Ook Josepha stak de handen uit de mouwen. Er werd een Association de Secours aux Refugiés Néerlandais gevormd door de Nederlandse consul-generaal, dr. ir. A. Sevenster. De association ving vanaf 14 mei de stroom vluchtelingen uit Nederland op. De journalist en ex-jezuïet Joop Kolkman kreeg de leiding over de huisvesting van vluchtelingen op het Collège Néerlandais in de Cité Universitaire. Enkele duizenden Nederlanders kregen kleding en huisvesting en werden op weg naar het zuiden geholpen.21 De journalist Henri Wiessing, die verrast door de oorlog in Parijs vast kwam te zitten, hielp eveneens bij de organisatie. ‘Doodvermoeide mensen, op zijn Belgisch opgedirkte dames, spottend kijkende wereldlingen, die moesten wachten, wachten, en overal heen- en weer-geloop, telefoon, chaos en daartussen onze als een paddestoel opgekomen kleine bureaucratie’, noteerde Wiessing.22 Die dagen en weken had Josepha veel contact met Theo Oegema die als journalist eveneens bij de vluchtelingenhulp betrokken raakte. Ze kende hem uit het journalistieke wereldje en ze waren vrienden geworden. Hij kwam in 1937 naar Parijs en schreef net als zij over de wereldtentoonstelling voor Nederlandse kranten. Oegema’s wortels lagen in Friesland en hij schreef onder andere voor de Leeuwarder Courant. Zijn vrouw was vlak voor de oorlog, hoogzwanger, teruggekeerd naar Nederland. In de eerste weken van de oorlog probeerde hij Josepha aan werk te helpen door contacten in Nederland aan te boren.23 Hij ontfermde zich dus over zijn collega, al werd dat lastig omdat zij als joodse officieel niet mocht publiceren. De eerste oorlogsweken ging Josepha intensief met hem om, hij duikt voordurend op in de brieven aan Berthe Edersheim. Zo vaak, dat het vermoeden van een verhouding op z’n plaats is. Eten, naar de schouwburg, rondhangen in cafés deden ze samen. Gisteren was er een receptie op [het bureau d’] information, waar veel Hollanders en veel andere journalisten waren en na af loop was ik nog met Max en Nel [Vredenburg] en Oegema in een café en dronk maar weer champagne. Nel vind ik vervelend en ik ben er ’s avonds niet gaan eten. Met Oegema wandelde ik nog wat, zijn vrouw en baby van een maand zitten in Groningen, hij is van de locale pers, was vroeger redacteur van het Handelsblad en is ook dichter een aardige jongen. 24

1940 [doorslag van het origineel]. ‘Daar op dat ogenblik alle hotels gerequireerd werden, moest ik ook het schone kamertje van Hôte de France verlaten [..]. Het bleek te zijn in de grotten waar een slaapzaal gemaakt was. […] En nu na bijna twee weken slapen we er nog.’ 130

20. JM aan Berthe Edersheim, 6 juli 1940 [doorslag van het origineel]. 21. De Jong, dr. L. de. (1979) Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 9 Londen. Den Haag, SDU: 23. 22. Wiessing, H.P.L. (1960) Bewegend portret. Levensherinneringen. Amster-

dam: Moussault’s Uitgeverij: 379. 23. JM aan Berthe Edersheim, 10 november 1940. 24. JM aan Berthe Edersheim, 12 mei 1940.

En later: ‘Vanmiddag kwam Oegema eten, hij bracht een bundeltje verzen mee en het was heel gezellig en morgen ga ik naar hem toe en net haalde ik plaatsen voor de schouwburg waar we dan heen gaan….’.25 ‘Later was ik naar Theo Oegema in Neuilly die erg aardig toch is. En we dronken port en aten ergens een sandwich en gingen naar de schouwburg, zagen een dwaas stuk’.26 Josepha had het dus gezellig met deze Friese collega. In de loop van de oorlog zou hij echter aan de verkeerde kant komen te staan en moest ze zich van hem distantiëren. Josepha Mendels heeft in interviews opvallend vaak gesproken over de manier waarop ze het contact met deze man verbrak, zonder zijn naam te noemen. Het was bovendien een sleutelmoment in haar loopbaan als schrijfster, omdat het begin van de oorlog voor haar de omstandigheden creëerde waarin ze kon beginnen met schrijven. Ik beschouw deze passage als deel van haar narratieve identiteit, hoewel die in haar fictie niet voorkomt. Wel fungeert het ‘afscheid’ van Oegema op de achterflap van de derde druk van Rolien en Ralien (1980). In het najaar, toen de eerste onrust was gezakt, werd in Parijs het Syndicat de presse étrangère opgericht: een kring onder Duitse censuur waar alle buitenlandse journalisten lid van moesten worden. Oegema werd lid en trad op als woordvoerder, waarmee hij een collaborateur werd. In juni 1941 maakt hij vanuit Parijs melding van de kring in het Nederlandse blad van de nationaal-socialistische journalistenbond, De Nederlandse Journalist. 27 In 1941 werd hij secretaris van het syndicaat. Vol trots schrijft hij hoe de vereniging is georganiseerd en verzoekt hij om steun van de collaborerende medeverbondleden in Nederland. Zij kunnen rekenen op steun van hun collega’s in het buitenland en af en toe verzoeken om een voordracht, om de band te versterken: Wij zullen weten tot het Verbond van Nederlandse Journalisten te behoren anders dan slechts de journalistenkrant en de kwitantie der contributie, den band met het Verbond nauwer dan tot dusver voelen en onze groote taak met nog meer genoegen en voldoening vervullen. Het eens zijn, betekent ook één zijn. 28 Oegema schreef dit op een moment dat joodse journalisten uitgesloten waren van hun vakuitoefening. Hoe kon hij zijn omgang met Josepha nog verantwoorden? Het is niet uitgesloten dat hij nog met haar omging terwijl hij betrokken was bij de oprichting van het foute syndicaat. Tot in november 1940 zijn er brieven van haar waarin hij opduikt. Nadat Mendels erachter kwam dat Oegema de verkeerde kant op ging, heeft ze een verhaal geconstrueerd rond het beëindigen van het contact met hem. De kern is dat Oegema komt vertellen dat hij secretaris is geworden van het Syndicat de presse étrangère (Mendels noemt dat de nazi-pers) en dat zij niets meer van hem wil weten. En toen de oorlog verklaard was, werd er ‘s ochtends vroeg om half negen gebeld. Daar stond een Hollandse dichter / journalist. Hij was prachtig aangekleed in een zwarte rok. ‘Wat heb je?’, zei ik. ‘Kom je van een bruiloft?’. ‘Nee’, zei hij. ‘Josepha, ik ben het hoofd

25. JM aan Berthe Edersheim, 12 mei 1940. 26. JM aan Berthe Edersheim, ongedateerd [omstreeks 11 mei 1940].

27. Wolf (2009): 246. Oegema, [T.] (1941) ‘de buitenlandse journalisten te Parijs’, in: De Nederlandse Journalist, 1ste jaargang, nr. 6, juni 1941.

28. Oegema. (1942) ‘Uw broeders in het buitenland’, in: De Nederlandse Journalist, 2e jaargang, nr. 11, juli 1942.

131

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

geworden van de Hollandse nazi pers, van de Hollandse correspondenten. Je begrijpt wel, jij zult niet meer goed kunnen schrijven, maar trek je daar maar niets van aan, kind. Ik houd veel van je, en ik zal je artikelen toch wel zien door te smokkelen naar Holland en dan zetten we er wel wat anders onder.’ Nou, ik heb hem een trap gegeven tegen zijn billen. Werkelijk, een schop heb ik hem gegeven en weg was hij. 29 In andere interviews maakte Mendels eveneens duidelijk, dat ze haar bezoeker met harde hand (voet) de deur uitwerkte.30 ‘Ik heb hem met mijn blote voeten de deur uitgeschopt.’31 ‘Ik heb die vent de deur uitgeschopt; hij lag op de gang met zijn pandjesjas.’32 ‘Ik had blote voeten, stevige voeten, en schopte ermee juist tussen de pandjes van dat zwarte jasje net zo lang tot hij op de gang terechtkwam.’33 Maar het klopt niet dat het syndicaat opgericht werd op de dag dat de oorlog uitbrak, dat gebeurde pas in 1941. En ook is het onjuist dat Mendels toen het contact met hem verbrak, uit brieven is immers vast komen te staan dat ze zeker tot november met hem omging. Zijn uitnodiging om met hem mee te collaboreren en haar joodse naam te verhullen, roept (achteraf) een sterke weerstand in haar op die ze vertaalt in de fysieke handeling van het schoppen. Opvallend is, dat op het toenmalige moeten ontkennen van haar joodse identiteit een grote emotie volgt wanneer ze daar in de jaren tachtig over vertelt. ‘Als maar niet zou blijken dat ik joods was. […] Maar voor de Duitsers ging ik niet werken. Dan nog liever verhongeren.’34 Zou Mendels haar voormalige vriend inderdaad hebben geschopt, of is het een metafoor voor haar woede tegen deze man, die haar vraagt haar naam, en daarmee haar identiteit, te verhullen? In tegenstelling tot Giacomo Antonini, een ander Nederlands bestuurslid van het syndicaat, zou Oegema niet terecht staan voor zijn collaboratie.35 Hij werd in 1941 medewerker van de gelijkgeschakelde Nieuwe Rotterdamsche Courant, die hem in 1945 ontsloeg, naar eigen zeggen omdat hij alleen over kunst en cultuur schreef en niet over politiek.36 Dat lijkt een dekmantel voor de schoonmaak die deze krant na de oorlog hield. Oegema stapte in 1945 uit de journalistiek.37 Zijn bemoeienis met het syndicaat zou hij bagatelliseren toen journalist Paul Arnoldussen hem er vlak voor zijn dood naar vroeg.38 In de roman die hij in de jaren zeventig het licht deed zien, trachtte hij zich op halfslachtige wijze te verantwoorden voor zijn foute gedrag door zich op te splitsen in twee figuren.39

29. Oppenheim (1976). 30. Van Verre (1982); Nord (1981): 28–29. 31. Schaafsma (1986). 32. Oosthoek, André. (1982) ‘Nu ik terugkom, ben ik uiterst modern’, in: Nieuwsblad van het Noorden, 16 april. 33. Mendels (1980): achterflap. 34. Schaafsma (2008). 35. Antonini werd in 1944 opgepakt en voor de rechter gebracht, die oordeelde dat hij ‘zich door zijn Italiaans patriottisme had laten verleiden tot een meegaande houding tegenover het 132

fascisme.’ www.inghist.nl/Onderzoek/ Projecten/BWN/lemmata/bwn3/antonini, geraadpleegd op 14 februari 2010. 36. ‘Theunis (Theo) Oegema (van der Wal) – een onmogelijk man – terug in Leeuwarden’, in: Leeuwarder Courant, 2 maart 1974. 37. Oegema verdiepte zich in kleurenpsychologie en was dertien jaar redacteur van uitgeverij Manteau. Zie het weinig vleiend portret van Brouwers, Jeroen. (2003) ‘Memoires III: Theo Oegema van der Wal’ in: De Brakke Hond jg, 19, nr. 80: 5–28.

38. ‘Hij was maar zijdelings bij het bestuur betrokken. Hij zou het contact onderhouden met de Duitsers maar daar is niets van gekomen. “Nee, dat stelde allemaal weinig voor,” zegt hij [Oegema]. Na de oorlog is hij er ook niet op aangesproken.’ Zie Arnoldussen, Paul. (2002) ‘Theo Oegema van der Wal’, in: Rue d’Amsterdam: Kleine atlas van Nederlanders in Parijs. Amsterdam: Bas Lubberhuizen: 251–254. 39. Oegema van der Wal, Th. (1974) De vrouwen en ik: memoires van een onmogelijk man. Antwerpen: Manteau.

In de hectiek van de eerste oorlogsweken bracht Josepha enkele malen per week een bezoek aan Jeanne Bieruma Oosting. Deze veelzijdige Nederlandse schilderes uit Friesland was bezig met een portret van Josepha en liet zich door het uitbreken van de oorlog niet van die taak afbrengen. ‘Ze werkt rustig door en van mij maakte ze iets nogal joods, mooie kleuren anders, en morgenochtend ga ik er weer heen.’40 En een dag later: ‘Het portretje wordt heel goed, knap gedaan, en geestig ook.’41 Bieruma Oosting en Mendels hadden elkaar waarschijnlijk via Harmen en Berthe leren kennen, de schilderes was in de jaren twintig lid van De Onafhankelijken. Sinds 1929 woonde ze in Parijs. Josepha had over Bieruma Oosting en een andere Nederlandse schilderes, Mena Loopuyt, in december 1939 een artikel geschreven voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant. 42 Met beide kunstenaressen raakte Josepha bevriend. Het portret dat Bieruma van haar maakte, toont een zwaar opgemaakt gezicht met een voile. Een echte Parisienne was ze geworden na vier jaar in de Franse hoofdstad. 43 Bij het uitbreken van de oorlog liet Mena Loopuyt ook van zich horen. Ze nodigde Josepha uit om bij haar in de Drôme in Zuid-Frankrijk te komen wonen. Daar had zij een tweede woning, naast een atelier­ appartement in Parijs. ‘Als je de moed en de zin hebt, kom dan hier. Ik heb nog wat geld en met ons tweeën houden we het wel uit voor een tijdje. Doe het Josepha en wees niet wanhopig.’44 Ze zou op dat moment geen gebruik van het aanbod maken, enkele jaren later wel.

Contact met Nederland Josepha maakte zich na het uitbreken van de oorlog ongelooflijk veel zorgen om haar geliefden in Nederland, in het bijzonder om Berthe. Ze dacht dat haar vriendin op de vlucht was gegaan, mogelijk naar Amerika. Liefste schatje, het is als een nachtmerrie. Als ik maar wist dat jullie in veiligheid waren. Tot diep in de nacht zit ik bij de radio. Soms denk ik: misschien kom je meteen hier nu de grenzen openstaan, of ben je al op een boot naar Amerika…of… ik weet het alles niet en intussen gaat het leven door en denk ik aan Emma en Adsijodo [Ada en gezin] en Edith en aan iedereen, maar aan jou, Wolkje, aan jou de hele dag met dezelfde tederheid waarmee ik al jaren aan je denk. Als je maar f link bent, lieveling. Over mij geen zorgen. Natuurlijk werk ik niet, maar ik maak het best. […]. Dus beloof me dat je niet verdrietig aan mij denkt en wij zijn toch nooit gescheiden, schat, nooit en nooit. […] Ik kreeg gisteren Tjerk [Bottema] bij me, die weer veel wist te vertellen en net toen we in de Dôme zaten kwam er een alerte en ging hij met mij mee naar de kelder. […] En dit is alles liefste. Misschien krijg je dit in Amerika. Misschien lees je de kopie hier. Ik ben er zeker van dat jullie niet meer in het mooie deusje [in Speuld] zitten. Dag Wolkje, Bolletje, Ljobitska Rozeboom. Ik ben zo bezorgd over jou en Harm en Hub en Kaai en iedereen. 45

40. JM aan Berthe Edersheim, 12 mei 1940. 41. JM aan Berthe Edersheim, [omstreeks] 11 mei 1940. 42. Mendels, Josepha. (1939) ‘Twee Nederlandsche schilderessen te Parijs’,

in: Nieuwe Rotterdamsche Courant 31 december. 43. Een foto van het schilderij staat afgebeeld in Max Nords Portret van een kunstenaar (1981): 39, waarbij abusievelijk staat dat het in 1938 werd

geschilderd. 44. Mena Loopuyt aan JM, 10 mei 1940. 45. JM aan Berthe Edersheim, ongedateerd [omstreeks 11 mei 1940].

133

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Zij bleef de hele maand mei brieven sturen naar Berthe, die enerzijds het chaotische dagelijks leven in Parijs weergeven en anderzijds hartstochtelijke vriendschapsverklaringen aan haar vriendin bevatten: Liefste Berteltje, geen minuut, geen seconde ben je uit mijn gedachten. O, Wok, als je maar niet zo overstuur raakt dat helpt toch niets. Wolkje, net hoorde ik de nieuwsberichten, in het Hollands, niet veel nieuws. […] hier zijn ze vol lof over ons land en opeens voel je toch overal dat je nu vrienden bent en geen neutre. Ik hoorde ook dat briefkaarten in het binnenland alleen maar doorkomen, ik betwijfel wanneer deze brief je zal bereiken. O het geeft niets je te zeggen hoe ongerust ik over jullie ben en hoe lief ik jou heb, Wokje. Al krijg je de brief niet je weet toch dat ik bij je ben. […]. Gisteravond lag ik vroeg in bed, en sliep vast was zo moe van alles… Dag lief schatje, dag als ik maar vertrouw dat ik je op een dag weer zie, met je schattige gezicht..dan kan ik verder. Ik ben gezond en ga wel door en vraag maar niets, jij schrijft zelf wel van alles..o, als de post maar aankomt je laatste brief die in mijn tasje zit is van 4 mei..Dag. 46 Tot begin augustus arriveerde geen enkele brief van Josepha bij haar familie of bij Berthe, wat ze ook probeerde – brieven sturen via Zwitserland bijvoorbeeld. Ze dachten allemaal veel aan Josepha, veronderstellende dat ze in een penibele situatie verkeerde omdat ze geen geld meer zou hebben. 47 Maar dat viel mee, geldgebrek had Josepha niet. 48 Op 6 juli stuurde Emma Mendels via het Rode Kruis een bericht dat eindelijk aankwam. Het mocht maar 25 woorden omvatten: ‘Lieve Jos, hopen op deze wijze spoedig je welzijn te vernemen. Edith, Ada en familie en ik zijn gezond. Denken steeds aan jou. Mama.’49 Een bericht terug naar Nederland kwam niet aan, want op 14 juli schreef Emma een brief dat ze sinds 10 mei niks gehoord had. Nieuws naar Parijs verzenden bleek eenvoudiger dan het terug te sturen, want pas op 7 augustus schreef Emma Mendels een opgeluchte brief aan haar jongste dochter, omdat ze nu eindelijk een bericht in het haar zo vertrouwde handschrift had ontvangen. De Nederlandse familie hoopte dat Josepha spoedig terug zou keren uit Frankrijk. Lieve schat, Dat was een geluksgevoel voor mij toen ik je eigen handschrift zag en goddank las dat je gezond bent! Na haast 3 maanden voor ‘t eerst weer een levensteken. […] Adsi zijn gezond, zaken nihil, de jongens zijn beiden overgegaan, zijn thuis en vermaken zich op ’t plasje. […] De [aangezichts]pijn is met olijfoliebehandeling zeer verminderd, een raadgeving van dhr. Wieringa. Heb je kans terug te komen? Wat zijn je plannen? Kan je iets doen? Rt. Courant en D.[ames]Kr.[oniek] geen afnemers meer? E.[dith] en A.[da] natuurlijk dadelijk je brief overgeschreven, het origineel houd ik. Hub [Berthes

46. JM aan Berthe Edersheim, 12 mei 1940. 47. Edith Mendels aan JM, 14 juli 1940. 48. ‘Vandaag had ik echter een bof, Hetty kwam en we ontbeten in de Dôme, daar ontmoette zij de broer van Mena [Loopuyt] een knappe jongen die 134

bij Unilever is en die heeft mijn laatste 120 pop gewisseld, zodat ik voorlopig zuinig een paar maanden kan verder leven.’ JM aan Berthe Edersheim, 12 mei 1940. 49. Emma Mendels aan JM, 6 juli 1940.

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

moeder] komt morgen met haar zuster. […] Zijn er nog vrienden in P.[arijs]? Eet je voldoende? Hier is alles bezet. Edith bracht 10 vacantiedagen in juni hier door, Ada sliep donderdag jl. bij mij. Zoo lieve schat, nu weet je ’t een en ander. Ik hoop gauw weer op ’n berichtje. Kus, mama.50 De post vanuit Parijs naar Speuld was betrouwbaarder dan die naar Den Haag, want Berthe was eerder weer in contact met Josepha dan de familie in de grote steden. Berthe miste Josepha zo erg, dat ze soms dacht dat ze haar zag: Zaterdag liep ik alleen door het bos paddenstoelen te zoeken en ik dacht, hoe ik met jou gelopen had. […] En toen hoorde ik opeens roepen uit de verte. En ik dacht, dat jij er plotseling was, hoewel ik met mijn verstand wel wist, dat dat niet kon. Maar ik schreeuwde nog terug en toen hoorde ik weer: Berthe, rechtop lopen. En ik had niet veel rust meer, maar je was het niet.51 Berthe en Harmen leefden in betrekkelijke rust in afgelegen woning. Ze hadden een moestuin die veel werk gaf, maar ook verse groenten opleverde en tot voorraden mosterd, geweckte uien en augurken leidde. Berthe schilderde soms, bijvoorbeeld de zesjarige tweeling van de plaatselijke bakker, Marietjen en Gerritjen, waar ze behoorlijk trots op was, ‘een van mijn beste schilderijen’52 en fietste overal naartoe waar ze een boodschap te doen had of een bezoek af te leggen. Heen en terug op de fiets naar Apeldoorn deed ze met plezier. Josepha zag ze dat niet doen. ‘Ook niets voor jou, hè? 20 km-tjes door de kou.’53 Harmen kwam helemaal niet tot schilderen. In het najaar van 1940 konden ze een stuk land bijkopen, waarvan hij de begroeiing verwijderde en dat hij omspitte. Tot ver in december was hij daar zoet mee. Hij had bovendien enkele bijenkorven aangeschaft. Edith kwam eens logeren en Kaai bracht eind 1940 ook een bezoek aan Speuld. Voor haar verjaardag in september reisden Harmen en Berthe naar haar moeder in Den Haag, die hun een Chinese maaltijd aanbood. Ze bezochten bij die gelegenheid ook ‘mama’, zoals Berthe Emma Mendels noemde – haar eigen moeder pleegde ze aan te spreken met Hub of Hubje.

Eerste contouren van een roman Na de eerste maanden van opgewonden bijeenkomsten in cafés en de kortstondige activiteiten voor de radiozender daalde de rust neer over de Nederlanders in Parijs. Oegema had – tevergeefs – geprobeerd om naar het zuiden te ontkomen. In november zat hij in Nederland, maar wilde terug naar Parijs, Josepha vermoedde dat het om haar was.54 Tjerk Bottema was in juni omgekomen op de SS Berenice, die onderweg naar Engeland door onbekende oorzaak zonk.55 De dichter Hendrik Marsman was ook een

50. Emma Mendels aan JM, 7 augustus 1940. 51. Berthe Edersheim aan JM, ongedateerd [wrs. 15 augustus 1940]. 52. Berthe Edersheim aan JM, 16 december 1940.

53. Berthe Edersheim aan JM, 16 december 1940. 54. ‘Theo raadt me erg af n.[aar] Holland te gaan, had ook geen resultaat bij de kranten voor me & doet alle moeite terug te keren n.[aar] hier – !! Hetgeen

veel wil zeggen.’ JM aan Berthe Edersheim, 10 november 1940. 55. Goedegebuure, Jaap. (1999) Zee, berg, rivier. Het leven van Marsman. Amsterdam: Arbeiderspers: 357.

135

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

van de slachtoffers en zijn vrouw Rien Marsman-Barendregt een van de weinige overlevenden. In het verhaal over haar leven vertelt Josepha dat ze op de dag dat de oorlog uitbrak en zij Theo Oegema van de trap afschopte, begon aan haar roman.56 Het feit dat Josepha ‘geen journaliste kon zijn en schrijfster mocht worden’ – een ‘schitterende tweeduidigheid’ volgens taalkundige Frida Balk-Smit Duyzentkunst – gaf haar een geluksgevoel.57 Uit de hiervoor beschreven reconstructie op basis van brieven, blijkt dat er zeker een aantal maanden voorbij ging, voordat ze aan schrijven toekwam. Die eerste periode was veel te onrustig om stil aan een roman te werken. Maar in augustus 1940 kwam er ruimte voor een idee, een verlangen dat ze al lange tijd koesterde, maar waar nog nooit tijd voor was geweest.58 Nu kwam er in Josepha’s leven het momentum dat nodig was. Ze maakte zich los van de actualiteit. De roman over haar jeugd, zoals zij daarop terugkeek en waarvan ze in de zomer van 1940 in Parijs ver verwijderd en zelfs afgesneden was – volgens Oliver Sacks de ideale omstandigheden om tot een autobiografie te komen59 – welde in haar op. Voor het eerst van m’n leven was ik volledig vrij. Volledig vrij. Ik kon niet meer [ journalistiek] schrijven, niks. Ik ging naar de ambassade, of het consulaat, dat weet ik niet meer en die zeiden: we zullen u helpen als u geen geld hebt. En we zullen contact [op] nemen met uw moeder. Of met het Rode Kruis. U zult geen honger lijden. Toen dacht ik: dan ga ik schijven. 60 Het eerste teken van het bestaan van een tekst, een aanzet tot haar boek is te vinden in een brief van begin november 1940. ‘Mijn boek is soms zo moeilijk,’ schreef ze aan Berthe. ‘Ik zou graag weten hoe jij het vindt’.61 In december refereert Berthe aan het boek. ‘Ik ben erg benieuwd naar je roman’.62 Een half jaar later kreeg ze gelegenheid er een voorproefje van te lezen.63 Josepha moet het leven van een kluizenaar hebben geleid, in de winter en het voorjaar van 1941. In de zomer van 1941 ging ze naar een gehucht in Normandië, Saint-Martin-des-Besaces, waar ze nog meer rust had om te schrijven. Haar brieven ervandaan hadden iets prettigs, constateerden zowel Berthe als Edith.64 Met Berthe deelde Josepha wat ze las: ze stuurde een exemplaar van de Nouvelle Revue Française (NRF ) naar de Veluwe, een vooral in het Interbellum invloedrijk literair tijdschrift, waarin auteurs als Paul Valéry, Jean Paulhan en Jean-Paul Sartre publiceerden.65 Ook arriveerde L’Homme de la Pampa, het debuut van Jules Supervielle die ook 56. Oppenheim (1976). Ook: Van Verre (1982) en achterflap derde druk van Rolien en Ralien (1980). 57. Balk-Smit Duyzentkunst, Frida. (1997) ‘Josepha Judica Mendels: Groningen 18 juli 1902 – Eindhoven 10 september 1995’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, (1995–1996): 99–103. 58. Mendels begon op 16 augustus 1940 aan haar roman. Manuscript Rolien en Ralien, LM. 59. ‘…die [hang tot herinneringen] komt er pas bij veranderingen en 136

scheidingen in het leven […]. Het zijn dus breuken, de grote breuken in het leven, die we trachten te overbruggen, te verzoenen of te integreren door middel van de herinnering en, daar bovenuit, door mythe en kunst.’ Sacks (z.j.): 193. 60. Oppenheim (1976). 61. JM aan Berthe Edersheim, 2 november 1940. 62. Berthe Edersheim aan JM, 16 december 1940. 63. Berthe Edersheim aan JM, 18 mei 1941.

64. ‘Je brieven uit St. Martin maken me erg blij, ze hebben zoiets prettigs. Edith schreef het ook al.’ Berthe aan JM, 6 september 1941. 65. Welk nummer Josepha naar Berthe opstuurde, is niet duidelijk. In 1940 werd de schrijver en fascist Pierre Drieu de la Rochelle directeur van het blad, wat ertoe leidde dat het in 1943 ging collaboreren. In nummer 54, jaargang 1940 stond een stuk over een van de favoriete auteurs van Josepha, C.F. Ramuz.

tot de NRF-clan behoorde per post uit Frankrijk. Harmen vond er niet veel aan, Berthe vond het ‘wel aardig’. Beiden hadden meer plezier gehad van Mary Semblant (1927), een vertaling van James Stephens’ roman The Charwoman’s Daughter uit 1912, dat Josepha eerder stuurde. Waarschijnlijk na de zomer van 1941 verliet Josepha nogmaals Parijs, dit keer om naar Courtalain Saint Pélerin te gaan, opnieuw een gehucht, ruim 200 kilometer ten zuidwesten van Parijs.66 Daar werkte ze verder.

Opnieuw jood Sinds de Franse overgave werd het noordwestelijke deel van het land bestuurd door de bezetter, terwijl het zuiden, Vichy- of het vrije Frankrijk onder leiding stond van de collaborerende oorlogsveteraan maarschalk Pétain, die 84 jaar oud was. Frankrijk had in tegenstelling tot Nederland een militair bestuur. Het begin van de bezetting markeert het definitieve einde van de Europese assimilatiegeschiedenis van de joden. De assimilatie, en vooral de periode tussen 1880 en 1940 waarin joden gedeeltelijk waren opgegaan in de nationale maatschappij, werd geheel en in een mum van tijd, teniet gedaan. Joden werden opnieuw uiterlijk herkenbaar gemaakt en bij elkaar gedreven in aparte wijken. Dat ging in stappen die elkaar steeds sneller opvolgden. In Duitsland kwam de assimilatie al eerder tot stilstand toen joden vanaf de invoering van de Neurenberger wetten van 1935 als inferieure staatsburgers werden behandeld. In bezet Frankrijk werden vanaf september 1940 anti-joodse wetten afgekondigd. De eerste betrof de verplichte registratie van naam en adres. De tweede was een volkstelling, waarbij joden zich in alfabetische volgorde moesten melden op het politiebureau, te beginnen op 2 oktober 1940, de joodse feestdag Rosh Hasjana (joods Nieuwjaar).67 Josepha gaf geen gehoor aan die oproep. ‘Ik was joods, maar niemand wist dat ik joods was. Ze zien dat niet zo in Frankrijk. Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik.’68 In deze periode moesten eigenaars in hun etalages aangeven dat hun winkel onder joodse leiding stond. Het ging om meer dan elfduizend grote en kleine bedrijfjes, verspreid over de stad, met hoge concentraties in de Rue de Provinces, Rue Richter, Rue du Faubourg-Saint-Antoine en de stoffenwinkels tussen de warenhuizen Le Printemps en Les Galeries Lafayette.69 Alle winkels werden in de loop van 1941 geariseerd en een deel daarvan werd vervolgens opgedoekt. Doordat het antisemitisme diep in de Franse samenleving zat, namen sommige bedrijven uit zichzelf anti-joodse maatregelen. Het is moeilijk voor te stellen dat Josepha zich onder deze dreigende omstandigheden volledig aan de actualiteit onttrok en haar gedachtewereld naar binnen richtte. Toch verplaatste ze zich in haar geest naar haar jeugd in Groningen, naar haar strenge vader en lieve moeder, naar haar plagerige zusjes en leuke en minder leuke vriendinnen. Ze

66. Josepha Mendels had de gewoonte om aan het einde van haar boeken de plaatsen te vermelden waar ze eraan gewerkt had.

67. Poznanski (2001): 31. 68. Van Verre (1982). 69. De straten worden genoemd in Poznanski (2001): 36. 137

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

herbeleefde haar lagereschooltijd in Groningen en de mms-tijd in Deventer, haar vriendschap met Titi en haar fascinatie voor juffrouw Balto. Ze bevond zich in een vacuum, net als veel joden die uitgesloten werden van het maatschappelijk leven. Wat hun te wachten stond, was nog onbekend en de vrijgekomen tijd werd besteed aan iets, waar anders geen tijd voor was geweest. De wijze waarop enkele schrijvers en kunstenaars – Mendels stond hierin niet alleen – zich in die ‘lege tijd’ aan hun doel wijdden was even geconcentreerd als bevlogen. In Amsterdam kreeg de bekende historicus Jacques Presser na zijn ontslag bij het Vossius gymnasium zoveel werk aangeboden dat hij achteraf moest stellen ‘dat [hij] van zijn leven niet zo intens [heeft] gewerkt als in die oorlogsjaren.’70 Ook Irène Némirovsky schreef gedurende de eerste oorlogsjaren intensief aan Suite Française, de eerder genoemde roman over de uittocht uit Parijs in juni 1940 die pas in 1997 in haar nalatenschap werd ontdekt werd.71 Enkele honderden kilometers ten zuiden van Josepha’s standplaats verhief een andere, jongere kunstenares onder vergelijkbare omstandigheden haar autobiografie tot een kunstwerk. De uit Duitsland gevluchte Charlotte Salomon verbleef vanaf 1939 aan de Franse Rivièra met haar grootouders. Als Duitse jood was haar situatie nog penibeler dan die van Mendels, omdat zij statenloos was. Niettemin zocht ook Salomon de rust en ruimte om aan haar magnum opus te werken: 726 autobiografische gouaches die bekendheid zouden krijgen onder de titel Leben? Oder Theater? Salomon schilderde haar leven en voegde er teksten aan toe die gezongen konden worden. Haar leven was niet alleen gevormd door haar joodse afkomst die haar nu de vrijheid benam, maar ook door een indrukwekkende reeks deels verzwegen zelfmoorden in de familie. Het was aan de Rivièra dat haar grootvader aan haar het geheim onthulde dat haar moeder niet aan een ziekte was bezweken, maar zelfmoord had gepleegd. Kort daarvoor had ook haar grootmoeder zich, in Zuid-Frankrijk, van het leven benomen. Salomon kon hier alleen maar mee omgaan door ‘iets krankzinnigs bijzonders te ondernemen’, aldus de interpretatie van Salomons woorden door haar biograaf Mary Felstiner.72 Net zoals in het geval van Mendels’ autobiografische roman zal blijken, is Salomons autobiografie een eigen selectie van momenten en doet zij de werkelijkheid soms geweld aan. Ze laat sommige onderdelen weg en blaast andere op. Salomon kiest ervoor om haar joodse identiteit in de schilderingen niet te verhullen. Zo legt zij vast hoe ze wordt aangenomen aan de Berlijnse kunstacademie in 1935, waarbij zij aangeeft joodse te zijn, ‘natürlich bin ich das’, terwijl er dan al quota gelden voor joodse studenten.73 Leben? Oder Theater? zou als een geschilderde narratieve identiteit beschouwd kunnen worden, omdat het voor Salomon het noodzakelijke verhaal over haar leven was. Josepha Mendels liet in haar manuscript, dat later zou verschijnen als Rolien en Ralien, de joodse context van haar jeugd juist weg.74 Gezien haar houding ten opzichte van haar joodse jeugd en het moment waarop ze de roman schreef – daar, in Parijs was ze verder weggedreven van het jodendom dan ooit daarvoor – is nog het meest aanneme-

70. Bregstein, Philo. (1999, oorspr. 1972) Gesprekken met Jacques Presser. Amsterdam: de Prom: 85. 71. Némirovsky, Irène. (2005) Storm in juni. Breda: De Geus. 138

72. Felstiner, Mary. (1994) Charlotte Salomon Een biografie. (oorspr. 1994, To paint her life. Charlotte Salomon in the Nazi Era). Amsterdam: Meulenhoff. 73. Felstiner (1994): 46–50.

74. Zie ook: Heimans, Sylvia. (2010) ‘Teruggehaald door de oorlog: waarom Josepha Mendels geen joodse romans wilde schrijven’, in: Biografie Bulletin, jaargang 20, nr. 2, zomer 2010.

lijk dat het joodse op dat moment geen rol van betekenis speelde en dat bij de terugblik op haar jeugd dit aspect te vanzelfsprekend was om erover te schrijven. Men herkende haar in Frankrijk niet als joodse, zoals ze tot haar tevredenheid kon constateren. En ze wist niet, dat aan die situatie heel snel een einde zou komen. In Wij weten niets van hun lot (2012) tracht historicus Bart van der Boom te achterhalen wat gewone mensen in Nederland werkelijk wisten van de Holocaust. De lezer van nu is zo doordrongen van het latere verloop van de oorlog, dat het maar moeilijk voor te stellen is met welk perspectief men in de oorlog leefde. Uit zijn analyse van 164 dagboeken ontstaat het beeld dat het onder Nederlanders tot in 1942 niet duidelijk was, dat de bezetter het expliciet op de joden had gemunt. Men ging er vanuit dat het lot dat de joden trof, en dat leek toen nog op tarten en als zondebok gebruiken, alle Nederlanders op termijn zou gaan treffen.75 Op Van der Booms boek is veel kritiek gekomen. Hij gebruikt slechts zeventien dagboeken van joodse auteurs als graadmeter voor wat alle joden konden weten. Critici hebben bronnen aangedragen waaruit blijkt dat meer joden ook eerder dan Van der Boom schrijft, op de hoogte waren. Uit het ongepubliceerde dagboek van dichteres Hanny Michaelis blijkt bijvoorbeeld dat haar ouders al in juni 1942 wisten van de ophanden zijnde deporatie, waarop tewerkstelling of vergassing zou volgen.76 Ook Anne Frank, wier dagboek Van der Boom niet in zijn selectie opneemt, schrijft op 9 oktober 1942 dat er in haar omgeving aangenomen wordt, dat de meeste joden die weggevoerd worden, vermoord worden.77 Vanaf juni was op de Engelse radio te beluisteren dat joden vergast werden.78 De felle discussie over wat joden en niet-joden tijdens de oorlog wisten van de jodenvervolging, laait onder historici en publicisten van tijd tot tijd op.79 Confronterend werd de situatie voor Josepha toen alle joden in Frankrijk de gele ster moesten gaan dragen, op 7 juni 1942. Tegen deze tijd was haar manuscript zo goed als af. Vanuit de joodse gemeenschap werd een oproep gedaan het teken met waardigheid te dragen, en zo de nazi’s te dwarsbomen in hun opzet joden te vernederen. Sommigen beschouwden de ster als een eervol versiersel, en toen ze die voor het eerst droegen was dat een gelegenheid zich er speciaal voor te kleden.80 Wie zich onttrok aan het dragen van de ster zou in de ogen van andere joden een lafaard zijn, schreef een invloedrijk joods

75. Boom, Bart van der. (2012) Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Amsterdam: Boom: 177. 76. Nop Maas, ingezonden brief NRC Handelsblad, 15 mei 2013. De volledige tekst luidt: ‘Hanny Michaelis (geboren in 1922), de latere dichteres, hield tijdens de oorlog een dagboek bij. Op maandag 29 juni 1942 noteert zij daarin: “Vanavond zijn pappie en mammie thuisgekomen met het bericht, dat binnenkort alle Joden (en de Duitse het eerst) naar Polen en Duitsland zullen worden gedeporteerd om in de fabrieken te werken of te worden

vergast.”’ In april en mei 2013 woedde er onder meer in NRC Handelsblad een felle discussie over het boek van Bart van der Boom, met bijdragen van Ies Vuijsje en Evelien Gans. 77. De dagboeken van Anne Frank (1986) ingeleid door Paape, Harry & Gerrold van der Stroom & David Barnouw. Den Haag: Sdu: 291. Met dank aan ingezonden brief NRC Handelsblad Denise de Costa, 15 mei 2013. 78. Paape (1986): 291. 79. In 2006 publiceerde Ies Vuijsje Tegen beter weten in. Zelf bedrog en ontkenning in de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog(Amsterdam:

Augustus), waarin hij de ‘verdringingstheorie’ van L. de Jong bestrijdt. Dit boek inspireerde Bart van der Boom tot zijn Wij weten niets van hun lot: gewone Nederlanders en de Holocaust (2012). De auteur kreeg vanuit publieke hoek waardering en werd bekroond met de Libris Geschiedenisprijs 2012, maar werd vanuit wetenschappelijke hoek aangevallen op zijn verkokerde visie. Een overzicht van de wetenschappelijke reacties in: Ensel, Remco & Evelien Gans, ‘Wij weten iets van hun lot II’, in: De Groene Amsterdammer, 6 februari 2013. 80. Poznanski (2001): 239–240. 139

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

journalist in zijn dagboek.81 Ook Hélène Berr, een Parijse studente wier oorlogsdagboek in 2008 gepubliceerd is, was die mening toegedaan. Zij noteerde op 4 juni 1942: Ik vind dat het van laf heid getuigt om het niet te doen, laf heid tegenover degenen die het wél zullen doen. Alleen, als ik het draag, wil ik er altijd heel elegant en heel waardig uitzien, zodat de mensen begrijpen dat het geen teken van minderwaardigheid is. Ik wil doen wat het moedigst is. En dat is, denk ik vanavond, om het te dragen. 82 Weinigen besloten de ster niet te dragen. Op straat was geen sprake van vernedering door andere Parijzenaars – integendeel, er ontstond een subtiele vorm van beleefdheid, mede vanwege het verbod joden op straat nog te groeten. Wanneer Josepha andere joden met de ster zag lopen voelde ze zich een ‘lafaard’ en een ‘onsolidair rotwijf’.83 Op dat ogenblik wordt duidelijk dat de omstandigheden invloed op haar gaan uitoefenen, en dat haar joodse identiteit, die sinds haar verhuizing naar Parijs weinig geprononceerd was geweest, in beweging kwam. Ze veranderde van joods uit afkomst naar joods uit overtuiging. Iemand die joods uit overtuiging is, heeft meer grip op de eigen identiteit die kan bestaan uit het naleven van joodse gebruiken of identificatie met de joodse geschiedenis.84 Ze dacht wellicht aan haar vader, die zo plichtsgetrouw zijn rituelen had uitgevoerd en graag wilde dat zijn dochters de traditie vasthielden. Ze wist weer, dat ze een joodse was en dat ze dat ook wilde uitdragen, dat ze ‘erbij’ hoorde. Mogelijk werd ze ook beïnvloed door de Frans-joodse gemeenschap die zijn uiterste best deed de vernederingen en beperkingen met waardigheid te dragen en om een eenheid te vormen. De aanblik van kinderen met een jodenster op hun kleding was voor haar de druppel. Vrijwillig stapte ze naar het politiebureau en liet zich als jood registreren.85 Ook Charlotte Salomon zou zich in Zuid-Frankrijk vrijwillig melden. Haar biograaf interpreteert deze stap tweeërlei: als zelfvernietiging of als indicatie dat ze door het schilderen van haar verleden bewust joods is geworden.86 Josepha had vanaf dat moment een identiteitskaart met ‘juif’ erop en een gele ster. ‘Die heb ik op m’n zwarte mantelpakje gespeld, met een geel bloesje. Stond nog niet eens zo gek.’87 Opspelden was overigens verboden, in de beschikking stond dat de ster vastgenaaid diende te worden. Daar werd ze meteen op gewezen. ‘De eerste avond dat ik [ermee] op straat liep kwam er een Duitser die er een potlood onder stak en zei dat ik hem vast moest naaien.’88 Of ze net als het personage Henriëtje in Je wist het toch… de letters ‘juif’ veranderde in ‘juive’, onder het mom van ‘ik vind het niet nodig dat [de nazi’s] mijn sekse ook nog veranderen’ is onwaarschijnlijk, want dat was levensgevaarlijk.89 Het verplicht stellen van de ster was het begin van verdergaande maatregelen om joden uit te sluiten van het openbare leven. Naar aanleiding van Duitse instructies besloot het 81. Het gaat om Jacques Biélinsky, een geïmmigreerde jood uit Rusland, genaturaliseerd in 1927, die fungeerde als verbindende schakel tussen geïmmigreerde joden en Franse joden. Poznanski (2001): 12 en 239. 82. Berr, Hélène. (2009) Oorlogsdagboek 1942–1944. Breda: De Geus: 54. 140

83. Schaafsma (2008): 13 en Van Verre (1982). In het interview met Tony van Verre suggereert Josepha dat het dragen van de ster al vanaf het begin van de oorlog verplicht was, dat klopt dus niet. Ook Nord schrijft met enige verbazing (en onkunde) dat Josepha de ster jaren achtereen droeg. Nord

(1981): 30. Zie ook het verhaal ‘Vriendschap’ in: Mendels (1981): 49. 84. Mattson (2004). 85. Van Verre (1982). 86. Felstiner (1994): 159. 87. Van Verre (1982). 88. Van Verre (1982). 89. Mendels (1948c): 147.

metrobedrijf dat joden vanaf 8 juli 1942 alleen nog van het laatste rijtuig gebruik mochten maken. Het was niet-joden verboden dat rijtuig te betreden.90 Met een wrang gevoel voor humor besloten sommigen dat rijtuig tot ‘synagoge’ te bestempelen. Boodschappen doen kon alleen nog tussen twee en vier uur (veel winkels waren rond die tijd gesloten) en vanaf 10 juli 1942 mochten joden zich niet meer vertonen in openbare gelegenheden als parken, cafés, zwembaden, theaters, musea en bibliotheken. Voor Josepha was dit een regelrechte sof, want ze was een frequent cafébezoeker. Het telefoonbedrijf kreeg orders alle telefoons van joden af te sluiten en ook het gebruik van telefooncellen was voor hen verboden. Joden die deze voorschriften overtraden, hoe minimaal ook, riskeerden hun leven. In de week na de invoering van de gele ster werden 66 mensen die hem niet droegen, opgepakt en naar Drancy gedeporteerd.91 In die periode vond ook de meest traumatische razzia van Parijs plaats: in de nacht van 16 op 17 juli 1942 werden ruim 13.000 joden van hun bed gelicht en 7.000 van hen dagenlang zonder eten opgesloten in het Vélodrôme d’Hiver (kortweg Vél d’Hiv), een overdekte sporthal. De rest ging direct door naar Drancy en hetzelfde lot was de overige joden later beschoren, al betrof het andere Franse kampen. Traumatisch was niet alleen het omvangrijke aantal joden dat op brute wijze van straat en uit hun huizen gesleurd was, maar ook dat de operatie volledig door de Franse politie werd uitgevoerd. De actie was het resultaat van een afspraak tussen een Franse politiefunctionaris en een SS -er.92 Bijna 10.000 van de slachtoffers waren vrouwen en kinderen; de actie was kort te voren uitgelekt en had mannelijke joden de kans geboden te vluchten. Zij verkeerden in de veronderstelling dat zij opgepakt zouden worden om in Duitsland te werk gesteld te worden.93 Josepha heeft de ster niet lang gedragen.94 Begin augustus, krap twee maanden na de invoering ervan, kreeg ze het dringende advies van Jean Millot om onmiddellijk te vertrekken. Millot was een vriend die ze vlak voor de oorlog had leren kennen. Hij was getrouwd met Françoise en samen hadden ze een zoon, Dominique, Domy voor intimi. Het is waarschijnlijk dat Jean en Josepha iets hadden, maar het was niet zo hevig dat dat van invloed was op de vriendschappelijke relatie die Josepha ook met Françoise had. Zij was een stuk ouder dan haar echtgenoot van wie ze in de loop van de oorlog zou scheiden. Zowel Jean als zijn vrouw vatte een grote vriendschap op voor Josepha. ‘Op een morgen in augustus 1942 lag er een briefje onder mijn deur: “Kom onmiddellijk naar ons toe. Vanavond beginnen ze met de buitenlandse joden. J.M.”’95 Op dat moment had ze net het manuscript van Rolien en Ralien voltooid. Haar vriend Jean, die volgens Josepha in het verzet zat, was goed ingelicht. De Duitsers waren ontevreden over het aantal joden dat bij de raf le de Vél d’Hiv was opgehaald. In september 1942 begon de Franse politie joden per nationaliteit weg te voeren. Per de veertiende van die maand waren immigranten uit de Baltische staten en Bulgaarse, Joegoslavische en Nederlandse joden aan de beurt.96 Wie daarna nog als jood met die nationaliteit op straat liep, overtrad de wet.

90. Poznanski (2001): 249. 91. Poznanski (2001): 248. 92. Wesseling, H.L. (2006) Frankrijk in oorlog, 1870–1962. De meest dramatische eeuw uit de Franse geschiedenis.

Amsterdam: Bert Bakker: 241. 93. Poznanski (2001): 260–262. 94. In tegenstelling tot wat Nord veronderstelt, namelijk dat ze de ster lang gedragen heeft en kennelijk het gevaar

ervan onderschatte. Nord (1981): 30. Zie ook het verhaal ‘Vriendschap’ in Mendels (1981): 49. 95. Schaafsma (2008): 13. 96. Poznanski (2001): 268. 141

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

Josepha, een paar weken eerder veertig geworden, nam de waarschuwing serieus en verliet diezelfde avond haar appartement aan de Rue Vavin. Over de laatste momenten in haar woning schreef ze in Welkom in dit leven: Ik pak van alles in een tas, dingen die ik absoluut niet nodig heb, ik haal er ook nog een koffer bij want Ramuz wil mee en Alain Fournier, ook het rode theekopje van Wandy waar ik ’s nachts mijn horloge in leg, ‘en ik,’ vraagt Stendhal, ‘vergeet je Le Rouge et le Noir met de opdracht à Wollie?’ Ik ben eerst op de verhoging van het badje gaan zitten en toen op de bodem, eerst ben ik V.J. geweest die Wollie heeft gestreeld en toen was ik Wollie die tegen V.J. is opgeklauterd. Mijn bed heb ik loodrecht tegen de muur gezet, stoelen en tafel ondersteboven gekeerd, de theepot op de grond gegooid, doorweekte zwarte blaadjes gelijk gestorven vliegen. En ik heb de deur gesloten, de sleutels in mijn zak gedaan en ben het huis uitgeslopen. 97 In hetzelfde verhaal vertelt de auteur dat door de spanning van het vertrek haar ‘tweede ik’ weer te voorschijn kwam, ‘om mij uit de realiteit te halen en in een onbekende toekomst te schuiven.’98 Na maanden van stil en intensief werken aan haar boek veranderde haar kleine, verscholen bestaan plotseling in een stuurloze vlucht. Een tweede ik kan in dergelijke traumatische situaties zorgen voor ‘siphoning senses of fear and panic off into other parts of the brain so as not to destroy the potential for action as required.’99 Die nacht verbleef Josepha bij Jean en Françoise Millot aan de Rue Saint Charles 164, twee mensen die hun leven in de waagschaal stelden voor een Nederlandse vrouw die ze nog maar pas kenden.100 Josepha – op haar nieuwe persoonsbewijs stond Josèphe Mendele en was haar geboorteplaats Charleville Mézières, een noordelijke plaats vanwege het noordelijke accent – stapte kort daarna op de trein naar het zuiden. Omwille van de veiligheid gaf ze haar eigen naam en ware identiteit op. Ze was geen jood meer, geen Nederlandse meer, maar een katholieke Française. Josepha Mendels bestond voorlopig niet meer.

Tijdelijke beschutting in Cliousclat Haar reisdoel was een klein dorpje in Zuid-Frankrijk, maar om daar te komen moest ze de grens van bezet Frankrijk naar Vichy-Frankrijk overgaan. In Chalon-sur-Saône stapte ze uit om die demarcatielijn te passeren. Vluchtelingen uit heel Europa hadden sinds het uitbreken van de oorlog een heenkomen gezocht naar het zuiden van Frankrijk. Er zaten er honderdduizenden, die door de Franse overheid in interneringskampen werden ‘opgevangen’. Xenofobie en anti97. Mendels (1981): 50. 98. Mendels (1981): 50. 99. Roberta Culbertson geciteerd in King (2000): 71. 100. De Franse krant La Croix vroeg haar lezers in 2012 naar hun herinneringen aan het jaar 1942. Een van de lezers die reageerde, was Dominique Millot, de zoon van Jean en Françoise. 142

Hij schreef: ‘Quelques mois plus tard surgit chez nous une amie, écrivain juive hollandaise, Josepha Mendels, portant avec réticence son étoile jaune, qui avait eu vent de la fameuse rafle du Vél’ d’Hiv. Elle échappe ainsi à la déportation –sa famille restée aux Pays-Bas fut massacrée.’ ‘Les lecteurs de La Croix racontent l’année 1942’, in:

La Croix, 8 juni 2012 via www.la-croix. com/Actualite/France/L-etoile-jauneles-rafles-les-convois-_NG_-2012-0608-816151.

semitisme tierden hier welig.101 De demarcatielijn werd goed bewaakt door de Duitsers, maar de overgang via een rivier was een relatief zwakke plek die door vluchtelingen vaker met succes werd gebruikt, hetzij met behulp van locale bewoners, hetzij door ’s nachts de rivier over te zwemmen.102 Josepha had de naam van iemand gekregen die haar op 7 augustus ’s nachts de Saône over hielp, een overtocht in een roeibootje met andere vluchtelingen die gepaard ging met gegil van de vrouwen en geschiet van Duitsers, volgens Mendels’ versie van het vluchtverhaal.103 Niettemin bereikte ze ongedeerd de overkant, stuurde Berthe de volgende dag een levensteken en kon verder reizen naar Cliousclat, zo’n vijftig kilometer boven Montélimar in het Rhônedal.104 Dit was de woonplaats van de schilderes Mena Loopuyt, bij wie Josepha introk. Haar invitatie aan het begin van de oorlog had Josepha naast zich neergelegd, om hem nu alsnog te accepteren. Loopuyt was een leeftijdgenote van Josepha Mendels. Geboren in Dordrecht verhuisde ze in 1919 met haar ouders naar Zwitserland. Ze begon pas op haar 26-ste te schilderen en ontwikkelde zich als autodidact tot figuratief schilderes. Van 1934 tot 1938 was ze getrouwd met de Zwitserse schilder Géa Augsbourg. Een bezoek aan Cliousclat maakte haar ‘verliefd’ op de omgeving en ze besloot zich er in 1937 te vestigen. Josepha kwam half augustus in het dorpje van enkele tientallen zielen aan. Er brak een wat eigenaardige tijd aan. Onder andere omstandigheden was ze in een dergelijke omgeving op vakantie geweest. Nu was zij op de vlucht en veilig was ze hier niet zonder meer. De Franse politie arresteerde iedereen die niet over de juiste papieren beschikte. In Vichy-Frankrijk was de situatie voor joden niet aanmerkelijk beter dan die in bezet Frankrijk, al waren Franse joden er in het voordeel boven buitenlandse joden.105 In dit gebied werden buitenlandse joden net zo goed opgepakt en de Franse regering hielp bij de deportatie.106 Waar er in bezet Frankrijk een afkeer was tegen de bezetter, waarvan joden profiteerden, waren in Vichy-Frankrijk juist xenofobie en antisemitisme sterker, gevoed vanuit economische motieven, maar ook vanuit de Franse wortels. Een intimiderende en bedreigende maatregel in het Frankrijk van Pétain was bijvoorbeeld dat joden een ‘J’ op hun voedselbonnen kregen. Zo waren ze dagelijks herkenbaar voor winkeliers. Ook konden joden die redundant werden geacht in het arbeidsproces zonder verdere toelichting gedeporteerd worden. De Franse politie werd in Vichy-Frankrijk bovendien stapsgewijs vervangen door de Gestapo. Poznanski ziet de raf le de Vél d’Hiv van juli 1942 als het beginpunt van de verslechterende situatie voor de (buitenlandse) joden die zich ook uitstrekte naar Vichy-Frankrijk.107 De gretigheid waarmee de maatregelen werden uitgevoerd kon per departement verschillen en een enkele prefect liet de joden met rust, voor zover hij daartoe binnen de wet mogelijkheden zag. Over het algemeen was men veiliger buiten de steden.

101. Plantinga (1998): 13. 102. Dessing. (2004): 122. 103. Schaafsma (2008): 13. De datum van 7 augustus 1942 is afkomstig van de samenvatting van het vluchtverhaal dat JM later deed aan de politie buitendienst, in bezit van Agnes Dessing en afkomstig uit het Londens Archief.

104. In een brief van 17 augustus 1942 van Berthe Edersheim aan Françoise Millot en José[pha] bevestigt ze de ontvangst van een brief uit Chalon -sur-Saône. 105. Poznanski (2001): 478. 106. Poznanski (2001): 479. 107. Poznanski (2001): 481. 143

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

In Cliousclat was het stikheet en er was niets te doen. Josepha miste Parijs en had zich te verhouden tot haar gastvrouw, die niet bepaald het zonnetje in huis was. ‘Elle reste là, immobile. Perdu entre la vaiselle et les casseroles sales’, schreef Josepha over haar aan Françoise.108 Ze hielp in het huishouden, wat voor haar vrij tegennatuurlijk was. Er was genoeg groente en fruit en er werd gekookt op hout. Kennelijk werd het samenzijn met de humeurige Mena haar al snel te veel, want voor het einde van de maand had ze een kamer elders in het dorp geregeld en verbleef alleen nog van elf tot drie uur ‘s middags bij de schilderes. Ze wilde lezen en schrijven, maar inspiratie liet zich niet zien. Het manuscript van Rolien en Ralien zou haar nagestuurd worden door Françoise, maar het kwam steeds maar niet aan, net als haar schrijfmachine waar ze naar hunkerde. Haar Parijse vriendin werd op ieder briefkaart verzocht iets te doen: het manuscript (de blauwe doorslag: ‘Rolien le bleu’) en een boek van Gide opsturen, of een ander kopen (Feuilles de septembre). Uiteindelijk ontving ze van een andere vriendin, Eli Palmer, het manuscript en een boek van Gide.109 Sinds ze in Cliousclat zat, stuurde Josepha haar post naar Françoise in Parijs, zij schreef de kaarten over en zond ze door naar Nederland. Jean en hun zoon Dony waren veronderstelde meelezers. Ze schreef in het Frans, gebruikte de schuilnaam ‘Charlotte’ en sprak soms in de derde persoon over zichzelf. Post die ze terugontving van haar moeder, haar zus en Berthe, ging ook via Parijs en ook in het Frans. Dit laatste om de Vichy-censuur niet tegen zich in het harnas te jagen. Josepha hield zich niet bepaald schuil in Cliousclat. Vertrouwend op haar valse persoonsbewijs ging ze regelmatig op stap. Ze kletste met de boeren, die aan haar hun levensverhaal vertelden. ‘Ma meilleure amie ici a 78 ans.’110 Ze overwoog met de druiven­oogst te helpen, maar dat was toch ‘trop fatiguant pour les reins.’111 Ze reisde naar kennissen in Grenoble en naar Lyon. Terwijl ze daar op iemand wachtte, ging ze naar het Office Néerlandais. Dat was een van de twee kantoren in Vichy-Frankrijk die Nederlanders in den vreemde bijstonden sinds de officiële consulaten wegens de oorlog waren gesloten. Het andere was gevestigd in Perpignan. Beide offices keerden namens de regering de pensioenen uit van Nederlanders in Frankrijk, maar hadden een veel belangrijker taak in het helpen van de honderden vluchtelingen die zich in die contreien ophielden. Bij het office in Lyon werkte als onbezoldigd tolk de joodse tapijthandelaar Sally Noach uit Zutphen, maar hij deed veel meer. Door relaties aan te knopen met plaatselijke autoriteiten kreeg hij veel Nederlanders vrij uit gevangenissen. Ook vervalste hij in- en uitreisvisa voor vluchtelingen die naar Zwitserland of Spanje wilden doorreizen omdat de officiële papieren vaak te lang op zich lieten wachten of verliepen. Iemand die naar Portugal wilde had een uitreisvisum van Frankrijk nodig, een in- en uitreisvisum voor Spanje en een inreisvisum voor Portugal.112 Vanwege zijn illegale praktijken werd Noach zelf een gezocht man en in september 1942 vluchtte hij naar Londen, waar hij een vertrouweling van koningin Wilhelmina zou worden. De gedachte aan een verdere vlucht moet toen bij Josepha hebben postgevat. Ze diende Frans

108. JM aan Berthe via Françoise Millot, 25 augustus 1942. 109. JM aan Françoise Millot, 4 september 1942.

144

110. JM aan Françoise Millot, 14 september 1942. 111. JM aan Françoise Millot, 14 september 1942 112. Dessing (2004): 125–126.

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

grondgebied te verlaten, want Vichy-Frankrijk bood steeds minder zekerheid: bezetting door de nazi’s was een reële optie. Ook hier liepen buitenlandse joden grotere risico’s dan Franse. Halverwege september waren zelfs de verminderde contacten met Mena bijna niet meer op te brengen. Dat haar gastvrouw geelzucht had, was tot daar aan toe, maar ze was vreselijk terneergeslagen. ‘Moi, je ne peux plus tenir ici. J’aurais pu savoir cela d’avance – on ne peut pas vivre avec cette femme sombre.’113 ‘M. […] impossible […] misantrope, chaque mot que je dis est trop. Je me sens terriblement seule ici.’114 Vervelend was bovendien dat ze alle briefkaarten las die voor Josepha bestemd waren. Later zou ze vertellen dat Mena in het dorp rondbazuinde dat ze een joodse vluchteling verborgen hield.115 Niettemin verzorgde ze de zieke Mena en deed ze zolang het huishouden. ‘Je fais le ménage et la cuisine. Tu ne me reconnaîtrais pas. Maman, une vrai femme d’intérieur.’116 Half september verliet ze opnieuw Cliousclat, dit keer voor twee weken. Ze reisde naar Marseille waar ze bij Marian, een vriendin van de moeder van Berthe, zou verblijven en van daaruit ging ze naar Monaco, bij Elisabeth (Eli) Esser, een vriendin uit Parijs die daar tijdelijk bij haar zus en haar drie dochters van 4, 6 en 8 jaar logeerde. Monaco was een verademing. ‘La vie familiale avec les 3 petites anges blondes est si reposante.’117 Met Eli bezocht ze het casino, waar ze zelfs een klein bedrag won.118 Ze ging samen met Eli op stap en had een bijzondere culinaire ervaring. ‘Nous etions à Marseille où nous avons mangé du chat! Pour un prix fou!’119 Begin oktober was ze terug in Cliousclat. Het ging beter met Mena. Ze was hersteld van de geelzucht, had een hulp, was wat vrolijker en aardiger. Josepha wilde er voor de winter weg zijn, maar besloot nog te blijven tot begin of half november. Weer bij Mena intrekken was onmogelijk; ze huurde voor twee weken een gemeubileerd huisje in het dorp. Ze was van plan om na haar bezoek aan Marian en Eli een besluit te nemen over waar ze de winter zou doorbrengen: in Marseille of in Parijs, een keuze die afhankelijk was van informatie die ze verwachtte maar niet kreeg.120 Aan haar moeder schreef ze optimistisch: ‘Attends moi. Noël ’43 je revriendrai. J’aurai bien vieilli, mais tant pis. Je t’embrasse, petite maman.’121 Hiermee verwoordde ze het sentiment van veel Nederlanders, die geloofden in een Duitse nederlaag in 1943.122

Ada, Simon en de jongens op transport Welke achtergrond de somberheid van Mena had, is niet bekend maar Josepha had zelf alle reden om gedeprimeerd te zijn. Sinds ze in Cliousclat verbleef, was ze op de hoogte van de deportatie van Ada, Simon en de jongens – in brieven wordt steevast verwezen

113. JM aan Françoise Millot, 14 september 1942. 114. JM aan Françoise Millot, 18 september 1942. 115. Bijvoorbeeld Schaafsma (2008). 116. JM aan Emma Mendels, 11 september 1942. 117. JM via Françoise Millot aan mama, Berthe, Edith en Hub, 29 september 1942.

118. JM via Françoise Millot aan mama, Berthe, Edith en Hub, 29 september 1942. 119. JM aan Françoise Millot, 2 oktober 1942. Ook de Nederlandse kat was in de oorlog zijn leven niet zeker. Kattenvlees werd onder andere geserveerd in de erwtensoep in het café van Bet van Beeren op de Amsterdamse Zeedijk. Arnoldussen, Paul. (2013). Poes in ver-

drukking en verzet 1940–1945. Amsterdam: de Poezenkrant: 48. 120. JM aan Berthe Edersheim, 19 september 1942. 121. JM aan Emma Mendels, 9 oktober 1942. 122. Van der Boom (2012): 130.

145

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

naar ‘Adsijodo’ – naar ‘werkkampen in Duitsland of Polen’. Ze schreef aan haar moeder dat ze iedere nacht over hen droomde.123 Vanaf het eerste oorlogsjaar had de bezetter ook in Nederland steeds verdergaande maatregelen genomen om de joodse bevolking te isoleren en hun bezit te confisqueren. Aanvankelijk namen de Duitsers niet te drastische maatregelen tegen de joden om het vertrouwen van de Nederlandse bevolking te krijgen. Sommige joden waren geneigd de maatregelen te accepteren, in de hoop daarna met rust gelaten te worden, terwijl niet-joden op een steeds grotere afstand werden geplaatst, wat de indruk van onverschilligheid gaf – die soms, maar niet altijd terecht was. In oktober 1940 moesten joodse ondernemers hun bezit laten registeren, Josepha’s zwager Simon als handelaar in edele metalen viel onder die regeling. Joden werden vanaf november 1940 uit openbare functies geweerd. De definitie die de Duitsers voor joods zijn gebruikten, bleek een zeer nuttig middel in de onderdrukking en vervolging die vanaf september 1940 werd voorbereid. Voor de bezetter was ten eerste iedereen met drie of meer ‘voljoodse’ grootouders joods, ten tweede iedereen met twee ‘voljoodse’ grootouders die tot de joodse kerkelijke gemeente behoorden en ten derde iedereen met twee ‘voljoodse’ grootouders die een joodse huwelijkspartner had.124 Per augustus 1941 was van iedere jood (ook degenen met slechts een joodse grootouder) bekend waar hij of zij woonde, want toen werden de persoonsbewijzen ingevoerd en bij joden stond er een zwarte ‘J’ op. Hun persoonskaart in het gemeentearchief was voorzien van een teken waardoor die gemakkelijk was te herkennen.125 Deze nauwkeurige registratie kon alleen plaatsvinden dankzij de welwillende opstelling van medewerkers van bevolkingregisters. In 1941 werd de bewegingsvrijheid van joden in Nederland sterk beknot. Joodse leerlingen werden naar aparte scholen gestuurd. Jopi en Dodi moesten na de zomervakantie naar het Joods Lyceum, dat zich aan de andere kant van de stad in de Jeruzalemstraat bevond. Op hun dagelijkse tocht naar school moesten ze de Kralingse Plaslaan, vlakbij school, zien te vermijden want de belangrijkste verbindingswegen en winkelstraten van Rotterdam waaronder de Coolsingel, de Goudse Singel, de Binnenweg en de West-Kruiskade waren verboden terrein voor joden.126 Ook mochten zij zich niet meer vertonen in openbare gelegenheden als schouwburgen, bioscopen, bibliotheken en zwembaden. De Bergse Achterplas, die zij als hun voortuin beschouwden, was voor hen niet meer toegankelijk. Joodse bedrijven werden zonder tegenprestatie onteigend en overgedaan in handen van een Verwalter. Joodse banktegoeden moesten vanaf augustus 1941 overgemaakt worden naar de roofbank Lippmann-Rosenthal & CoSarphatistraat waar na verloop van tijd alleen nog heel kleine bedragen vanaf gehaald mochten worden.127 De grond die joden in bezit hadden, werd onteigenend. Berthe had hier kennelijk een list op gevonden want ze had voor elkaar gekregen om hun huis en auto te behouden door deze aan Harmen toe te schrijven.128 Alle maatregelen die de joden betroffen, werden aangekondigd in de enige joodse krant die nog mocht verschijnen: het Joodse Weekblad, waardoor niet-joden niet op de hoogte kwamen van deze reglementen. Het medium verscheen onder auspiciën van de in het

123. JM via Françoise Millot aan Emma en Edith Mendels, 8 september 1942. 124. Romijn (1995): 319. 125. Romijn (1995): 319–20. 146

126. Pauw, J.L. van der. (1986) Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog. Boom: 358. 127. Romijn (1995): 324.

128. Brief van Berthe aan JM, 6 september 1941 129. Romijn (1995): 335. 130. Romijn (1995): 322.

voorjaar van 1941 opgerichte Joodse Raad te Amsterdam. De bezetter had deze raad laten oprichten vanuit het strategisch oogpunt de Nederlandse overheid op afstand te zetten bij het isoleren en deporteren van joden. De Joodse Raad zou meehelpen aan de deportatie van de joden uit Nederland vanuit de gedachte dat zij in ruil voor medewerking andere joden konden vrijwaren van vervolging. Het was een waan waarin de bezetter hem gevangen hield.129 In het najaar kwamen er onderafdelingen in de provincies. Eind 1941 waren de Nederlandse joden financieel uitgekleed, sociaal apart gezet en hadden een zwakke juridische status, ondergeschikt aan die van Nederlanders en vallend onder directe zeggenschap van Duitse instanties.130 De sociale uitsluiting werd nog versterkt door het verplicht stellen van de ster vanaf 3 mei 1942.131 De volgende stap was de totale verwijdering van de joodse bevolking uit Nederland. Vanaf juli 1942 begonnen georganiseerde deportaties, eerst vanuit Amsterdam en spoedig vanuit alle andere grote steden. Toen Ada, Simon en hun zoons op 28 juli ‘vier aangetekenden’ ontvingen, waren ze daarmee bij de eerste joden die uit Rotterdam gedeporteerd werden. Dat men voor werkverruimingskampen in Duitsland werd opgeroepen, voorafgegaan door een persoons- en geneeskundig onderzoek in Westerbork, riep al argwaan op, want van de tweeduizend opgeroepen joden kwamen er negenhonderd niet opdagen. Simon en zijn oudste zoon Joop hadden zich nog bij de Joodse Raad in Rotterdam vervoegd om uitstel te krijgen, maar dat was niet gelukt. Vrijstellingen werden in Rotterdam alleen verleend aan leden van de Joodse Raad en aan artsen.132 Josepha Mendels vertelde later dat het gezin ervan overtuigd was terug te keren. Dat blijkt ook uit de laatste brief die Simon en Ada aan Emma Mendels schreven: Lieve mama. De slag is gevallen. Wij moeten vanavond met heel vele anderen vertrekken. Wij gaan weg, bedroefd, maar met hoop en vertrouwen, en met de overtuiging binnen afzienbare tijd weer terug te komen. Maakt u zich dus niet ongerust over ons. Wij slaan er ons wel doorheen en zullen u indien mogelijk veel schrijven. Bijna ieder huisgezin wordt getroffen. […] Ik heb verschillenden verzocht U van tijd tot tijd te bezoeken, en ik hoop dat men aan mijn verzoek zal voldoen. Lieve mama, tot een spoedig weerzien. Dat God ons zijn zege mede zal geven. Een ferme kus van Uw Sim 133 De tekst die Ada in dezelfde brief tot haar moeder richtte, toont aan dat zij niet helemaal van een goede afloop overtuigd was. Lieve mama, dit is een afscheidsbrief. Wees f link, ik tracht het ook te zijn. De jongens houden zich geweldig. Gelukkig dat we met z’n allen gaan. […] Houd moed. Lang kan een dergelijk onrecht niet duren. Houd U goed, want anders bent u ziek als we terugkomen. […] Dag lieveling, ik zal veel aan je denken. Tot een spoedig weerzien, innig omhelsd van Uw Ada, die U nooit vergeten zal. 134

131. Romijn (1995): 328. 132. Van der Pauw (1986): 360. 133. Simon en Ada Slagter-Mendels aan Emma Mendels, 30 juli 1942. 134. Ibidem. 147

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Ada, Simon en hun zoons moesten zich op 30 juli om 6 uur in de avond melden in de haven, Entrepôtstraat Loods 24. Het eigenlijke vertrekterrein was een goederenemplacement aan de Stieltjesstraat dat was afgezet met een muur van twee meter hoog.135 De 24 uur voor vertrek besteedden ze aan het opbergen en onderbrengen van spullen, waarbij de buren ‘geweldig’ hadden geholpen. Die nacht reisden ze naar Westerbork, waar ze op de 31ste aankwamen.136 Het gezin van Ada Slagter-Mendels en Simon Slagter werd van daaruit met de eerstvolgende trein op transport gesteld naar Auschwitz. Simon Slagter en hun 17-jarige zoon Joseph werden respectievelijk op 27 en 25 augustus 1942 vermoord, Ada Slagter-Mendels en hun 14-jarige zoon Isidore trof dat lot op 1september 1942.137 Vanaf het laatste levensteken van Ada en Simon ging er bij Emma, Edith, Josepha en Berthe geen brief de deur uit waarin ze elkaar niet in steeds bedektere termen vroegen of er nog nieuws was over ‘Adsijodo’. Enkele dagen na het vertrek van haar dochter en schoonzoon kreeg Emma Mendels bezoek van iemand die de laatste momenten in Rotterdam van Ada en haar gezin had meegemaakt. Ze beschreef het aan Berthe: […] Vandaag was ’n heer hier die hun, zoals alle buren prachtig had geholpen en vertelde mij hoe gewerkt was om alles klaar te maken; ze hielden zich f link en waren gelukkig alle 4 bij elkaar. Ook had ik nog ’n kaart vanmiddag uit de loods voor hun vertrek dat er ongev.[eer] 1500 mensen waaronder vele kennissen in voorbeeldige stemming verzameld waren. Maar dat is allemaal geen troost, wat zal met hen gebeuren en waar gaan ze heen, voorlopig ’n paar dagen in Friesland [bedoelt Drenthe]. En Edith is ook zoo bang en doet moeite om bij de J Raad te komen. Ik zou haar zo graag willen spreken en vraag ’n attest bij de dr. aan. En Jos, waar zou zij zitten? […]. Wat voor zorgen allemaal en hoe zou Jos schrikken van Ada’s vertrek. Wij allen hier in huis kan ’t zelfde gebeuren, hier begint ’t deze week hoorde ik. Bert, wat vreselijk allemaal, […] Georges de Kast die met hun 4 kinderen zelfmoord hebben gepleegd, het jongste van 9 mnd. leeft. Ik eindig maar, schrik voor de nacht die alles veel zwarter laat zien. [ik kan aan] [n]iets anders te denken als aan het vreselijke. Ik zal trachten f link te blijven al om der kinderen willens. Kus van mama en groeten voor Harmen. 138 Ook al konden de achterblijvers niet geloven dat de gedeporteerden alleen maar aan het werk gingen in Duitsland of Polen, van iets ergers konden ze zich geen voorstelling maken. Het besef dat familieleden linea recta werden vermoord in gaskamers drong tijdens de oorlog slechts in heel beperkte mate door tot de meerderheid van de bevolking. De enkele getuigen die hun kennis in Nederland wilden verspreiden, stuitten op ongeloof.139 De onzekerheid maakte mensen gespannen en bang. Het pension waar Emma woonde, raakte leger en leger. Ze treurde om het onbekende lot van haar kinderen. Haar broer Adolf in Hamburg, die gehuwd was met een niet-joodse vrouw en daar-

135. Van der Pauw (1986): 360. 136. Herinneringscentrum Kamp Westerbork, via mail 14 december 2009. 137. Herinneringscentrum Kamp Westerbork, via mail 14 december 2009 148

en www.joodsmonument.nl. De data komen niet altijd exact overeen. 138. Emma Mendels aan Berthe Edersheim, 31 juli 1942. 139. Van der Boom (2012): 226–229.

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

door zou overleven, schreef ze twee keer per week. Emma had nu alleen Edith nog, die steeds minder vaak in contact met haar moeder kon treden. Zomaar bij elkaar op bezoek gaan was niet toegestaan. Van de in het najaar van 1941 opgerichte Haagse Joodse Raad was Henri Edersheim voorzitter geworden. Hij was een volle neef van David Edersheim, de vader van Berthe.140 Van alle joodse leiders ging hij het verst in de medewerking met de bezetter.141 Aanvankelijk, in het voorjaar van 1942, werd de Joodse Raad in Den Haag belast met de voorbereiding van het vervoer van 750 werkeloos gemaakte joden naar werkkampen in Nederland. Edersheim deed dit naar beste weten.142 Toen de nieuwe bestemming van de opgeroepenen niet meer in Nederland lag, en de vertrekkers geen werkelozen waren, zag hij er geen probleem in de mensen met dezelfde zorg op reis te sturen. De raad gaf informatie over de inhoud van de bagage en zorgde voor de beschikbaarheid van de noodzakelijke spullen: onder andere warme kleding, wollen dekens, borden en zeep die andere joden hadden afgestaan. Ook hielpen medewerkers van de Joodse Raad bij het vervoer van de bagage naar de verzamelplaatsen.143 De Haagse politie haalde de mensen op van huis en bewaakte de treinen.144 Deportaties uit Den Haag begonnen op 18 augustus 1942. Toen de opkomst in Duitse ogen nogal teleurstellend was, ging men met adreslijsten in de hand de deuren langs om slachtoffers op te halen. Daarbij bleek dat de adresgegevens van de landelijke Zentralstelle für jüdische Auswanderung niet correct waren en kreeg de Joodse Raad het verzoek snel een adequate adreslijst te leveren. De raad willigde dit verzoek onmiddellijk in. Na de eerste deportatie werd de procedure enigszins aangepast. De Duitse SS -er Franz Fischer, een vrij domme, maar agressieve jodenhater, was belast met de deportatie van de Haagse joden.145 Hij betrok zijn gegevens voortaan direct van de lijst van de Joodse Raad, die de slachtoffers van te voren inlichtte. Op de bewuste dag kwam de Nederlandse politie hen ophalen en waren zij meestal geheel klaar voor vertrek. Op de Paviljoensgracht 29 was het verzamelpunt, de plek waar ooit het Zwaluwnest gevestigd was geweest. Vandaaruit werden ze na enkele uren of hoogstens een nacht met de tram naar Station Staatsspoor vervoerd, het huidige centraal station.

‘Lief kind, ik zoen je van harte’ Sinds 3 mei 1940 woonde Edith aan het Amsterdamse Valeriusplein 36 hs, waar ze een kamer huurde bij de familie Franken. Ook zij kon zich niet onttrekken aan de maatregelen die haar omgeving troffen, maar zij leek met een zekere koelbloedigheid de rampspoed nog even te kunnen afwenden, als alleenstaande vrouw had ze verhoudingsgewijs meer kansen dan ouders met jonge kinderen of ouderen. Zelf kreeg ze ook een oproep. Met de grootste moeite regelde ze daar uitstel voor. Aan Berthe schreef ze

140. Henri’s vader Moses Edersheim en David Edersheim waren broers, zie www.jodeninnederland.nl/id/P-7127. Bart van der Boom stelt ten onrechte dat Henri Edersheim ‘voormalig directeur van papierfabriek Esveha’ was. Hij verwart hem met zijn neef David, die in 1940 was overleden. Boom, Bart

van der. (1995) Den Haag in de Tweede Wereldoorlog. Proefschrift Leiden: 152. 141. Michman, Jozeph & Hartog Beem & Dan Michman (1992) Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland. Ede / Antwerpen: Kluwer: 387. 142. Van der Boom (1995) 152–158.

143. Ibidem: 157. 144. Ibidem: 156. 145. Ibidem: 156.

149

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

Gisteren heb ik geloopen van Pontius naar Pilatus en door goede connecties is het mij gelukt een verzoekschrift om vrijstelling of uitstel in te dienen. […] Morgen moet ik met mijn papieren komen en dan hoor ik tot hoelang ik uitstel heb. […] Maar je weet niet wat een emoties ik deze week gehad heb. En een medeleven en een medewerking van alle kanten en van de menschen van B&S en mijn goede Chr. kennissen. ’t Is ongeloof lijk, daar kan ik niet dankbaar genoeg voor zijn. 146 Edith werkte tot dan toe bij Blikman & Sartorius, een onderneming in kantoorbenodigdheden. Net als velen probeerde ze een baantje bij de Joodse Raad te krijgen, omdat dat voorlopig betekende, dat ze niet op transport moest. Nadat die poging mislukt was, werd ze kortstondig tandartsassistente. Dat beroep leverde ook uitstel op. Ze kreeg er geen salaris voor en trachtte doorbetaling van haar vorige werkgever te krijgen. Begin september 1942 bleek overigens dat ze met het nieuwe baantje alweer was opgehouden. Uit de correspondentie blijkt dat Edith vlucht of onderduikt. Een volgende oproep moet haar het laatste zetje hebben gegeven, want eind augustus schreef Emma nog aan Berthe: ‘Edith heeft geen uitsluitsel voor 3 september.’147 Vanaf begin september 1942 doet Edith niet meer mee aan de correspondentie tussen Emma Mendels, Josepha, Françoise en Berthe. Emma laat dat in bedekte termen aan de anderen weten. ‘Met de oudste zus van Charlotte gaat het goed,’ aldus Emma aan Françoise, ‘maar ze kan niet schrijven dus haar moeder doet de correspondentie alleen.’148 Edith moet begin september 1942 weggegaan zijn. Ze dook onder maar viel in verkeerde handen. Op 25 januari 1943 werd ze in Sittard gearresteerd op een onderduikadres bij de familie Boessen.149 De motieven van de ‘gastheer’ lijken malafide. Boessen werd zelf in juli 1943 als ‘asociaal’ naar kamp Ommen gebracht en stond te boek als ‘zwarthandelaar, dief, jodensmokkelaar.’150 Edith werd eerst naar Maastricht vervoerd, kwam op 6 februari 1943 in Westerbork aan waarvandaan ze op 9 februari op transport gesteld werd naar Auschwitz, waar ze op 12 februari vermoord werd.151 Ook Judica Mendels mengde zich in de Franse correspondentie. Zij was de enige dochter van Maurits Mendels en Jet Mendels-Stokvis, Isidore’s jongste en favoriete broer. Vooralsnog woonde Judica in Amsterdam met haar ouders. Zij stuurde een vriendin, Lot Noë, op haar tante Emma af, om haar eenzaamheid en angst wat te verdrijven. Emma zelf hield zich met moeite staande. Ze slikte slaapmiddelen om de nacht door te komen.152 Met grote regelmaat zond ze bedragen rond de honderd gulden naar Frankrijk, aan het adres van Mena, hopend dat Josepha het zou krijgen. Aan Berthe vroeg ze, of zij voortaan geld wilde sturen, voor als zij er niet meer zou zijn, ‘ik tril als ik eraan denk’, schreef ze erbij.153 Berthe kreeg van Emma voor haar verjaardag op 3 september 1942 een schilderijtje dat zij altijd zo mooi had gevonden. Emma bereidde zich voor op

146. Edith Mendels aan Berthe Edersheim, 5 augustus 1942. 147. Emma Mendels aan Berthe Edersheim, 26 augustus 1942. 148. Emma Mendels aan madame Hussameddin en via haar aan JM, 9 september 1942. 150

149. Rens, Herman van. (2013) Vervolgd in Limburg: Joden en SintiinNederlands -Limburgtijdens de Tweede Wereldoorlog. Hilversum: Verloren: 262. 150. Gemeentearchief Sittard, doos 223. Met dank aan Herman van Rens. 151. Herinneringscentrum Kamp

Westerbork, mail 14 december 2009 en www.joodsmonument.nl. 152. Emma Mendels aan Berthe Edersheim, 23 september 1942. 153. Emma Mendels aan Berthe Edersheim, ongedateerd [wrsch. 31juli 1942].

rampspoed. ‘Voordat ze genomen wordt, vermaak ik ze aan jou, jij lieve meid van wie ik zooveel houd.’154 En ze ging naar de tandarts: ‘De herfst is mijn lievelingsseizoen. Ik heb geen pijn dus ik laat m’n tanden herstellen: 5 vullingen en 2 kronen in acht dagen.’155 Mogelijk volgde ze hiermee een advies op van de Joodse Raad, die iedereen adviseerde naar de tandarts te gaan voordat de tewerkstelling zou beginnen.156 Ze schreef via de Joodse Raad aan Ada en Simon, omdat dat in ‘de Joodse Krant’ (het Joodse Weekblad) stond. ‘Of het aankomt weet ik natuurlijk niet.’157 Dat men familieleden in het oosten zou kunnen schrijven, maakte deel uit van de tactiek van de nazi’s om achterblijvers in de waan te laten dat zij inderdaad voor werk waren gedeporteerd. Om deze illusie in stand te houden werden sommige gedeporteerden vlak voor vergassing gedwongen een geruststellende brief naar huis te schrijven.158 Uit een brief van begin oktober van Emma aan Berthe bleek hoezeer ze voelde dat een vertrek nabij was: Bert, het is hier verschrikkelijk, vrijdag was je moeder ’s middags bij me en ’s nachts werd [een] ontzettende razzia gehouden, ook heel goede vrienden die pas uit Schev. [eningen] hier naar de A.v. Solmsstr[aat] kwamen 76 en 64 + 67 [ jaar] zijn nog gehaald. Ik en wij allen in huis zijn druk bezig met pakken, iederen avond gaan wij met angst naar bed en je begrijpt wat er dan van slaap terecht komt. Ik gaf jelui adres aan de heer v. Hoff, het verder schrijf ik in m’n volgende brief of kaart. Ook Lot Noë heeft jelui adres, ze bezoekt mij af en toe. Van E[dith] zal ik in lang niets horen, verder weet ik niets. Het is ontzettend van al je kinderen verwijderd [door censuur doorgehaald?] te zijn en geen contact te hebben. Als je van Lot N[oë] hoort dat ik weg ben, schrijf dan svp aan mijn broer […] wil je. Zolang ik nog hier ben schrijf ik 2x per week aan hem. En wil je dan ook aan Dr. T. Lewenstein […] schrijven, dat zijn mijn oudste vrienden, hun dochter met man en 3 kinderen zijn ook nog uit A’dam en zoveel Duitsche familie van hun. Als Harmen eens komt zou ik graag met hem praten. Iedereen denkt alleen aan zichzelf, ik heb niemand om mijn hart te luchten. 159 Op 28 oktober schreef ze nog een kaart aan Josepha, vragend of ze de 100 en 111 gulden had ontvangen. De volgende keer zou ze nog eens 100 gulden sturen. De Franstalige kaart, een taal waarin Emma zich ternauwernood kon redden, is onderbroken door een hartstochtelijke en wanhopige Nederlandse uitroep: ‘Lief kind, ik zoen je van harte.’160 Op die dag moet ook bij haar de politie aan de deur zijn gekomen met de gevreesde mededeling. Een van de medebewoners van het pension waar Emma woonde, net als zij een vrouw van 68 jaar, wachtte verdere instructies niet af en pleegde zelfmoord.161 Op 29 oktober ging Emma ‘op reis’. Haar broer Adolf Levy ontving enige tijd later het bericht:

154. Emma Mendels aan Berthe Edersheim, 26 augustus 1942. 155. Emma Mendels aan Berthe Edersheim, 23 september 1942. 156. Van der Boom (1995): 157. 157. Emma Mendels aan Berthe Edersheim, 26 augustus 1942.

158. Van der Boom (2012): 224. 159. Emma Mendels aan Berthe Edersheim, 6 oktober 1942 160. Emma Mendels via Françoise Millot aan JM, 28 oktober 1942. 161. www.joodsmonument.nl > Sophia Hermina Roos-Hijman. 151

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

Monsieur, Votre sœur Emma a dû partir ce matin. C’est à mon vif regret que je vous écris cela, je lui avais promis de vous faire part de son départ, qu’elle sentait approcher depuis longtemps. Une de ses amies. 162 Volgens Josepha schreef haar moeder nog een kaart vanuit het verzamelgebouw aan de Paviljoensgracht.163 Zeven dagen na haar onvrijwillig vertrek uit Den Haag, op 5 november 1942, werd Emma Mendels-Levy, 68 jaar, vergast in Auschwitz.164

Vertrek uit Cliousclat De correspondentie ging in het vervolg alleen nog tussen Berthe en Josepha, zij het wel via Françoise in Parijs. Als enigen die nog in relatieve vrijheid konden leven, kregen ze door die situatie een schuldgevoel. Josepha schreef, nog niet op de hoogte van de deportatie van haar moeder, aan Françoise en Berthe: J’ ai honte, honte pourquoi la vie ne serait-elle pas aussi misérable pour moi que pour tant d’êtres chers? J’ai honte de passer une journée comme hier – Mena avait [...] son poulet, on buvait beaujolais, on mangeait une bonne salade. L’après-midi elle + hans venait dans ma belle maison (il y a d’ordre je t’assure) et on buvait du thé (de Margreet) et on mangeait des sandwiches fantastiques! Et puis j’ai des livres. La Fantaisie de [dos] Passos et l’Immoralité de Maupassant. 165 Berthe antwoordde: Je suis comme toi, ma chérie. J’ai souvent honte de toutes bonnes choses que j’ai. Mais quoi faire? Il faut être reconnaissant pour le temps que ça dure. 166 Berthe, niet gehinderd door joodse voedselvoorschriften, haalde in het najaar van 1942 een biggetje in huis dat ze in februari 1943 zou slachten, en het vlees zodanig behandelen dat ze een jaar te eten zouden hebben.167 Ze las het door Josepha opgestuurde Rhum van de Zwitserse schrijver Blaise Cendrars en 1919 van Guy de Maupassant. Op 30 november schreef Berthe aan Françoise dat ze al tien dagen niets van Josepha had gehoord, maar dat ze zich geen zorgen maakte. Josepha verbleef in oktober nog in Cliousclat, maar daar zou ze weggaan. Ze doodde de tijd met bezoekjes aan boeren, wat haar in zekere zin inspireerde.

162. Lot Noë aan Adolf Levy, 29 oktober 1942. 163. ‘Ik heb haar laatste kaart nog, [… geschreven] op de dag dat ze gedeporteerd werd in 1943 [sic]. Ze zat op de Paviljoensgracht in Den Haag. Ze heeft altijd gedacht: mij kan niks overkomen, ik ben Duitse van geboorte, ik heb nooit wat gedaan. Waarom zou ik weggehaald worden? […] Ze schreef: ik zit nu in het huis waar jij zolang 152

gewerkt hebt. Ik moet weg. Ze schreef zo mooi op een gewone ansichtkaart. Hij is ook nog in Parijs aangekomen door het Rode Kruis in de oorlog.’ Van Verre (1982). 164. www.joodsmonument.nl > Emma Mendels-Levij. De spelling van de naam wijkt af van de spelling zoals gehanteerd in het geboorteregister in Hamburg.

165. JM aan Françoise Millot, 26 oktober 1942. 166. Berthe aan JM, 6 november 1942. 167. Berthe aan JM, 6 november 1942.

On m’invite de temps en temps le soir. C’est si amusante. Elle, elle écoute la T.S.F. comme si elle l’a inventé elle-même. Tous les 2 minutes elle y enlève la poussière. Lui et moi pèlent du maïs. Puis sa tête commence à se bouger – il s’endort. La voisine, tricote. Elle a 45 ans elle en paraît 60. La vie est dure. Son mari me caresse de temps en temps les jambes, et dit une cochonnerie. Je regarde leurs casquettes, je me demande comment tiennent tous ces trous – Et ainsi se produit un autre roman. 168 Op 2 november kondigde ze haar vertrek bij Mena aan Françoise aan. Ze zou opgelucht zijn als ze zonder ruzie weg kon komen. De weken voorafgaand aan haar vertrek had ze Françoise geïnstrueerd bezittingen te verkopen, zoals twee tapijten en een matras die ze uit het appartement aan de Rue Vavin moest halen (‘pas encore les couvertures qui sont cher’).169 Ze realiseerde zich wel dat ze veel vroeg in de prille vriendschap met Françoise. ‘Pauvre petite Françoise, quelle peine je te donne. Tu me ne connais que quelques mois, à quoi ai-je à remercier ton grande et sincère amour??’170 Ze gaf een kennis die op het platteland woonde opdracht om af en toe wat lekkers naar Françoise te sturen.171 Voor haar verdere vlucht had ze veel geld nodig. Bij Mena was ze goedkoop uit geweest: per dag gaf ze maar 25 francs uit. Ze had niets gehoord uit Marseille, dus ze moest haar eigen plan trekken.172 Haar ophanden zijnde vertrek viel praktisch samen met de voorziene inval van de Duitsers in Vichy-Frankrijk op 11 november 1942. Dit was een reactie op de geallieerde landingen in Noord-Afrika, die op 8 november 1942 waren begonnen.173 Josepha, en met haar de vele vluchtelingen in Zuid-Frankrijk, genoten nu geen enkele bescherming meer tegen de nazi’s – voor zover daar sprake van was geweest onder generaal Pétain – en moesten zo snel mogelijk het land verlaten. Het enige voordeel van het vertrek uit Cliousclat was, dat Josepha van Mena af was. De neerslachtige buien van haar gastvrouw had ze alleen met de grootst mogelijke moeite van zich af kunnen houden. Maar opnieuw een vluchteling zijn, onderweg zijn met alleen de spullen die ze kon dragen, beviel haar allerminst. Ze miste allerlei vertrouwde dingen: de nabijheid van een vriend of een vriendin om mee te lachen en te kletsen. Ze miste een eigen huis, een bekende omgeving, haar vaste café in de Rue Vavin.174 De correspondentie in het Frans ging haar vrij goed af, maar ze was afgesneden van haar meest directe uitingsvorm in de eigen taal, een verschijnsel dat iedere balling kent. Het besef was tot haar doorgedrongen, dat ze zichzelf moest redden. Het beste kon ze dat doen door zich in verbinding te stellen met de Nederlandse vertegenwoordigingen in Zuid-Frankrijk. Het lastige daarbij was, dat die kantoren, die steeds minder bewegingsvrijheid hadden vanwege de oorlog, overspoeld werden met vluchtelingen die allemaal geholpen wilden worden. De regio was niet alleen voor Nederlandse, 168. JM aan Françoise Millot, 26 oktober 1942. 169. JM aan Françoise Millot, 2 november 1942. 170. JM aan Françoise Millot, 16 oktober 1942. 171. Die kennis is Madame Marcel Jeanne, Saint Martin des Besaces, Villages des trois Fontaines, Calva-

dos, met wie JM ook kinderkleding die ze op de bon had gekocht, ruilde tegen room toen ze zelf nog in Parijs zat. Josepha verbleef in de zomer van 1941 daar, om aan Rolien en Ralien te schrijven. ‘We kregen kledingbonnen. En dan kocht ik voor een boerin in de Calvados kleren voor haar kinderen op mijn bonnen want ik had genoeg en

dan kreeg ik van haar room.’ Etty (1986). 172. JM aan Françoise Millot, 2 november 1942. 173. Wiessing (2006): 244. 174. Correspondentie met Françoise Millot uit Perpignan, november en december 1942.

153

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

maar ook voor andere nationaliteiten hét toevluchtsoord, waardoor er honderdduizenden hulpbehoevenden verbleven en doorheen reisden.175 Het ministerie van Sociale Zaken had vanuit Londen een regeringscommissariaat voor de vluchtelingen ingesteld.176 De gedelegeerde daarvan, B. Ph. baron Van Harinxma thoe Slooten, voerde zijn werk vanuit Lissabon uit. Het commissariaat maakte zich in het begin van de oorlog sterk voor de evacuatie van vooral joodse vluchtelingen naar Nederlands-Indië. Toen ook daar in december 1941 de oorlog uitbrak, was dat geen optie meer. Zij die zelf de financiële middelen hadden, vertrokken naar de Verenigde Staten, waarvoor de visa geregeld moesten worden. Suriname en de Nederlandse Antillen, mogelijke vluchthavens op Nederlands grondgebied, wilden aanvankelijk geen joodse vluchtelingen opnemen. Zij werden diplomatiek bewerkt om hun verzet te staken, maar door hun tegenwerking ging kostbare tijd verloren.177 In het najaar van 1942 werd het vertrek van een boot naar Suriname voorbereid. Er was plaats voor twaalfhonderd evacués, maar in november waren er nog geen tweehonderd in veiligheid gebracht.178 Uiteindelijk kwamen er slechts 107 Nederlanders in de kerstnacht van 1942 veilig in Suriname aan.179 Niet alleen vluchtelingen deden een beroep op de diplomatie: in de loop van 1942 en 1943 nam het aantal Engelandvaarders toe, jonge mannen en een enkele vrouw die de situatie in Nederland niet meer konden aanzien en de wapenen wilden opnemen tegen de nazi’s. Een deel van hen had verzetsactiviteiten verricht, een ander deel bestond uit avonturiers. De meesten waren vastbesloten Engeland te bereiken om vandaar uit iets te doen. Sommigen vertrokken zonder een cent op zak.180 De grootste administratieve last rond het doorsluizen van deze mensen kwam op de schouders van de gezantschappen, waarvan de bezetter bij de wapenstilstandbepalingen in Frankrijk opheffing had geëist. Dat was niet helemaal gelukt, want de buitenlandse vertegenwoordigingen werden vervangen door Offices Néerlandais die weliswaar minder rechten hadden, maar de vluchtelingen nog wel bijstonden. Zij mochten echter geen paspoorten uitgeven of verlengen.181 In oktober 1942 nam de druk op de vluchtelingen in Zuid-Frankrijk toe. Er werden in Marseille en Lyon razzia’s uitgevoerd op buitenlandse joden, net als in Parijs.182 De voor de Nederlandse regering onverwachte landing van de geallieerde legers in Noord-Afrika had de Duitsers onrustig gemaakt. Veel vluchtelingen zaten in Franse interneringskampen, omdat ze joods waren, of omdat ze geen identiteitspapieren hadden. Op 11 november werd Zuid-Frankrijk als reactie op de aanval van de geallieerden – de slag bij het Egyptische El Alamein werd na twaalf dagen in hun voordeel beslecht – door de Wehrmacht bezet. Het ging deze vooral om de Middellandse-zeekust die nu in open verbinding stond met de legers van Montgomery, die aan het hoofd van de succesvolle aanval stond. Vanzelfsprekend verslechterde de positie van de vluchtelingen onmiddel175. De Jong (1979): 520 maakt een onderscheid tussen Engelandvaarders en joden: de eerste zijn strijdvaardige jongemannen en enkele vrouwen, onder de joden ook gezinnen en ouderen die vluchtten. Dessing (2004) stelt terecht dat velen tot beide groepen behoorden: strijdbare joden die op de vlucht moesten gaan en die voor 154

de geallieerde zaak wilden vechten, of in een burgerfunctie een bijdrage leverden. 176. Echter het Ministerie van Binnenlandse Zaken was in de praktijk verantwoordelijk voor vluchtelingenzaken. De Jong (1979): 526. 177. Ibidem: 521–526. 178. Ibidem: 536.

179. Ibidem: 525. 180. Dessing (2004): 25 e.v. geeft een uitgebreide typologie van de Engelandvaarder. 181. Plantinga (1998): 6, 10–36. 182. Ibidem: 26.

lijk en brak er paniek onder hen uit.183 De grenzen werden hermetisch afgesloten. Ook Josepha moet de angst om het hart zijn geslagen, al gaf haar valse persoonsbewijs haar nog wat respijt. De meeste kans om hulp te krijgen had ze in Perpignan, waar de zeer actieve Joop Kolkman zat. Voordat ze daar naartoe ging, bezocht ze Marseille, kennelijk in een poging op meerdere paarden te wedden. Daar vroeg ze om hulp bij het kantoor van de consul D.F.W. van Lennep en verwees daarbij naar Marius Voorbeijtel, de perschef van het Nederlands gezantschap uit Parijs die inmiddels verbonden was aan de Nederlandse ambassade in Lissabon. Voordat hij in 1939 perschef werd, was hij sinds 1907 correspondent voor het Algemeen Handelsblad geweest, en zodoende waren ze collega’s geweest. Van Lennep in Marseille stuurde op 10 november, een dag voor de bezetting van Vichy-Frankrijk door de nazi’s, een telegram naar Lissabon: ‘Pouvez vous faire quelque chose pour josefa mendel consultez Voorbeytel’.184 Vervolgens ging ze naar Perpignan, waar Joop Kolkman aan het hoofd van het Office Néerlandais stond. Kolkman was een oud-journalist die zich in de meidagen van 1940 in Parijs had toegelegd op de hulp aan de duizenden vluchtelingen die daar strandden. Tussendoor was hij net als Josepha werkzaam geweest voor de radiozender Vrij Nederland, die gedurende drie weken uitgezonden had. Na het te vroege einde daarvan kwam hij in dienst van Buitenlandse Zaken, waar hij eerst bij het vice-consulaat in Sète handen spandiensten verrichte om daar de vluchtelingenstroom in goede banen te leiden. Op 22 november 1940 werd hij directeur van het Office Néerlandais in Perpignan. Veel medewerkers uit de diplomatieke kringen waren totaal verrast door de grote hoeveelheden vluchtelingen die hun kantoren binnenstroomden. Voor de oorlog had hun functie een honorair karakter gehad en weinigen konden de omslag maken van afstandelijke vertegenwoordiging naar een op handelen gerichte houding. Er was sprake van een flink cultuurverschil. Enerzijds waren er de jonge mannen die vonden dat ze recht hadden op prompte hulp om naar Engeland te reizen. Anderzijds waren er de diplomaten die zich gebonden zagen aan regeringsafspraken en een gespannen verhouding hadden tot zowel het betreffende gastland en diens bezetter. Kolkman was in dit opzicht een verademing. Hij werkte hard om zoveel mogelijk vluchtelingen verder te helpen en door zijn succes trok hij meer hulpbehoevenden aan. In de loop van 1941 had hij twee huizen gehuurd voor vluchtelingen die op papieren moesten wachten. Zijn voorkeur ging uit naar het bewandelen van de officiële, legale wegen. Dat werd steeds lastiger. In oktober 1942 werd zijn office omgezet in een bureau d’administration, dat minder bevoegdheden had. Kolkman moest zijn stempels en briefpapier inleveren, mocht zijn consulaire titel niet meer voeren, maar hij ging door met zijn werk. Vanaf 24 oktober 1942 was het niet meer mogelijk om vluchtelingen op legale wijze te evacueren, sommigen hadden de hoop met een schip naar Curaçao te ontkomen, maar daar was geen sprake meer van. Kolkman werd gedwongen nu ook illegaal te werk te gaan: hij wist in die maand nog veel jonge vluchtelingen de grens met Spanje over te krijgen. De ouderen liet hij via Zwitserland ontkomen. Kolkman zelf liep inmiddels

183. Ibidem: 30. 184. NL-HaNA, Gezantschap Portugal, 2.05.161, inv nr. 259. Telegram Van Lennep aan Voorbeijtel te Lissabon, 10 november 1942. 155

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

groot gevaar: de Duitsers hielden hem in de gaten en vanuit Lissabon was hij al gesommeerd zijn post te verlaten. Hij bleef echter actief tot zijn eigen vlucht op 12 januari 1943 die hem fataal werd.185 Toen Josepha rond 12 november 1942 aanklopte bij Kolkmans kantoor aan de Boulevard des Albères 10 moet zij de chaos en de stress bij Kolkman hebben opgemerkt. Hij had weinig mogelijkheden om haar verder te helpen en er zat niets anders op dan af te wachten tot zich een kans voordeed. Ze streek neer in een hotel en hoopte op een reactie uit Lissabon. Onder de gegeven omstandigheden voelde ze zich erg alleen en ze was nerveus. Al een paar weken had ze geen nieuws van Berthe gehad en ze maakte zich daar zorgen over, te meer daar ze informatie kreeg over de toenemende anti-joodse maatregelen in Nederland. Vanzelfsprekend hield het lot van haar zus en haar moeder haar eveneens bezig: nu ze zelf op drift was, was het haast ondraaglijk niet in contact te kunnen staan met haar moeder. ‘Cette douleur est le pire que j’ai éprouvé dans mon existence. Je suis comme paralysée. Je ne suis plus la même – .’186 In de drie weken dat ze in Perpignan verbleef, werd het haar steeds duidelijker dat ze de gevreesde tocht moest gaan ondernemen, de oversteek van de Pyreneeën. Tegen beter weten in hoopte ze op een andere oplossing en stelde haar besluit steeds uit. Aan een tocht over de bergen twijfelde ze hevig. De spanningen van haar vlucht uit Parijs naar Vichy-Frankrijk stonden haar nog helder voor de geest en ze had sindsdien geen kans gehad om ervan te herstellen. Tussen de andere landverhuizers voelde ze zich bovendien een buitenbeentje omdat ze niet jong en niet vechtlustig was: ‘Il me manque le courage pour entreprendre un voyage comme cette été – entourée des jeunes bien courageux je sens peser mes années.’187 Op 26 november ontving ze geld van Françoise en op 3 december nam ze het besluit de tocht te wagen. Veel langer uitstellen was riskant, de Duitsers eigenden zich het gebied steeds meer toe, joden die in Franse kampen zaten, werden al naar Drancy afgevoerd, het Franse voorportaal van Auschwitz. Bovendien viel de winter in, en in januari en februari zouden de Pyreneeën vanwege sneeuw ontoegankelijk zijn.188 Het gebergte vormde een onneembare vesting voor iedereen die daar de weg niet kende. Het middengedeelte is hoog en breed (80 kilometer) en het doorkruisen ervan zou meerdere dagen duren. De randen aan de west- en oostzijde zijn lager dan de 3000 meter in het midden, maar nog altijd 1800 meter hoog. Aan de Franse kant werd gepatrouilleerd door de bezetter, in lagere gedeeltes nog intensiever dan in het hooggebergte. Aan de Spaanse kant controleerde de Guardia Civil het gebied, die vluchtelingen oppakte en in een enkel geval neerschoot. Sommigen verdwaalden en kwamen om en ook werden sommigen teruggestuurd waarna meestal opsluiting in een Frans kamp wachtte.189 Een van de vroegste slachtoffers was de Duits-joodse filosoof Walter Benjamin. In zijn

185. Plantinga (1998). Op 17 februari 2014 werd aan Joop Kolkman postuum de Yad Vashem-onderscheiding ‘Rechtvaardigen onder de Volken’toegekend, www.gahetna.nl/actueel/nieuws/2014/ yad-vashem-voor-verzetsman-joopkolkman.

156

186. JM aan Françoise Millot, 2 december 1942. 187. JM aan Françoise Millot, 26 november 1942. 188. In januari en februari 1943 waren de Pyreneeën ontoegankelijk vanwege de sneeuw. De Jong (1979): 556. 189. Plantinga (1998): 8.

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

poging de Frans-Spaanse grens in september 1940 illegaal over te steken, werd hij aangehouden door de Spaanse politie, die hem terug moest sturen naar Frankrijk. Dit vooruitzicht bracht Benjamin ertoe zelfmoord te plegen.190 Behalve gevaarlijke mensen liepen er ook gevaarlijke dieren in de bergen rond, zoals beren en wolven.191 De vele vluchtelingen die het wel gelukt is de bergkam te bedwingen, deden dat meestal in een konvooi: een internationaal gezelschap dat onder leiding stond van een of twee al dan niet gewapende passeurs. In die tijd waren er niet alleen Nederlanders bezig hun landgenoten Frankrijk uit te helpen, maar ook duizenden Belgen en Fransen.192 Kolkman kon Josepha geen waterdichte vluchtroute meer bieden. Hij negeerde de opdracht uit Lissabon om half december alle nog aanwezige vluchtelingen toe te vertrouwen aan een inderhaast opgezette Spaanse organisatie, die een volledige geoutilleerde clandestiene route had opgezet.193 In plaats daarvan kreeg ze het advies om naar Saint Laurent de Cerdans te gaan om daar iemand te vinden.194 Dat plaatsje is een van de laatste Franse bergdorpjes voor de grens met Spanje, 60 kilometer westwaarts van Perpignan. Mogelijk kreeg ze geld van hem mee, zoals hij ook andere vluchtelingen had voorzien van financiële hulp. Ze reisde er per bus op 16 december naartoe. Daar schreef ze een weemoedige kaart aan Berthe. Berthe, mon petit chérie, hier dans l’autocar une petite fille jouait avec ses doigts elle me toucheait légèrement et riait. Cela me rappelait tant [à] toi, chérie, nos jeux enfantines, nos mots à moitié prononcés. Toute la journée, j’ai pu garder cette image, et cela m’a rendu un peu heureuse. Dans le monde d’aujourd’hui il n’y a guère de place pour des femmes qui sont restées enfant. C’est bien dans la vie d’hier. Je m’en aperçois chaque jour. Il faut bien que je me changerai pour arriver à un but. Quel but? Je n’en sais rien. Mais je [haine?] l’être humain mauvais plein d’intérêt. À Perp. j’étais ami avec un monsieur de 60 ans qui a le même vire au virtue que Er.[hard Hirschland, een vriend die gedeporteerd werd] Pauvre Er – Em – Adsi. Ne pas penser – nonJuste avant le départ de Charlotte, j’ai reçu ta carte du 30 nov. Notre dernier St. Nicolas était en ’37, mais tu te rapelles comment les deux mois ’39–’40 étaient bons? Et puis le 12 févr. A la gare, Emma qui venait si tard, Adsi à Rotterdam – david encore en vie. Tout semblait rester ainsi éternellement. Je viens de recevoir une lettre de Charlotte. Elle est en ce moment à St. Laurent de Cerdans – pour la première fois dans sa vie elle voit la neige sur les montagnes. Comment cela est beau et pure – Elle parle beaucoup de gens – le tout n’était pas facile. Surtout comme elle dit, comme femme seule. Elle me disait aussi que quand elle arriverait au but elle pourrait communiquer directement avec Berthe! Quelle joie. Cette fois-ci réponds encore à Françoise. Quant à moi je me répète la peur est le sommet au courage humaine. […] 195

190. http://plato.stanford.edu/entries/ benjamin/. 191. De Jong (1979): 496. 192. De Jong (1979): 556 kan het aantal niet schatten. Dessing maakt een schatting van 6000 Belgen en tussen de 30 en 35.000 Fransen. Dessing (2004): 16–17.

193. Plantinga (1998): 31. 194. Niet Saint Laurent de Cerdaigne zoals Nord (1981): 31 vermeldt. 195. JM aan Berthe Edersheim, 17december 1942.

157

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

Via een molenaar van het dorpje kwam ze, zoals Kolkman had geadviseerd, in contact met een man die haar de grens over zou brengen.196 Later haalde ze zijn herkomst door elkaar: de ene keer was het een Bask, de andere keer een Catalaan.197 Dat laatste is het meest waarschijnlijk aangezien passeurs meestal lokale bewoners waren. Sommigen waren voor de oorlog smokkelaars geweest en kenden de achterafpaadjes veel beter dan de Duitse patrouillesoldaten. Waarom Josepha niet in een konvooi liep is onbekend; ofwel vertrokken die niet meer ofwel voelde zij zich niet fit genoeg om met een ploeg jongeren mee te gaan. Doorgaans vertrokken vluchtelingen na de avondmaaltijd, als de duisternis was ingevallen. Saint Laurent de Cerdans ligt minder dan 10 kilometer van de Spaanse grens. Een tocht van enkele dagen had Mendels dus niet voor de boeg, al leverde het onherbergzame gebied de nodige obstakels op. De decembermaand 1943 was niet zozeer koud, maar wel erg nat. Voor het begeleiden van vluchtelingen over de bergen naar Spanje vroeg een passeur gemiddeld 12.000 francs, maar voor dit korte stuk zal het honorarium wel wat lager hebben gelegen.198 Bij kennissen in Perpignan had ze veel van haar bagage achtergelaten, waaronder kleding, boeken en de doorslag van haar manuscript van ‘Rolien en Ralien’. Omdat het in Perpignan niet was gelukt haar schrijfmachine te verkopen, probeerde ze dat in Saint Laurent, waar ze drie nachten doorbracht. Daar raakte ze wel van het apparaat af. In haar reistas had ze Frans en Spaans geld, één exemplaar van haar manuscript, wat foto’s, haar valse papieren, een vulpen en wellicht nog meer ondergoed dan ze voor de overtocht aantrok. Ze was voor de tocht der tochten tamelijk dik gekleed: vier onderbroeken, een mantelpak, twee truien en een jas.199 Bij dit ensemble droeg ze espadrilles. Vanaf Saint Laurent voerde de weg voornamelijk omhoog, waar op het hoogste punt de natuurlijke grens met Spanje ligt.

De Pyreneeën over Een aantal vluchtelingen dat de Pyreneeën moest overwinnen, heeft daar over geschreven. Eleonore Hertzberger-Katz is een van hen, zij trok in 1943 met haar man en zeventien anderen het gebergte ter hoogte van Andorra over.200 Van de passeurs kregen ze allemaal een tot wandelstok gesneden tak. Ze liepen vaak uren achter elkaar, schuilden soms in een schaapskooi. Voedsel was schaars: ze moesten het doen met enkele boterhammen, wat melk en soms een slok wijn of cognac. Vermoeidheid en uitputting waren de grootste bedreigingen. De passeurs waren erop gebrand de groep bij elkaar te houden, opdat een enkeling niet in handen van de Duitsers kon vallen en de vluchtroute zou verraden. Het roken van een sigaret was al een riskante bezigheid. Het complete gezelschap haalde in drie etmalen Andorra en later Spanje. Een ander geschreven verslag is dat van Jacques Gans, die op 20 december 1943 ontkwam uit het concentratiekamp Gurs aan de voet van de Pyreneeën. Gans was een joodse journalist en stukjesschrijver van halverwege de dertig. Hij trok omstreeks dezelfde tijd als Mendels het

196. Dit blijkt uit het verhoor dat haar in Londen werd afgenomen, NL-HaNA, Justitie / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. 158

197. Nord (1982) en Schaafsma (2008). 198. Dessing (2004). 199. JM aan Françoise Millot, 7 december 1942.

200. Eleonore Hertzberger, Door de mazen van het net: herinneringen van Eleonore Hertzberger, De Bataafsche Leeuw, 1990.

gebergte over, maar dan enkele honderden kilometers westelijker, waar het hoger en breder was. Hij was buiten de passeur in het gezelschap van een vriend en twee Fransen. Gans was verzwakt door zijn verblijf in Gurs. Het kostte hem daardoor de grootste moeite op de been te blijven, zeker toen hij door de dijbeenhoge sneeuw moest ploeteren. Maar ook hij passeerde de Frans-Spaanse grens na een dag of drie.201 Anders dan Herzberger en Gans reisde Josepha dus niet in een gezelschap, maar individueel met haar passeur. Ze vertrok op de avond van 19 december.202 Josepha stond voor de tweede keer in haar leven aan de vooravond van een angstaanjagende en uitputtende vluchtpoging. Ze wist nauwelijks wat haar te wachten stond, het doel was uitsluitend Frans grondgebied te verlaten, al zal Kolkman haar in grote lijnen hebben omschreven wat haar in Spanje te wachten stond. Nadat Josepha met de passeur was vertrokken, wilde hij na verloop van tijd ergens overnachten, wat in vergelijking met andere vluchtverhalen vrij ongebruikelijk was, zeker voor de beperkte afstand die ze zouden afleggen. Gerust werd er meestal nauwelijks. Josepha wees het voorstel voor de overnachting af, ook om te voorkomen dat de man toenadering zou zoeken.203 Ze gingen verder, de passeur droeg de bagage. Hij zou haar vervolgens hebben gevraagd even te wachten terwijl hij vooruit de omgeving ging verkennen. Terugkeren deed hij niet. Het duurde even voordat Josepha besefte dat haar begeleider weg was en weg bleef. Het was de zoveelste beangstigende ervaring in korte tijd. Ze zat te midden van hoge bergkammen, in het donker, zonder mogelijkheid om zich te oriënteren, en alleen het vocht van de regenachtige decembernacht, de kou en de stilte als haar getuigen. De espadrilles hadden dit korte stuk al niet doorstaan en konden nauwelijks meer dienst doen. Haar moeder en haar zus Ada waren voortdurend in haar gedachten. Zo goed als niemand wist waar ze op dat ogenblik was en in welke deplorabele toestand ze verkeerde. Ook het feit dat ze de tas met haar schamele eigendommen kwijt was, maakte haar zeer van streek. ‘[Le passeur] m’a tout volé: Rolien, 1500 pes., 5000 frs., mon sac, porte plume, papiers, etc. et puis j’étais là comme une folle au milieu de la nuit dans les montagnes’.204 Josepha heeft in verschillende interviews verklaard dat ze bestolen is en dat de man met opzet van haar is weggelopen.205 Eenmaal suggereerde ze dat hij verdween omdat ze niet op zijn avances was ingegaan.206 Alleen de lippenstift en wat geld in haar bh kon Josepha nog als haar bezit beschouwen. Die nacht sliep ze op een steen, die bij het ontwaken een graf bleek, het is althans een macaber detail dat ze in haar roman noteerde en in interviews verkondigde.207 In de ochtend zette ze haar tocht blootsvoets voort.208 Ze kwam langs een boerderij die nog op Frans grondgebied lag, wat erop duidde dat ze minder dan tien kilometer afgelegd had. Behalve haar de richting van Spanje wijzen, deden de bewoners niets voor haar. Ze ging verder op een weg die naar beneden leidde en kwam aan bij een Spaanse boerderij in de buurt van het dorpje Albaña.

201. Gans, Jacques. [z.j.] Het veege lijf, herdrukt in Omnibus, Hoorn. en Maas, Willem. (2002) Jacques Gans biografie. Amsterdam: de Prom. 202. Dat zij op 20 december 1942 vertrok, zoals ze in het interview met Schaafsma (2008) stelt, kan niet klop-

pen, omdat ze op de 20ste in de gevangenis van Figueras aankwam. 203. Cartens (1981). 204. Brief van Berthe Edersheim aan Françoise Millot, 1 februari 1943, waarin ze een brief van Mendels over haar vlucht in het Frans heeft vertaald.

205. Oosthoek (1982), Van Verre (1982), Cartens (1981), Schaafsma (2008). 206. Mendels (1988): 22–23. 207. Schaafsma (2008). 208. Brief Berthe aan Françoise Millot, 1 februari 1943 en Schaafsma (2008): 13. 159

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

Daar kreeg ze een schotel melk met suiker, waarna ze in slaap viel.209 Bij het ontwaken bleek de politie gewaarschuwd. Ze was nu weliswaar in Spanje, maar dat betekende niet dat ze vrij was. De Guardia Civil patrouilleerde langs de grens en pakte iedere buitenlander zonder papieren op. Josepha had haar valse persoonsbewijs weggegooid en zou niet melden dat ze joods was.210 De Guardia Civil nam Josepha mee. De verwikkelingen tijdens haar vlucht maken onderdeel uit van Mendels’ narratieve identiteit, ze schreef erover in je Wist het toch… en vertelde erover aan journalisten.211 Aan het verhaal lijkt Mendels weinig gemanipuleerd te hebben, het was dramatisch genoeg van zichzelf.212 In tegenstelling tot de herinneringen aan haar jeugd zijn de vluchtervaringen niet ‘gestold’ in de woorden waarin ze zich de gebeurtenissen herinnert en vertelt aan zes verschillende journalisten. Het herinneringsproces aan de oorlogsjaren is anders verlopen dan dat aan haar jeugd. Je wist het toch… ontstond kort na de ervaringen. Ze begon al in Londen aan de tekst. Deze ervaringen zijn minder bepalend voor haar identiteit dan haar jeugd en daarom minder vaak en minder uitgebreid herhaald. Niet het feit dat zij huis en haard moest verlaten, noch dat ze in Parijs ternauwernood aan de nazi’s ontsnapte, maakt het belangrijkste deel van haar vluchtverhaal uit. Dat is namelijk dat de passeur haar besteelt en dat zij daardoor haar manuscript, haar levenswerk, kwijt is. Dit raakt aan haar schrijversidentiteit die voor haar zo essentieel was. In Je wist het toch… (1948) vlucht de dichter Frans Winter over de bergen. Hoewel dit personage in het overgrote deel van het boek is gemodelleerd naar iemand anders, is zijn vluchtverhaal gebaseerd op Josepha’s eigen ervaringen in de bergen.213 Hij wordt verlaten door zijn passeur. ‘Dat is een dorp’, f luistert de gids die naar hem toekomt, ‘ik ga even alleen verder om te zien of er geen politie is. Wacht hier op me, over twee minuten ben ik terug.’ ‘Mijn schoenen, mijn schoenen!’ roept de dichter. Het schijfje maan is weer achter de wolken gekropen. ‘Ik heb een espadrille verloren, mijn schoenen, mijn schoenen!’ … Droom ik? ‘Kom terug, ik ben bang alleen, kom toch terug, waarom heb je mij zo laf in de steek gelaten, ik geef je mijn twee vulpenhouders, het Spaanse geld en een ring! Hallo, hallo, je hebt mijn manuscript, je hebt mijn schoenen en al het andere, breng mijn manuscript terug, alsjeblieft, ik…’ Ik droom! Ik sta tussen de struiken, mijn sok zakt in de modder; van de muur is niets meer te zien. Ik schreeuw niet meer, ik zeg: O, God, O, God, wat nu? Nu komt eerst de honger en dan de dood, de hongerdood in de bergen. 214

209. Schaafsma (2008): 14. 210. Schaafsma (2008): 13. 211. Van Verre (1982), Schaafsma (2008), Nord (1981), Cartens (1981), Oosthoek (1982), Meulenbelt [1984]. 160

212. Dit kan opgemaakt worden uit Mendels’ verhoor, dat haar afgenomen is toen ze in Londen aankwam. 213. ‘…want ik was het die over de grens ging en die bestolen werd, in Je

wist het toch…, niet de dichter.’ JM in gesprek met Anja Meulenbelt [1984]. 214. Mendels (1948c): 17–18.

Nadat het personage tot zichzelf is gekomen, zet hij de tocht voort naar beneden, dus voorbij de Frans-Spaanse grens: Het dalen gaat snel, ik ben zo licht, ik zweef naar beneden toe en sta dan onverwachts voor een boerderij, zo een als uit de sprookjes van Moeder de Gans, rotsen hier en rotsen daar en overal kinderen, bruine kinderen, de meesten met een vinger in de mond. Een vrouw in de deuropening wenkt mij, reikt mij de hand en zet een stoel voor mij neer. De kinderen komen rondom me staan en ik krijg warme melk uit een soepbord, warme melk met suiker alsof ik een poes ben, misschien word ik het wel, want ik val met mijn hoofd tussen mijn benen in slaap. 215

Gevangene in Spanje Aangezien generaal Franco sympathiseerde met Hitler-Duitsland, was hij niet bereid om vluchtelingen, in ieder geval mannen in de weerbare leeftijd, gemakkelijke passage naar een oorlogvoerend land te geven. Alle Engelandvaarders wilden de snelste weg naar Engeland nemen, en die leidde via de vliegverbinding van Lissabon naar Bristol. Vooral in de eerste helft van de oorlog, toen de nazi’s aan de winnende hand leken, werden zij in Spanje echter zo lang mogelijk vastgehouden, een jaar was geen uitzondering. In 1942 en 1943 trokken honderden Nederlandse vluchtelingen over de Pyreneeën, op weg naar de vrijheid. Zij deden allen een beroep op de Nederlandse vertegenwoordiging in Spanje en Portugal. Hetzelfde probleem als in Frankrijk deed zich hier voor: de diplomaten waren niet ingesteld op praktische hulp aan vluchtelingen. De gezantschappen waren weliswaar nog in functie, maar om verschillende redenen hadden zij geen sterke positie.216 Het zwakke functioneren van de vertegenwoordigingen resulteerde in een extra lange gevangenschap voor Nederlanders, bovenop de tijd die veroorzaakt werd door de Spaanse overheid. Nederlanders op de vlucht moesten langer wachten dan Engelsen, Fransen en Polen en in de loop van de oorlog nam het onbegrip hierover toe onder de vluchtelingen. Na de oorlog waren er zoveel klachten over de vertegenwoordigingen, dat er een parlementair onderzoek werd uitgevoerd.217 Josepha kwam in handen van de Spaanse politie, die haar opsloot in de gevangenis van Figueras, 24 kilometer van Albaña. Ze deelde de cel met een grote groep vrouwen die van uiteenlopende misdaden werd beschuldigd. ‘Er waren echte criminelen bij die hun man hadden vermoord.’218 De voedselverstrekking was matig (‘warm bruin water (koffie) en droog brood’) en de mogelijkheden voor uiterlijke verzorging waren tot een minimum beperkt. ‘Ik kon me niet goed wassen want ik had niks bij me.’219 Josepha bracht Kerstmis 1942 en Nieuwjaar 1943 in de cel door. Drie maal daags stond ze in de rij voor het schamele eten, de rest van de dag hing ze op een matras die ze ’s nachts met twee anderen deelde. Soms moesten de vrouwen buiten op appèl staan, bibberend van de kou.220 Aan haar benarde situatie kwam een einde toen de hele vrouwengroep

215. Mendels (1948c): 22. 216. De Duitsers voerden in de loop van de oorlog de druk op Spanje op om de vertegenwoordigingen van hun vijanden, zoals Nederland, te beperken.

Plantinga (1998): 19. 217. NL-HaNA, Cie. Cleveringa, 2.05.48.02. 218. Cartens (1981): 46. 219. Van Verre (1982).

220. Mendels schreef een geanonimiseerd stuk over dit deel van haar vlucht. Polderland, Anneke. [=JM] (1943) ‘Vrouwen van onderweg: opoffering’, in: VN, 30 oktober 1943. 161

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

op 2 januari 1943 werd vrijgelaten en overgeplaatst naar Caldas de Malavella, een kuuroord rondom heilzame waterbronnen zestig kilometer zuidwaarts. Het betrof een ‘résidence forcée’, maar de omstandigheden waren een stuk beter dan in de gevangenis. De Spaanse overheid, evenals de Franse, gebruikte grote hotels in kuuroorden die vanwege de oorlog leegstonden om mensen onder te brengen. Toch was ze verre van opgelucht: ‘Sur espadrilles, sans sac, ni gants, un petit paquet de ligne sale sous le bras. Je me promenais et je pensais devenu folle. Rolien, les photos, tout ce que j’avais eu, le mensonge, la pauvreté, sans un sou, j’arrivais ici.’221 Ze had enig profijt van de locatie, want ze kon gebruik maken van de faciliteiten. Ook kon ze iets aan haar uiterlijk doen, ze baadde in bronwater en dronk het, maar veel kleding had ze niet. ‘Quand je lave mon soutien-gorge, je me promène sans!’222 Mannelijke vluchtelingen die in Spanje werden opgepakt, troffen het aanzienlijk slechter. Zij werden in het gevangenkamp Miranda de Ebro opgesloten, waar ze soms maanden of een jaar moesten blijven, voordat ze onder diplomatieke druk vrijgelaten werden. Nederlanders werden daar extra lang vastgehouden, reden waarom sommigen zich als Engels of Zuid-Afrikaans voordeden.223 Terwijl Josepha haar kuren onderging, schreef ze brieven om haar vrijlating te bepleiten bij de Nederlandse vertegenwoordiging.224 Het is waarschijnlijk dat ze haar eigen identiteit nu weer aangenomen had en als joodse te boek stond. Marius Voorbeijtel bij de ambassade van Lissabon was een van degenen die haar een helpende hand toestaken. Hij zorgde er waarschijnlijk voor dat ze 14 januari 1943 werd vrijgelaten uit Caldas en door kon reizen naar Barcelona. Daar nam ze op 21 januari 200 pesetas in ontvangst, die Voorbeijtel haar had gestuurd.225 Een dag later reisde ze naar Madrid, waar een centrale opvang was voor Nederlandse vluchtelingen en Engelandvaarders. Weer werd de suggestie gedaan dat zij op een passagierslijst voor vertrek naar Suriname geplaatst moest worden.226 De diplomatie zag haar dus als een vluchteling die in veiligheid gebracht moest worden, en niet als een Engelandvaarder, die een bijdrage kon leveren aan de geallieerde oorlogsvoering. In de Spaanse hoofdstad kwam ze onder de hoede van de gezant C.H.J. Schuller tot Peursum, die net als zijn ambtsgenoten de naam had weinig voor de vluchtelingen te doen. Josepha had over haar verblijf echter niet te klagen. Eerst kwam ze in Hotel Internacional en twee weken later verhuisde ze naar Hotel San Fernando. 227 Tot haar onuitsprekelijke vreugde had ze daar een riante badkamer met bad, wc, douche en bidet.228 In Madrid wachtten er honderden Engelandvaarders tot hun officiële papieren in orde werden gemaakt. Zelf konden ze geen invloed uitoefenen op het vaak maandendurende proces. Ze werden enigszins beziggehouden, maar door verveling vervie-

221. Berthe aan Françoise Millot, 1 februari 1943. 222. JM aan Berthe Edersheim, 6 januari 1943. 223. Jacques Gans zei dat hij Zuid-Afrikaans was, als adres gaf hij op Apartsheidsplantsoen 22 te Pretoria. Maas (2002): 140. 224. JM aan Berthe Edersheim, 1 februari 1943. 162

225. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.161, inv nr. 259. 226. Deze suggestie kwam uit Lissabon, waarschijnlijk van Van Pallandt. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.161 inv. nr. 259. Zie ook inv. nr. 243, waarin een brief van Van Harinxma thoe Sloten aan Van Lennep in Marseille [ongedateerd, omstreeks nov. / dec. 1942], met het bericht dat

hij 1000 evacués voor Suriname wil verzamelen. 227. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. 228. JM aan Berthe Edersheim, 20 febr. 1943.

len enkelen in baldadigheden, zoals het verkopen van het hotelmeubilair en openbare dronkenschap. Ze wilden onmiddellijk dienst nemen en ervoeren hun verblijf in Madrid als nodeloos oponthoud. De oorzaak van hun uitgestelde vertrek was de vertragingstechniek via in- en uitreisvisa die Spanje en Portugal succesvol toepasten.229 Alleen handige en creatieve hoogwaardigheidsbekleders wisten beweging in deze impasse te brengen. Naarmate de geallieerden in 1943 optrokken, werden de Iberische landen overigens soepeler. In Madrid kwam Josepha op adem: ze kocht kleding, bezocht de tandarts (ze kreeg zes metalen kronen) en liet haar uiterlijk verzorgen. ‘Ik ben van haarkleur veranderd. Er kwam zelfs een schoonheidsspecialist aan te pas.’230 Of ze in de diplomatieke kringen wel of niet gebruik heeft gemaakt van het feit dat ze een nicht was van het voormalig Eerste-Kamerlid Maurits Mendels van de SDAP is onduidelijk: de ene keer zegt ze van wel, de andere keer van niet.231 In ieder geval was ze zeer tevreden over de opvang en begreep niet dat Engelandvaarders zoveel klachten hadden over hun behandeling.232 Later kwam uit dat er op de vertegenwoordiging in Madrid een financiële wanorde had geheerst, en dat de rekeningen die ze had laten betalen door het gezantschap exorbitant hoog waren.233 In Madrid begon het lange wachten op de volgende stap in haar reis. In correspondentie verwees ze naar haar overzeese vlucht als ‘Charlotte’s huwelijk’, dat keer op keer werd uitgesteld. Dat vond ze niet erg: ‘Charlotte kan nog lang genoeg getrouwd zijn.’234 Tijdens haar verblijf in Madrid, dat weken zou duren, bouwde ze een kennissenkring op van zowel Spaanse als Nederlandse komaf en begaf ze zich in culturele Madrileense kringen. Ze sloot vriendschap met het kamermeisje, wier familie ze bezocht. Ze ontmoette de zeventigjarige schrijver Pío Baroja, wiens literaire hoogtijdagen rond de eeuwwisseling lagen en die vond dat Spanje sinds het verlies van zijn koloniën in een diep gat was gevallen. Zijn romans vertonen antisemitische sporen en zijn niet vormvast. Niettemin geven ze een beeld van de Spaanse samenleving rond 1900.235 Josepha ging vooral om met zijn zus Carmen. Met haar bezocht ze de schilder Daniel Vázquez Díaz, die een tijd in Parijs had gewoond en daar beïnvloed werd door het cubisme.236 Op zijn beurt maakte hij naam door het portretteren van Spaanse beroemdheden, onder andere Pío Baroja en diens broer. Ook bezocht ze Eugenio d’Ors, Catelaans cultuurfilosoof en essayist, die periodes in Parijs had gewoond en daar als journalist werkzaam was geweest.237 Regelmatig liet ze de Spaanse meesterwerken van Vélasquez, Goya en El Greco in het Prado op zich inwerken, maar ondanks instructieve toelichtingen konden die haar niet echt raken. Aan de echtgenote van de gezant gaf ze Nederlandse

229. Dessing (2004): 145. 230. Van Verre (1982). 231. ‘Als ik met m’n oom Maurits aankwam, die socialist…die in de Eerste en Tweede Kamer zat, dan was ik zo geïntroduceerd. Maar ik was niet zo moedig om dat te laten vallen.’ Van Verre (1982). ‘In Madrid was ik even de kat van de keizer: ze kenden mijn oom.’ Schaafsma (2008): 15. 232. Van Verre (1982).

233. In de naoorlogse enquêtecommissie voor het regeringsbeleid werd de chaos in Madrid uit de doeken gedaan. Enquêtecommissie voor het regeringsbeleid 1940 -1945, Financieel en economisch beleid, deel 3 a en b, hoofdstuk VII, 1949, SDU. Eenmaal in Londen kwam Mendels erachter dat ze als een ‘dure vrouw’ te boek stond. JM aan Dirk de Man, plaatsvervangend hoofd van de RVD, 30 januari 1945.

234. JM aan Berthe Edersheim, 22 maart 1943. 235. Steenmeijer, Maarten. (2012) ‘Spanjaarden hebben familie, geen thuis’, in; De Volkskrant 24 maart 2012. 236. JM aan Berthe Edersheim, 3 maart 1943. 237. JM aan Berthe Edersheim, 8 maart 1943.

163

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 4 ‘Die Bourgondiërs hebben allemaal zo’n scheve rotneus als ik’

les en ze voerde administratieve klussen uit voor het gezantschap: ‘controleren of andere Engelandvaarders inderdaad onderbroeken kochten van hun zakgeld en niet alles opzopen’.238 In de vluchtelingengemeenschap trok ze mensen aan die confidenties aan haar kwijt wilden: twee keer luchtte een jonge homoseksueel zijn hart bij haar en een keer kwam een jongen vragen wat hij aanmoest met zijn vriendin die verslaafd was aan masturberen.239 Ze gaf beleefd advies, maar van binnen was ze verscheurd, omdat niemand zich voor haar interesseerde. Aan lectuur had ze geen gebrek: ze leende hier en daar boeken: onder andere D.H. Lawrence, De vrouw die wegreed en andere novellen (‘ongelooflijk geschreven’), een niet met name genoemd boek van de lesbische Radclyffe Hall, de schrijfster van The Well of Loneliness (‘zo leuk, een beetje als over een meisje als Rolien’).240 Ze droeg af en toe een mantilla, een typisch Spaanse hoge sjaal over het haar. Dagelijks kreeg ze vier pesetas om thee te drinken, meestal snoepte ze er in een lunchroom een taartje bij dat door iemand anders betaald werd.241 Het late avondeten brak haar enigszins op en soms stond ze niet eerder dan de middag weer naast haar bed. Ondanks haar drukke sociale leven voelde ze zich alleen en verlaten. Ze schreef talloze brieven, en hunkerde dagelijks naar antwoord. Noch haar Parijse vriendinnen Eli en Françoise, noch Berthe’s zus Leni, lieten iets van zich horen – al kan dat ook aan de verstoorde postverbindingen hebben gelegen. Het beste resultaat boekte ze door haar brieven via Italië te verzenden. Ze zocht tevergeefs contact met Kaai, haar minnaar uit Overveen, die tijdens de oorlog in Amsterdam was. Twee à drie keer per week schreef ze aan Berthe, maar er kwam geen antwoord en daar maakte zij zich grote zorgen over. Wekenlang moest ze het doen met een enkele brief van 4 februari. Haar eenzaamheid was moeilijk te dragen. ‘O,Wokje, ik sta hier zo volkomen alleen.’242 Ze werd zo wanhopig van het eenrichtingsverkeer dat ze zich wendde tot een vriendin van Berthe, die Josepha zelf voor de oorlog in Den Haag had ontmoet. Van vriendschap was echter geen sprake geweest, integendeel. Nadat ze om nieuws over hun gemeenschappelijke vriendin had gesmeekt, moest ze de band met deze Hetty Green wel even herstellen: ‘Al slingerde ik je wel eens een as-la naar je hoofd, toch houd ik wel van je.’243 Nu haar materiële zorgen van de baan waren, kreeg het immateriële de overhand. Rond maart vernam ze van haar nicht Judica dat Edith gedeporteerd was.244 Waar haar moeder en Ada met haar gezin waren, had ze geen idee van en het gebrek aan informatie en contact maakte haar ziek van ellende. Aan Berthe schreef ze wezenloos: ‘Parfois je ne sais plus, si c’est encore moi. Non plus, comment je continue de vivre, les autres font et décisent pour moi.’245 De naam die ze in Spanje vanwege censuur voerde in haar correspondentie was Pepita Kersec (coeur sec: droog hart).

238. Engelandvaarders werden ingezet als administratieve kracht bij de gezantschappen wegens het grote tekort aan personeel. Dit citaat Schaafsma (2008): 15. 239. JM aan Berthe Edersheim, 22 maart 1943. 240. JM aan Berthe Edersheim, 5 maart 1943. 164

241. JM aan Berthe Edersheim, 1 maart 1943. 242. JM aan Berthe Edersheim, 16 maart 1943. 243. JM aan Hetty [Green], ongedateerd [omstreeks 30 maart 1943 uit Madrid]. 244. JM aan Berthe Edersheim, 27maart 1943.

245. Brief van Berthe Edersheim aan Françoise Millot, 1 februari 1943, waarin ze een brief van Mendels over haar vlucht in het Frans heeft vertaald.

Tijdens haar ballingschap in Madrid werkte de diplomatieke molen voor haar, zij het traag: in januari was haar nogmaals geadviseerd om zich te laten plaatsen op een lijst voor Suriname. Maar veel verdere assistentie voor concrete stappen kreeg ze niet. Ook Amerika was een mogelijkheid: de zus van Berthe woonde er en kon garant voor haar staan.246 Beide verre bestemmingen trokken haar niet aan. Ze schakelde opnieuw haar vriend Voorbeijtel in en via hem regelde ze, dat ze naar Londen kon.247 Dit was een buitenkans: men werd daar alleen toegelaten als er een functie beschikbaar was in dienst van de oorlogsvoering. Omstreeks januari 1943 moet er een verzoek naar Londen zijn gegaan of er behoefte was aan een journalist. Op dat ogenblik verkeerde de Regeringsvoorlichtingsdienst in een reorganisatie en zat te springen om nieuwe mensen.248 Veel van haar Parijse contacten zaten er: Henk van den Broek, Henri Sandberg en A. den Dolaard met wie ze bij Radio Vrij Nederland in Parijs had gewerkt. Het hoofd van de Rijksvoorlichtingsdienst, Adriaan Pelt, was ongetwijfeld verheugd dat er een geschikt iemand in aantocht was. Op 5 april werd aan haar een visum voor Engeland toegestaan, waarna minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens pas op 19 mei het bericht aan Madrid kon sturen dat Josepha Mendels welkom was en dat men haar snel moest laten overkomen.249 Op 24 mei pakte ze haar koffers en nam afscheid van Madrid. Ze kwam op 25 mei aan in Lissabon, dat wil zeggen in het nabij gelegen Praia das Maças waar de duizenden vluchtelingen werden opgevangen. Ook hier diende ze te wachten. Na een goede twee weken was er een plaats beschikbaar in een vliegtuig naar Bristol in Engeland. Wat er vervolgens gebeurde, maakt deel uit van Mendels’ narratieve identiteit, omdat het een gebeurtenis beschrijft die even fantasierijk als oncontroleerbaar is. Het banale (mantelpak) en het serieuze (dood) scheren vlak langs elkaar heen. Mogelijk ging het inderdaad zoals Mendels het vertelde, mogelijk was er helemaal geen sprake van dat ze het vliegtuig van 1 juni naar Engeland zou nemen. Toen Mendels op de hoogte werd gebracht van de vlucht naar Bristol, gaf ze te kennen dat die te vroeg kwam. In Portugal zou ze een plaatselijke naaister opdracht hebben gegeven een mantelpak voor haar te vervaardigen. In Londen wilde ze goed voor de dag komen. Als ze nu vertrok, zou ze het mantelpak nooit krijgen. Ze vroeg daarom uitstel.250 Het gemiste vliegtuig, waarin de acteur Leslie Howard zat, werd neergeschoten. Alle inzittenden kwamen om.251 Tegen de aanwezigheid van Mendels in het vliegtuig pleit onder andere de passagierslijst, die uitsluitend bestond uit Britten met een zekere VIP-status.252 Bovendien reisden de meeste Nederlandse Engelandvaarders met de KLM en de vlucht van 1 juni werd uitgevoerd door een Britse luchtvaart-maatschappij, overigens met Nederlandse bemanning.

246. Cartens (1981): 46. 247. Cartens (1981): 46. 248. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv. nr. 6222. 249. NL-HaNA, Justitie / Londens Archief, 2.09.06, inv. nr. 3542. 250. Van Verre (1982), Schaafsma (2008), Cartens (1981). 251. ‘Eng. verkeersvliegtuig vermist’, in: Arnhemse Courant, 4 juni 1943.

252. Er is nooit vast komen te staan waarom het vliegtuig werd neergeschoten. In 2010 werd een plakkaat met de namen van de omgekomen bemanning onthuld op Bristol Airport. www.bristolpost.co.uk/Mistakenidentity-deadly-mistake/story11269198-detail/story.html. (januari 2014)

165

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

HOOFDSTUK 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

Ruim een week later, op 11 juni, zette Josepha voet op Engelse bodem. Na haar aankomst werd zij opgevangen door de Britse politie en geïnterneerd in de Royal Victorian Patriotic Schools in Zuid-Londen.1 Dat lot onderging iedere Engelandvaarder. De Britse contraspionage- en veiligheidsdienst (MI5) was beducht voor (Duitse) spionnen en maakte er flink wat werk van om iedereen die in Engeland arriveerde grondig door te lichten. Voor de Nederlandse overheid in ballingschap was de screening zelfs een voorwaarde voor indiensttreding. In de patriotic school werd het de vers aangekomenen ondanks de omstandigheden naar de zin gemaakt, zeker nadat daar klachten over gekomen waren van Engelandvaarders die na hun moedige en gevaarlijke tocht naar de vrijheid ontnuchterd waren door de kille ontvangst. Iedereen kreeg een welkomstpakket met daarin een brief van koningin Wilhelmina, sigaretten, chocola, een tandenborstel en tandpasta, koek, biscuits, een scheermes en scheerzeep.2 Aan benodigdheden voor vrouwelijke verzorging werd niet gedacht. Een Nederlander heette de vluchtelingen welkom en deelde zakgeld uit, vijf pond voor de eerste keer en daarna een pond per week (een pond was 7,60 gulden). Het verblijf in de patriotic school duurde meestal twee tot drie weken. Bij grote drukte namen de wachttijden toe en Mendels had pech, want in haar maand – juni 1943 – arriveerde het recordaantal van 1300 vluchtelingen.3 Lastige gevallen werd langer verhoord omdat hun vluchtverhaal niet overtuigde. Dat overkwam bijvoorbeeld de cineast Gerard Rutten, die een week voor Mendels aan was gekomen. 4 Dankzij contacten in Duitsland en door bluf was hij met een Duitse trein door Frankrijk gereisd. In Engeland vond men zoiets onmiddellijk verdacht. Alle gegevens werden na af loop van het verhoor nauwkeurig gecontroleerd, zodat er een zeer uitgebreide set aan gegevens over vluchtwegen, betrouwbare en onbetrouwbare mensen en trajecten ontstond. De kleinste vergissing of een vergeten detail kon tot drama’s leiden, omdat dat de geloofwaardigheid van de ondervraagde aantastte.5 In Londen vormden de vluchtverhalen een bron over de situatie in bezet gebied, waar vandaan men gedurende de hele oorlog maar weinig betrouwbare en actuele informatie kreeg. Iedere buitenlander werd in zijn eigen taal verhoord. Men moest vertellen over werk, eventuele contacten met verzet of bezetter en de wijze waarop, en met behulp van wie de vlucht was ondernomen. Bij Josepha’s verhoor kwam de MI5 erachter, dat zij een brief had geschreven aan de politie in Saint Laurent de Cerdans, waarin ze de passeur beschuldigde van diefstal

1. Dessing (2004): 213. De Royal Victorian Patriotic Schools was een voormalig internaat voor weesmeisjes van vaders die in de Krim-oorlog waren gesneuveld. Dus niet, ‘een voormalig joods doofstommen instituut’, Nord (1981): 48 of gewoon een 166

‘doofstommeninstituut’ Schaafsma (2008). 2. Dessing (2004): 232. 3. Dessing (2004): 215. 4. Rutten, Gerard. (1976) Mijn papieren camera. Bussum: Unieboek. 5. Dessing (2004): 214.

van haar bezittingen.6 Omdat ze zijn naam niet wist, was in de brief verwezen naar de molenaar, die de man wel zou weten te vinden. Josepha had hiermee niet alleen de passeur, maar ook de molenaar en mogelijk nog anderen onnodig in gevaar gebracht, omdat de gegevens in Duitse handen konden vallen. MI5 beoordeelde dit als een ‘serious indiscretion’.7 Op basis van het verhoor concludeerde de MI5 bovendien dat Josepha voornamelijk om ‘selfish motives’ naar Engeland was gekomen. Maar ondanks deze faux pas liet men haar gaan uit de patriotic school, waarmee zij als betrouwbaar werd bestempeld. Na het verhoor door de Engelsen volgde een verhoor door de Nederlandse veiligheidsdienst, de politie-buitendienst, onderdeel van het Ministerie van Justitie. Op 6 juli vond ze daarom de beruchte spionnenjager Oreste Pinto tegenover zich. Hij had destijds een sterke reputatie in het ontmaskeren van spionnen.8 In september 1942 was hij van de Engelse naar de Nederlandse veiligheidsdienst overgestapt, omdat hij anders de Nederlandse nationaliteit zou verliezen. De wijze van verhoren bij de Engelse dienst was hem dus vertrouwd. Hij had een spits, vogelachtig gezicht en een scherpe gebogen neus.9 De man was niet vrij van seksisme – vrouwen konden in zijn ogen geen spion zijn – maar hij maakte het Josepha desondanks knap lastig. Hij beoordeelde iedere man met wie ze gedurende haar vlucht om was gegaan als een spionagerisico en zij moest dat keer op keer ontkrachten.10 Pinto bleek uiteindelijk echter milder dan zijn Engelse collega’s: hij vond haar politiek volledig betrouwbaar.11 Uit een schriftelijk overleg tussen de Engelse en Nederlandse inlichtingendiensten bleek dat Pinto bereid was Mendels’ risicovolle handelen met de mantel der liefde te bedekken, omdat ze tijdens haar vlucht onder grote psychische druk en in volledige eenzaamheid had gehandeld. As regards her writing to the French police concerning the guide who had robbed her in the mountains and her reference to the local miller, we agree that is of course a serious indiscretion, but we regard it as an indiscretion pure and simple. We keep in mind that she had gone through a most harassing experience (this experience with the so-called guide in the Pyrenean mountains may well have been even worse than she told us), after which she dragged herself to a Spanish village where she must have arrived in a state of exhaustion and bordering on hysteria. Under these circumstances her indiscretion becomes understandable. 12 Helaas was dit niet het laatste contact dat de veiligheidsdiensten over Mendels zouden hebben. In mei 1944 werd haar post onderschept, het betrof een brief naar Tobias Lewenstein in Zürich, de oude vriend van haar ouders. Hij was een van de weinige personen in de vrije wereld waar ze contact mee kon onderhouden. Alle brieven uit Londen werden door een censor bekeken. Men moest opnieuw vaststellen dat Mendels 6. De verhoren van de MI5 zijn niet openbaar. De gegevens over het verhoor zijn afkomstig van een brief van de CID aan de Engelse veiligheiddienst over Mendels van 20 juli 1943, NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404.

7. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. 8. Aan Pinto kleefden ook onvolkomenheden, hij was voor de oorlog veroordeeld wegens malversaties. Zie: www. inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/ lemmata/bwn4/pinto. 10 september 2010.

9. Rutten (1976): 158. 10. Cartens (1981): 46. 11. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. Verhoor O. Pinto, 5 juli 1943. 12. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. CID aan MI5, 20 juli 1943. 167

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

onvoorzichtig was geweest. De veiligheidsdienst deed onderzoek naar haar, waarvan de uitkomst eerdere opinies bevestigde en versterkte: ‘a somewhat hysterical character, given to indiscretions but politically fully reliable and fanatically anti-Nazi.’13 Haar brief aan Lewenstein, (‘Lief Oompje’) bevatte mededelingen over andere vluchtelingen, over de zelfmoord van een Nederlandse familie en over haar werk.14 De brief werd gezien als ‘a typical instance of her thoughtless and impulsive behaviour, and the error of her ways will be pointed out to her in no uncertain terms.’15 De Engelse veiligheidsdienst was vooral beducht voor de schade die Mendels via haar werk zou kunnen aanrichten, maar de Centrale Inlichtingendienst gaf aan dat ze daar geen gelegenheid voor had.

Heethoofdige journalisten Nadat Josepha was vrijgelaten uit de patriotic school moest ze woonruimte vinden. Ze wist dat ze in het centrum te werk gesteld was. Veel Nederlanders waren aan het begin van de oorlog buiten Londen gaan wonen, vanwege de bombardementen in het eerste jaar, de Blitz, maar zij koos daar niet voor. Ze vond een gemeubileerde kamer aan Collingham Place 35, in Kensington, waar ze haar hele Londense tijd zou blijven. Ze kwam bij een wat oudere mannelijke hospes terecht, meneer Baptista, die haar goed gezind was.16 Op zondag serveerde hij een warme lunch. Op een gegeven moment ging ze hem zelfs ‘pa’ of ‘papa’ noemen.17 Engeland sprak haar niet bijzonder aan en bovendien beheerste ze, net als zoveel Nederlanders destijds, de taal maar zeer matig. Thuis voelde ze zich er beslist niet; de sfeer van Parijs was haar meer op het lijf geschreven. De eerste tijd oriënteerde ze zich op haar werk. Zoals in februari 1943 al was bepaald, kreeg ze een functie bij de radioluisterdienst, die deel uitmaakte van de Regeringsvoorlichtingsdienst onder leiding van Adriaan Pelt. Minister Eelco van Kleffens haalde Pelt in 1940 naar Londen omdat hij veel kennis had van het relatief nieuwe terrein van de voorlichting. Er werkten ongeveer 1000 mensen voor de Nederlandse regering. Daarnaast was er een Nederlandse gemeenschap van zo’n 6000 zielen, die dateerde van voor de oorlog. In de tijd dat Josepha in Londen arriveerde was het defaitisme van de door de koningin weggestuurde minister-president De Geer weggeëbd, en vervangen door het optimisme en de strijdvaardigheid van de ‘kleine snorremans’, premier Pieter Sjoerds Gerbrandy.18 Bovendien lieten de Londenaren zich niet op stang jagen door de Duitse bombardementen, die vooral het eerste oorlogsjaar delen van de stad verwoestten en een voortdurende dreiging vormden. Taxi- en buschauffeurs hadden de naam tijdens vijandelijkheden gewoon hun weg te vervolgen. Josepha haastte zich bij een luchtalarm meestal naar de dichtstbijzijnde metro-ingang.19

13. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. CID 30 juni 1944. 14. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. Door de censuur onderschepte brief JM aan Tobias Lewenstein, 9 maart 1944. 15. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. Brief van 30 juni 1944 van CID aan MI5. Dit was in 168

ieder geval wat MI5 adviseerde te doen met de Nederlandse onderdaan. 16. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. Door de censuur onderschepte brief JM aan Tobias Lewenstein, 9 maart 1944. 17. Bijvoorbeeld JM aan Sadi de Gorter, 18 februari 1945. 18. De premier compenseerde zijn geringe lengte met een omvangrijke

snor. Deze bijnaam komt uit Sluyser, Meyer. (z.j.) …Daar zaten wij: Impressie over Londen ’40–’45. Amsterdam: Kosmos: 23. 19. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. Door de censuur onderschepte brief JM aan Tobias Lewenstein, 9 maart 1944.

De regeringsvoorlichtingsdienst, aanvankelijk een onderdeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar feitelijk ressorterend onder de minister-president, was aan het begin van de oorlog opgericht om Nederland ten opzichte van de geallieerden als welwillende bondgenoot te profileren en om de onderdrukte Nederlandse bevolking perspectief op de bevrijding te bieden.20 De dienst bestond uit het persbureau ANEP, een nieuwsagentschap, Radio Oranje, de luisterdienst, een nieuwsafdeling en een foto-, film- en tentoonstellingsafdeling. Begonnen met negentien mensen, vooral Nederlandse journalisten die in Londen waren gestationeerd, groeide het aantal werknemers in 1944 uit tot een kleine honderd. In de praktijk kwam iedere gevluchte journalist of schrijver uiteindelijk terecht bij de regeringsvoorlichtingsdienst. Herman de Man, Hans Gomperts, Loe de Jong, Jacques Gans, Meyer Sluyser, A. den Doolaard, Henri Wiessing en Henri Sandberg waren daar enkelen van. Vanwege de vaak eigenzinnige aard van deze vakbroeders die niet gewend waren aan een georganiseerd dienstverband kwam er bij de dienst onevenredig veel ruzie en naijver voor. Pelt beschikte wonderwel over vaardigheden om dit ‘stel heethoofdige journalisten met een gebrek aan gevoel voor ambtelijke verhoudingen’ te besturen.21 De luisterdienst was verantwoordelijk voor het opnemen en uittikken van Nederlandstalige radioprogramma’s, enerzijds om te weten welke informatie het Nederlandse volk over zich heen kreeg en anderzijds om nieuws op te vangen uit de radioprogramma’s dat bruikbaar was voor de eigen radiozender, Radio Oranje. Omdat de officiële Nederlandse radiozenders genazificeerd waren, was daar wel enige creativiteit voor nodig. De uitgetikte radioprogramma’s werden verspreid onder de regeringsdiensten in Londen, de Nederlandse pers- en informatiebureaus, de militaire en marinediensten, de Nederlandse vertegenwoordiging in Engeland, de BBC, de Franse en Belgische luisterdienst en de leden van het koninklijk huis in Londen en Canada.22 Het hoofd van de luisterdienst was George Sluizer, en hij viel weer onder het hoofd van Radio Oranje, sinds november 1942 Henk van den Broek. Zowel bij de luisterdienst als bij Radio Oranje vonden eind 1942, begin 1943 veranderingen plaats.23 De reorganisatie bij de luisterdienst, die veel meer zenders wilde gaan ‘coveren’ nam het gehele voorjaar van 1943 in beslag. Toen Josepha er op 6 juli 1943 in dienst kwam, was die nog in volle gang.24 Het personeelstekort was nijpend, ook al omdat men op dat ogenblik vooruit liep op een terugkeer naar Nederland na de bevrijding die een splitsing van de dienst tot gevolg zou hebben.25 Men had behoefte aan mensen die ‘zuiver Nederlands’ konden schrijven, op de hoogte waren van de politieke situatie in Nederland en feeling hadden voor de bediening van de apparatuur. Josepha kwam in aanmerking voor de functie van ‘typiste roverdienst’. Haar taken waren het uittypen van de wasrollen waarop de radioprogramma’s waren opgenomen, het na correctie op stencil zetten en de apparatuur bedienen. Ook moest ze kunnen optreden als vervanger voor de assistent 20. Deze alinea is gebaseerd op Van der Zwan, Bert. (2003) ‘de Regerings Voorlichtingsdienst (RVD) te Londen 1940–1945’, in: Het Londens Archief. Het ministerie van BuZa: 37–45. 21. Sinke, Onno. (2009) Verzet vanuit de verte: de behoedzame koers van Radio Oranje. Amsterdam: Augustus: 26–27.

22. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv. nr. 6222. Stuk mbt reorganisatie luisterdienst, 19 januari 1943. 23. Zie voor reorganisatie Radio Oranje, Sinke (2009): 104 e.v. 24. 6 juli 1943 was de officiële dag van indiensttreding, maar op die dag

vond ook het verhoor door Oreste Pinto plaats, dus feitelijk zal ze minimaal een dag later zijn begonnen. 25. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv. nr. 6222. Brief van 2 sept 1943 aan marine, verzoek om personeel van Van den Broek.

169

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

supervisor, waarbij ze diende te beoordelen welke uitzendingen uitgewerkt zouden worden. Ze was in die rol ook verantwoordelijk voor de controle van andermans stencils.26 Een gemiddeld luisterrapport dat rondgestuurd werd, kon de volgende onderwerpen bevatten: tellingen van de veestapel in Nederland (1,1 miljoen kalveren), waterhoogten, succesvolle testen met het conserveren van groenten door een vriesprocedé (niet onbelangrijk vanwege de toenemende voedseltekorten in Nederland), aanvallen van Duitse patrouilles tegengehouden bij IJmuiden en tot slot de onderwerpen die radio Boston had behandeld: aankomst Churchill in Engeland, Mussolini’s speech voor de radio en het Russisch offensief.27 Met een bakelieten koptelefoon op haar hoofd moest Josepha ook het antisemitistische zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter en de praatjes van Max Blokzijl uittikken.28 Deze NSB -journalist en voorzitter van de afdeling perswezen van het departement Volksvoorlichting en Kunsten bracht op maandagavond zijn politiek weekoverzicht en op donderdagavond brandende kwesties, die in Nederland veel beluisterd werden.29 Het werk was repetitief van karakter en wat verantwoordelijkheid betreft beperkt. ‘Stomvervelend’ vond Josepha dit werk al snel en haar baas George Sluizer noemde ze een ‘proleet’.30 Aangezien ze een slordig typiste was, werd haar werk gecontroleerd door een negentienjarige knaap, wat ze een belediging vond. Niettemin was men tevreden over haar.31 Na het werk zal ze zich in haar begintijd wel vertoond hebben in Oranjehaven, de sociëteit voor Engelandvaarders in Londen, die koningin Wilhelmina aan Hyde Park Place 23 had geopend, maar een frequent bezoeker werd ze niet.32 In Oranjehaven kon men van tien uur ’s ochtends tot elf uur ’s avonds tijdschriften lezen, spelletjes doen en elkaar ontmoeten tijdens een maaltijd. Er stond ook een mand waar bezoekers, voornamelijk mannen die zonder hun gezin waren overgekomen, hun kapotte sokken in konden deponeren die dan gerepareerd werden. Josepha bezocht de sociëteit wel om haar stukje voor Vrij Nederland te schrijven over de door velen geliefde gastvrouw van Oranjehaven, Kathie Barnes-Peeters. De Londense Vrij Nederland was het tijdschrift dat vanaf augustus 1940 in Londen verscheen voor de Nederlanders aldaar.33 Het hoofd van de regeringsvoorlichtingdienst, Adriaan Pelt, wilde bij aanvang van de regering in ballingschap een tijdschrift, dat in zijn ogen moest losstaan van zijn dienst, om een zekere onafhankelijkheid te waarborgen.34 In praktijk voer het blad dezelfde koers als de RVD en werkten bijna alle mede-

26. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv. nr. 6222. Notitie George Sluizer, 5 juli 1943. 27. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv. nr. 6222. Luisterrapport 21 september 1943. 28. Mendels (1988a) Informatie. 29. www.inghist.nl/Onderzoek/ Projecten/BWN/lemmata/bwn2/ blokzijl, geraadpleegd op 10 september 2010. 30. Cartens (1981): 46 en JM aan Greshoff, 27 juli 1944, LM. 170

31. Collega Izaks zag haar al in augustus als een goede vervanger bij ziekte van anderen en ook uit het onderzoek van de CID naar aanleiding van haar indiscrete post blijkt dat men tevreden over haar was. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv.nr. 6222. Notitie Izaks 4 en 6 augustus 1943, 32. Mendels hield zich afzijdig van de Nederlandse kolonie, Mededeling Martha ben Assa-Polak, 2013. 33. Het Londense Vrij Nederland moet onderscheiden worden van het onder-

grondse Vrij Nederland, dat ten tijde van de oorlog in Nederland verscheen en de voorloper is van het anno 2014 nog immer verschijnende weekblad. 34. Van Blankenstijn, E. van. (1999) Dr. M. van Blankenstijn: een Nederlands dagbladdiplomaat 1880–1964. Den Haag: Sdu: 251–285.

werkers van VN ook voor de overheidsdienst. Onder de gevluchte Nederlanders bevond zich de aangewezen persoon om het hoofdredacteurschap op zich te nemen: de 59– jarige Marcus van Blankenstijn.35 Deze ervaren journalist had voor de oorlog grote faam verworven als internationaal commentator. Vrij Nederland werd voornamelijk door de Nederlandse gemeenschap in ballingschap gelezen: de medewerkers van de regering, Engelandvaarders, militair en marinepersoneel en koopvaardijlui die tijdelijk in Londen verbleven. De oplage schommelde rond de 10.000 exemplaren. De RVD verzond het blad ook naar Nederlandse vertegenwoordigingen in andere werelddelen, waaruit de verwevenheid ook bleek. Gedurende haar verblijf schreef Josepha onder de pseudoniemen J.J.M., Jojo en Anneke Polderland een tiental stukken in Vrij Nederland. Een van haar langere artikelen ging over haar vlucht.36 Het was Engelandvaarders overigens verboden om in detail over hun vlucht te spreken of te schrijven, omdat de regering geen risico’s wilde lopen door helpers in gevaar te brengen. Er mochten daarom geen verwijzingen in voorkomen die naar een specifieke plek of persoon konden leiden. Enkele keren verleende een vluchteling toch medewerking aan een te gedetailleerd verhaal en dan trad minister Gerbrandy op.37 In haar artikel schreef ze over de nacht dat ze de demarcatielijn in Frankrijk overging en over haar tijd in de Spaanse gevangenis. In een ander artikel deed ze verslag vanuit kinderogen van de noodslaapplaatsen die in de underground waren gemaakt.38 Haar aankomst in Engeland, de twee verhoren, haar tewerkstelling bij de radio-luisterdienst: het waren vervreemdende ervaringen voor Josepha. Engeland lag haar niet en een kantoorbaan had ze nooit gehad. Het was een krachttoer om zich staande te houden, ook al omdat ze omgeven was door mannelijke collega’s die weinig manieren hadden. De meeste vrouwelijke werknemers in Londen vervulden posities op het niveau van secretaresse, dus Josepha moest als uitzondering stevig in haar schoenen staan. Over haar dierbaren wist ze weinig en wat er wel bekend was, was onheilspellend. Ook in Londen heerste er een gebrekkig beeld van de jodenvervolging en details werden zeker in de eerste oorlogsjaren achtergehouden of verkeerd geïnterpreteerd. Die ontkenning werd net als in Nederland veroorzaakt door ongeloof, maar ook voor een klein deel door het antisemitisme in regerings- en diplomatieke kringen. Als joodse Engelandvaarder maakte Josepha deel uit van een kleine minderheid, een vrouwelijke joodse Engelandvaarder was een ware zeldzaamheid.39 Over het antisemitisme in Londen is het een en ander geschreven. Er zou een tegenstelling bestaan tussen joodse vluchtelingen en ‘echte’ Engelandvaarders. Deze beeldvorming is door Loe de Jong in Het

35. In regeringskringen was tweeërlei bezwaar tegen de benoeming: De Geer en Van Kleffens vonden het bezwaarlijk iemand te benoemen die met de Britse veiligheidsdienst had samengewerkt. Andere niet met name genoemde ministers vonden het een bezwaar een jood in te zetten voor geallieerde oorlogsvoering. De formele benoeming kwam daardoor pas in 1942 tot stand. Van Blankenstijn (1999): 257.

36. Polderland [=JM](1943). 37. Vanaf oktober 1943 was er regeringscontrole op VN, omdat men bevreesd was voor de veiligheid van personen en instellingen in Nederland. Van de Ven, Jan. (1988) De regeringsvoorlichtingsdienst in Londen 1940– 1945, scriptie Katholieke Universiteit Nijmegen: 76 (bibliotheek NIOD). 38. Jojo [= JM]. (1943) ‘Goodnight, daddy!’, in: VN, 2 oktober 1943.

39. Dessing telde ruim 1700 Engelandvaarders, onder wie 48 vrouwen. 12 procent gaf aan Nederlands Israelitisch te zijn, maar dat percentage kan iets hoger hebben gelegen want van 20 procent was de religieuze achtergrond onbekend of werd ‘geen’ opgegeven. Dessing (2004): 21 en 447.

171

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog en in het verslag van de Enquêtecommissie voor het regeringsbeleid 1940–1945 gevoed, maar naderhand afgedaan als fictie. 40 Officieeel zou het onderscheid ook niet kunnen bestaan, omdat Engeland geen vluchtelingen toeliet, alleen mensen die geschikt waren voor de inzet bij de oorlogsvoering. Feit is wel dat verschillende ministers het onprettig vonden dat er bij de RVD relatief veel joden werkten. Vrij Nederland, waarvan de joodse Marcus van Blankenstijn de hoofdredacteur was, heette er soms ‘een jodenkrant’. 41 De Jong meldt bovendien als tekenend detail dat Meijer Sluyser en Adriaan Pelt op zeker moment besloten om het antisemitische zondagmiddagcabaret niet meer in uitgeschreven versie te verspreiden op de regeringskantoren nadat er door sommigen openlijk over gelachen werd. 42 De conclusie mag getrokken worden dat Josepha in Londen met haar joodse afkomst werd geconfronteerd op een wijze die niet prettig was, los van het feit dat zij in grote angst zat over haar familieleden. Zij moest zich het milde antisemitisme laten welgevallen, omwille van het feit dat ze veiligheid en een inkomen had gezocht in dit land. In Je wist het toch… heeft ze de Londense anti-joodse stemming op een eigen manier verwerkt. In Londen was ze veilig, maar ontheemd. Vanuit Engeland had ze geen direct briefcontact meer met Berthe. Ze schreef aan Tobias Lewenstein dat ze het adres kwijt was, maar wilde haar niet in gevaar brengen door post uit een geallieerd land. 43 Bij één specifieke man vond ze troost, afleiding en geborgenheid, Sadi de Gorter.

‘Je suis amoureux’ Bij een bezoek aan de sociëteit Oranjehaven werd Josepha aangesproken door een man in een matrozenuniform. Hij zei, ongetwijfeld na de nodige nieuwsgierige blikken over en weer, iets over haar hoed, wat Josepha later parafraseerde als ‘Doe je hoed af. Afschuwelijk!’44 Zijn woorden zullen een meer vleiend karakter hebben gehad, want de man was een charmeur pur sang. Sadi (met de klemtoon op de tweede lettergreep) de Gorter was 30 jaar oud, vrij klein van stuk en met een beginnend kalende schedel. Hij was een joviale, charmante verschijning, geboren in Amsterdam. Twee weken na Josepha was hij in Londen aangekomen en had een vergelijkbare vluchtroute afgelegd via Frankrijk, Spanje en Portugal. Tussen hen sloeg de bliksem in, zoals blijkt uit hun razendsnelle kennismaking en het verdere verloop van hun Londense verblijf. In de periode dat hij nog wat doelloos in Londen rondliep, ontmoette Sadi Josepha. Na hun eerste gesprekje in Oranjehaven maakten ze begin augustus, niet langer dan tien dagen nadat Sadi’s verhoren door de veiligheidsdiensten waren afgerond, een afspraak om samen gedichten te lezen. Dat was een meer dan geslaagde avond geweest. Ze hadden chinees gegeten en een wandeling gemaakt. ‘Ma petite Josette’, schreef hij op 9 augustus 1943, […] Il est un peu tard de regretter le cours des choses. J’aurais dû à un moment déterminé par mon désir te serrer dans mes bras, appuyer mes lèvres dans ce creux de ton cou, près

40. De Jong (1979): 520 e.v. 41. De Jong (1979): 526. 42. De Jong (1979): 527.

172

43. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. Door de censuur onderschepte brief JM aan Tobias Lewenstein, 9 maart 1944.

de ton oreille gauche où la chair est si tendre qu’on lui voit la douce marbrure des porcelaines de Chine. Si mes poèmes ne t’avaient pas plus, j’aurais entrepris sur ton âme et ta chair cette démarche de cour qui est dans la tradition amoureuse. Mais, est-ce le jeu de mon orgueil? J’avais l’impression que je t’avais donné une certaine joie spirituelle, d’une qualité de bon rang à cause de l’exil et des plaisirs intellectuels rationnés, aussi ne voulais-je en rien lutter contre ton entière indépendance. Je suis reparti avec mon désir intact, exacerbé cependant par une journée de ta présence, d’un diner chinois réussi et d’une promenade exquise. Si je te revois pour une nouvelle lecture de textes ou de poèmes – je ne te la donnerai qu’en récompense. Une femme averti en vaut deux. C’est loyal. Tu m’en saurais gré. Merci, ma bonne Josette, d’avoir reconstitué avec succès une atmosphère parisienne par ta seule présence. Je ne te souhaîte pas de vivre trop longtemps loin de Paris, car je connais au coin du Boul’miche et du Luxembourg un banc – un simple banc – qui vaut tous les fauteuils dorés du Ritz et tous les trônes vacants en Europe. Et peut-être qu’un jour, nous nous y fixerons rendez-vous. Sadi45 Sadi had Josepha verleid. Met zijn gedichten, met zijn warmte, met zijn aandacht. Ze vond hem leuk, jong en wijs. Zijn woordenvloed overdonderde haar. Hij was haar gedroomde man van literair niveau. Ze voelden zich verbonden door hun ballingschap, door hun liefde voor Parijs en niet in de laatste plaats door hun gemeenschappelijke angst en onwetendheid om familie. In de Nederlandse kolonie vielen zij uit de toon door hun sterke literaire belangstelling, waar de rest zich vooral met de voortgang van de oorlog bezighield. 46 Een week na de eerste ontving ze een tweede brief die er geen doekjes om wond. Enfin, pour tout t’avouer, je suis amoureux. Reconnais-tu cette impression de vide, de camouf lage, de dépouillement interne ? […] Oui, je suis amoureux et cette sensation qui n’est pas neuve, mais cepedent nouvelle, me désoriente, et me grise. Incapable de faire autre chose, je ne puis m’empêcher de te faire part de ce sentiment, pour que tu me l’expliques à ta guise et, qui sait, dans l’espoir que tu y ajoutes quelques commentaires. Je suis amoureux, Josette, et cette sensation me ravit et m’épouvante mais pendant quelques jours je me laisserai aller à la dérive, afin de me persuader qu’il ne s’agit pas d’une hantise. Je suis amoureux, Josette, comme peut l’être un collégien ou un père de famille. Je me souviens de la sagesse de ce vers de Mallarmé: ‘Je suis triste ce soir et j’ai lu tous les livres.’ [‘la chair est triste, hélas! et j’ai lu tous les livres’] L’amour seul peut ajouter à ce profond désespoir une musique d’infinie sonorité. Voilà mon état d’âme en cette quatrième année de guerre. C’est du propre. Tant pis. Ton Sadi.

44. Radioprogramma De Nieuwe Rozengeur, 2 december 1985. 45. Sadi de Gorter aan JM, 9 augustus 1943.

46. Mededeling Martha ben Assa-Polak, 2013. 173

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

T’ai je dit que c’est de toi que je suis amoureux?47 Sadi was een autodidact: hij had alleen de middelbare school afgerond en alles wat hij wist, had hij zichzelf aangeleerd. Tegelijkertijd was Sadi snel verveeld, te ongeduldig voor langdurige arbeid. Hij had een sterke band met zijn moeder, mogelijk zo gegroeid vanwege het overlijden van haar eerste zoon met dezelfde naam, die niet ouder dan een maand werd. 48 Zijn grote kennis van de Nederlandse en Franse literatuur en kunst was zijn trots en hij was een vaardig spreker en schrijver op die terreinen. Hij publiceerde voor en tijdens de oorlog in kleine oplages enkele dichtbundels. Zijn werk verscheen in het Frans; hij was volledig georiënteerd op Frankrijk. Met zijn ouders en zus was hij van Amsterdam eerst naar Antwerpen en vervolgens naar Brussel verhuisd. Zijn moedertaal was hij voor de oorlog nauwelijks meer machtig. Op veertienjarige leeftijd kwam hij op eigen benen te staan, al was dat niet, zoals hij zelf verkondigde, door het overlijden van zijn vader, want die stierf toen Sadi 22 was. 49 Waarschijnlijker is dat zijn ouders scheidden, want moeder en zus keerden halverwege de jaren twintig terug naar Nederland. In 1937 trouwde Sadi met de Française Gisèle Berkenstadt en zij vestigden zich in Parijs. Hij verdiende er in de jaren voor de oorlog de kost door wat aan ‘[te rommelen] in de journalistiek’.50 Gisèle had een administratieve baan. Als zijn leermeester had De Gorter de linkse, Waalse dichter Charles Plisnier gekozen, de eerste buitenlander die in 1937 de Franse Prix Goncourt ontving. In Parijs ontmoette hij André Gide en André Malraux.51 Toen de oorlog uitbrak was hij een redelijk bekende verschijning in het Parijse literaire leven. Vanwege zijn joodse afkomst vluchtte hij in 1940 met zijn vrouw naar de Franse Pyreneeën waar zij samen in Llagonne een jeugdherberg beheerden, die een dekmantel was voor het in veiligheid brengen van Nederlandse vluchtelingen en joodse kinderen wiens ouders waren gedeporteerd. Joop Kolkman van het Office Néerlandais in Perpignan stuurde vluchtelingen naar hem toe die hij de grens over hielp. In november 1942 werd Sadi de grond te heet onder de voeten vanwege de Duitse bezetting van Zuid-Frankrijk. Hij vluchtte de bergen over, zijn vrouw en hun één maand oude dochter Jacqueline liet hij achter. Omdat zij over een Frans paspoort beschikten, verwachtte hij dat zij niet in grote moeilijkheden zouden raken. Duitsers en de Fransen zelf joegen in Frankrijk immers met name op buitenlandse joden. Sadi kwam na zijn vlucht terecht in het beruchte Spaanse gevangenenkamp Miranda de Ebro, waar hij een half jaar vastgehouden werd. Hij bereikte illegaal Portugal en werd uiteindelijk in Londen toegelaten. Bij zijn verhoor door de Nederlandse veiligheidsdienst vertelde hij uitgebreid over zijn literaire activiteiten in België en Frankrijk, ook al was hij voorbestemd om in dienst te gaan. Oreste Pinto oordeelde kort maar krachtig over hem: ‘is geen Engelandvaarder, politiek van geen interesse.’52 47. Sadi de Gorter aan JM, 16 augustus 1943. 48. De baby heette officieel Salomon de Gorter net als de tweede Sadi, werd geboren op 2 maart 1908 en overleed op 3 april 1908. Gemeentearchief Amsterdam, archiefkaart Virginie van Ameringen. 174

49. In Van der Veen, Adriaan. (1977) ‘Het derde leven van Sadi de Gorter’, in: NRC, 30 december 1977 zijn de woorden over het overlijden van de vader uit De Gorters eigen mond opgetekend. Deloof, Jan. (1978) ‘Sadi de Gorter: Frans dichter, Nederlands ambtenaar’, in: Ons Erfdeel 1978/3.

50. Seggelen, André van. (1995) ‘Sadi de Gorter 1912–1994’, in: Ons Erfdeel, nr. 5, jg. 38. 51. Van der Veen (1977) en Deloof (1978). 52. NL-HaNA, Justitie / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr., 13014.

Sadi de Gorter, matroos De Gorter was de eerste tijd in Londen in afwachting van activiteiten voor geallieerde oorlogsvoering. Hij werd op 22 juli 1943 ingelijfd bij de marine, en droeg daarom een matrozenpak. Bij een medische keuring op 29 augustus 1943 werd hij echter afgekeurd.53 Dit had waarschijnlijk met een slecht gehoor te maken. Op 1 november trad hij in dienst van de RVD en ging nieuwsvoorziening in de Franse taal verzorgen.54 Je wist het toch… volgt Mendels’ wederwaardigheden in Londen. Anders dan bij andere episodes die tot haar narratieve identiteit gerekend kunnen worden, heeft ze over de Londense periode minder gesproken en geschreven, omdat deze periode kennelijk niet van belang is om haar identiteit mee te (ver)vormen. Een van de kenmerken over de Londense periode is wel dat Sadi de Gorter er een anonieme plaats in inneemt. Nooit wordt hij, vanwege zijn getrouwde status, met name genoemd als haar vriend of minnaar. De Gorter is tot leven gewekt als het personage Frans Winter die in Hyde Park de Nederlandse Henriëtje ontmoet. Ze maken kennis en gaan kort erna uit eten bij een Chinees restaurant. Frans draagt nog een matrozenpak dat hij af moet staan omdat hij is afgekeurd voor militaire dienst vanwege zijn ‘verwende oor’.

53. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv.nr. 6133. 54. NL-HaNA, Justitie / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 13014. 175

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Overal en overal diezelfde bekende en gehate instrumenten. Het verwende oor heeft mij verraden. Vaarwel matrozenmuts met wuivende lintjes! Vaarwel wijze zee, waarop ik met een geweer uit de verte de vijand had willen beschieten. Dat deel van de oorlog is voor mij niet weggelegd.55 Frans en Henriëtje ontdekken hun beider joodse achtergrond. Na afloop van de avond brengt hij haar thuis en na enig aandringen lukt het hem bij haar in bed te belanden. Het uitkleden was nog een hele klus. Een man in een matrozenpak is geen gewone man die zomaar zijn jas uittrekt en dan zijn vest en zijn hemd en de rest. Hij is overal vastgebonden met raadselachtige bandjes en lusjes en strikjes die je zorgvuldig moet losknopen, anders kan hij zich niet meer aankleden. Kabouter zegt: ‘Je bent net een pop,’ en zij helpt hem met alles wat op zijn rug sluit, terwijl hij van voren zit te morrelen.56

Een handtasje van de HEMA Het verblijf in Londen was voor vele Nederlanders onvergetelijk dankzij een bezoek aan koningin Wilhelmina. De vorstin, die in vredestijd volledig onbereikbaar was, noodde haar onderdanen in Londen op de thee. Zij stond erom bekend dat ze bij haar volk betrokken was, en dat was in ballingschap eenvoudiger in praktijk te brengen. Ze zag de Engelandvaarders als een directe bron van informatie over de actuele situatie in Nederland, hoewel men gemiddeld een jaar over de reis had gedaan en daarom alleen gedateerde informatie kon bieden. Ook zag ze de Engelandvaarders, vooral diegenen die in het verzet hadden gezeten, als een soort voorhoede voor het vernieuwend bestuur dat ze na de oorlog wilde invoeren. Ze wilde af van te veel bureaucratie en van een regering van ‘oude mannetjes’. Halverwege 1943 realiseerde ze zich, dat er ook anderen Engeland bereikt hadden. De toevloed was in de latere jaren 1943 en 1944 enorm.57 Onder hen ook literatoren. Een van hun was Jan de Hartog, auteur van het in de oorlog veelgelezen Hollands Glorie (1940) dat als een symbolisch verzet tegen de bezetter werd gezien. Zijn komst naar Londen was een slag(je) voor de bezetter omdat hij niet had willen toetreden tot de Cultuurkamer, daarom werd zijn verschijning in Londen publicitair uitgebuit. A. den Doolaard, die deel uitmaakte van de intieme kring rond de koningin, werd gevraagd een aantal gasten te selecteren. De eerste middag werd bijgewoond door Jan den Hartog als eregast (vlak nadat hij in Londen gearriveerd was), Rien Marsman, de weduwe van de in 1940 omgekomen dichter Hendrik Marsman en Den Doolaard zelf. Den Hartog en Den Doolaard gaven een staaltje van discussieerkunst weg en Marsman besloot de middag met het voorlezen van gedichten uit bezet gebied.58 De middag beviel het staatshoofd dusdanig, dat ze Den Doolaard vroeg nog eens een aantal schrijvers te selecteren. De tweede groep was groter: acht mensen. Josepha én Sadi de Gorter waren van de partij. Ook de schrijver en piloot Adriaan Viruly en Henri

55. Mendels (1948c): 37. 56. Mendels (1948c): 45. 57. Dessing (2004): 448.

176

58. Zee, Henri van der. (2005) In Ballingschap. De Nederlandse kolonie in Engeland 1940–1945. Amsterdam: De Bezige Bij: 277 e.v.

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

Sandberg van Radio Oranje behoorden tot het gezelschap. Wilhelmina, die uit veiligheidsoverwegingen verschillende huizen bewoonde, ontving haar gasten op Stubbings House in Maidenhead, even ten oosten van Londen. Josepha was de enige vrouw in het gezelschap. Geheel in het zwart gekleed ging ze erheen. Aan de deur werd de bezoekers meteen gevraagd of ze het toilet wilden bezoeken, Josepha werd naar links gedirigeerd, de mannelijke gasten naar rechts.59 Wilhelmina introduceerde dit intermezzo omdat ze bang was voor de eventuele overdracht van bacteriën.60 Van te voren had ze met Sadi geoefend hoe hij geruisloos zijn thee kon roeren, omdat dit normaal gesproken met veel geluid gepaard ging, maar ze zou niet benoemen dat het om hem ging. ‘Ik had een van de aanwezigen les gegeven om zijn kopje goed vast te houden. Die ging altijd zo met z’n lepeltje in een kopje, zo roeren. Ik zei: Netjes het schoteltje eronder houden. Maar majesteit dronk zonder schoteltje. En diegene ik les had gegeven, laat ik hem Piet noemen, zat zo met z’n pinkje omhoog. Hij liet bijna z’n kopje vallen, maar dronk het op en zette het neer.’61 Na het drinken van de thee en het verorberen van sandwiches mocht iedere gast wat voordragen. Josepha, geïmponeerd door de ambiance, kreeg na enkele regels van een gedicht dat ze jaren geleden had geschreven, de slappe lach, zo vertelde ze later. Ze vroeg of ze opnieuw zou beginnen, maar van de koningin mocht ze gaan zitten en de volgende was aan de beurt. Sadi vroeg om een handtekening van de koningin in een van zijn eigen dichtbundels, die hij ook kreeg.62 Josepha moet beslist aan haar Oranjegezinde vader hebben gedacht: hij hield hartstochtelijk van het koningshuis en als hij geweten had van het bezoek, was hij trots geweest. Josepha vond het achteraf een indrukwekkende en mooie belevenis, maar schilderde de koningin nogal aards af: ‘Ze zag er vreselijk uit, de baleintjes staken uit haar korset en ze droeg een handtasje van de HEMA .’63

Een volledig welslagen Mendels was waarschijnlijk uitgenodigd omdat Den Doolaard wist, dat zij een roman geschreven had. Volgens een mede-Engelandvaarder maakte Mendels zich in de eerste maanden uitsluitend zorgen om het verlies van haar boek, ze vreesde het opnieuw te moeten schrijven en sprak nergens anders over.64 Van de twee exemplaren die ze van de roman had gemaakt, was er één verdwenen met de passeur in de Pyreneeën. Het andere exemplaar was echter veilig en liet zij in augustus 1943 uit Perpignan opsturen. Mendels dacht aan publicatie buiten Nederland, mogelijk in vertaling.65 Voordat zoiets mogelijk was moest ze het manuscript laten lezen door een terzake kundige. De eerste die zich in de Londense enclave als zodanig voordeed, was de weduwe van de dichter Hendrik Marsman, Rien Marsman-Barendregt. Het schip waarmee het echtpaar Marsman in juni 1940 Frankrijk trachtte te ontvluchten zonk door onbekende oorzaak.66

59. Dit is de lezing van JM zelf in Van Verre (1982). Bij Van der Zee gaan de heren naar boven, waar in een slaapkamer lampetkannen met heet water gereed stonden, waar zij onder toeziend oog van een lid van de marechaussee hun handen grondig reinig-

den. Van der Zee (2005): 277. 60. Van der Zee (2005): 277. 61. Van Verre (1982). 62. Ibidem. 63. Schaafsma (2008): 15. Van Verre (1982).

64. Mededeling Martha ben Assa-Polak, 22 oktober 2013. 65. Uit een brief van Berthe Edersheim blijkt dat zij dacht aan een vertaling naar het Engels. Berthe Edersheim aan JM, 29 april 1945. 66. Goedegebuure (1999): 357. 177

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

Rien Marsman was, omdat zij zich op het dek met het ontbijt aan het bemoeien was terwijl de rest nog sliep, de enige overlevende passagier. Josepha gaf haar in het najaar van 1943 het manuscript te lezen. Marsman kon het boek niet appreciëren. In de woorden van Mendels vond zij het ‘een vies boek’.67 De schrijfster wist zelf niet waarom haar tekst zo beoordeeld werd, en ze durfde het ook niet te vragen.68 Ook al koketteerde ze later met het oordeel en gebruikte ze het in haar voordeel, het is een van de momenten geweest dat ze zich diep gekwetst heeft gevoeld.69 Nadat ze van de schok bekomen was, ging ze op zoek naar andere wegen. Ze liet zich ongetwijfeld adviseren door haar minnaar Sadi, die op dit vlak aan vasthoudendheid geen gebrek had: de hele oplage van zijn eerste dichtbundel Abcès (1931) schreef hij met de hand. Van hem is de suggestie afkomstig om het manuscript aan Jan Greshoff voor te leggen. Hij en Sadi leerden elkaar in de jaren dertig in het Brusselse artistieke leven kennen. Sadi probeerde daar door te breken als dichter. Greshoff was dichter, cultureel recensent voor Het Vaderland en de Nieuwe Rotterdamsche Courant maar bovenal spin in het web van het culturele leven. In het bijzonder was hij beschermheer en stimulator van jong talent. En als redacteur van het letterkundig tijdschrift Groot Nederland kreeg hij een omvangrijke stroom werk van debutanten te verwerken.70 Toen hij in 1939 besloot Europa te verlaten en zich met zijn gezin in Zuid-Afrika ging vestigen, werd hij naar Parijs gebracht door Jany Roland Holst, Menno en Ant ter Braak en Sadi de Gorter.71 Sadi herstelde in december 1943 het sinds de oorlog onderbroken contact met Greshoff. Hij verbleef tijdens de oorlog in de Verenigde Staten, waar hij een functie vervulde bij het Nederlands Informatie Bureau, wat hem in zekere zin een collega van zowel Sadi als Josepha maakte, omdat dit bureau een onderdeel was van de RVD.72 Sadi vroeg hem Franstalige literaire tijdschriften die in de Verenigde Staten verschenen, naar hem op te sturen. Ook sprak hij zijn bewondering uit over diens essaybundel Rariteiten die in 1941 was verschenen. In januari 1944 verstevigde hij het contact met een uitgebreide brief over zijn werkzaamheden en uitte nogmaals zijn bewondering voor Greshoffs literaire werk.73 Een volgende brief dateerde van augustus 1944 en bij het aanbieden van middelmatige gedichten van een collega noteerde hij er in zijn imperfecte Nederlands bij: ‘Ik kan je niet elke dag een Josepha Mendels uit de grond toveren.’74 In de tussentijd was inderdaad het contact tot stand gekomen tussen Greshoff en Josepha. In april 1944 had ze hem een briefje geschreven: Rolien en Ralien, mijn manuscript dat ik tegelijk met deze brief aan u verzend heeft er enige duizenden kilometers voor over om uw kritiek te horen. Ik ken uw werk, uw kritieken en daarom prefereer ik uw oordeel boven dat van andere Nederlandse schrijvers in vrijheid.75 67. O.a. Schaafsma (2008): 16. 68. Interview met Daan Cartens op 2november 1981 in Theater Pepijn in Den Haag. 69. Mededeling Evelyne Mendels, 2008. 70. www.inghist.nl/Onderzoek/ Projecten/BWN/lemmata/bwn1/ 178

greshoff, 12 september 2010. 71. Greshoff, J. (1969): 109. 72. Greshoff meldt zelf dat hij ‘iets cultureels’ moest gaan doen bij het NIB. Greshoff, J. (1958) Menagerie. Den Haag: Stols: 181 e.v. In de archieven van de RVD staat hij te boek als hoofd van de afdeling overzeese radio-

omroep. Van de Ven (1988): 98. 73. Sadi de Gorter aan Greshoff, 23 januari 1944, LM. 74. Sadi de Gorter aan Greshoff, 2 augustus 1944, LM. 75. JM aan Jan Greshoff, 24 april 1944, LM.

Zij hoopte dat haar boek in Amerika kon verschijnen, mogelijk wist ze ook dat daar een vertegenwoordiging van Querido gevestigd was. Ze hoorde lange tijd niets. De brief die drie maanden later arriveerde, maakte echter veel goed. Greshoff was buitengewoon enthousiast en prees haar werk aan alle kanten. Mijn bericht over uw boek deed wat lang op zich wachten, omdat ik het tweemaal las met een zekere tussentijd. Het is een voortreffelijk boek dat bij herlezing wint. Het is vol, maar dan ook letterlijk vol kostelijke vondsten. Het is ànders van schriftuur en opvatting dan alle andere Nederlandse verhalen over jeugd. En het is zoo verbazend knap, dat ik mij eenvoudig niet kan voorstellen dat dit een eersteling zou zijn. […] Het is écht en toch uit de verf, natuurlijk en toch intelligent! De enige bedenking is, dat hier en daar (sporadisch) de toon iets te geforceerd is, een tikje ‘te’. Als dit werkelijk een eerste werk is, lijkt het mij belachelijk en onrechtvaardig van een belofte te spreken. Het is een volledig welslagen.76 Josepha was ‘beduusd’ van de brief.77 Na de afwijzing door Rien Marsman was dit een formidabele revanche. Greshoff vroeg haar in dezelfde brief of ze een hoofdstuk wilde afstaan voor publicatie in de bundel In de verstrooiing, dat hij onderhanden had. Dit was een verzameling stukken van Nederlandstalige auteurs die gedurende de oorlog buiten Nederland woonden. Eenendertig auteurs verleenden medewerking, onder wie uiteenlopende talenten als Leo Vroman, Adriaan van der Veen, Dola de Jong, Johan Fabricius, Jacques de Kadt en Beb Vuyk. Greshoff had een voorkeur voor het hoofdstuk ‘Kater’, dat later de titel ‘Speelgoed’ zou krijgen. Hij deed nog meer voor haar. Hij had al een waarderend rapport opgestuurd naar Querido, waar ook In de verstrooiing zou verschijnen. Greshoffs contact bij Querido liep op dat ogenblik via M.E.H. Warendorf, één van de directeuren, die vanwege zijn joodse achtergrond in de Verenigde Staten verbleef. Daar behartigde hij de belangen van Querido Inc., omdat de Nederlandse vestiging weinig slagkracht had door de beperkende maatregelen voor uitgeverijen. Greshoffs voortvarend handelen leidde tot het gewenste resultaat. Warendorf stuurde Josepha in juli een brief, die als een concept uitgeefcontract kan worden gezien. Hij was van plan het boek na de bevrijding uit te geven, en in zijn optiek duurde dat niet lang meer. Slechts een verzoek had hij, namelijk, ‘of het noodzakelijk is op die plaatsen waar u wel zeer realistisch spreekt een kleine inperking toe te passen’.78 Net als bij Marsman stuitten bepaalde passages op weerstand. De auteur wijzigde echter niets aan het manuscript.79 Warendorf vroeg haar bovendien het niet foutloze werk nog eens na te zien op ‘uitgangen en dergelijke’.80 Josepha moest vervolgens nog heel veel geduld hebben voordat er beweging zat in de publicatie. De oorlog duurde langer dan verwacht en na de oorlog heerste er papierschaarste. Bovendien zou er juridische onenigheid ontstaan tussen Warendorf en het

76. Greshoff aan JM, 16 juli 1944, LM. 77. JM aan Greshoff, 27 juli 1944, LM. 78. Warendorf aan JM, 16 juli 1944, LM. 79. De in het Letterkundig Museum aanwezige manuscripten geven

geen aanleiding voor de gedachte dat Mendels genoemde passages veranderde. 80. Warendorf aan JM, 16 juli 1944, LM.

179

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

Nederlandse Querido, dat na de oorlog heropgericht werd.81 Sadi was een van de weinigen die haar trots en blijdschap kon meevoelen en het was bitter dat het lot van haar moeder en zussen met wie ze dit grote nieuws zo graag had willen delen, haar totaal onbekend was.

De Franse afdeling Sadi en Josepha waren ondertussen zakelijk en privé nader tot elkaar gekomen. Hij was rond de jaarwisseling 1943 / 1944 ingetrokken op Collingham Place.82 Ze konden gewoonweg moeilijk buiten elkaar en leefden ‘als man en vrouw’ in de kamer van Josepha. Bij wijze van grap noemden ze zichzelf het echtpaar Uiekruier-de Wind.83 Zij nam met graagte de door haar zo verfoeide rol van huisvrouw op zich. ‘Ik heb wel ongetrouwd getrouwd geleefd, maar dat was een grote liefde. Toen vond ik het verrukkelijk om een sok te stoppen. […] Ik vond het heerlijk om te koken. Ik kan het helemaal niet, maar dan zat ik uren te turen in een kookboek en dan ging het toch, omdat ik het wou.’84 Het was de enige keer in haar leven dat ze dat zou doen, zo uitzonderlijk waren de omstandigheden. Tussendoor bracht ze haar geliefde manieren en zijn moedertaal bij. Zijn kennis van het Nederlands was elementair.85 In haar ogen was hij een aantrekkelijke doch ongemanierde wildebras en ze meende dat ze hem kon verheffen, zoals ze ook met de meisjes in het Zwaluwnest had gedaan. Door haar kwam zijn persoonlijke hygiëne op een hoger plan – hij was niet gewend zich frequent te wassen. Ze hielden van woordspelletjes, bespraken Parijs, literatuur, lazen elkaar voor (zij hem Hildebrand’s ‘Diakenhuismannetje’ uit Camera Obscura en hij haar Lautréamont86), ruzieden over alles en niets, roddelden over collega’s en beminden elkaar. Op koude winteravonden zaten ze hand in hand voor de kachel.87 Josepha was in staat alle onhebbelijkheden van deze man te accepteren, inclusief zijn ontrouw. Zeker drie andere vrouwen deelden met hem de lakens in Londen, waarschijnlijk waren het er meer.88 Zij was op dat vlak vrij om te doen en laten wat ze wilde. Raderdier noemde ze hem, hij haar Kabouter, net als de personages in Je wist het toch… Toen heeft hij gezegd: ‘Kabouter, wat zou je ervan denken als ik bij je kwam wonen?... Luister Kabouter, ik heb je nodig. Er zijn wel meer vrouwen in mijn leven, maar jou heb ik nodig, begrijp je. … ‘Je kunt hier komen wonen,’ heeft zij toen gezegd. ‘Ik zal er nog een bed bij vragen en een handdoek.’ ‘Weet je wat je gaat doen, Kabouter? Ik ben getrouwd, ik heb een vrouw en twee kinderen.’ […] Hij voelt hoe verschillend het is voor hun beiden, dit feit van bij elkander te 81. Warendorf aan JM, 24 augustus 1945. Warendorf vertegenwoordigde alleen nog uitgeverij Holkema & Warendorf. 82. Sadi was ziek en JM nam hem in huis om hem te verzorgen. Datering van het ‘huwelijk’ gebaseerd op een felicitatiebriefje voor Josepha’s 42-ste 180

verjaardag op 18 juli 1944, waarbij hij haar tevens feliciteert met haar negen maanden durend huwelijk. Sadi de Gorter aan JM, 18 juli 1944. 83. Nord (1981): 38. 84. Oppenheim (1976). 85. Sadi de Gorter aan JM, 3 oktober 1943.

86. Sadi de Gorter aan Greshoff, 2augustus 1944, LM. 87. Sadi de Gorter aan JM, 17 januari 1945. 88. Dit blijkt uit de correspondentie tussen Sadi de Gorter en JM.

gaan wonen. Zij accepteert het als iets nieuws waarvan ze de waarde nog niet kent. Maar zij ziet niet in de toekomst. Ze heeft geleerd te nemen wat het leven haar brengt. Hij heeft haar nodig, voor hem betekent dit een vlucht naar een haven, al is het dan ook een andere haven, dan die zijn eigenlijke oorlogsdoel was. Voor hem is dit veel meer, hij weet dat ze zich aan elkaar zullen hechten, maar hij weet ook, dat hij haar weer zal verlaten. […] ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog,’ zegt ze dan […]. ‘Maar jij, Raderdier, heb jij er al over nagedacht, hoe je op een dag ons Kabouterhuis weer zal moeten verlaten?’ ‘Ik ga terug naar mijn eigen “home”,’ zegt hij, ’jij blijft eenzaam achter.’ ‘Misschien word jij eenzaam met een “home” en ik niet zonder.’ 89 Niet alleen hun vrije uren konden ze met elkaar doorbrengen. Begin 1944 stapte Josepha over van de radioluisterdienst naar de afdeling van Sadi. De Franse afdeling, zoals het bureautje van Sadi nu officieel genoemd werd, werd vanaf januari 1944 naast Josepha uitgebreid met een secretaresse, Jacqueline Martin, een Française die met een Engelsman was getrouwd.90 Het aantrekken van personeel had te maken met de uitgave van een nieuw Franstalig weekblad over de oorlogsverrichtingen van Nederland. De RVD had sinds het begin van de oorlog sterk ingezet op de profilering van Nederland in het buitenland. Dit was een gevolg van de strategie van de minister van Buitenlandse Zaken, Eelco van Kleffens,waarbij hij aanvankelijk had geprobeerd Nederland als grootmacht neer te zetten – het bezit van de koloniën moest daaraan bijdragen – die een volwaardige gesprekspartner was voor de Verenigde Staten. Toen dat niet lukte, trachtte hij Nederland als grootste van de kleinere landen in beeld te krijgen bij de Verenigde Staten.91 Adriaan Pelt probeerde de koers te volgen, al was dat soms lastig en opereerde de afdeling in praktijk zelfstandig, hij beschikte zelf ook over heldere doelstellingen. Alle voorlichtingsactiviteiten moesten in het teken staan van het winnen van de oorlog, en hij was niet vies van psychologische oorlogsvoering of zelfs propaganda. De Sadi de Gorter

89. Mendels (1948c): 37. 90. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv.nr. 6135 Personeelsdossier Jacqueline Martin. De geringe omvang van de Franse afdeling is er waarschijnlijk de reden

van, dat die niet in de literatuur over ‘Londen’ opduikt. Niet in Van de Ven (1988), niet in De Jong (1979). 91. Van Faassen, Marijke. (2003) ‘In de marge: het Nederlands buitenlands beleid 1940–1945’, in: Van

der Zwan, Bert & Albert Kersten & Ton van Zeeland. (red.) Het Londens Archief: het Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam: Boom: 9–20.

181

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

RVD verdraaide de feiten als dat te pas kwam. Het aantal dodelijke slachtoffers van het bombardement op Rotterdam werd bijvoorbeeld sterk overdreven in Amerikaanse voorlichting. Nieuws verzinnen ging Pelt echter te ver, en het publiek een mening opdringen had volgens hem een averechts effect.92 Om de positie van Nederland in het buitenland te versterken en alle Nederlanders te bereiken, werden er wereldwijd ‘onderafdelingen’ van de rijksvoorlichtingsdienst opgericht. De grootste kwam in New York, het Netherlands Information Bureau, met vier en later zes Amerikaanse nevenvestigingen. In Washington, Lissabon, Bern, Stockholm en Pretoria en een zestal kleinere landen waar een Nederlandse vertegenwoordiging zetelde, kwam ook een voorlichtingsdienst. In Melbourne, Suriname en op Curaçao werden RVD -gouvernementchefs aangesteld. Het Bulletin Hebdomadaire d’Information, waarvan het eerste nummer op 2 maart 1944 verscheen, moet dan ook in het kader van Pelts ambities gezien worden.93 Het aanvankelijk gestencilde blad werd gestuurd naar alle Nederlandse vertegenwoordigingen in (deels) Franstalige Afrikaanse landen, het Midden-Oosten, Zuid-Amerika, de niet-bezette Europese landen en de regeringsdiensten en geallieerde vertegenwoordigingen in Londen.94 De oplage bedroeg in het begin ruim 700 exemplaren. Veel ontvangers reageerden enthousiast op het nieuws van de verschijning en wilden graag een abonnement nemen.

Naarmate de oorlog vorderde, werd het verblijf in Londen gewoner. Dagen regen zich aaneen en werden weken, weken werden maanden. Gevoelens van gemis, gedachten aan geliefde familieleden werden zo veel mogelijk onderdrukt. Achteraf heeft Josepha gezegd dat ze in Londen wist dat ze niemand terug zou zien, maar de feiten die ze daarbij noemt, kloppen niet. Aan radiojournalist Tony van Verre vertelde ze in 1982: Ik wist in Londen al, dat ik niemand terug zou zien. Want de laatste deportatie was in ‘43 van m’n moeder. De oudste zuster was al eerder gepakt. Een paar maanden eerder. Dus vanaf eind ‘43 wist ik dat ik nooit meer iemand terug zou zien. 95 Haar moeder werd in niet 1943, maar in 1942 gedeporteerd. Ze was niet de laatste, maar de tweede van de familie, na Ada met haar gezin. De deportatie van Edith kwam juist als laatste. Aan een andere interviewer vertelde ze: Ik had mijn eigen leven en het drong daar [in Londen] niet goed door wat er in Nederland allemaal gebeurde. Ik durfde er misschien ook niet zo goed over te denken. Toen ik het in 1945 uiteindelijk hoorde, was ik hevig ondersteboven. 96 De onjuiste en tegenstrijdige weergave van gegevens heeft ongewijfeld te maken met een bepaalde afkeer, of zelfs onmacht, om de pijnlijke informatie in haar geheugen op

92. Deze alinea gebaseerd op Van der Zwan, Bert (2003) ‘De RegeringsVoorlichtingdienst (RVD) te Londen 1940–1945’, in: Van der Zwan, Bert & Albert Kersten & Ton van Zeeland (2003): 37–45. 182

93. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv. nr 5824, waarin aanbiedingsbrieven van het blad aan verschillende gezantschappen, met het verzoek aan te geven of ze het voortaan willen ontvangen. Exemplaren van het

blad zijn te raadplegen in de KB. 94. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.05.80, inv. nr. 5824, verspreidingslijsten. 95. Van Verre (1982). 96. Bresser (1986).

te slaan. Dat blijkt ook uit de andere schaarse momenten dat ze hierover spreekt of schrijft.97 Ik veronderstel dat het in Londen niet tot Josepha is doorgedrongen dat ze haar familie nooit meer zou terugzien. Wel had ze daar vermoedens van. Pas bij de afhandeling van de nalatenschappen na de oorlog moet het besef werkelijk zijn doorgedrongen. In Londen informeerde ze wel naar haar Duitse neef, Heinz Levy, zoon van oom Adolf. Van de veiligheidsdienst vernam ze dat hij zich in december 1940 bij de Britse strijdkrachten had gevoegd.98 Verder moest ze afwachten. En dat was moeilijk. Wat deed ze wel? ‘Ik ben de oorlog doorgekomen door me vaak te schamen. Het enige wat ik kon doen was te denken en te denken en te denken [aan mijn familie, sh]. En dat deed ik ook heel vaak.’99 Dat gold niet alleen voor Josepha. Gevluchte joden konden vanuit hun ballingschap niets uitrichten. Nederland was ver weg, het verdwijnen van joden uit de maatschappij nog veel verder, en wat daarvan in Londen doorkwam, werd niet op waarde geschat. De regering en de koningin maakten een ernstige inschattingsfout in de beoordeling van de deportaties en pas veel later drong de afschrikwekkende omvang ervan door.100 Berichten over de verschrikkingen waren er wel, maar leidden niet tot reacties. Door haar werk was Josepha wel bij de eersten die het nieuws onder ogen kregen, dus het verloop van de oorlog heeft ze vanaf haar komst in Londen goed kunnen volgen. ‘Ik ben natuurlijk volkomen op de hoogte (uit hoofde van mijn beroep) met de toestand in Holland’, schreef ze.101 Maar het blijft vaag hoe zij de informatie voor haar eigen situatie interpreteerde. De Poolse regering, die net als de Nederlandse een heenkomen naar Londen had gevonden, vestigde in november 1942 de aandacht op de vernietiging van het jodendom die gaande was, Josepha was toen overigens nog niet in Londen.102 Er werd een dag van nationale rouw afgekondigd door de Britse opperrabbijn. Radio Oranje weidde hier een item aan. Op 17 december van dat jaar legden de regeringen van de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en Engeland een verklaring af over de uitroeiing van het joodse volk in Oost-Europa. Het aantal slachtoffers schatte men toen op vele honderdduizenden. Aan deze verklaring werd overigens door Radio Oranje nauwelijks aandacht besteed. De ondergrondse kranten, die vanaf juli 1942 openlijk over de deportaties schreven103, kwamen veel later in Londen aan en werden aanvankelijk geheim gehouden. Vanaf 1943 werden de mededelingen iets minder spaarzaam. Radio Oranje104 meldde de ontruiming van het Apeldoornsche Bos, de joodse psychiatrische inrichting, en de daarop volgende moord op patiënten en personeel ‘door gasverstikking’ in april 1943 evenals de opheffing van de Joodse Raad in september 1943, die Gerbrandy op de radio memoreerde met de mededeling dat er geen vrije jood meer was overgebleven in Nederland.105 Spreken over haar gedeporteerde familie deed Josepha waarschijnlijk alleen met Sadi. De berichten waren zo gruwelijk, dat het onmogelijk was, die zonder meer te geloven. 97. Tegen Schaafsma zei JM dat haar oom Maurits tijdens de oorlog in Buchenwald zat, terwijl hij in Theresienstadt zat. Ook hanteert Mendels in Welkom in dit Leven onjuiste gegevens over haar moeders ervaringen in de oorlog. 98. NL-HaNA, Justitie / Londens

Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. 99. Van Verre (1982). 100. Renate van der Zee was de eerste die dit expliciet aan de orde stelde in Om erger te voorkomen (1997), al erkende ook Loe de Jong (1993) het in zijn Herinneringen I. Den Haag: SDU: 175 e.v.

101. NL-HaNA, BuZa / Londens Archief, 2.09.06, inv.nr. 10404. Door de censuur onderschepte brief JM aan Tobias Lewenstein, 9 maart 1944. 102. De Jong (1993): 175. 103. Van der Zee (1997): 252. 104. De Jong (1993): 178. 105. De Jong (1993): 179. 183

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

Zelfs toen het op de radio te horen was en zwart op wit te lezen stond in de kranten die in Londen beschikbaar waren, was het onvoorstelbaar dat een moeder, een zus, een tante of een oom zich onder de slachtoffers zou bevinden. Daarvoor was nog veel meer confronterend ’bewijsmateriaal’ nodig, dat voor de meesten pas na de oorlog beschikbaar zou komen. Wat haar joodse identiteit betreft lijkt Mendels in Londen een modus gekozen te hebben van enerzijds een sterke emotionele betrokkenheid bij haar familie, anderzijds een houding van niet-willen-weten. Wat zij dacht en voelde heeft ze ten dele verwoord in Je wist het toch… waaraan ze in, maar ook na de oorlog werkte. Deze naoorlogse jaren hebben haar het inzicht verschaft dat ze tijdens de oorlog ontbeerde. De roman bevat een aantal intense passages over de vervolging. De eerste betreft een hoofdstuk over ‘Mirjam’, dat het leven van haar zus Ada beschrijft van de kindertijd tot de deportatie. De tweede betreft de beschrijving van een enigszins antisemitisch voorval in Londen rondom de terugkeer van De Gorter naar Parijs. De derde passage betreft ‘dagboekbladen aan een dode’ waarin ze in de huid van Frans Winter aan zijn dode moeder schrijft. Deze passage zou betrekking kunnen hebben op haar eigen moeder, aangezien De Gorters moeder, op wie het personage Frans Winter is gebaseerd, de oorlog overleefde.

‘Vind een andere Josephine!’ De langverwachte invasie op 6 juni 1944 luidde het einde in van het tijdelijke ‘huwelijk’ van het echtpaar Uiekruier-De Wind. Het nogal bedaarde leven in de Londense cocon maakte plaats voor nieuwe, snelle ontwikkelingen. Ten tijde van de bevrijding van Parijs op 23 augustus was Sadi op vakantie in Cornwall. Hij was hevig geëmotioneerd door het nieuws dat hij op de radio in zijn hotel hoorde. ‘Paris libre! La sueur me coule du front; Paris libre, ma plume tremble. Quelle victoire sensationelle, quel atout pour les Français. Je pleure, chérie. Impossible d’ajouter encore un mot à cette lettre.’ 106 Na de bevrijding van de Franse hoofdstad kreeg Sadi het bericht dat hij als assistent van de persattaché Marius Voorbeijtel op het gezantschap in Parijs gestationeerd zou worden.107 Rond zijn overkomst ontstond enig rumoer. Sadi zou vooruit reizen om voorbereidingen te treffen, maar hij ontving geen toestemming voor vertrek. Begin oktober 1944 bleek dat hij bij nader inzien niet naar Parijs kon, omdat uit een rapport was gebleken dat de Fransen erg antisemitisch waren, en dat een jood op het gezantschap daarom een slecht idee was. Toen Sadi deze boodschap kreeg, besloot hij zijn ontslag in te dienen, vanzelfsprekend omdat hij geraakt werd door deze gang van zaken, maar naar buiten toe met de motivatie dat zijn joodse achtergrond geen obstakel mocht zijn in de verstandhouding tussen Nederland en Frankrijk. Het hoofd van de RVD vroeg hem echter zijn ontslagaanvraag in te trekken. Sadi gaf hieraan gevolg op voorwaarde

106. Sadi de Gorter aan JM, 23 augustus 1944. 107. Deze alinea is gebaseerd op de brief die de Gorter aan Loe de Jong schreef, die de informatie gebruikte voor Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 9: 503. 184

Hij wilde over het antisemitisme in Londen schrijven en het voorval met De Gorter als voorbeeld gebruiken. De Gorter schreef in zijn brief aan De Jong, dat hij zijn ervaringen niet als een uiting van antisemitisme beschouwde, maar als een blijk van

een te groot vertrouwen in een rapport dat door collaborateurs in Parijs was geschreven. Sadi de Gorter aan Loe de Jong, 8 juni 1976 (correspondentie Lou de Jong mbt het Koninkrijk, archief NIOD).

dat het bewuste rapport in een vergadering weerlegd zou worden. Dat gebeurde niet en inmiddels was Voorbeijtel in Londen aangekomen om met hem naar Parijs te reizen. Omdat er geen beweging in de zaak zat, greep Sadi naar zwaardere middelen: hij verscheen op een vergadering met een zelfgemaakte, gele kartonnen jodenster op zijn revers en meldde dat hij opnieuw zijn ontslag kwam indienen. Het hoofd van de RVD vroeg hem ‘met tranen in de ogen’ de ster weg te doen. Op die dag kreeg Sadi alsnog toestemming om naar Parijs af te reizen. Op zijn 32ste verjaardag, 19 oktober 1944, kwam hij daar aan. De Gorter schreef in zijn brief aan Loe de Jong in 1976, die de kwestie in het Koninkrijk behandelde, dat hij niet de conclusie wilde trekken dat er in Londen een latent anti-semitisme bestond. Wat mijn geval betreft is het duidelijk dat men aldaar te veel aandacht heeft geschonken aan het oordeel van de heren in Parijs die onder de bezetting hebben geleefd (en goed hebben geleefd). Ik kan ‘Londen’ slechts verwijten een gebrek aan inzicht en – wie weet? – misschien een vage tendens ‘de prendre leurs désirs pour des réalités’. 108 Het stoorde De Gorter nog altijd dat men in Londen zo steunde op het oordeel van de beschreven heren in Parijs, die ‘misschien geen collaborateurs [waren] in de enge zin des woords maar in ieder geval wel pro-duits’.109 Josepha heeft dit onverkwikkelijke voorval gebruikt in Je wist het toch…. Frans Winter wordt voor het eerst van zijn leven iets in de weg gelegd vanwege zijn joodse afkomst. Feitelijk laat ze hem bewust joods worden, iemand die zich voortaan gevoelig betoont voor antisemitisme. Frans Winter krijgt een ‘opklapzintuig’. En zo was het opklapzintuig ontstaan dat roetsj naar beneden sloeg wanneer er in de directe omgeving van het Raderdier of bij het lezen van boeken en artikelen van die jodenhaat sprake was. Als een vriend, of wat hij tenminste een vriend geloofde, hem zei: ‘Jou natuurlijk erbuiten gelaten, maar wat wil je Frans, die vent waarover ik je vertelde is een jood en van zo iemand kan je toch niet dezelfde reacties verwachten als van ons,’ dan klapte dat nieuw verworven zintuig neer en brulde: ‘Ga mee, ga mee en laat hem staan!’ Daaraan gaf hij dan ogenblikkelijk gevolg, zonder zelfs om te kijken, zonder zich erin te verdiepen wat de ander wel van hem moest denken. Want disputeren over dit delicate onderwerp was hem ten enenmale onmogelijk. 110 De gebeurtenissen hadden ongetwijfeld hun weerslag op de laatste dagen die Sadi en Josepha samen door konden brengen. Hun gevoelens van verwantschap groeiden, terwijl hun scheiding aanstaande was. Met het einde van de oorlog zou ook een einde komen aan de verhouding tussen de geliefden. Zoals zoveel verhoudingen in Londen hadden standgehouden door de uitzonderlijke oorlogssituatie, keerde men nu terug naar ‘normaal’ en verbrak buitenechtelijke relaties. Dat betekende voor de vele manne-

108. Sadi de Gorter aan Loe de Jong, 8juni 1976. 109. Ibidem. 110. Mendels (1948c): 119–120. 185

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

lijke Engelandvaarders terug naar moeder de vrouw die in Nederland was achtergebleven. Ook voor Sadi gold dit perspectief. Josepha had in de voorafgaande periode al aangegeven, dat het haar het beste leek, als Sadi een van haar gewone vrienden zou worden, mogelijk een ‘derde partij’ als zij weer iemand zou ontmoeten. 111 Gezien Sadi’s getrouwde staat was dat eerder een positie die voor haar was weggelegd. Samen met de secretaresse Jacqueline Martin vormde Josepha na zijn vertrek de Franse afdeling van de RVD. Josepha nam zijn taken over en schreef en redigeerde wekelijks het Bulletin. In het begin leunde ze zwaar op de secretaresse voor de finesses van het Frans. Thuis was het leeg zonder Sadi. Het kostte haar de grootste moeite moed te houden, maar ze was niet jaloers: ‘Vind een andere Josephine!’112 schreef ze naar Parijs. In haar vrije uren hield ze zich bezig met de correctie van het manuscript van Rolien en Ralien, waar Warendorf om gevraagd had. In december stuurde ze het hem op. Daarnaast had ze een vrij druk sociaal leven, waarin onder andere een oom en tante van Sadi figureerden en enkele bevriende collega’s. Ze maakte aantekeningen voor een tweede boek, met de voorlopige titel ‘Raderdier gaat oorlog maken’, de werktitel van Je wist het toch…. Veel van wat ze samen besproken hadden, wat ze wist over zijn jeugd, over hoe hij dacht en handelde probeerde ze in de roman te verwerken. Het najaar van 1944 was een ronduit treurige tijd in Londen. De aanvankelijke vreugde over de verwachte snelle bevrijding van heel Europa moest in september getemperd worden. De geallieerde strijdkrachten hadden met verschillende tegenslagen te maken, waaronder een veel sterker verzet van de Duitsers dan verwacht en slechte weersomstandigheden. Tot overmaat van ramp werd op 5 september via Radio Oranje voorbarig aangekondigd dat de geallieerden de Nederlandse grens over waren getrokken, terwijl pas tien dagen later Maastricht als eerste stad bevrijd werd. De Amerikanen kwamen tot Brabant, maar moesten Midden- en Noord-Nederland nog in handen van de bezetter laten. Men wist dat de winter de doodslag voor verzwakte Nederlanders zou zijn. Ondertussen werd Londen veelvuldig gebombardeerd met een wapen, waarvan men het bestaan niet had willen geloven, de V-1’s en V-2’s.113 Sadi had in Parijs met andere moeilijkheden te maken. Hij moest daar letterlijk een bestaan vanaf de grond opbouwen. Parijs was beroofd van alles wat waarde had. Aan elementaire behoeftes als voedsel – vlees, brood en boter waren buitengewoon schaars – en woonruimte kon niet eenvoudig tegemoet worden gekomen. Hij betrok een kamer in hotel Saint-Germain-des-Prés en werkte zes dagen in de week op het gezantschap, dat in oktober en november van meer personeel werd voorzien. Eerst aan de Rue de Grenelle, later aan de Rue Auber die te verwarmen was, zat hij in een kleine ruimte die hij deelde met persattaché Marius Voorbeijtel en een secretaresse voor halve dagen. Die nabijheid van anderen belette hem onder werktijd brieven aan Josepha te schrijven. Cafébezoek kwam in de loop van december op gang: Café de Flore zat weer vol ‘comme avant’ en de koffie was er ‘buvable’.114 In Le Dôme zat nog geen hond (‘il n’y a pas un chat’), Vavina opende haar deuren begin december en Sadi gaf aan Josepha als post-

111. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [omstreeks februari 1945]. 112. JM aan Sadi de Gorter, 22 oktober 1944. 186

113. Van der Zee (2005): 362, ook 361 en 363. 114. Sadi de Gorter aan JM, 4 december 1944.

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

adres Les Deux Magots op.115 Na twee weken vloog hij naar het bevrijde Brussel, waar hij zijn echtgenote en zijn dochter ophaalde. Het weerzien met Gisèle was een ‘desillusion’, de inmiddels tweejarige Jacqueline vond hij ‘délicieuse’.116 Verschillende weken verbleven ze met z’n drieën in een hotel, waar hij nogal chagrijnig van werd. Het was lastig, zo niet onmogelijk om een woning in het verwoeste Parijs te vinden. Wat leeg stond, moest gerenoveerd worden en dat kostte veel geld. Eind november vond Gisèle iets in een dorpje buiten Parijs, Ville d’Avray. Het was een atelier met grote ramen, waarvan alleen het kleine keukentje verwarmd kon worden. De warmte was een weldaad, maar het reizen beviel Sadi maar slecht.117 Tot zijn eigen verbazing slaagde Sadi erin Josepha trouw te blijven. De hereniging met zijn vrouw was niet op vleselijke wijze gevierd, en andere vrouwen begeerde hij – tijdelijk – niet. De kwaliteiten als echtgenote, die ze al nauwelijks had, had ze nu helemaal verloren, vond Sadi. ‘Il n’y a pas contact entre nous – même pas de souvenirs communs.’118 Op haar beurt vond zij hem oppervlakkig. Zijn liefde en aandacht ging volledig naar zijn dochtertje uit. Hij maakte lange dagen en bleef liever op kantoor hangen waar hij voor zichzelf schreef, dan dat hij naar zijn vrouw ging. Josepha had zich een beeld kunnen vormen van de tekorten in Parijs, en stuurde het ene na het andere pakje. Veel sigaretten, cacao en koffie. Maar ook margarine, een witte trui, Droste-flikken, een handdoek, scheerzeep, een kledinghanger, een hoed en een knuffelhondje voor zijn dochter.119 Eén keer een cake, waar hij zijn vingers bij op at.120 Sadi vergoedde haar de kosten hier zoveel mogelijk voor, door bijvoorbeeld een honorarium voor een artikel naar haar te laten overmaken. Door de gebrekkige postdiensten kwamen sommige stukken niet aan, en dan ineens grote hoeveelheden zendingen in een keer. Iedereen die van Londen naar Parijs en vice versa reisde werd bovendien als koerier ingezet. Beiden waren teleurgesteld als iemand overkwam die niet tenminste de groeten overbracht. Josepha had Sadi een lijstje van vrienden en kennissen meegegeven, met het verzoek die van haar welzijn op de hoogte te brengen. In het najaar ontmoette hij onder andere Françoise Millot en Eli Palmer-Esser, welke laatste hem eerst niet wilde ontvangen omdat ze ver in haar tweede zwangerschap was. Sadi genoot van deze ontmoetingen, omdat hij ongegeneerd over zijn ‘Josette’ kon spreken. Toen hij in december twee heel gestileerde pasfoto’s van haar kreeg, kon hij zijn plezier niet op. ‘Mijn Dutch pin-up girl’ noemde hij haar.121 Ook vroeg ze hem, achter Theo Oegema aan te gaan, de journalist die fout was geweest door zich aan te sluiten bij het Syndicat de presse étrangère. In januari kon hij melden dat de man in vrijheid in de omgeving van Orléans leefde, en dat hij ‘un vrai collaborateur’ was.122 Sadi vertaalde zijn gemis in bewondering voor het werk van Josepha, waar hij wekelijks bewijzen van ontving in de vorm van het Bulletin. In Parijs was nog geen informatie-infrastructuur en hij was volledig afhankelijk van wat hij uit Londen ontving. Hij vond 115. Ibidem. 116. Ibidem. 117. Ibidem. 118. Sadi de Gorter aan JM, 24 februari 1945. 119. Sadi de Gorter aan JM, 3 februari 1945.

120. Sadi de Gorter aan JM, 8 januari 1945. 121. Sadi de Gorter aan JM, 7 januari 1945. 122. Sadi de Gorter aan JM, 20 januari 1945.

187

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

'Dutch pin up girl' ieder nummer beter worden en had op den duur niets meer aan te merken op inhoud of taalgebruik: ‘très bien, même parfait.’123 Zijn tevredenheid maakte hij ook kenbaar aan zijn meerderen, zoals Voorbeijtel en de gezant Gerth van Wijk waarmee hij de weg plaveide voor de komst van zijn vriendin naar Parijs. De bedoeling was dat de publicatie van het Bulletin na de bevrijding van Nederland zou verhuizen van Londen naar Parijs. Men was tevreden over het blad en de oplage steeg. Op korte termijn was een omslagpunt te verwachten: ‘Voorbeijtel wil laten drukken. Dan kom jij hier, dat is zeker’ kon hij na zes weken al melden. ‘Wees dus blij’, voegde hij er voor de zekerheid aan toe.124 In december schreef Voorbeijtel inderdaad een rapport aan het hoofd van de RVD over zijn plannen met het Bulletin – oplage 3000 – waarin de komst van Josepha als voorwaarde werd gesteld.125 In Londen vond het plan instemming: Josepha kreeg in januari bericht dat ze naar Parijs kon terugkeren om bij het gezantschap te gaan werken. Ze was verheugd haar stad weer terug te zien en een vroege lente in de Jardin du Luxembourg mee te maken.126 Reikhalzend keek ze ernaar uit om verlost te zijn van de mensen met wie ze de afgelopen jaren had gewerkt. Meer en meer begonnen afgunst en machtsspelletjes de boventoon te voeren. Een collega die er jaloers op was, dat Josepha naar Parijs zou vertrekken, maakte haar niet meer attent op persconferenties, schreef zij mismoedig

123. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd. 124. Sadi de Gorter aan JM, 30 november 1944. 188

125. Sadi de Gorter aan JM, 4 december 1944. 126. JM aan Greshoff, 21 januari 1945, geciteerd in Nord (1981): 54.

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

naar Sadi.127 Secretaresse Jacqueline voerde niets meer uit dan haar nagels schoon te maken. Men luisterde elkaar af en volgde elkaars wegen, om iemand maar op iets te betrappen. Dan had ze nog te maken met Eduard Elias, die kortstondig hoofd van de RVD was. Hij had gewerkt bij onderafdelingen van de RVD in New York en Curaçao. Deze bekende en productieve journalist van voor en na de oorlog kreeg al snel een andere functie, want hij voldeed niet. Elias was een volle neef van Berthe Edersheim en daarom werd Josepha veel met hem gezien. Men beroddelde hen zelfs als toekomstig echtpaar omdat Elias’ huwelijk eind 1944 was gesneuveld. Josepha moest echter niets van hem hebben omdat hij een ‘walgelijke gierigaard’ was.128 Het leven en werken onder deze omstandigheden was doodvermoeiend en vervelend. Naast het feit dat het bekend is dat in de laatste oorlogsmaanden er een zekere desintegratie plaatsvond in het regeringsapparaat – ook ministers lagen openlijk met elkaar in de clinch129 – zal Sadi’s afwezigheid Josepha met de neus op de kantoorfeiten gedrukt hebben. Ze verlangde terug naar de zalige anonimiteit van Parijs. Met het oog op haar vestiging in die stad deed ze een aanvraag voor een kledingtoelage, want in Frankrijk was niets te krijgen, zoveel was haar inmiddels duidelijk geworden. Tot haar verbijstering werd die haar geweigerd.130 De verontwaardiging die zich van haar meester maakte, vertaalde ze in een brief aan het hoofd van de RVD, die hij moest doorsturen aan de ‘heren van binnenlandse en buitenlandse zaken en rekenkamers, die mij zo een “dure” vrouw vinden en mij daarom alles weigeren’.131 Een onbekende was ze niet bij de afdeling Comptabiliteit, want in augustus 1943 had ze een schuld van ruim 35 pond bij de RVD die ze in wekelijkse termijnen moest aflossen.132 In Londen waren de salarissen niet slecht, Loe de Jong ontving er het dubbele van wat hij voor de oorlog bij De Groene Amsterdammer had verdiend.133 Josepha was als vrouw echter lager ingeschaald dan haar mannelijke collega’s die hetzelfde werk deden. Iedereen die in de ‘publicistische klasse’ was ingedeeld, ontving een toelage van 3 à 4 pond op het salaris, om te kunnen concurreren met vrij gevestigde journalisten. Josepha was ondanks haar journalistieke arbeid niet in die klasse ingedeeld en viel onder het administratief personeel.134 Zij verdiende na opslag in oktober 1944 negen pond per week, terwijl alle mannelijke journalisten ruim boven de twaalf pond toucheerden.135 Toen zij in een laatste poging haar loon te verhogen een aanvraag deed omdat ze het werk van Sadi de Gorter had overgenomen na zijn vertrek naar Parijs, kreeg zij andermaal nul op het rekest. Salarisverhoging was ‘niet gebruikelijk’ bij vervanging van een hoger geclassificeerde ambtenaar.136 Meer dan twee kantjes besloeg het epistel dat ze schreef ter verdediging van haar hoge

127. JM aan Sadi de Gorter, 2 februari 1945. 128. JM aan Sadi de Gorter, 18 februari 1945. 129. Van der Zee (2005): 355. 130. Ook al vatte Josepha de weigering persoonlijk op, het is heel goed mogelijk dat alle aanvragen van RVDpersoneelsleden geweigerd werden, aangezien deze dienst als geldverslindend bekend stond. In januari 1945 stelde de minister van Financiën

paal en perk aan de uitgaven van de RVD en moest Pelt bezuinigingen doorvoeren in zijn begroting, wat hem slecht lukte. Pelt werd echter gesteund door Van Kleffens en Gerbrandy die altijd tevreden waren over de RVDwerkzaamheden. Van de Ven (1988): 153, 154. 131. JM aan Dirk de Man, 30 januari 1945. 132. Dirk de Man aan JM, 12 augustus 1943.

133. De Groene betaalde De Jong 175 gulden per maand. De Jong (1993): 68. 134. Van de Ven (1988): 124–128. Josepha meldt zelf dat ze niet is ingedeeld in de publicistische klasse. JM aan Dirk de Man, 30 januari 1945. 135. JM aan Sadi de Gorter, 3 maart 1945. 136. Minister van BuZa aan JM, 15januari 1945.

189

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

uitgaven, die teruggingen tot januari 1943 toen zij werd vrijgelaten uit Spaanse detentie. Aangezien ze was bestolen door de passeur bezat Josepha begin 1943 alleen de kleding aan haar lijf. Van het consulaat in Barcelona had zij knopen voor haar ‘gescheurde mantel’ en een washandje gekregen. In Madrid was men ruimhartiger geweest en ontving ze voldoende geld om twee maal kleren te kopen (voorjaars- en zomergarderobe): meer dan andere vluchtelingen omdat die zelf een koffertje of een tas hadden kunnen meenemen. Tegen de tijd dat zij in mei het bericht kreeg dat ze naar Engeland kon komen – het lange oponthoud in Madrid lag buiten haar schuld – brak ze terstond een behandeling bij de tandarts af, ‘om geen dag langer dan nodig was, op kosten van het consulaat te leven.’ Er zaten in praktijk vier dagen tussen de aankondiging en haar vertrek. Voor één onderdeel van de kosten bood Josepha ruimhartig haar excuses aan: de kappersrekeningen. Die had ze eigenlijk van haar zakgeld moeten betalen, maar daarvoor, zo redeneerde zij nuchter, waren de rekeningen te hoog en het zakgeld te laag. Ze verschuilde zich achter haar eigen psychologie: om verder te leven na vlucht en gevangenschap moest een vrouw zich innerlijk en uiterlijk vernieuwen. Aangezien zij geen aanspraak had gemaakt op de vergoeding van haar reiskosten waar alle Engelandvaarders recht op hadden, kwamen de declaraties haar niet onredelijk voor.

‘Puisse Dieu récompenser ta vertu’ De precieze datum waarop Josepha zou overkomen was in januari nog niet bekend, en Sadi adviseerde haar niet te vroeg te komen, want het was ontstellend koud in Parijs. Stoken was haast niet mogelijk en elektrisch licht was er niet.137 De lente zou juist aangenaam zijn voor haar komst. In december was Sadi in dienst gekomen van de militaire geallieerde organisatie SHAEF (Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force), zodat hij zijn werk als oorlogscorrespondent in dienst van de Nederlandse regering kon blijven doen. Alle SHAEF-geaccrediteerden moesten een uniform dragen, waarover in Londen een beetje lacherig werd gedaan.138 Maar Sadi was er trots op en brandde van verlangen om zijn uitmonstering aan zijn liefje te laten zien. Hij vroeg aan Josepha of ze De Man tactvol kon bewerken met zijn noodzakelijke overkomst als doel en zelf voerde hij druk uit op zijn eigen kanalen.139 De opzet lukte, al was er wat geduld voor nodig geweest: vanaf februari bewaarde Josepha voedselrantsoenen, maar ze kon hem pas half maart in de armen sluiten. Samen beleefden ze enkele ‘heerlijke dagen’ en voor de vorm zal Sadi ergens een zakelijke bespreking gevoerd hebben.140 Ondertussen had Sadi een slag te verwerken gekregen, die ook Josepha getroffen moet hebben: zijn moeder, die gedurende de oorlog in Nederland ondergedoken was, werd op 6 juni 1944, D-day nota bene, naar Westerbork gevoerd. Sadi’s zus Erna zat op dat ogenblik al bijna twee jaar in het doorgangskamp, waar ze voor de Joodse Raad als ste-

137. Sadi de Gorter aan JM, 8 januari 1945. 138. Van der Zee (2005): 356. 139. Sadi de Gorter aan JM, 7 februari 1945. 140. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [maart 1945]. 190

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

notypiste werkte. In juli 1944 werd zijn moeder op transport gesteld naar Theresienstadt, Erna volgde in september.141 Toen hem het nieuws over zijn moeder in november bereikte, werd hij apathisch. De afwezigheid van twee van de belangrijkste vrouwen in zijn leven was bijna ondraaglijk. ‘Je ne pense pas que j’ai eu autant de peine dans ma vie que maintenant. Et très peu de réconfort.’142 In februari 1945 echter ontdekte Josepha de naam van Sadi’s moeder en zus op een lijst van mensen die in vrijheid waren gesteld en zich in Zwitserland bevonden. Ze stuurde onmiddellijk een telegram naar Parijs. Bij ontvangst werd Sadi gek van vreugde. Dat zijn moeder in leven en in vrijheid was, ging zijn verstand haast te boven: hij had rekening gehouden met veel erger. Na te zijn bekomen raakte hij diep ontroerd dat zijn Josette, die al die jaren niets meer van haar eigen moeder en andere familie had gehoord, dit voor hem had willen doen. Hij zag dat en dankte haar er talloze malen voor. Het maakte iets in hem los: het besef dat zijn moeder weer terug was en de rol die Josepha in zijn leven speelde. Het was te mooi en daarom dacht hij dat het niet zou voortduren. Ineens greep de angst hem naar de keel dat Josepha nu een punt achter hun omgang zou zetten. Chérie, ta bouche a la saveur des amandes sauvages en ton regard est plus pénétrant qu’un couteau. Malgré le temps et l’éloignement, je t’aime, aujourd’hui plus que jamais et précisément parce que Maman est retrouvée. Je sais, je sens, j’ai l’impression affreuse qu’une lettre de toi va bientôt arriver dans laquelle tu me diras que maintenant tu n’as plus de scrupules à te détacher de moi. Cette idée je l’ai, et elle me poursuit avec une telle insolence que j’ai vraiment peur de la recevoir. Chérie, ne m’abandonne pas à moi-même. […] J’ai plus que jamais besoin de toi. À cause précisément de ma joie qui me rend fou, chérie, et je perds en ce moment toute mon énergie, pour ne plus être qu’un fils, un fils de maman, que je soignerai et dorloterai. Alors, il y aura une autre vide immense dans mon cœur: toi. Je veux, j’exige de toi que tu restes ma seule amie, car chaque chose qui se présente au devant de mes pas me fait m’exclamer: Ah, si Josette avait été ici, que tout aurait été plus simple. […] Chérie, je t’aime, je t’aime, je t’aime. Puisse Dieu récompenser ta vertu. 143 In het voorjaar werden zijn brieven steeds hartstochtelijker. De aanstaande komst van zijn geliefde naar Parijs bracht hem in een staat van opperst verlangen. Als hij een week geen bericht had uit Londen, was hij ontevreden.144 Hij stelde voor een maand aan hun verhouding in Parijs vast te knopen om samen de stad te hervinden, de kades, de pleinen, de musea en de parken. Josepha vond dat een slecht idee: ‘Vraag mij geen vier weken Parijs tesamen om mij dan weer te laten’, schreef ze hem kalm en realistisch. ‘Laat onze vriendschap geen dramatisch einde nemen.’145 Terwijl hij langzamerhand zijn normale leven weer opnam en bezig was daar een plek voor Josepha in te creëren, hield zij enige afstand. Hun hartstochtelijk avontuur was voor haar een ‘vriendschap’ geworden. Ze had geen idee van haar eigen toekomst en was ook niet in staat plannen

141. Gegevens Kamp Westerbork. 142. Sadi de Gorter aan JM, 21 november. 1944. 143. Sadi de Gorter aan JM, 17 februari 1945.

144. Sadi de Gorter aan JM, 20 januari 1945. 145. JM aan Sadi de Gorter, 3 maart 1945.

191

II 1936–1945 Vrij in Parijs, onvrij in Europa

Hoofdstuk 5 ‘Getrouwd voor de duur van de oorlog’

te maken. Dat leek ingegeven door de onthutsende waarheid over de dood van al haar familie, die ze nog niet kende, maar wel vermoedde. Ondertussen begon hij weer literatuur te lezen en te schrijven zoals hij voor de oorlog deed en zag zijn favoriete stad weer langzaam zichzelf worden, ‘en avril ou en mai, tu seras ici, et voluptueusement, tu vivras cette vie unique que donne Paris à ceux qui l’aiment – et s’en faut aimer.’146 Het idee dat hij binnenkort weer met haar kon spreken verheugde hem bovenmatig en verdiepte zijn liefde. ‘Je t’aime, petite chérie, non pas comme on aime une maman, une sœur ou un enfant, non pas comme on aime une épouse, mais comme on aime son portrait, lentement et voluptueusement peint par un artiste’.147 Bij de ontvangst van een van haar laatste brieven voor haar komst ging hij naar een geheim plekje en vroeg aan zijn geslachtsdeel – dat de naam ‘nongsie de gong’ droeg – of deze nog naar Josette verlangde. ‘Sa réponse fut inoubliable: il s’est laissé caresser avec une admirable docilité jusqu’à ce qu’enfin baissa sa tête orgueilleuse.’148 Josepha nam met enige verbazing kennis van deze grote hartstocht. Ze had werkelijk niet zien aankomen dat de liefde van dit ‘zwaluwjongetje’ zo oneindig groot was. Voor haar was hij meer een ruwe diamant geweest die zij met een decadent genot had weten te polijsten.

feit. Josepha stapte op het vliegtuig en landde vol verwachting naar de hernieuwde kennismaking met Parijs, maar ook angstig voor de toekomst. Een langdurige hereniging met Sadi zat er niet in, want hij stond op het punt om in het kader van zijn oorlogscorrespondentschap een reis naar Nederland te maken. Eén van de plaatsen waar hij door Josepha naartoe gestuurd werd, was Speuld. Op 22 april, vlak na de bevrijding van de Veluwe, arriveerde hij daar pontificaal met een legervoertuig van het Militair Gezag. Hij bracht een briefje mee van Josepha voor haar goede, oude vriendin Berthe.153

Je schrijft iedere keer lievere brieven en soms begrijp ik ze niet goed. […] Ik wist wel dat je een beetje van me hield, maar dat ik zoveel voor je betekende en nu na een half jaar bijna nòg beteken, dat heb ik niet gedacht en verwacht. En dat verwart mij een beetje…. […] Wat jij voor mij was, behalve een man, en een wijzere, was het Zwaluwjongetje. Het intelligente kind dat wat ruw was, en leren wilde. Ik heb er misschien wat perverse genoegens in gezien, je van alles te leren, wat ik zelf in mijn hart veracht. Manieren. Vormen. Je leerde je taallesjes met veel liefde en feeling. Je waste je, en liet zelfs je zeeroverssnor af knippen. Je lepeltje ging zachtjes langs de kopjeswand heen, en je slurpte je soep zonder dat iemand kon weten of vermoeden dat je dronk. Daarbij verloor je niets van je puurheid. 149 Haar vorming had effect gehad en daar was ze niet een weinig trots op. Wat hun liefde haar nog zou brengen, daar had ze geen hoge verwachtingen van. Eerst maar eens weg uit Londen. Voor haar werd uitgekeken naar woonruimte, ook door haar vrienden die via Sadi op de hoogte waren. Hij adviseerde haar om een typemachine te regelen, want in Parijs waren alleen peperdure ‘museumstukken’ te vinden, waarvoor minimaal 20.000 francs neergeteld moest worden.150 Ook behartigde hij haar financiële belangen. Via Voorbeijtel bedong hij voor haar een salaris van 15.000 francs per maand en minder moest ze niet accepteren, want het leven in Parijs was erg duur.151 Haar eerste salaris zou zelfs hoger uitvallen, 21.000 francs per maand. Op het laatst vroeg hij nog wat rookwaren te sturen, want ‘tu fumeras avec moi.’152 Op 15 april 1945 was de opheffing van de Franse afdeling van de RVD in Londen een

146. Sadi de Gorter aan JM, 7 februari 1945. 147. Sadi de Gorter aan JM, 9 februari 1945. 148. Sadi de Gorter aan JM, 192

ongedateerd [maart 1945]. 149. JM aan Sadi de Gorter, 3 maart 1945. 150. Sadi de Gorter aan JM, 8 januari 1945.

151. Sadi de Gorter aan JM, 8 januari 1945. 152. Sadi de Gorter aan JM, 6 maart 1945.

153. Mededeling Eric en Evelyne Mendels, 2008. 193

HOOFDSTUK 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

Josepha herkende Parijs in april 1945 niet meer.1 De stad was een schaduw geworden van wat die eens was. Winkels boden een troosteloze aanblik: ze waren leeg en vulden hun etalages met kartonnen modellen van hun afwezige koopwaar.2 Alleen via handel op de zwarte markt, die tijdens de oorlog welig had getierd en nog jarenlang na de oorlog van nut zou zijn, kon men het beperkte aanbod aan voedsel, kleding en gebruiksgoederen aanvullen. Elektriciteit was er wel, maar viel zeer regelmatig uit, zodat er voortdurend kandelaars en kaarsen achter de hand gehouden moesten worden.3 Om die reden, en vanwege de gebrekkige voorraden, hielden cafés en restaurants hun deuren drie dagen per week gesloten. 4 Begin 1946 nog voerde Parijs een bonnensysteem voor brood in, zodat de schamele productie evenwichtig over de bewoners verdeeld kon worden.5 De woningnood in Parijs was vlak na de oorlog enorm.6 Er keerden meer dan een miljoen mensen terug naar de stad die allemaal een beroep deden op de beperkte voorraad woningen die niet beschadigd was. In Parijs waren de duurdere huizen die door vluchtelingen waren verlaten, ingenomen door militair personeel. Eenvoudiger huizen waren leeggehaald door de nazi’s en aan andere mensen toegewezen. Na de oorlog ontstonden er in voormalig joodse wijken protesten tegen het voornemen om de woningen aan de oorspronkelijke bewoners terug te geven.7 Het antisemitisme in de Franse maatschappij was door de oorlog alleen maar toegenomen. Josepha kon niet terugkeren naar haar huis aan de Rue Vavin. Een hotel in de Rue de Ponthieu, vlakbij de Champs Élysées, werd daarom haar eerste vaste stek. De hotelkamer met badkamer kostte haar 1.000 francs per maand. Voor de oorlog was dat bedrag goed voor drie maanden huur, dus ze vond het duur.8 Maar ten opzichte van haar salaris dat 21.000 francs per maand bedroeg, was het geen aderlating. Ze bleef er acht maanden voordat ze een eigen huis in Parijs kon betrekken, een kleine woning aan de Rue Poulletier 8 op het Ile Saint Louis. Dit eilandje in de Seine ligt in het chique vierde arrondissement, op een steenworp afstand van de Notre Dame, die op het naastgelegen Île de la Cité staat. De buurt kende ze nog van de periode dat ze er tijdens de wereldtentoonstelling in een hotel had gewoond. Met de kamer en het keukentje was ze dolblij, omdat ze na de lange hotel-

DEEL III 1945–1949 De lege sociale ruimte

194

1. JM aan Berthe, 13 januari 1946. 2. Beevor, Anthony & Artemis Cooper. (2004, oorsp. 1994) Paris after the liberation 1944–1949. New York: Penguin Books: 190. 3. Beevor & Cooper (2004). 4. Cohen-Solal, Annie. (1989) Sartre, zijn biografie. Amsterdam: Van Gennep. 5. JM aan Berthe Edersheim, 13 januari 1946.

6. Zie voor de materiële en immateriële problemen van teruggekeerde joden: Auslander, Leora. (2005) ‘Coming home? Jews in Postwar Paris’, in: Journal of Contemporary History, vol. 40, no. 2, Domestic Dreamworlds: Notions of Home in Post-1945 Europe (Apr.): 237–259. 7. Auslander (2005): 244–245. 8. JM aan Berthe Edersheim, 16 mei 1945. 195

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

periode vrienden bij haar thuis kon uitnodigen. Eerst kwam Jean Millot, later ook Eli met haar man Raoul en vanzelfsprekend Sadi, die in het woninkje elektriciteit aanlegde en de wanden van behang voorzag.9 De gemeenschappelijke douche was vier keer per week open. Het toilet deelde ze met bewoners van drie verdiepingen, waardoor ze regelmatig voor een dichte deur stond.10 Josepha was gewend om de wasbak te gebruiken voor een plas, maar aan de veelvuldig niet beschikbare wc op de Rue Poulletier hield ze ‘lastige darmen’ over.11 ‘En als ik daar ‘s ochtends heen ging, dan riepen ze: ‘Laissez moi en paix’. Laat me met rust om te … hoe zal ik het zeggen, om te schijten. In het Frans. Laissez moi chier. En paix.’12 Voor het schoonmaken van haar optrekje nam ze een femme de ménage die ook zorgde voor het strijken en verstellen van kleding.13 Het ongedierte dat er rondkroop, voornamelijk wandluizen, werd bestreden met pesticide, waarvan de merknaam ‘fly tox’ een werkwoord werd: f ly toxer dans l’armoire.14 Kolen en hout sjouwde ze in de koude winter van 1945 / ’46 regelmatig de trappen op. Zoals zoveel panden in Parijs maakte de woning deel uit van een karakteristieke cour die werd beheerd door een conciërge. Zo iemand ontving de post en in zijn of haar loge was een telefoon voor de bewoners. ’s Avonds om negen uur deed hij het hek dicht en konden bezoekers alleen via hem de woningen betreden. De conciërge fungeerde tevens als informatiepunt voor de laatste nieuwtjes en roddels en hield ook de normen in de gaten: heren- of damesbezoek ging niet ongemerkt voorbij. Het naoorlogse gebrek aan alles maakte de Parijzenaars creatief en ook Josepha sprak haar contacten aan om haar kleding- en proviandkast te vullen. Sinds haar schriftelijke kennismaking met Jan Greshoff in 1944 onderhield ze een vriendschappelijke briefwisseling met de literator, die na de oorlog naar Zuid-Afrika was teruggekeerd. Ze zetten een creatief ruilhandeltje op, dat voor beiden attractief was. Zij kocht voor hem boeken die niet te krijgen waren in Kaapstad en in ruil daarvoor stuurde hij kleding en stoffen die in Zuid-Afrika ruim verkrijgbaar waren. Het begon met zijden kousen die er goedkoop waren. Het zaakje breidde zich in de jaren vlak na de oorlog uit naar lichtblauwe waszijde en ‘ripsfluweel’ in de kleuren groen, korenblauw, lichtblauw of geel15, om blouses en mantelpakjes van te laten maken16 en bij wijze van variatie bestelde Josepha ‘een vriendelijke pyjama, of een ring met een Afrikaanse fantasiesteen’.17 Greshoff, die deze boodschappen door zijn vrouw Aty liet doen, ontving in ruil daarvoor onder andere werken van Charles Baudelaire, François Mauriac, Alfred Jarry, Arthur Rimbaud en André Gide die hij haar opgaf. Josepha moest daarvoor verschillende boekwinkels langs, maar dat deed ze graag: ‘Ik vind het zelfs prettig al die boeken te zien die ik zelf toch nooit zal lezen – althans voorlopig niet.’18 Ook was hij geïnteresseerd in catalogi van uitgeverijen waarop zij de hand kon leggen, zodat Greshoff in Kaapstad op de

9. JM aan Berthe Edersheim, 13 januari 1946. 10. Etty (1986). 11. Etty (1986). 12. Etty (1986). 13. JM aan Berthe Edersheim, 13 januari 1946 14. Onder andere Sadi de Gorter 196

aan JM, 21 juni 1946. 15. JM aan Jan Greshoff, 28 oktober 1946. 16. JM aan Jan Greshoff, 10 augustus 1946. 17. JM aan Jan Greshoff, 28 oktober 1946. 18. JM aan Jan Greshoff, 22 juli 1946.

hoogte bleef van de ontwikkelingen in de Franse maar ook de Nederlandse literatuur. Om de beurt stuurden ze elkaar staatjes van de kosten die ze gemaakt hadden voor de aankoop en verzending van de goederen. In 1948 kwam er een einde aan en wie de ander nog geld schuldig was, wisten ze na verloop van tijd zelf niet meer. Voedingsmiddelen ontving Josepha van Berthes zus Leni uit Amerika en van een vriendin van haar moeder die daar ook woonde.19 Ook kousen werden haar van daaruit opgestuurd, door Abram de Swaan (sr), met wie de familie Mendels al voor de oorlog bevriend was. Via haar werk waren er wel eens sinaasappelen of citroenen te verdelen onder het personeel.

Regeringsslaaf Vanaf april 1945 was Josepha verbonden aan de Nederlandse ambassade in Parijs, gevestigd aan de Rue de Grenelle 85 in het sjieke maar wat saaie zevende arrondissement. In overeenstemming met internationaal beleid werd het vooroorlogse gezantschap in Parijs op 19 april 1945 omgezet in een ambassade, die meer aanzien en slagkracht had. Als medewerkster van de persafdeling maakte Josepha er samen met Sadi het weekblad Nouvelles de Hollande, een voortzetting van het Bulletin Hebdomadaire d’Information. Het bevatte nieuwtjes over Nederland die van belang werden geacht voor een Franssprekende publiek, in die tijd de taal van de diplomatie. Hun baas was Marius Voorbeijtel, de persattaché, met wie ze beiden op goede voet stonden. Minister Van Kleffens had hem deze functie beloofd, na een leven dat vooral in het teken van de journalistiek had gestaan.20 Het werk bood Josepha structuur en een salaris, maar bevredigend was het nauwelijks. Ze las Nederlandse kranten en selecteerde en vertaalde daar stukjes uit die werden opgenomen in Nouvelles de Hollande. ‘Gap-journalistiek’ noemde ze het, en ze spande zich er niet erg voor in.21 De middagpauzes waren een aangename onderbreking, vooral wanneer ze op het terras van café de Flore kon gaan zitten, of wanneer er leuke mensen aanschoven voor de lunch, zoals Hans Gomperts, correspondent van Het Parool. Hem kende ze nog uit Londen en hij zou in de jaren vijftig en zestig een invloedrijk letterkundige worden. Ook ging ze een korte periode intensief om met Ima van Esso, een jonge vrouw die verwilderd teruggekeerd was uit Auschwitz en tijdelijk in Parijs verbleef, waar ze bij de Missie tot Opsporing van Vermiste Personen uit de Bezettingstijd werkte. Ze logeerde in oktober en november 1945 bij Josepha in het hotel en deelde het bed met haar.22 Ook hadden ze samen seks met Sadi.23 Van Esso, die ze via De Gorter leerde kennen, zou een levenslange vriendin blijven. Josepha’s lage waardering voor haar werk had ongetwijfeld te maken met haar verlangen nu eindelijk schrijfster te zijn. Dat was het voornemen waarmee ze uit Londen was gekomen en het enige wat het nog waard was om voor te leven. De vestiging in Parijs

19. Sadi neemt een pakket van mevrouw Polak in ontvangt met onder andere rijst, gedroogd fruit, een blikje zalm, sigaretten en een gebruikte kimono. Sadi de Gorter aan JM, 17 juni 1946.

20. Sadi de Gorter aan Loe de Jong, 8juni 1976. NIOD. 21. JM aan Berthe Edersheim, 16 mei 1945. 22. Dat JM en Ima van Esso een korte verhouding hadden, werd bevestigd

door haar zoon Ed Spanjaard, 2013. 23. ‘Hoe graag had ik in [hotel] Crystal liefde gemaakt met drie, zoals toen met Ima….’. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [1948].

197

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

maakte het mogelijk haar droom waar te maken, omdat ze door de Franse hoofdstad geïnspireerd raakte en zich er een schrijfster kon voelen. Meer dan in Nederland speelde literatuur er een rol in het openbare leven. Schrijvers in Frankrijk kregen na de oorlog een vergelijkbare status als militairen; hun houding in de oorlog was bepalend voor hun toekomst. Collaborerende auteurs, en in sommige gevallen hun uitgevers, werden direct na de oorlog gearresteerd en berecht. Verzetsstrijders kregen eervolle functies, zoals André Malraux. Deze auteur van het met de Prix Goncourt bekroonde La Condition Humaine uit 1933, werd in 1945 benoemd tot minister van Voorlichting.24 Hij zou zijn schrijversloopbaan blijven combineren met de politiek en een vooraanstaande functie voor kunst en literatuur in de samenleving propageren. Josepha was 43 jaar, stond op het punt om te debuteren als romancière en had een volgend boek al half klaar. Het onderwerp voor een derde boek rijpte ook al in haar hoofd. In zekere zin had ze haast om de verloren jaren in te halen. Ze dacht dat ze door een paar jaar hard te werken in loondienst een financiële reserve kon opbouwen en ondertussen kon doorwerken aan haar oeuvre.25 Voor haar vijftigste verwachtte ze vier à vijf boeken te kunnen afleveren.26 Haar eerste wapenfeit was de voorpublicatie van het hoofdstuk ‘Speelgoed’ uit Rolien en Ralien in In de Verstrooiing, een verzameling fragmenten van schrijvers die tijdens de oorlog buiten Nederland verbleven, samengesteld door Jan Greshoff.27 In 1946 ontving ze een exemplaar, dat in de Verenigde Staten was uitgebracht. Het waren korte verhalen, beschouwingen en poëzie van enerzijds debutanten als Leo Vroman, R. Nieuwenhuys en zijzelf en anderzijds van voor de oorlog gevestigde namen als Johan Fabricus, Marnix Gijsen, Siegfried van Praag en Greshoffs beschermeling Adriaan van der Veen. Dola de Jong en Beb Vuyk waren met Mendels de enige vrouwen. Nadat het boek gearriveerd was, inspecteerde ze eerst haar eigen verhaal en ging vervolgens na hoeveel vrouwen, katholieken, protestanten en joden er in de anthologie waren opgenomen. Ze was niet ontevreden.28 Parijs zou haar helpen om haar leven als schrijfster van de grond te krijgen. Saint Germain-des-Prés kwam na de oorlog in de greep van het existentialisme en men kon er Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir of Albert Camus en hun vele volgelingen in zwarte coltruien zien zitten in de populaire cafés. De stad werd overspoeld met literaire clubs, lezingen en discussieavonden waar het cultureel uitgehongerde publiek in groten getale op af kwam. Ook andere kunstvormen kwamen snel weer op gang. Josepha genoot ervan: [Parijs] is […] heerlijk! Heerlijk voor een vrij kunstenaar. Het letterkundig leven bloeit er, café de Flore is het centrum, er zijn goede exposities, goede concerten, er is internationaal 24. Cohen-Solal (1989): 272. 25. JM aan Greshoff, 21 januari 1945. 26. ‘Voor mijn vijfenveertigste is het af, dus voor mijn vijftigste heb ik minstens vier à vijf boeken geschreven. Dat is nog zo gek niet, he? Net 5 jaar na Rolien is dit af…’. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [voorjaar / zomer 1947]. 27. Greshoff, Jan. (1945) In de Verstrooi198

ing: een verzameling letterkundige bijdragen van schrijvers buiten Nederland 1940 – 10 mei – 1945, bijeengebracht door Jan Greshoff. New York: Querido 1945. 28. Uit Sadi de Gorter ‘Le livre des contes de Rue Poulletier’, 13 februari 1946 [een soort dagboek waarin Sadi gedachtes en gebeurtenissen beschreef wanneer hij in Josepha’s huis was].

theater en er zijn diverse films. Er zijn kranten en tijdschriften, er is de Seine en dat eeuwige stimulerende in de atmosfeer. 29 Toch stimuleerde die atmosfeer haar onvoldoende om het tweede boek snel af te ronden. Het manuscript van Je wist het toch…, dat toen nog Raderdier gaat oorlog maken heette, lag onafgemaakt in een la. Ze moest al heel snel na haar terugkeer uit Londen constateren dat ze gedurende de werkweek niet toekwam aan schrijven. ’s Avonds was ze te moe en had ze ‘geen ideeën’.30 Haar functie in overheidsdienst stond de ontwikkeling van haar schrijverschap in de weg. ‘Walgelijke wereld, dat een mens om geld, zich moet verhuren als regeringsslaaf.’31 De situatie waarin ze zich bevond, achtte ze eigenlijk niet terecht. Zij, een talentvol auteur, moest een saaie kantoorbaan aanhouden, terwijl haar literaire ideeën gedoemd waren om ongebruikt in haar geest te blijven hangen. ‘Ik heb een plan voor het derde boek, maar zal daar uitsluitend door geldgebrek niet genoeg aan kunnen werken.’32 Ze had, zo vond ze, recht op bijstand van de overheid, net als de straatarme schilders die ze voor de oorlog in Amsterdam had gezien voor wie eind jaren dertig een gemeentelijk fonds werd opgericht. De gedachten daarover had ze in Londen ontwikkeld, waar nog het idee heerste dat het politieke bestel van Nederland na de oorlog radicaal zou veranderen: ‘Zou die regering van de toekomst niet dan wat meer voor de schrijvers kunnen doen?’33 Ze deed per brief een verzoek of zij op kosten van de overheid een schrijfmachine kon aanschaffen om thuis aan haar roman te werken, nadat ze gehoord had dat die in het naoorlogse Parijs niet te krijgen waren. Van minister Gerrit Bolkestein van OK & W kreeg ze een onomwonden afwijzing, die zij als een staaltje van ‘onbegrip of onwil’ betitelde.34

Het grote niets In Parijs waren Sadi en Josepha vrienden geworden. Ze hadden het beiden van tevoren geweten, aan hun verhouding zou een einde komen en Sadi zou zich na de oorlog weer met zijn vrouw verenigen. En ook al had Sadi zijn vriendin erg gemist toen ze nog in Londen zat, hij was tot de conclusie gekomen dat het beter was dat zij een ‘passante anonyme’ werd.35 ’s Avonds wachtte Gisèle nu op hem. Londen was een intermezzo geweest, een heerlijk intermezzo, en onvergetelijk, maar wel: voorbij. Het echt leven was weer aan zet. De eerste tijd samen in Parijs was in die constellatie moeilijk geweest. Het samen werken op de ambassade moet even vertrouwd als vreemd geweest zijn, maar het lukte aanvankelijk om als volwassenen met elkaar om te gaan en hun verhouding te vergeten. Af en toe had Josepha wel ‘de lust bekropen nog eens één dagje met hem langs Gods wegen te dwalen, als twee gelukkige kinderen’36 maar in mei 1945, slechts een paar weken in Parijs, was ze er al aan gewend. Althans, dat schreef ze aan Berthe.37 Haar zelfkennis schoot hierbij tekort. De aantrekkingskracht en de liefde tussen Sadi en Josepha waren niet verdwenen en na maanden deed zich een kans voor om samen alleen te zijn – waarschijnlijk op het moment dat Josepha haar hotelkamer ver-

29. JM aan Greshoff, 18 juni 1946. LM. 30. JM aan Greshoff, 13 juli 1947. LM 31. JM aan Greshoff, 22 juli 1946. 32. JM aan Greshoff, 13 juli 1947.

33. JM aan Greshoff, 21 jan 1945. 34. JM aan Greshoff, 21 januari 1945. 35. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [1945].

36. JM aan BE, 16 mei 1945. 37. JM aan Berthe Edersheim, 16 mei 1945.

199

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

ruilde voor een eigen woning en Sadi haar hielp met inrichten. Hij benutte de situatie om haar zijn ongebroken liefde te betuigen: Des mois ont passé depuis que je t’avais demandé de redevenir la passante anonyme dont Londres aurait brouillé les traces. L’un près de l’autre aujourd’hui nous ne faisons pas une trop vilaine figure: tu joues à ravir le rôle de la ‘ménagère’ apprivoisée, j’improvise une autre légende du malade imaginaire. Chère petit elfe, du pays des plaines robustes, nous avons un bon bout de chemin à parcourir ensemble. Oui, malgré les apparences parfois contraires, je suis et reste à tes côtés, et que tu le veuilles ou non, je suis et je reste ton Sadi.38 Tegen zoveel vastberadenheid kon Josepha niet op. Zonder meer gaf ze zich na die maanden van volhouden aan hem over. Zijn liefde voor haar was onweerstaanbaar. En van zijn kant, het was niet dat Sadi niet van Gisèle hield, integendeel zelfs, maar Josepha voegde iets toe aan zijn leven dat niemand anders hem kon geven. Na deze hartstochtelijke verklaring zetten ze hun verhouding voort alsof die nooit verbroken was geweest. In de loop van 1946 werd het traditie voor de tortelduiven om de vrije zaterdagmiddag samen door te brengen, al dan niet in bed. Tijdens periodes dat een van tweeën buiten de stad was, schreven ze elkaar gloeiende epistels. Haar brieven ontving hij discreet in een postbus in de Rue Vignon, waar hij dagelijks een of twee keer naartoe ging. Met Gisèle en zijn dochtertje Jacqueline woonde hij inmiddels in Nogent, een tiental kilometers buiten Parijs, waar zijn 61-jarige moeder en zijn zus Erna in 1946 bij introkken. Wanneer Josepha de stad uit was, maakte Sadi op zaterdagmiddag gebruik van haar huis om er te schrijven, te rusten en te masturberen.39 In de woning lag le livre des contes de rue Poulletier, een dagboekachtig cahier, waarin hij fragmentarische gedachtes en gebeurtenissen noteerde. Hij genoot in haar ‘Kabouterhuis’: ‘Quel paix, quel bonheur. Raderdier a fait du café, et il l’a bu à ta santé!’40 Dat ze elkaar er in Londen doorheen gesleept hadden, was slechts het begin geweest van een langdurige verbondenheid. Hij was het onmisbare klankbord voor haar literaire ontwikkeling en de man met wie ze het liefste seks had – maar niet de enige. Zij was voor hem de oudere en wijzere vrouw die hem uitdaagde, tegensprak en zijn grote lichamelijke behoeften bevredigde. In de tweede helft van 1946 zag Josepha kans om zich ten dele van de gapjournalistiek te ontdoen. Ze nam een paar maanden halve dagen vrij bij de ambassade, omdat ze een voorschot van uitgeverij Querido had gekregen voor het schrijven van haar tweede boek. Querido had Rolien en Ralien weliswaar aangenomen, maar moest wachten op de beschikbaarheid van papier om het te kunnen publiceren. Haar zomervakantie, drie weken aan de Bretonse kust, had ze besteed aan het tweede boek. Het schrijven ging moeizaam, uiterst moeizaam

38. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [1946]. 39. Sadi de Gorter aan JM, 21 juni 1946. 200

40. Sadi de Gorter aan JM, 21 juni 1946.

Ik ben tot de ontdekking gekomen dat het schrijven van een boek het vervelendste werk is [dat er bestaat]. Het luieren en het vormen van de gedachte, en daarna de compositie en het vertroetelen van de taal, dat is prettig. Maar ik zou wensen een secretaresse te hebben die de zinnen van de eerste opzet uit mijn hoofd haalde en mij dan het manuscript gaf. 41 Haar getalm en gedraal kwam Sadi ter ore. Zelf probeerde hij dagelijks enkele uren te besteden aan zijn dichtwerk, een inspanning die overigens pas in 1952 zou leiden tot zijn eerste naoorlogse bundel. Hij wist allang wat er aan de hand was met zijn romanschrijvende vriendin L’obstacle premier à vaincre, c’est, et je crois que tu le sens, la paresse. On ne fait pas de grandes choses si l’on ne sacrifie pas une partie de son temps au travail: travail d’application, pénible, difficile, fatiguant, décourageant, morne, ennuyeux, malaisé et nécessaire. Pense à la joie de l’amour et à la douleur de l’accouchement!42 Luiheid was niet het enige probleem waar Josepha mee kampte. Het was de eenzaamheid die haar bestaan doordesemde. ’s Zondags liep ze te dolen door de stad, zichzelf dwingend iemand aan te spreken of te ontmoeten voordat ze haar kamer weer opzocht. 43 De dagelijkse gang naar de ambassade die haar zo irriteerde, leverde haar niet alleen een salaris op. Het bood haar de regelmaat en het sociale verkeer die haar afleidden van het grote niets waarin ze na de oorlog terecht was gekomen. De ontvangst van In de Verstrooiing, haar eerste echte letterkundige publicatie in boekvorm, had Josepha geconfronteerd met de afwezigheid van haar familie in de rol van bewonderend publiek. Sadi beschreef haar gemis in hun gezamelijke dagboek: [E]lle pensa surtout à ceux qui dans la tourmente avait été vaincu. Ils sont nombreux, hélas, ceux et celles qui auraient eu plaisir à lire et a relire ce texte imprimé sur un format autre que le format standard du journal, de l‘hebdo, et qui ne sont plus… 44 Josepha had geen hoop meer haar familie terug te zien, zo schreef ze in mei 1945 aan Berthe. 45 In Parijs ging ze een korte periode uitsluitend in het zwart gekleed. 46 De waarheid over de vernietigingskampen drong pas na de oorlog, onder andere via de enkele teruggekeerde kampslachtoffers, in volle omvang door tot de Nederlandse bevolking, terwijl journalisten en regeringmedewerkers in Londen al eerder op de hoogte waren. Maar tastbare bewijzen bleven voor Josepha lange tijd uit. In december 1945 kwam er van het Centraal Registratie Bureau voor Joden bericht dat Emma, Edith, Ada en een

41. JM aan Greshoff, 18 juni 1946 LM. 42. Sadi de Gorter aan JM, 22 juni [1946]. 43. ‘Niet zo lang geleden, toen ik nog op een bureau werkte liep ik vaak ’s zondags helemaal alleen rond en dan zong ik: ik ga niet naar huis voor ik een levend wezen heb ontmoet – en ik ga niet naar huis & steeds maar door en er kwam niemand want die duizenden

die mijn weg kruisten waren voor mij geen levende wezens’. JM aan Simon Vinkenoog, ongedateerd [mei 1953]. 44. Sadi de Gorter in ‘le livre des contes de rue Poulletier’, 16 februari 1946. 45. JM aan Berthe Edersheim, 16 mei 1945. 46. JM aan Berthe Edersheim, 16 mei 1945.

201

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

van haar zoons ‘vermoedelijk’ gedeporteerd waren naar Auschwitz, een onheilstijding die besloot met: ‘tot op heden ontvingen wij geen bericht omtrent hun terugkeer naar Nederland’. 47 Het maakte een bezoek aan Nederland een weinig aantrekkelijk perspectief, het land was vol herinneringen. Niettemin woonde ook Berthe er, die reikhalzend uitzag naar een hereniging. Internationaal reizen was vlak na de oorlog nog moeilijk, maar in augustus 1945 kon ze gaan. De trein die haar stapvoets langs RotterdamHillegersberg voerde, dan langs Den Haag en tenslotte naar de eindbestemming Amsterdam confronteerde haar met de leegte, de anonimiteit van deze steden die vroeger juist ontmoetingen betekenden. Haar hele leven zou dit traject haar met pijn en verdriet vervullen en iedere keer voelde het alsof het voor het eerst sinds de oorlog was, dat ze die plekken passeerde. 48 Na de oorlog keerden er 5500 joden terug uit de kampen. 16 000 hadden de oorlog overleefd door onder te duiken en 8000 joden waren gered door hun huwelijk met een niet-joodse partner. 49 Vooral de eerste twee groepen moesten hun leven volledig opnieuw opbouwen. Ze bezaten doorgaans niets, hadden geen verblijfplaats, geen huisraad en geen bron van inkomsten. Jaap en Liesje Meijer bijvoorbeeld, die met hun zoontje Ischa rond april / mei 1945 terugkeerden uit Bergen-Belsen naar Amsterdam, moesten maanden logeren bij vrienden, kennissen of de schaarse familie die er nog was. In december betrokken zij een eigen woning.50 De bakker Nathan Vuijsje, teruggekeerd uit Auschwitz, sliep de eerste maanden op de bank bij zijn broer, terwijl zijn echtgenote met hun zoon en dochter bij zijn schoonmoeder verbleven.51 In november konden ze met honderden anderen bij elkaar gaan wonen in een opvanghuis voor joden aan de Plantage Middenlaan 48, een voormalig joods bejaardentehuis waarvan de bezetter de bewoners en hun verzorgers in 1943 had gedeporteerd.52 Onder de teruggekeerde en opgedoken slachtoffers bevonden zich joden die net als Josepha al hun familie verloren en hun ervaringen vroeger of later via literaire kanalen zouden vormgeven. Gerhard Durlacher, enige zoon van vermoorde ouders, zou dit pas na zijn pensionering doen. Hij betrok na de oorlog een kamer bij een hospita waar hij trachtte te studeren. In de verhalen die hij daar over schreef, overheerst de hartverscheurende eenzaamheid.53 Hanny Michaelis, net als Durlacher enig kind van ‘niet-teruggekeerde’ ouders, begon na de bevrijding aan depressies te lijden.54 Marga Minco, ook enige overlevende van haar familie, kende moeilijke naoorlogse jaren, waarin gevoelens van schuld en vervreemding om voorrang vochten. Haar schrijversleven, dat in 1957 begon met de klassiek geworden kroniek Het Bittere Kruid zou volledig in het teken blijven staan van haar ervaringen gedurende de oorlog.55

47. Deze brief is afgedrukt in Nord (1981): 37. 48. Van Verre (1982). 49. Brasz, F.C. (1995) ‘Na de Tweede Wereldoorlog: van kerkgenootschap naar culturele minderheid’, in: J.C.H. Blom (1995): 351. Het aantal gemengd gehuwden ligt volgens Stuhldreher op 8610. Stuldreher, Coen. (2007) De legale rest: Gemengd gehuwde joden 202

onder de Duitse bezetting. Amsterdam: Boom. 50. Gans (2008): 373–378. 51. Vuijsje (2012): 136. 52. Ibidem: 138 en www.joodsmonument.nl > Plantage Middenlaan 48. 53. Durlacher, G.L. (1995) ‘Een muis in Delft’ en ‘Sonja’ in: Niet Verstaan: verhalen. Amsterdam: Meulenhoff. 54. Michaelis, Hanny. (2002) Verst

Verleden. Jeugdherinneringen verteld aan Nop Maas. Amsterdam: Van Oorschot: 154. 55. Snapper, Johan P. (1999) De wegen van Marga Minco. Amsterdam: Bert Bakker: 39.

Onder joden bestond na de oorlog een hiërarchie van leed die gebaseerd was op de ervaringen tussen 1940 en 1945. Iemand die in een kamp had gezeten stond in hoger aanzien dan iemand die ondergedoken had gezeten. Het deed er ook nog toe om welk kamp het ging, Auschwitz was erger dan Theresienstadt.56 Zelfs binnen een familie bestond dit sentiment, bijvoorbeeld bij de Vuijsjes. Vier van zes broers overleefden de oorlog, allen onder verschillende omstandigheden. Nathan Vuijsje doorstond de oorlog in Auschwitz, waar hij zijn leven dankte aan het feit dat hij in het kamporkest speelde. Hoewel Vuijsje zich er niet op liet voorstaan, voelde een van zijn broers zich schuldig, omdat hij ‘alleen maar’ ondergedoken had gezeten.57 Vuijsje relativeerde zijn eigen lot echter ten opzichte van joden die het in zijn ogen pas echt moeilijk hadden gehad.58 Joden die niet in een kamp hadden gezeten en ook niet ondergedoken waren, maar tot de degenen behoorden die in een geallieerd land de oorlog overleefden, bungelden wat de leedhiërarchie betreft onderaan, nog lager dan de gemengd gehuwden. Met haar levensbedreigende vlucht en haar persoonlijke verliezen kon Josepha in Nederland zodoende niet aankomen – als ze dat al gewild had. Voor haar ervaringen zou geen luisterend oor te vinden zijn. De na-oorlogse periode werd voor meer mensen, joden en niet-joden, gekenmerkt door de wens niet meer achteruit te kijken, maar zich op de toekomst te richten. Wat er over was van de joodse bevolking was een fractie van de gemeenschap van voor 1940. De naoorlogse jaren kregen voor joden de gedaante van een lege sociale ruimte.59 Buiten de vermoorde familieleden, vrienden, kennissen en buren was er een complete sociale structuur verdwenen. Voor Josepha was dat naast haar familie het Haagse leven dat ze in 1936 had verruild voor Parijs. De Joodse Vrouwenraad bestond niet meer, en ook de kwetsbare groepen voor wie deze opkwam, waren weg. De meisjes van het Zwaluwnest, met wie ze op vriendschappelijke voet had gestaan, waren op een enkele uitzondering na in de kampen bezweken of vergast. Het was niet meer vanzelfsprekend om joden tegen te komen tijdens werk of vrije tijd, op straat of in het café. Om maar te zwijgen van synagoges. Het werd heel moeilijk om onder die omstandigheden betekenis te geven aan een joodse identiteit, stelde publicist Tamarah Benima in 1994. ‘Een zekere bevestiging van de culturele identiteit heeft iedereen nodig, hoe gering ook.’60 Gevoelens van antipathie jegens andere joden waren uit den boze geworden. Ook de klassenverschillen verdwenen. De moeder van Jacques Wallage constateerde dat ze na de oorlog in Groningen gegroet werd door joden die haar voor 1940 niet hadden zien staan, omdat zij uit een lagere sociale klasse afkomstig was.61 De joodse identiteit van de kleine joodse naoorlogse gemeenschap bewoog zich in verschillende richtingen.62 Van buiten werd deze groep lastiggevallen door het antisemitisme dat vijf jaar Duitse jodenhaat had achtergelaten onder de Nederlandse bevolking en 56. Gans (2008): 383. 57. Vuijsje (2012): 163. 58. Ibidem. 59. Benima, Tamarah. (1994) ‘De lege sociale ruimte van joden in Nederland’, in: Icodo info 94–1. 60. Benima (1994): 60. 61. ‘Ik weet dat mijn moeder na de

oorlog contact had met mensen ‘die ons voor de oorlog niet aankeken.’ Daarmee bedoelde ze: het standsverschil was te groot, die mensen waren te hoog voor ons. Na de oorlog viel dat weg. Toen was het allemaal zo klein.’ Mededeling Jacques Wallage, 2006. 62. Cf. Brasz (1995): 351–403. 203

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

dat in 1945 kortstondig opvlamde.63 En antisemitisme versterkt doorgaans de bestreden identiteit.64 Een deel wilde zo goed en zo kwaad als het ging de orthodox joodse gemeenschap heroprichten. Een ander deel kon na de oorlogservaringen niet meer aarden in Nederland en emigreerde, hetzij naar het ideologisch geladen Palestina en later Israel, hetzij naar een anoniemer buitenland. Tenslotte was er een groep die op geen enkele wijze meer aan de oorlog herinnerd wenste te worden en alle banden verbrak, bijvoorbeeld door zich te laten dopen of door de joodse naam te wijzigen.65 Josepha zou gaandeweg haar positie in deze verwarrende context vinden en zei er veel later over: Ik heb nooit gezegd: ik ben geen jodin. Ik ben ook geen juive honteuse, een jodin die zich schaamt, dat vind ik het ergste wat er is. Er zijn er zoveel geweest die na de oorlog hun naam hebben veranderd of een stuk [ervan] afgehakt [hebben] wat joods kon zijn. Of ze hebben zich meteen laten dopen of weet ik meer. Dat vind ik verschrikkelijke mensen. Ze voelde zich wel joods, maar deed er in haar eigen optiek niets mee. Maar ook Josepha kreeg in haar omgeving met antisemitisme te maken. En dan stond ze wel degelijk voor haar identiteit. Als er in een gezelschap rotmoppen werden verteld over joden, dan zei ik: je kan er nu wel mee ophouden. Zeker na de oorlog, want ik ben honderd procent joods. Niet dat ik joods leef of bewust joods ben, maar ik wil niet dat je erop zit te schelden. Vooral na de oorlog heb ik dat vaak moeten zeggen in een gezelschap. Er zijn er zes miljoen kapot gegaan dus als je er nu nog moppen over wil maken doe je dat maar ergens anders […]. In de naoorlogse periode zou dit haar persoonlijke basishouding vormen; ‘er’ niets mee doen maar zich wel joods voelen. Als schrijfster zou ze echter wel degelijk de positie van bewuste jood in gaan nemen, vooral in Je wist het toch…. De tragiek van het joodse identiteitsvraagstuk is, dat het na de oorlog decennialang volledig overwoekerd zou worden door de Holocaust.66 Maar daarvoor moesten eerst de jaren van wederopbouw achter de rug zijn.

Berthes oorlog Berthe Edersheim had een geheel andere oorlog achter de rug dan Josepha. Haar huwelijk met de niet-joodse Harmen Meurs had haar gevrijwaard van de meest dramatisch maatregelen van de nazi’s. Van het wisselvallig beleid ten aanzien van gemengd gehuwden hadden vrouwelijke joodse partners in mindere mate te lijden gehad dan de mannelijke, maar de dreiging die er van steeds nieuwe koerswijzigingen uitging moet niet onderschat worden. Een korte periode ‘experimenteerde’ de bezetter in Nederland

63. Hondius, Dienke. (1998, herziene editie) Terugkeer. Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding. Den Haag: Sdu Uitgevers. 64. Meyer (1990): 33–58. 65. Tussen de 250 en 300 mensen 204

veranderden hun achternaam. Een onbekend aantal veranderde hun voornaam. Hondius (1998): 165–166. 66. Onderzoek uit 1999 laat zien dat 77 procent van de onderzoekspopulatie hun joods-zijn verbindt met de invloed

van de Tweede Wereldoorlog. Solinge, Hanna van & Marlene de Vries (red.) (2001) De joden in Nederland anno 2000. Demografisch profiel en binding aan het jodendom. Amsterdam: Aksant: 117.

bijvoorbeeld met het steriliseren van gemengd gehuwden. Na zo’n zogenaamd vrijwillige behandeling behoefden deze ‘sterielen’ geen jodenster meer te dragen, maar slechts een heel klein deel van de 8610 gemengd gehuwde echtparen ging akkoord met dit duivelspact.67 In 1943 bleek dat de vervolging van Nederlandse gemengd gehuwden vooruit liep op richtlijnen uit Berlijn en werden alle maatregelen stopgezet en zelfs naar Westerbork gedeporteerden vrijgelaten. In Duitsland was men nog niet zo ver: gemengd gehuwden hadden er een betere positie dan in Nederland. Hitler kon maar geen besluit nemen over huwelijken tussen ariërs en joden. Het gevolg was een half­ slachtig beleid, waarbij gemengd gehuwden soms, ten dele werden uitgezonderd van het beleid dat op ‘volbloed joden’ werd toegepast. Gemengd gehuwden zonder kinderen stonden er beter voor dan die met.68 Berthe en Harmen hadden zich beziggehouden met overleven, onder meer dankzij hun moestuin en de nabijheid van boeren, waardoor hun de grootste hongersnood bespaard bleef. Harmen verdiende daarnaast bij met het verbouwen en verhandelen van tabak.69 Berthe had het beter getroffen dan Josepha wat betreft het lot van verwanten. Hoewel een tante was bezweken in Westerbork, was het merendeel van Berthes nabije familie gespaard, al was die door het oog van de naald gekropen. Haar moeder en twee tantes waren eerst in het elitekamp Barneveld geïnterneerd, waar zij zo’n negen maanden hadden vertoefd. Via secretaris-generaal K.J. Frederiks, de hoogste man op het departement van Binnenlandse Zaken, hadden vooraanstaande joden in 1942 vrijstelling voor de arbeidsinzet (deportatie) weten te regelen. Het ging om een groep van uiteindelijk zevenhonderd joden die een bepaalde maatschappelijke, culturele of wetenschappelijke waarde voor de maatschappij zou vertegenwoordigen. Wie er wel of niet op de lijst kwam, was een kwestie van ‘totale willekeur’70, al hielp het wel als men zelf, of de tussenpersoon die ijverde voor plaatsing op de lijst, een bekende was van Frederiks. Voor een eenvoudig mens was het onmogelijk op de lijst te komen; het waren vooral musici, wetenschappers, grootindustriëlen en hun familie die ervoor in aanmerking kwamen. De harpiste Rosa Spier was onder hen, evenals twintig leden van het Concertgebouw­ orkest die er door de dirigent Mengelberg op waren gezet, hoogleraar burgerlijk recht en internationaal privaatrecht E.M. Meijers en familie van de voor de oorlog overleden cabaretier Louis Davids.71 Ook de jurist en latere chroniqueur van de jodenvervolging Abel Herzberg met zijn vrouw en drie kinderen was geïnterneerd in Barneveld.72 De bezetter stemde in met het ‘sparen’ van deze mensen, op voorwaarde dat de deportatie van de overgrote meerderheid van de joden ordentelijk en met medewerking van de Nederlandse autoriteiten zou verlopen.73 Op de lijst-Frederiks, die later werd aangevuld met de lijst-Van Dam, kwam Berthes moeder Hubje Edersheim, als weduwe van een grootindustrieel terecht. Ook haar twee zussen Jeannette (Netty) Sophia Lankhoutvan den Bergh en Mathilde Estèphe (Tilly) Elias-van den Bergh (de moeder van Eduard 67. Stuldreher (2007). 68. Stuldreher (2007): 128–129. 69. Mededeling Ruti Schwartzenberg, 8 november 2011. 70. De Munnick, Boris. (1992) Uitverkoren in uitzondering? Het verhaal van de Joodse Barneveld-groep 1942–1945. Barneveld: BDU: 14.

71. De Munnick (1992): 15. 72. Kuiper, Arie. (1997) Een wijze ging voorbij. Het leven van Abel J.Herzberg. Amsterdam: Querido: 196 e.v. 73. De Munnick (1992): 11.

205

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

Elias) die een vergelijkbare ‘status’ hadden, werden ‘gesperd’. Aanvankelijk kregen de joden een stempel in hun persoonsbewijs, maar toen er steeds vaker abusievelijk mensen met zo’n stempel naar Westerbork werden afgevoerd, ontstond het idee de joden in het oosten van het land bij elkaar te brengen. In Barneveld werd eerst een, en later een tweede kasteel gehuurd, de Schaffelaar en de Biezen, waar de gefortuneerde joden vanaf eind 1942 gehuisvest werden. De ruimtes waren ingericht met hun eigen huisraad. De omstandigheden waren onvergelijkbaar met die in Westerbork. Overdag konden de geïnterneerden hun gang gaan en door de vele aanwezige talenten ontstonden er muziekgezelschappen en werden er lezingen gegeven.74 In het begin mochten de gevangenen soms het terrein verlaten, later werd die toestemming ingetrokken. Bezoek mochten zij eveneens ontvangen en enkele keren ontmoette Berthe haar moeder daar, al durfde ze niet naar binnen te gaan.75 In 1943 werd de bezetter strenger ten aanzien van de Barneveld-joden: de voorkeursbehandeling verviel en de gevangenen werden op transport gesteld naar Westerbork en vervolgens naar Theresienstadt.76 Voor Hubje en haar zus Tilly was dit een angstig, maar kort avontuur: na drie maanden konden zij dat kamp als ‘ruiljoden’ verlaten en werden in Zwitserland opgevangen. De derde zus Netty overleed in 1944 in Westerbork. Na de bevrijding woonden Hubje en Tilly tijdelijk bij Berthe en Harmen. Josepha, die gesteld was op Hubje – zij was voor de oorlog altijd gastvrij ontvangen in haar huis in Den Haag – ontmoette hen beiden toen ze Berthe en Harmen in augustus 1945 opzocht. Berthe had zeer veel benauwde uren gekend in de oorlog, en ook met haar echtgenoot waren er wrijvingen geweest, maar nu de bevrijding een feit was, hoopte ze hun schildersbestaan weer op te pakken. ‘En als we maar weer aan het schilderen komen, wordt alles goed.’77 Het weerzien tussen Berthe en Josepha was geen succes. Wellicht waren de verwachtingen te hooggespannen. Berthe had ontzettend naar de komst van haar vriendin uitgezien en dat had Harmen lichtelijk jaloers gemaakt. Hij was ziek toen Josepha arriveerde.78 In mineur verliet Josepha na een paar dagen het huis. Berthe schreef de mislukking toe aan de omstandigheden: We moeten het maar niet opgeven. Een volgende keer zal alles misschien veel beter gaan. Het zou toch te afschuwelijk zijn, als je nooit meer hier kwam, dat vind je toch zelf ook. O Bol, ik houd heel, heel erg veel van je en dat zal altijd zo blijven.79 Na Speuld ging Josepha naar Amsterdam om Alice van Nahuys en Tine van Buul van uitgeverij Querido te spreken over de uitgave van Rolien en Ralien. Die was nog niet ophanden vanwege de papierschaarste. 74. De plantkundige dr. J. Heimans analyseerde de begroeiing in de kasteeltuin en gaf er lezingen over. Cousèl, M. (1993) Zinkviooltjes en zoetwaterwieren. J. Heimans (1889–1978), Natuurstudie en Natuurbescherming in Nederland. Hilversum: Verloren. 75. Berthe Edersheim aan JM, 11 janua206

ri 1943. ‘Nonkie en Ljoebja [Harmen en Berthe] ont visité leur maman. Apres avoir rencontrés Hetty et Zusje qui elles aussi étaient venues pour la voir. D’abord ils ont pris le déjeuner ensemble. Puis ils sont allés chez la mère qui va bien, comme sa soeur. Ils se sont promenés dans le parc avec

elles, puisque Bol [Berthe] ne voulait pas entrer.’ 76. Details over de opheffing van Barneveld in Kuiper (1997): 196–210. 77. Berthe Edersheim aan JM, 15 augustus 1945. 78. Ibidem. 79. Ibidem.

Mogelijk ging ze ook langs bij haar nicht Judica, de dochter van haar lievelingsoom Maurits Mendels, met wie ze het contact na de bevrijding had hersteld. Judica had per brief haar toestemming gevraagd om kleding en schoenen, die Edith in bewaring had gegeven bij kennissen, te mogen dragen. Er was niets anders beschikbaar.80 ‘Barneveld’ had ook haar het leven gered: Judica kwam daar vanwege haar vaders verdiensten, Maurits Mendels was SDAP-politicus geweest in onder andere de Eerste en Tweede Kamer. Maar ook vanwege de eigen onmisbaarheid op het werk: ze was bij de KNAW (Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen) betrokken bij de uitgave van de correspondentie van de zeventiende-eeuwse natuurkundige Antoni van Leeuwenhoek. Volgens een brief van haar meerdere die haar moest behoeden voor verder transport, was zij de enige die het handschrift kon ontcijferen.81 Desondanks werd ze, net als Hubje en haar zusters, met de andere Barneveld-joden in september 1943 naar Westerbork afgevoerd. Door zich nuttig te maken in dat kamp had Judica weten te voorkomen dat ze op de trein werd gezet naar het oosten. Tot na de bevrijding verzorgde ze er kleine kinderen, van wie de ouders elders verbleven of vergast waren. Een van die kinderen was Ed van Thijn, de latere politicus en burgemeester van Amsterdam. Na zijn pensionering ondernam hij een zoektocht naar zijn toenmalige verzorgster in Westerbork, die uitmondde in het boekje Judica / Judy (2006).82 Judica’s ouders werden wel doorgestuurd naar Theresienstadt. Haar vader Maurits zou dat kamp niet overleven: hij bezweek er in juni 1944 aan longvliesontsteking op 77–jarige leeftijd.83 Judica was in juni 1945 met haar moeder Henriette Mendels-Stokvis, die sterk vermagerd uit Theresienstadt terugkeerde, ingetrokken op hun vooroorlogse adres aan de Mozartkade 8 in Amsterdam, dat ze zwaar verwaarloosd hadden aangetroffen.84 Ze verhuurden de bovenverdieping voor de inkomsten.85 Judica kon haar functie als secretaris van het Leeuwenhoek-project bij de KNAW weer gaan vervullen. Zij raakte echter zo gefrustreerd over de kille houding van de Nederlandse samenleving ten opzichte van de teruggekeerde en opgedoken joden, dat ze in 1947 naar de Verenigde Staten emigreerde. Judica was een van diegenen die op die wijze radicaal met haar joodse geschiedenis wilde breken.86 Haar 75-jarige moeder ging met haar mee. Belastingaanslagen en telefoonrekeningen over de oorlogsjaren achtervolgden hen daar naartoe, terwijl de hele familie aantoonbaar in een kamp had gezeten en NSB -ers het huis hadden gebruikt.87 Aan Josepha adviseerde ze, achter de eigendommen van Emma en Edith te gaan, want ’ik heb ook geen hoop meer wat je familie betreft’.88 Ook stelde Judica voor het contact aan te houden, want ‘[v]an onze familie zijn alleen jij, Lodewijk en wij [Judica en haar moeder] nog over.’89 Van Lodewijk, een neef van vaders kant, had Josepha in 1943 in Londen een levensteken ontvangen, hij was met zijn vrouw en dochter ontkomen naar Curaçao.90 Maar noch Judica, noch Josepha wist kennelijk dat Lodewijk begin 1944 80. Judica Mendels aan JM, 15 juli 1945. 81. Van Thijn, Ed. (2006) Judica / Judy. Amsterdam: Augustus: 34–35. 82. Het werk geeft een ontluisterend beeld van het latere leven van Judica Mendels, die zich ontpopte als bezitterige stiefmoeder van Elena Szirmai. Van Thijn (2006).

83. Judica Mendels aan JM, 15 juli 1945. 84. Meubels en schilderijen waren geroofd, deuren waren weg, muren en plafonds zwaar beschadigd. Van Thijn (2006). 85. Van Thijn veronderstelt dat er geen inwoners waren. Van Thijn (2006): 63. 86. Van Thijn (2006): 63.

87. Van Thijn (2006): 58. 88. Judica Mendels aan JM, 15 juli 1945. 89. Judica Mendels aan JM, 15 juli 1945. 90. Lodewijk Mendels aan JM, 12september 1943.

207

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

tijdens een vakantie in Venezuela plotseling was overleden.91 Andere directe familieleden Tante Mietje (de Lange-Mendels, zus van Josepha’s vader) van 76 jaar en haar 41-jarige zoon Issi de Lange werden gedeporteerd.92 Judica, enig kind van intellectuele ouders, was een wat eigenzinnige vrouw die een bedillerige verzorgingsdrift voor anderen aan de dag legde. Dat had ze gedaan in Westerbork met de jonge jongens die aan haar zorg waren toevertrouwd en dat zou ze na de oorlog met een Hongaarse vluchteling en zijn dochter opnieuw doen. Trouwen deed ze niet. Als twintiger was ze gefascineerd geweest door altruïstische persoonlijkheden. Ze raakte in de ban van de katholieke zuster Maria Ignatia en identificeerde zich zo sterk met deze straatarme Spaanse vrouw dat ze op haar zesentwintigste haar naam officieel in Judica Ignatia Hendrika Mendels veranderde.93 Tussen Josepha en Judica was er een wederzijds gevoel van respect: Josepha keek op naar de academische vorming van haar nicht (zij was in Josepha’s woorden ‘dokter in de Nederlandse Letteren’),94 terwijl die juist trots was op haar creatieve familielid. Josepha gaf haar de drukproeven van Rolien en Ralien te lezen. Ze had er waardering voor dat Jos dit boek had kunnen schrijven onder de dreiging van de wereldstormen, maar ze vond het ouderwets.95 Enige jalousie de métier ontbrak hierbij waarschijnlijk niet, want Judica trachtte destijds tevergeefs verschillende stukken gepubliceerd te krijgen. In Westerbork schreef ze een script over haar belevenissen waarvoor geen interesse was96 en ze vertaalde gedichten uit het Engels, waarvan ze er een opstuurde naar het tijdschrift De Nieuwe Stem van Antonie Donker. Ze kreeg het zonder motivatie retour.97

Rechtsherstel In Nederland moest Josepha achter de laatste momenten van haar zussen zien te komen, waardoor ze te maken kreeg met de chaos die de bezetting had achtergelaten. Joden die hadden moeten vertrekken, brachten waardevolle spullen onder bij vrienden en bekenden opdat die niet in handen van de Duitsers zouden vallen. Er werden soms duidelijke, maar ook wel eens vage afspraken gemaakt over de teruggave. Na afloop van de oorlog werd het goed vertrouwen waarin de spullen waren afgegeven, geschaad. ‘Bewariërs’ eigenden zich de spullen toe, in de overtuiging dat de eigenaars er niet meer waren. Judica had Josepha namen genoemd van mensen bij wie Edith spullen had ondergebracht. Omdat zij geen inlichtingen had over Ada, toog Josepha naar haar laatste adres, het huis aan de Bergse Achterplas in Hillegersberg, en belde aan bij de buren. Haar ervaringen hiermee heeft ze verwerkt in interviews en bellettrie, waarmee die tot haar narratieve identiteit behoren. Mendels geeft hiermee een eigen vorm aan ervaringen van veel joden na de oorlog. Zij werden verre van hartelijk ontvangen op adressen

91. Amigoe di Curaçao, 17 januari 1944 en dankbetuiging van zijn vrouw E.Mendels-Van Kleef en dochter in Amigoe di Curaçao, 28 januari 1944. 92. Zie www.joodsmonument.nl > Mietje de Lange-Mendels en www.joodsmonument.nl > Isidore 208

Julius Elias de Lange. 93. Van Thijn (2006): 54–55. 94. JM aan Greshoff, 28 oktober 1946, LM. 95. JM aan Greshoff, 28 oktober 1946. ‘Haar critiek verschilt nogal iets met die van U! Ze schrijft: [...]’Mij persoon-

lijk doet het boek ouderwets aan. Je had het ook kunnen schrijven veertig jaar geleden.’ 96. Van Thijn (2006): 60 e.v. 97. Brieven in Letterkundig Museum opgeslagen onder de naam van Josepha Mendels.

waar mogelijk nog eigendommen lagen opgeslagen. Dat gebeurde in een sfeer waarin joden werd opgedrongen dat ze blij mochten zijn dat ze er nog waren. Dat de in bewaring genomen spullen om uiteenlopende redenen niet meer teruggegeven konden worden, daarvoor moest men begrip opbrengen.98 Mendels omschrijft de bewariër van haar zus Ada als een inhalige, ongevoelige vrouw en legt daarmee de vinger op de zere plek. In een interview vertelde Mendels bijvoorbeeld dat deze buurvrouw haar zei: ‘Ja, u kijkt naar die piano, hè? Die is van uw zuster, maar die heeft ze me gegeven, hoor!’99 Josepha verwerkte deze ervaring ook in ‘Mirjam’, opgenomen als hoofdstuk in Je wist het toch… en als afzonderlijk verhaal gepubliceerd. Bedremmeld neemt Henriëtje, een van de twee hoofdpersonen uit de roman, de laatst bekende feiten over haar familie in ontvangst van een vrouw die haar volledig vreemd is. ‘Zij geloofden aan God,’ zegt de mevrouw van numero 9 tegen Henriëtje, ‘en in dat geloof zijn ze de ochtend van de achtste juli 1942 welgemoed op stap gegaan. Het kan ook wel wat later zijn geweest, maar er gingen in die tijd zoveel joden weg, dat je dat niet allemaal precies kan onthouden.’ ‘Natuurlijk niet,’ zegt Henriëtje. […] ‘Wat nu hun huisraad betreft, alles is zo ongeveer naar Duitsland vervoerd. Dit tapijtje? Dat heeft uw zwager mij gegeven. Dit schilderij ook en mijn dochter heeft het ontbijtservies als afscheidscadeau gehad, met nog een paar onbelangrijke dingen.’100 Mendels laat hiermee voor het eerst een joods element toe in haar narratieve identiteit. Ze zou dit niet vaak doen, deze ervaringen komen niet veelvuldig terug in interviews. Wel werd ‘Mirjam’, waarin de passage over de bewariër voorkomt, haar favoriete verhaal om voor te lezen tijdens literaire evenementen in de jaren tachtig. In 1945 kwam het proces op gang dat ‘rechtsherstel’ zou worden genoemd en waarin de sociale, economische en juridische positie van joden hersteld zou (moeten) worden. Het proces kende vele hobbels en voetangels, en achteraf stelden betrokkenen, auteurs en de autoriteiten zelf vast dat de overheid niet in alle gevallen de benadeelde joden op een correcte manier heeft behandeld. Een van de problemen was dat de regering zich op het standpunt stelde dat joden na de oorlog niet anders behandeld mochten worden dan andere Nederlanders, anders zou men hetzelfde doen als de bezetter. Dit ongetwijfeld goed bedoelde standpunt pakte echter slecht uit voor de slachtoffers. Over het rechtsherstel is veel gepubliceerd, onder andere door NIOD -onderzoeker Gerard Aalders in zijn tweeluik Roof: De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (1999) en Berooid: De beroofde joden en het Nederlands restitutiebeleid sinds 1945 (2001), door Isaac Lipschits met zijn confronterende De kleine sjoa (2001) en de vierdelige reeks onder auspiciën van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO).101 Ook Ontrechting en rechtsherstel (2005) van Wouter Veraart biedt veel waardevolle inzichten,

98. Lipschits (2001): 49–51. 99. Van Verre (1982). Ook: Schaafsma (2008). 100. Mendels (1982): 144.

101. In 1997 vond de Liro-affaire plaats. Uit de vondst van het verloren gewaande Liro-archief bleek dat zowel particulieren als (overheids)instanties zich hadden verrijkt met bezittingen

die joden in de oorlog bij de roofbank hadden moeten inleveren. Naar aanleiding daarvan gelastte Kabinet-Kok I een uitgebreid onderzoek naar de opvang en terugkeer van oorlogsslacht209

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

omdat hij het optreden van de overheid in rechtsfilosofische zin beschouwt.102 Formeel duurde het rechtsherstel van 1945 tot 1953, maar uit de stroom publicaties, onderzoeken en rapporten nadien blijkt de gevoeligheid van het vraagstuk. Nog in 2013 verscheen een onderzoek naar buigzame houding van notarissen bij de (voor joden onvrijwillige) overdracht van hun onroerend goed.103 Ook kondigde de burgemeester van Amsterdam in 2013 aan dat hij het kille optreden van de gemeente vlak na de oorlog ten aanzien van joden of hun erfgenamen wilde herzien. Joodse huurders en woningeigenaars of hun erfgenamen werden aangeslagen voor gebruik van gas en licht en er werd erfpacht geheven over de oorlogsjaren, terwijl zij in kampen zaten of waren ondergedoken. Amsterdam zou dit gaan vergoeden.104 Hieruit blijkt dat het rechtsherstel ook vandaag de dag geen gesloten boek is en dat opvattingen over wat juist of rechtmatig is, in de loop van decennia aan verandering onderhevig zijn. In juridische zin had de Nederlandse Staat de opdracht de joden te herstellen in hun rechtspositie, zo stelt Veraart, zodat hun positie weer gelijk werd aan die van niet-joden. Dit herstel, overigens niet alleen van joden maar wel hoofdzakelijk, was een voorwaarde voor het herstel van de rechtsstaat en daarmee een principiële politieke aangelegenheid.105 Vanaf 1940 was de bezetter erop gericht geweest de joden te ‘ontrechten’: ze werden sociaal en economisch geïsoleerd uit de maatschappij en uit het economische leven. Joodse ondernemingen werden geariseerd of er werd een Verwalter aangesteld. Privépersonen hadden hun banktegoeden, effecten en de door de verzekeraar afgekochte waarde van polissen, evenals waardevolle spullen als sieraden, tafelzilver en diamanten moeten inleveren bij de speciaal voor dit doel opgerichte bank Lippmann Rosenthal & Co., Sarphatistraat (Liro). De Duitsers hadden met opzet een bestaande naam gebruikt, om deze roofbank een vertrouwenwekkende uitstraling te geven. Wanneer de tegoeden waren gestort als gevolg van de eerste en de tweede Liro-verordering van respectievelijk 8 augustus 1941 en 21 mei 1942, eigende de bezetter zich alles toe. Er werd voor een bedrag van ruim 425 miljoen aan vermogen overgemaakt en ingeleverd.106 De agressie waarmee dit proces gepaard ging, maakte joden angstig en voorzichtig. Zij die daar de kans toe zagen, zorgden dat hun eigendommen in andere, veilige handen kwamen. Er werden ook goederen verkocht, vaak tegen een lagere prijs dan de werkelijke waarde.107 Aan wetten voor rechtsherstel was al in Londen gewerkt door de regering in ballingschap. De Raad voor het Rechtsherstel, opgericht in augustus 1945, kreeg de taak deze wetten uit te voeren. De voormalige minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy werd voorzitter.

offers uitgevoerd vanuit de SOTO. Het resultaat daarvan wordt gevormd door vier publicaties. Bossenbroek, Martin. (2001) De Meelstreep. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam: Bert Bakker; Piersma, Hinke. (red.) (2001) Mensenheugenis. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog – getuigenissen. Amsterdam: Bert Bakker; Kristel, Conny. (red.) (2002) Binnenskamers. Terugkeer 210

en opvang na de Tweede Wereldoorlog – Besluitvorming. Amsterdam: Bert Bakker; Kristel, Conny. (2002) (red.). Polderschouw. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog – Regionale Verschillen. Amsterdam: Bert Bakker. 102. Veraart, Wouter. (2005) Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw. Kluwer. 103. Aboutaleb, Yasmina. (2013) ‘Joods

vastgoed met hulp van notarissen onteigend’, in: NRC, 20 juli 2013. 104. Anoniem. (2013) ‘Amsterdam: joden krijgen erfpacht met rente terug’, in: NRC, 17 juli 2013. 105. Veraart (2005): 58. 106. Dit geschatte bedrag is inclusief ingeleverd goud, zilver, sieraden en kunst. Aalders (1999): 249. 107. Veraart (2005): 52.

De eerste stap was het inventariseren van de vermoorde joden en de overlevenden zodat er verklaringen van erfrecht afgegeven konden worden. Eén van de onderafdelingen van de Raad voor het Rechtsherstel, de Afdeling voorzieningen voor Afwezigen, hield zich bezig met het benoemen van bewindvoerders over vermogens van deze eufemistisch aangeduide personen, meestal mensen die waren omgebracht in de kampen, terwijl daar geen wettelijk bewijs van was.108 Josepha dacht aanvankelijk zelf bewindvoerder te worden over het vermogen van haar moeder. Ze dicteerde in Parijs persoonlijke brieven onder werktijd aan de secretaresses van de ambassade voor de instanties in Nederland, wanneer er geen leidinggevenden aanwezig waren.109 Het bewindvoerderschap was een bureaucratische aangelegenheid, die gepaard ging met complexe administratie en het overleggen van een eindeloze reeks gegevens aan advocaten, notarissen en instellingen voor rechtsherstel.110 Het neveneffect van dit proces was dat er steeds meer feiten bekend werden over de deportatie. Zo kwam Josepha erachter hoe lang haar moeder nog geleefd had nadat ze op 29 oktober 1942 uit Den Haag weggevoerd was. De overlijdensdatum werd vastgesteld op 5 november 1942, slechts zes dagen later. Dat haar lijdensweg kort was geweest, was een zekere opluchting voor Josepha.111 Edith stierf op 12 februari 1943 in Auschwitz. Josepha veronderstelde in 1949 nog, dat ze in september 1942 werd gedeporteerd, maar dat was het moment dat ze waarschijnlijk een onderduikadres vond. Het gezin van Ada Slagter-Mendels en Simon Slagter, dat op 30 juli 1942 gehoor had gegeven aan de oproep om te vertrekken was linea recta naar Auschwitz en Birkenau vervoerd en vergast.112 De data werden Josepha veel later bekend, omdat erfgenamen van Simon Slagter in 1949 nog niet gevonden waren en er daarom geen verklaring van erfrecht opgesteld kon worden.113 Zijn broers en zus werden met hun gezinnen, op een kind na, vergast.114 Nadat Josepha enkele maanden bewindvoerder was, heeft Kaai, oftewel Maurits Rozelaar, handelaar in diamanten, deze taak van Josepha overgenomen. Bij haar bezoek aan Nederland had ze haar oude minnaar weer opgezocht. Zijn liefde voor haar was onverminderd sterk en wanneer zij Nederland bezocht, was Kaai een van de mensen die ze ontmoette. Hij had de oorlog in Amsterdam weten te doorstaan dankzij zijn gemengde huwelijk. Ondergedoken was hij niet echt, maar hij hield zich schuil in zijn woning aan het Olympiaplein.115 Zijn zoon uit zijn eerste huwelijk, Paul, die Josepha in de jaren twintig bijles had gegeven, was gedeporteerd.116

108. Formeel waren ‘afwezigen’ ook zij waarvan de verblijfsplaats vooralsnog onbekend was. 109. JM aan Berthe Edersheim, 13januari 1946. 110. Er zijn slechts enkele documenten rondom het rechtsherstel van JM overgeleverd. Het hierna geschetste beeld kan daarom niet meer dan een indicatie geven van de zaken waar JM mee te maken kreeg. 111. Aantekening van JM op een brief aan notaris Schaap, 24 februari 1949. 112. Gegevens van Herinnerings-

centrum Kamp Westerbork, via mail 14december 2009 en www.joodsmonument.nl. De data komen niet exact overeen. 113. Dit blijkt uit een ‘amice’-brief aan notaris Schaap, 24 februari 1949, die de zaken afhandelde voor JM. 114. http://dutchjewry.org/genealogy/ slagter/1468.htm. 115. Mededeling M.L. RozelaarChevallerau, 16 december 2008. 116. www.joodsmonument.nl > Paul Marc Rozelaar.

211

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

Rozelaar voerde gedurende jaren en jaren de correspondentie met advocaten, notarissen en instituties om ervoor te zorgen dat Josepha terugkreeg wat haar toekwam. En zelfs meer dan dat, want hij sjoemelde met gegevens.117 De joodse gemeenschap moest zich stevig te weer stellen tegen de Nederlandse Staat, die ook belast was met het herstellen van de deplorabele economische toestand waarin het land verkeerde. In de ogen van minister van Financiën, P. Lieftinck, moest het rechtsherstel een bijdrage leveren aan de wederopbouw van Nederland. Dat uitgangspunt botste met de restauratie van de rechtsorde.118 Lieftinck nam banken, het verzekeringswezen en de aandelenbeurs, die tijdens de oorlog goed verdiend hadden, in bescherming tegen al te grote claims, omdat zij een rol hadden bij de wederopbouw. Dat gold ook voor de Nederlandse Staat zelf. Eind jaren veertig ontstond er ophef over de successiewetgeving: de belastingontvanger leek voordeel te willen hebben van de moord op de joodse bevolking door een wet, die bepaalde, dat er belasting geheven moest worden bij over iedere overerving van een vermogen. In het geval van Josepha betekende het, dat over het erfdeel van Edith twee keer successiebelasting betaald zou moeten worden: eenmaal toen Ediths erfdeel uit haar moeders bezit op Edith overging bij de moord op Emma Mendels-Levy en eenmaal toen die bezittingen bij het vergassen van Edith op Josepha overgingen. Een maand nadat de wet die dit regelde was vastgesteld (in 1949), kwam er echter een aanvulling waaruit bleek dat de belasting voor de ‘tussenstappen’ kwijtgescholden kon worden.119 Vooral over de teruggave of vergoeding van geroofde effecten was in de naoorlogse jaren veel te doen. De omvang van de geroofde effecten lag rond de 300 miljoen gulden en het aantal effecten bedroeg 20 miljoen. Van al deze effecten moest de herkomst achterhaald worden. Josepha was hierbij betrokken, omdat Edith en Emma aandelen hadden gehad. De Staat liet zich adviseren en vertegenwoordigen door de Vereniging voor de Effectenhandel, die tijdens de bezetting meegewerkt en verdiend had aan de door de bezetter georganiseerde roof.120 De vergoeding van ‘gepulste’ huisraad ging met eenzelfde niet-empathische bureaucratie gepaard. Het was bijvoorbeeld noodzakelijk dat er iemand was die onder ede kon getuigen dat de huisraad van een buurman of – vrouw opgehaald was door een verhuiswagen van de firma Puls, waarna de spullen in Duitsland in gebruik werden genomen. Bovendien moest de huisraad omschreven worden en op waarde geschat, zoveel jaar na de oorlog.121 Tenslotte was het een uiterst ingewikkeld vraagstuk om alle bij de Liro ingeleverde waardevolle spullen terug te voeren op de rechtmatige eigenaar. Dat gold helemaal voor het onder dwang gestorte geld, dat in de loop van de oorlog op een gezamelijke rekening terecht was gekomen. Josepha ontving na lange tijd vergoedingen en restitutiegelden. In 1961 werd haar onder andere ruim 21 duizend gulden (vergelijkbaar met 60 duizend euro in 2014) terugbetaald aan waarde van aandelen van haar moeder.122 In 1963 ontving ze 6.226

117. ‘Je weet dat ik al je zaken met liefde behandel, en o.a. bij mijn opgave aan het Beheersinstituut al het geld dat je nu nog van Lippman krijgt, totaal heb verzwegen, zodat hun aanslag veel en veel lager is dan die had moeten zijn.’ Maurits Rozelaar aan JM, ongedateerd [mei 1953]. 212

118. Veraart (2005): 79. 119. Veraart (2005): 73. 120. Veraart (2005) en Lipschits (2001). 121. Lipschits (2001). 122. M. Rozelaar aan JM, 20 oktober 1961.

gulden wegens geleden huisraadschade van haar zus Ada en zwager Simon. En in 1967 en 1968 ontving ze respectievelijk 1.700 gulden (compensatie geroofde buitenlandse effecten van Emma Mendels) en 1.235 gulden (nalatenschap Ada en Simon).123 Begin jaren vijftig werd ze opgeroepen bij een rechtszaak. De aangeklaagde was een man die onrechtmatig in het bezit was gekomen van effecten die van Edith waren geweest.124 Al die jaren dat het rechtsherstel duurde voerde Kaai de correspondentie voor Josepha. Hij taxeerde ook de schaarse bezittingen die wel eerlijk teruggegeven werden, bijvoorbeeld uit de ‘boedel’ van Simon Slagter, Josepha’s zwager die handelaar in edele metalen was. Zo waren er eens vijftig gouden ringen te verdelen.125 Via een kennis kreeg Josepha in 1947 een paar sieraden en diamanten terug die van haar moeder waren geweest.126 In 1947 werd Josepha het spaarbanktegoed van haar zus en twee neefjes ter hand gesteld: 60, 52 en 31 gulden. ‘Kan ik plezier hebben [van dat geld]? Niet denken…..’127 Kaai regelde de nalatenschappen met de zwier van een doorgewinterde zakenman en uit een grote liefde voor zijn voormalig kindermeisje. Zijn hele leven bleef hij zich financieel voor haar verantwoordelijk voelen en wanneer het kon, betaalde hij haar tandarts- en hotelrekeningen, zelfs toen hij wist dat zij er financieel beter voorstond dan hijzelf vanwege tegenvallende inkomsten op de diamantbeurs. ‘Ik ben heel blij’, schreef Rozelaar haar dat ik niet meer in angst om je toekomst behoef te zitten, want je komt er behoorlijk voor te staan. Ik kan niet aan je ruiken, of dat toch wel, maar niet aan je tippen. […] Ik hoop dat ik gauw weer wat ga verdienen en als het er af kan houd ik je graag vrij, maar als het niet gaat, gaat het niet. 128 In ruil voor zijn geld was zij seksueel beschikbaar voor hem. De ervaringen met de herstelbetalingen plaatsten Mendels in het hart van de naoorlogse joodse geschiedenis, waarin de opbouw van een bestaan centraal stond. Haar joodse identiteit bestond in deze jaren voor een belangrijk deel uit haar status als overlevende en nabestaande. Na het verlies van familieleden moesten erfgenamen met vasthoudendheid achter hun eigendommen en erfenissen aan. De terugbetaling en uitkering van tegoeden verliep, evenals de terugkeer van joden in de samenleving, kil en bureaucratisch. Dat besef drong overigens pas later door. Josepha had het ‘geluk’ dat ze na de oorlog meteen een baan en een woning had bemachtigd, al was het aanvankelijk een hotelkamer. Ze klaagde niet over procedures, ze onderging ze.

123. Notarissen Schaap en Heimans aan JM, 18 december 1967 en notaris Frank aan JM, 14 februari 1968. Een compleet overzicht van alle bedragen die JM ontving, ontbreekt, het totale bedrag is waarschijnlijk hoger. 124. Betoog van de heer Herter aan de griffier van de afdeling Rechtspraak,

ongedateerd [eronder toegevoegd het verweer van JM op 26 mei 1953]. 125. JM aan Berthe Edersheim, 13 januari 1946. 126. Maurits Rozelaar aan mevrouw A.N. Greve, 5 oktober 1947. Rozelaar bedankt Greve voor het sturen van de sieraden.

127. JM aan Sadi de Gorter, brief 4, ongedateerd [juni / juli 1948]. 128. Rozelaar aan JM, 26 mei 1953.

213

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 6 ‘De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg’

Een ernstig gesprek Na de oorlog vloog de eenzaamheid en de verlatenheid Josepha naar de keel. Er was niemand meer die aan haar verbonden was, die haar jeugd kende, haar leven leek haar nutteloos. Ze stond letterlijk met lege handen. De eenzaamheid was haar niet vreemd en ze hield er zelfs wel van, maar dit, deze absolute staat van verlatenheid, was niet meer te dragen. Er was voor haar geen pleisterplaats meer waar ze zich kon laven aan de vertrouwdheden van het gezin. Geen trotse moeder die ze haar manuscript kon laten lezen, geen zus die langs kwam of een die de was zonder morren voor haar deed. Niets en niemand was er voor haar en voor haar alleen. Feestdagen zoals Kerstmis en Oudjaar betekenden voor haar een dieptepunt.129 Bij voorkeur bracht ze die alleen door, al verergerde dat haar gevoelens. Ze had wel stukjes leven van anderen. Sadi hield van haar, maar zou nooit meer tijd voor haar vrijmaken dan ze nu van hem kreeg: heel soms een paar gestolen dagen, maar doorgaans niet meer dan enkele uren per week en weliswaar lyrische, maar toch haastig geschreven brieven. Berthe had haar leven met Harmen, en woonde bovendien in Nederland, een land dat Josepha inmiddels niet graag bezocht. Het contact tussen Berthe en Josepha was goed, maar sporadisch en zou dat waarschijnlijk blijven. In het schrijven van romans vond ze een zekere genoegdoening, maar het was tegelijkertijd een kwelling, omdat het haar niet erg gemakkelijk afging en omdat ze zich er niet vaak genoeg kon voor vrijmaken. Wanneer ze zo’n moeizame periode zou bekronen met een publicatie, was er geen familie die ze haar werk kon tonen. Josepha’s leven was een grote leegte, zo ervoer ze dat. ‘Weet Raderdier,’ schreef ze aan Sadi, ‘besef het, hoe eenzaam ik ben. Ik heb niets en niemand meer in dit leven behalve jou, en Berthe, maar beiden sporadisch. De dagen zijn lang en mijn handen zijn leeg.’130 Er was voor haar maar één manier waarop ze uit dit dal kon komen: een kind krijgen. Ze had al veel eerder kinderen gewild, zeventien zelfs, maar haar levensloop had er eerder geen ruimte voor geboden. Daar kwam nu een einde aan. ‘Er zal een doel in mijn leven zijn, ik zal niet langer eenzaam zijn.’131 Er was geen tijd meer om zich door wat dan ook te laten tegenhouden. Haar kinderwens had een extra dimensie gekregen: ze had behoefte om de naam Mendels voort te zetten, nu er zovelen met die naam vermoord waren. Dit gevoel kenmerkte een groot deel van de naoorlogse joodse gemeenschap in de vruchtbare leeftijd, en ook de rest van de bevolking zag mogelijkheden om nageslacht een veilige toekomst te bieden. De naoorlogse geboortegolf was hiervan het gevolg. Mendels verafschuwde het huwelijk, dus als er een kind zou komen, dan zonder die verbintenis. De fatsoensnormen waar Josepha mee was opgegroeid, veroordeelden een ongetrouwde moeder onherroepelijk. Zo iemand stond gelijk aan een prostituee en moest opgeborgen worden in een klooster of een ander afgelegen oord tot er geen uiterlijke kenmerken van de zwangerschap meer waren en het kind anoniem was geadopteerd. Nu was ze ongebonden, de dochter van niemand, de zus van geen mens. Ze had geen eer of norm hoog te houden. Meer dan ooit was ze erop gericht te realiseren wat ze verlangde. ‘Maar toen ik terugkwam en m’n hele familie

129. ‘Kerstavond was ik alleen. Ik ben toen om drie uur des nachts een borrel gaan drinken en dat was wel triest. […] Ik haat de feestdagen, ik voel me zo eenzaam en treurig, ja, vooral treurig.’ 214

JM aan Berthe, 13 januari [1946]. 130. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [omstreeks najaar 1947]. 131. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [omstreeks najaar 1947].

was vermoord, deed ik ook niemand pijn meer. Mijn vader was er natuurlijk nooit overheen gekomen, die had me afgeschreven.’132 Door de oorlog waren er kostbare vruchtbare jaren heen gegaan. Was het nog mogelijk een kind te krijgen? Ze was de veertig ruim gepasseerd. Van wie was geen vraag: Sadi de Gorter was de enige man die in aanmerking kwam. Naast de grote liefde die ze voor hem koesterde, had ze respect voor hem, voor de kant van hem die dichter wilde zijn, schrijver. Zakenlui zoals Kaai de diamantair stonden wat haar betreft op een lager plan. Jean Millot, de man die ze vlak voor de oorlog had leren kennen en die haar hielp vluchten, werkte bij Peugeot, en viel om die reden ook af. Wilde Sadi? Kon Sadi? In juli 1946, de maand waarin ze 44 werd, brachten ze samen een paar vrije dagen door buiten Parijs. Ze wandelden zingend door het Sarthe-gebied en bewonderden de kathedraal van Le Mans in het avondlicht.133 Er werd ook een ernstig gesprek gevoerd over Josepha’s kinderwens. Ze hadden er al vaker over gesproken, maar nooit zo diepgaand en serieus. De uitkomst was verheugend: Sadi wilde haar helpen. ‘Ik zal een kind krijgen als het nog mogelijk is’, kon ze Berthe melden.134 Hij zou alleen voor de bevruchting ingeschakeld worden: een andere rol hetzij maatschappelijk hetzij financieel was onbespreekbaar, ook voor Josepha zelf. Ze wilde geen enkele hulp van hem, alleen opheffing van haar eenzaamheid. ‘Ik verheug me er dol op. Waarom zou ik altijd alleen blijven? Een kind van Sadje kan zo grappig worden’, schreef ze aan Berthe.135 Josepha liet zich onderzoeken door Raoul Esser, de echtgenoot van haar vriendin Eli, die gynaecoloog was. Hij paste een vruchtbaarheidsverhogende behandeling toe, die neerkwam op het doorblazen van de eileiders.136 Het ‘doorblaasapparaat’ kon eventuele weerstanden in de eileiders lokaliseren en aangeven in een grafiek.137 Er gebeurde echter lange tijd niets. Na de oorlog had Sadi een reeks vage gezondheidsklachten ontwikkeld, zoals ernstige hoofdpijnen en extreme vermoeidheid, waardoor de bevruchting onverstandig zou kunnen zijn, althans in de ogen van Josepha. In 1947 bezocht Sadi verschillende artsen. Uit onderzoek kwam geen aanwijsbare oorzaak naar voren, al bleef hij last houden van ‘gespannen zenuwen’, maar voor Josepha was dit het teken dat Sadi, toen een man van 35 jaar, gezond was en zijn zaad dus ook. Er was inmiddels ruim een half jaar verstreken sinds Le Mans en Josepha barstte van ongeduld: ‘Zullen we toch nog eens een kindje proberen te maken? …. Maar dan vlug, vlug. Wil je, nu toch je hoofd goed is en je eigenlijk op die zenuwen na, een goed gezonde man bent?’138

132. Etty (1986). 133. JM aan Berthe Edersheim, 14 juli 1946. 134. Ibidem. 135. Ibidem. 136. JM aan Dinaux, 22 december

1979, LM. 137. Mededeling Eric Mendels, 8december 2010. 138. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [omstreeks mei 1947].

215

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

HOOFDSTUK 7

verzoek gaf Josepha gehoor en toen het boek verscheen, stond de brief in extenso op de binnenkant van het stofomslag. Ook in advertenties voor het boek werd de tekst als aanbeveling gebruikt:

‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

Terwijl het verlangen naar een kind Josepha beheerste, kwam de verschijningsdatum van haar eerste roman dichterbij. In oktober 1946 kon ze Jan Greshoff melden dat Rolien en Ralien binnen twee maanden uit zou komen.1 De controle van de drukproeven had ze zojuist voltooid. De grootste papierschaarste in Nederland was voorbij en Querido trof voorbereidingen voor het vormen van een fonds. Naast werken van de al voor de oorlog succesvolle streekromanschrijver Aar van de Werfhorst bracht Querido in 1946 En de akker is de wereld van Dola de Jong uit, dat een actueel thema had (de indirecte doorwerking van de oorlog op een groep kinderen) en veelvuldig herdrukt werd. De Jongs roman werd bekroond met de prozaprijs van de gemeente Amsterdam.2 Omdat de naamgever van de uitgeverij, Emanuel Querido, in 1943 vermoord was in Sobibor, zou Alice van Nahuys, die ooit als assistente van de uitgeverij begon, maar al voor de oorlog tot de directie was toegetreden, het naoorlogse fonds opbouwen. Van Nahuys stelde in 1946 de Rotterdamse boekverkoopster Tine van Buul als haar assistente aan.3 Vlak na de oorlog was er een kortstondige hausse aan herinneringspublicaties, zoals gedichten, dagboeken en romans. 4 Daarna kwam de zoektocht naar een nieuw ideaal, een nieuw mensbeeld centraal te staan als alternatief voor het vooroorlogse humanisme en christendom. Literatuur wilde bewust een bijdrage leveren aan dit maatschappelijk debat, getuige de vele literaire en culturele tijdschriften van na de oorlog, waarvan een deel maar een kort leven beschoren was. Rolien en Ralien kreeg een oplage van 3000 exemplaren, de helft hoger dan het gemiddelde van voor de oorlog, Querido’s kennelijke antwoord op de grote leeshonger van het publiek. Het werk lag rond de jaarwisseling in de winkels. Josepha was voor die tijd nog een keer in Nederland waar Alice van Nahuys haar het omslagontwerp van Susanne Heynemann voorlegde. ‘’t Boek krijgt een weelderige kaft, wit met goud,’5 waarmee nauwelijks tegemoet werd gekomen aan haar eigen ideeën over het omslag die ze in 1944 aan Warendorf had voorgelegd. Ze wilde toen rechte lijnen in wit en rood, eventueel aangevuld met zwart en liever geen illustratie.6 Toch stemde ze in met een tekening van twee eenvoudig belijnde meisjesfiguren. Het boek werd opgedragen aan Berthe Edersheim. Tijdens de productie van de roman had Alice aan Josepha de tekst gevraagd van de brief die Greshoff haar gestuurd had en die had geleid tot de acceptatie van het manuscript door Querido, destijds vertegenwoordigd door Hans Warendorf in New York. Aan dat

1. JM aan Jan Greshoff, 28 oktober 1946. LM. 2. Sötemann, A.L. (1990) Querido van 1915 tot 1990: een uitgeverij. Querido: Amsterdam: 105. 3. Sötemann (1990): 101. 216

4. Brems (2006): 30. 5. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [omstreeks oktober 1946]. 6. JM aan Warendorf, 19 december 1944.

Greshoff schreef over dit boek: ‘Mijn bericht over uw boek deed wat lang op zich wachten, omdat ik het tweemaal las met een zekere tussentijd. Het is een voortreffelijk boek dat bij herlezing wint. Het is vol, maar dan ook letterlijk vol kostelijke vondsten. Het is ànders van schriftuur en opvatting dan alle andere Nederlandse verhalen over jeugd. En het is zoo verbazend knap, dat ik mij eenvoudig niet kan voorstellen dat dit een eersteling zou zijn. […] Het is écht en toch uit de verf, natuurlijk en toch intelligent! Als dit werkelijk een eerste werk is, lijkt het mij belachelijk en onrechtvaardig van een belofte te spreken. Het is een volledig welslagen.’7 Greshoff, normaal gesproken de vriendelijkheid zelf, was door het gebruik van zijn persoonlijke brief aan Mendels zeer gegriefd. Alleen door zwaar door het stof te gaan kon zij de vriendschap redden. ‘Het spijt me ontzettend. Het is zo tegen m’n gewoonte in dingen te doen die niet correct zijn.’8 Ze schreef hem dat Alice van Nahuys om de brief had gevraagd en dat zij die volkomen argeloos had overgetikt. Toen ze de tekst ‘heus voor de eerste maal’ in circulaires en op de boekomslagen zag, vond ze dat wel vreemd, maar ze dacht dat Alice dat gedaan had en dat het haar niet aangerekend kon worden. De uitgeefster legde echter de schuld bij de schrijfster.9 Ondertussen had ze de brief ook in het Frans vertaald, om te gebruiken als aanbeveling bij een Franse uitgeverij, maar die wees de roman af.10 Greshoff nam jaren later revanche, toen hij de tweede roman van Mendels besprak voor Het Vaderland. Hij opende zijn bespreking met de verwijzing naar het debuut, dat ‘ontelbare feilen en tekortkomingen’ bevatte.11 En zelfs daarmee had hij zijn gram niet gehaald. ‘Het gaat bergafwaarts met Josepha Mendels’ meende de criticus in 1952 bij verschijning van haar derde boek, dat bekroond zou worden.12 Behalve kwetsend voor Greshoff was het gebruik van zijn persoonlijke woorden geen slimme zet in zakelijk opzicht. Recensenten die in de loop van het voorjaar van 1947 het boek bespraken, vonden de brief op het omslag ‘ongebruikelijk’ en ‘curieus’ en de tekst schiep te hoge verwachtingen.13 Niettemin waren de meeste critici van mening dat er een oorspronkelijk talent aan het woord was in de roman, waarvan de schrijfster eenzaamheid als centraal thema benoemde in een tekst die op het stofomslag werd afgedrukt:

7. Greshoff aan JM, 16 juli 1944 LM. 8. JM aan Greshoff, 31 mei 1947. 9. ‘Natuurlijk gooit Alice al de schuld op mij.’ JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [‘brief 6’, juni 1947]. 10. Editions du Seuil aan JM, 10 april 1946.

11. Greshoff, Jan. (1949) ‘Een liefde tijdens de pauze der huwelijkscomedie’, in: Het Vaderland, 15 oktober 1949. Verscheen tevens in De Nieuwe Courant, 15 oktober 1949. 12. Greshoff, J. (1952) ‘Josepha Mendels: meer dan wind en rook. Mislukte

roman door onmogelijke hoofdfiguur’, in: Het Vaderland, 26 januari 1952. 13. ‘Ongebruikelijk’, Van Leeuwen, Tubantia, 25 april 1947. A. van der Veen memoreert in zijn bespreking dat het brieffragment tegen de zin van de auteur is gebruikt, NRC, 12 juli 1947. 217

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Het merendeel der ouders zaait zo kwistig het eerste zaad, waaruit die sombere en geweldige plant, eenzaamheid, verrijst. En wanneer onverwachts iets van haar schaduw hen bereikt, stoten zij in naïeve verbazing een of ander zinnetje uit: ‘Hoe komt ons kind toch zo… van wie heeft ze dat in ’s hemelsnaam?’ Het verhaal van Rolien en Ralien vertelt van deze eenzaamheid. […] Overal en altijd echter achtervolgt haar Ralien. En zo wordt elken dag de afstand tussen Rolien en Ralien kleiner. Ralien wint en Rolien verliest. Wanneer Ralien dan alles gewonnen heeft, tot het jonge leven van Rolien toe, is het boek geëindigd. 14 Het personage Rolien werd als kind geloofwaardig geacht door recensenten, en men zag haar eenzaamheid. Het niet begrepen worden door de ouders, en de afstand tussen haar en haar oudere zussen was overtuigend weergegeven. Dat Rolien een afsplitsing van de schrijfster zou zijn, sprak voor veel critici voor zich. Het taalgebruik en de psychologische typeringen werden over het algemeen als sterk aangemerkt, terwijl de opbouw en de geloofwaardigheid van het einde op minder waardering konden rekenen. Twee critici vonden dat het werk verwant was aan dat van Vestdijk. ‘De sfeer is essentieel dezelfde, ook de meedogenloze analyse van de ziel.’15 De eerste bespreking was hartverwarmend. ‘Vitaal, geladen proza’ noemde Carel Dinaux in het Haarlems Dagblad van 29 maart 1947, Rolien en Ralien. Hij was weg van de roman. Een zintuiglijk boek vond hij het, dat niet alleen gelezen, maar beleefd moest worden, dit ’spel van stemming, herinneringsbeeld, intuïtie, oerinstinct, begeren en walgen, liefhebben en haten, kleur en geur en wat niet al.’ Dinaux volgde Rolien in haar angsten en ontdekkingen. De vader gehuld in een waas van wijsheid, de moeder met haar blonde haren en rechte neus die zo mooi verhaaltjes vertelde toen Rolien klein was. De komst van Ralien, de afgesplitste imaginaire persoonlijkheid zag hij als een begrijpelijke stap in haar ontwikkeling, ‘als tegenspeelster, als mogelijkheid van anders-zijn’. Haar pijnlijke volwassenwording in Parijs met de vernederende liefdeservaringen met Jean en Charles L. volgde hij tot het einde. ‘Dit boek gaat niet over Rolien, het is Rolien’, noteerde Dinaux. ‘Zo zuiver als water van een bergbeek. En even onstuimig: en even bedwongen binnen zijn oevers van stijl en vorm. Het gaat recht op je af, zoals Rolien op je afloopt, zoo eerlijk, zoo innig, tot het midden in je hart staat om er Rolien achter te laten.’ Als afsluiting verzocht hij Mendels – ‘onthoudt die naam’– bij een volgend boek deze stijl niet te imiteren omdat die zo bij Rolien hoorde. Een tweede bespreking verscheen in het Nieuw Utrechts Nieuwsblad van de hand van W.A.P. Smit. Ook zijn oordeel over stijl en onderwerpkeuze was positief. Doordat Roliens verhaal van binnenuit verteld wordt, werd het ‘boeiend en origineel’.16 ‘Voortreffelijk en met fijne psychologische intuïtie weet de schrijfster ons in allerlei kinderlijk beleefde episodes te doen meevoelen hoe Rolien allerlei ingrijpende problemen te verwerken krijgt.’ Het bezoek aan de dierentuin van Rolien en Titi, waarbij ze elkaar

14. Rolien en Ralien, manuscript II, Letterkundig Museum. 15. Smit, W.A.P. (1947) ‘Zielegang naar den zelfmoord’, in: Nieuw Utrechts Dagblad, 10 april 1947. 16. Smit (1947). 218

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

voordurend de loef proberen af te steken met taalspitsvondigheden vond hij sterk. Ook de lange brief, die Rolien stuurt aan Titi, in de veronderstelling dat ze nog vriendinnen zijn en uitgebreid uitweidend over wat haar bezighoudt, en het korte antwoord dat erop komt: ‘wij zijn geen vriendinnen meer’ vond hij een psychologisch hoogstandje. Het tweede gedeelte van de roman, dat in Parijs speelt, overtuigde Smit echter minder en door de afwezigheid van godsdienst en de ‘deterministische troosteloosheid’ vond hij het toch een wat beperkt geval, ondanks de ‘opmerkelijke vormgeving’. In zijn recensie in het Vrije Volk verwees Johan van der Woude als een van de weinigen naar de discussie die de voorhoede van de naoorlogse literatuur in zijn greep hield: door de ervaring van de oorlog zou er een andere literatuur geschreven moeten worden, met een nieuw elan, van een nieuwe wereld, waarvan de kenmerken overigens steeds in het vage bleven.17 Men verwachtte deze toon van de jonge generatie, waar Josepha Mendels als debutante toe gerekend werd. Haar roman gaf er volgens Van der Woude geen blijk van, want het ‘ontleedt, formuleert, noteert’ en was daarom een vooroorlogse roman, wat strikt genomen juist was; de ontstaansperiode in de jaren 1940–1942 reflecteerde nog niet de ontzagwekkende feiten en gevolgen van de oorlog. Dit kon Van der Woude echter niet weten. Niettemin zag hij wel de ‘ontwapenende, welhaast naïeve oprechtheid’ en ‘de kwellende eenzaamheid’ waarmee weliswaar een goed boek tot stand was gekomen, maar wat voor het huidige tijdgewricht een onvoldoende prestatie was.18 W.L.M.E. van Leeuwen plaatste in zijn bespreking Rolien en Ralien in een rechte lijn met andere recente, sterke boeken van vrouwen: En de akker is de wereld van Dola de Jong, Bekentenis aan Julien Delande van Sonja Witstein en Medereizigers van A.H. NijhoffWind.19 Mendels’ schrijverschap verbond Van Leeuwen vooral aan dat van Carry van Bruggen, voor de vergelijking ruimde hij een groot deel van zijn bespreking in. Ook bij Van Bruggen was sprake van een ‘tragische martelende gespletenheid’. De schrijfsters deelden de ‘onderbewuste associaties’, de ‘haast verschrikte voortdurende verwondering over het leven der mensen’ en de ‘hypersensuele en neurotische natuur’ die zowel in Rolien als Van Bruggens personages Heleen en Eva tot uiting kwamen. Van Leeuwen noemde Rolien en Ralien een uitstekende roman, al vond hij de herhalingen en de precieuze dictie soms storend. De naar seksualiteit neigende passages vond hij nergens ‘vies of plat’ maar ‘on-nederlands geraffineerd’. De vergelijking met de joodse schrijfster uit een eerdere generatie zou Mendels vaker ondergaan, en in de meeste gevallen met positieve gevolgen. Na al deze blijken van waardering viel de bespreking van F. Bordewijk in het Utrechts Nieuwsblad de schrijfster rauw op het dak.20 Hij kon het werk ‘volstrekt niet prijzen’, dit gezochte boek vol maniërisme. Dat de criticus het werk toch uitlas, kwam omdat Rolien toch wel ‘levende trekken’ vertoonde. Een sterk hoofdstuk vond hij dat over Charles L., de wat zweverige figuur in Parijs die Rolien na enkele seksuele ontmoetingen de deur wijst. Concluderend stelde hij: ‘zij bezit in ruime mate fantasie, edoch een schimmetje

17. Brems (2005). 18. Van der Woude, Johan. (1947) ‘De Nederlandse literatuur is arm…Er is meer nodig dan een geslaagde analyse’, in: Het Vrije Volk, 26 april 1947. 19. Leeuwen, W.L.M.E. van (1947)

‘Literaire Kroniek’. [Bespreking van: Rolien en Ralien], in: Tubantia, 26 april 1947. 20. F. Bordewijk, ‘Aanstellerij versus bezonkenheid’, in: Utrechts Nieuwsblad, 3 mei 1947. 219

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

aan zelfkritiek.’ In De Waarheid ging C. J. Kelk vooral in op de maatschappelijke omstandigheden van de hoofdpersoon, hij noemt het gepresenteerde huwelijkse leven ‘door en door rot’, en zag in de roman vooral ‘de leugen van een gezinsbloei’ weerspiegeld.21 Rolien vond hij waarachtig uitgebeeld, ‘zoals zulke meisjes werkelijk zijn.’ Voor hem lag de kwaliteit in het tonen van het vrouwelijke wordingsproces dat doorgaans verborgen bleef. Vijf maanden na verschijning van de roman, in juli, kwam de bespreking van Simon Vestdijk in Het Parool, waarover Josepha van te voren was ingelicht.22 Vestdijk gold als een toonaangevend criticus. Veel effect op de verkoop kon zijn stuk niet meer hebben, want het boek was toen al uitverkocht. Rolien en Ralien was in zijn ogen een naturalistische roman, samengevat als de werdegang van een ’overgevoelig, nerveus meisje uit gegoed milieu’ in de traditie van Louis Couperus, Frederik van Eeden en Gerard Walschap.23 Niets nieuws dus. Wel vond hij de taal levendig, maar soms juist ‘te wipperig en springerig’. Het uitgebeelde meisje overtuigde, Vestdijk meende haar te kennen, hoewel hij de Ralien-gedeeltes simpelweg als overbodig betitelde. Die stukken zouden volgens hem de roman overigens tevergeefs moeten redden ‘kwa spanning, tragiek, fatum.’ Waarom het bergafwaarts ging met Rolien werd hem niet duidelijk, daarom zocht hij zelf naar oorzaken, waarvan er tenminste één buitenliterair was. Naast de uitzonderlijke aanleg van het kind en de invloed van zekere jeugdervaringen noemt Vestdijk namelijk het joodse milieu, terwijl dat juist volledig afwezig is in de roman.24 De NRC kwam net als Het Parool pas in juli met een stuk, niet ondertekend maar van de hand van letterkundige Adriaan van der Veen.25 Hij had waardering voor de tekening van het kinderleven, maar vond de roman als geheel niet geslaagd, onder andere omdat er geen ontwikkeling in het personage Rolien zit: zij is in Parijs dezelfde als in haar kindertijd. Van der Veen zag alleen kwaliteit in de details en bijzonderheden in de roman, die de schrijfster dankzij ‘de concentratie op zichzelf’ waren ontsnapt. Het is een gemakkelijk boek, stelde Van der Veen, want de schrijfster had slechts haar kindertijd gereproduceerd, zodanig levensecht dat het vreemd was, betoogde hij, dat de hoofdpersoon zelfmoord pleegde terwijl de schrijfster nog leefde.26 Het einde van de roman overtuigde de heren recensenten het minst. Daarin gaat Rolien, nadat ze aanwezig was geweest bij de laatste ogenblikken van de stervende vader en zijn begrafenis, terug naar Parijs. Zij koopt beschreven ansichtkaarten bij een boekenstalletje aan de Seine, leest die, roept nog eenmaal dat ze veel van haar klasgenootje Titi heeft gehouden en gaat dan langs de Seine wandelen. ‘En niemand heeft haar ooit nog gezien’, luidt de slotregel. De meeste critici interpreteerden dit als een zelfmoord van de hoofdpersoon, zoals Josepha zelf in de flaptekst had geschreven. Later dacht zij daar anders over.27 21. Kelk, C.J. (1947) ‘Een burgerlijk milieu met kinderogen gezien’, in: De Waarheid, 29 mei 1947. 22. JM aan Jan Greshoff, 13 juli 1947. LM 23. Vestdijk, S. (1947) ‘Rolien en Ralien: roman van de ontragische persoonsverdubbeling’, in: Het Parool, 5 juli 1947. 220

24. Heimans (2010). 25. [Van der Veen, A.]. (1947) ‘Het toeschouwende ik’, in: NRC, 12 juli 1947. 26. Van der Veen (1947). 27. Bij de herontdekking van Josepha Mendels in de jaren tachtig werd het slot door feministische critici juist opgevat als de volwassenwording van Rolien. Mendels betoogde toen het

ene moment dat haar debuut een open einde had en het andere dat Rolien niet sterft. Etty (1986).

Het debuut ontving tenslotte een blijk van waardering: de gemeente Amsterdam, die jaarlijks literaire prijzen uitreikte, gaf Rolien en Ralien in 1947 een eervolle vermelding.28 De ontvangst van haar roman in de media had een moment van triomf moeten zijn waar ze al van droomde sinds haar achtste. Schreef ze niet over haar jeugdige alter ego dat fantaseerde over het voltooien van een roman: ‘En de kranten volgen met verheffende critieken – het kind-schrijfstertje, Rolien Kolar, heeft ons verrast met haar knappe roman.’29 Josepha onderging de media-aandacht met interesse, maar uiteindelijk deed het haar minder dan ze dacht. ‘Rolien [heeft] me niet zo gelukkig gemaakt als ik dacht, omdat ik aldoor naar een trots gevoel zoek en het niet heb.’30 Het gemis van haar familie deed zich hier pijnlijk voelen, zoals dat ook bij de verschijning van In de Verstrooiing het geval was geweest, en zoals ze het zou voelen toen ze in 1950 een literaire prijs kreeg.

Werken aan Je wist het toch… Terwijl de besprekingen verschenen in het voorjaar van 1947 verbleef Josepha op het platteland, waar ze ploeterde aan haar tweede roman, Je wist het toch…. Ze wachtte ondertussen met ongeduld de recensies in de Nederlandse kranten af, die Sadi en anderen aan haar doorstuurden. Aan Dinaux, de man die haar roman zo goed begrepen had, schreef ze meteen een brief, die opende met een reactie op zijn laatste zinnen: dat de schrijfster de stijl van Rolien in een volgend boek zeker niet moest hergebruiken. ‘Rolien & Ralien zijn immer allebei dood,’ schreef ze hem. ’Je kunt toch geen dood mens imiteren?’31 Ook bedankte ze hem voor zijn kritiek die haar en ‘alle Roliens en Raliens in de wereld’ plezier had gedaan.32 Adriaan van der Veen ontving eveneens een brief. Ze kon het niet laten veronderstelde misvattingen van zijn kant recht te zetten: Er is iets dat me stuit, een misbegrip. U schrijft: Er is zelfs weinig te bespeuren van een ontwikkeling, want de jonge vrouw, die te Parijs zelfmoord pleegt, toont weinig verschil met het meisje dat wij teleurgesteld hebben gezien in haar genegenheid voor een schooljuffrouw en een schoolvriendinnetje. […] Maar mijn waarde v.d. Veen, zo is juist de opzet van het boek. Alles wat Rolien na haar 14e jaar beleefde was voorbijgaand, noch Jean, noch Charles L. hebben in diepste wezen ook maar iets voor haar betekend. 33 Josepha kon het niet uitstaan dat Van der Veen haar vereenzelvigde met Rolien: ‘En gelooft u me als ik u zeg dat het boek niet zó persoonlijk is als u denkt.’34 Ook had ze zich gestoord aan de haar toegeschreven zelfvervuldheid: ‘Maar één ding is zeker: met de egocentrische concentratie is het in ‘t tweede boek gedaan’ verzekerde ze Van der Veen.35

28. ‘Muziek- en Letterkundeprijzen gemeente Amsterdam’, in: De Heerenveensche Koerier, 21 november 1947. 29. Mendels (1947): 42. 30. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [tweede helft 1948]. 31. JM aan Carel Dinaux, 13 april 1947.

LM. 32. Dinaux schreef JM terug op 17 april 1947 en verklaarde zich nader over het verzoek aan de schrijfster om de stijl van Rolien vooral niet te imiteren. ‘Eigenlijk zit de hele oorzaak in de angst – die ik nooit overwin, geloof ik –

dat wat ik heel mooi vind, weer verloren zal gaan, geschonden zal worden.’ 33. JM aan Adriaan van der Veen, 16juli 1947. 34. Ibidem. 35. Ibidem.

221

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

Van 24 mei tot omstreeks 19 juni 1947 zat Josepha in Andouillé, waar ze haar intrek had genomen in hotel Au Pigeon Blanc. Met haar kladvellen en een typemachine was ze er naartoe gereisd om het tweede boek af te maken. Andouillé was een ‘schilderachtig dorpje’ in een ‘prachtig landschap’ zo’n driehonderd kilometer van Parijs.36 Querido drong aan op een snelle voltooiing van de tweede roman, die al zo lang in de pen zat en waarvoor ze een voorschot had ontvangen.37 Liever dan een herdruk van Rolien te maken, wilde de uitgever een tweede boek publiceren.38 Op haar hotelkamer liet ze een houten werktafel neerzetten, die ze voor het raam schoof. Hier kwam ze los van alles en kon ze zich concentreren op haar boek, op het verhaal dat ze wilde vertellen over de verhouding die ze in Londen had gehad en die haar zoveel vreugde had gebracht in een donkere tijd. De stilte van het platteland confronteerde haar met zichzelf en greep haar aanvankelijk nogal aan. ‘Ik vind het leven niet gemakkelijk en moet al mijn moed bij elkaar zamelen om deze stilte en hernieuwde eenzaamheid te kunnen aanvaarden.’39 Het liefst begon ze voor zeven uur met schrijven. Ze wilde niemand spreken, dat brak de draad van het verhaal waar ze inzat. De stilte in haar hoofd bij het ontwaken was een weldaad voor het schrijven. Als het warm was, nam ze naakt plaats achter de machine, waardoor haar ‘tepeltjes [meetikten]’. 40 Dat hield ze tot het begin van de middag vol. Dan ging ze naar beneden om te lunchen in de eetzaal en ‘s middags vermaakte ze zich buiten. Je wist het toch… bestaat net als Rolien en Ralien uit twee delen. De meeste hoofdstukken eindigen met een nostalgische terugblik, getiteld ‘In de verrekijker’. Het deel waar Josepha in Andouillé mee begon, verried haar gemoedstoestand. Ze schreef over datgene wat haar en haar familie was overkomen, en werd zo onmiskenbaar de joodse auteur die ze met Rolien en Ralien niet was geweest. In het tweede deel van de roman staan jodendom en afscheid nemen centraal. Ze laat Raderdier een brief aan zijn moeder schrijven, ‘Dagboekbladen aan een dode’, die beschouwd kan worden als een brief aan haar eigen vermoorde moeder. Juist voor Uw vijftigste bent U gestorven. Aan een ziekte, of hebben ze U daarginds gedood, of laten verhongeren? Moeder, Moeder, zal ik dat ooit te weten komen? Maar wil ik het wel weten? Wat hebben ze met Uw lijk gedaan, wie was er bij U toen de dood kwam […] Moeder, moeder, waar is Uw graf?... 41 Ook schrijft ze ‘Mirjam’, het verhaal waarin de contouren van Ada’s leven goed zijn te herkennen. Haar jeugd als een wat ontevreden middelste kind, haar opgroeien en haar hoop op de liefde, de ontmoeting met Simon, die in het verhaal Arthur de Bruin heet, haar gelukkige huwelijk en de geboorte van twee zoons. Het einde: de ontruiming van het huis en het ontijdige vertrek naar wat zij dan als een werkkamp opvat. Tijdens het schrijven kon ze haar tranen niet bedwingen, en ze dacht onderwijl aan Ada’s laatste verjaardag die ze samen vierden. 42 Gedurende haar schrijfvakantie gebruikte ze dagelijkse indrukken die in de roman een plekje kregen. Zo at ze in Andouillé een pet de nonne (letterlijk: wind van een non), een

36. JM aan Sadi de Gorter, 24 mei 1947. 37. Alice von Eugen aan JM, 12 april 1946. 222

38. JM aan Greshoff, 13 juli 1947. LM 39. JM aan Sadi de Gorter, 24 mei 1947. 40. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [omstreeks juni 1947].

41. Mendels (1948c): 191. 42. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [brief 40, woensdagavond, 1948].

soort oliebol. ‘Ik heb er van gesmuld het komt nu ook in het boek.’43 Ze laat papa Farinet, gemodelleerd naar haar Londense huisbaas, pets de nonne bakken op zondag. 44 Aan Sadi, die informeerde naar haar opvatting van schrijven, liet ze weten dat ze notities maakte en die heel gemakkelijk kon verwerken: ‘[Ik] smijt ze meteen in het boek, als een handvol zout. Ze passen precies er in.’45 Wanneer Josepha niet aan het schrijven was, hield ze een luiervakantie. 46 Ze ging zwemmen tussen kikkerdril en irissen, liggen in het gras en kijken naar de vogeltjes. Ze bezocht een kasteel en liet zich er voorlichten over de geschiedenis. Op een boerderij hielp ze mee met koeien melken, een karweitje dat haar onmiddellijk deed denken aan ‘nongsie’, Sadi’s actieve geslachtsdeel. De warmte was haar op het lijf geschreven, ze ervoer dat ze ervoor gemaakt was, ze verlangde naar seks en hielp zichzelf enkele keren per week een handje. De maaltijden gebruikte ze in de eetzaal van het hotel, aan een eigen tafel, waarvandaan ze contact maakte met andere gasten, die ze onderhield over Nederland. Ze ontpopte zich als een uitstekende publiciteitsmedewerker voor haar geboorteland. De kennis die ze verspreidde had ze opgedaan door haar werk bij de ambassade. Ze liet extra exemplaren van Nouvelles de Hollande naar het hotel sturen, om haar betogen te ondersteunen. De Nederlandse boterexport was iets, dat de hotel- en restaurantgasten, onder wie veel boeren, dermate interesseerde dat ze er graag uitgebreid over werden voorgelicht. 47 Ondertussen observeerde ze het menselijk gedrag dat ze aan zich voorbij zag trekken. De bestudering van de lokale bevolking was een hobby van haar, en ze trachtte zo tegelijk ideeën op te doen voor haar boeken. Ze genoot van haar status als interessante Hollandse gast in een verder weinig enerverend dorp en vroeg honderduit. Tegenvragen beantwoordde ze naar waarheid. ‘Hier weten ze nu dat ik jodin ben. Waarom de gojse spelen? Ze vroegen naar m’n familie en ik zei: “uitgemoord”.’48 Ze nodigde een vriendin voor het weekend uit, Lily van Leer, tot 1949 getrouwd met de ondernemer Oscar van Leer. Tussen de vrouwen bestond een oppervlakkige lichamelijke affectie die zich uitte in kussen en strelen. ‘Ik zoen haar veel en aai haar borsten, het vlees is wat week, maar ze is mooi,’ schreef ze Sadi. 49 Het waren tegelijkertijd inleidende handelingen voor een mogelijk later geconsumeerd trio met hem. ‘Lily wil best met drie, dat voel ik wel.’50 Maar net zo impulsief als Jos haar vriendin had laten komen, stuurde ze haar weer weg. ‘Ze zit vol complexen en ik heb al genoeg van haar.’51 Rond 20 juni moest Josepha terug zijn op de ambassade. De tijd begon te dringen en ze werkte naarmate het einde in zicht kwam, steeds harder aan de afronding. Wat af was stuurde ze in delen naar Sadi. Ze schreef hem precies voor hoe hij dit boek, waarvoor hij model had gestaan, moest lezen

43. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [zomer 1947]. 44. Mendels (1948c): 57. 45. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [voorjaar/zomer 1947]. 46. Deze alinea is gebaseerd op brieven van JM aan Sadi de Gorter, voorjaar 1947.

47. JM aan Sadi de Gorter, 5 juni 1947. 48. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd. 49. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd. 50. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd. 51. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd.

223

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

Als je het leest, neem er dan een papiertje bij en maak daar je opmerkingen op. Wil je dat? Want dit boek is van ons samen en je zult zovele malen dingen tegenkomen die jij hebt gezegd, die uit jouw hoofd zijn geboren. Ik hoop alleen maar dat wat de gelijkenis betreft [ je] er niets meer op tegen zult hebben.52 Zeker op twee plaatsen had ze geciteerd uit brieven die Sadi aan haar had geschreven toen hij in Parijs zat en zij nog in Londen, waarschijnlijk vaker.53 Ook anderen zouden misschien iets herkennen in de roman, maar daar maakte zij zich niet al te druk over. De mensen die hadden geweten dat zij een verhouding hadden, zouden het boek heus niet letterlijk nemen, meende Mendels. Het ging onder andere om Rien Marsman, Hans Warendorf en de schilder Wim Oepts, die ze in Londen hadden leren kennen en vanzelfsprekend om Berthe en Eduard Elias. Sadi had er de rust niet voor om het manuscript te gaan lezen, zoals Josepha ook wel wist en daarom stelde ze voor om na haar terugkeer in Parijs af te spreken op een terras en de roman samen door te nemen. Ze had zich in haar hoofd gehaald het manuscript voor haar verjaardag op 18 juli op te sturen aan Querido. Uiteindelijk zou Sadi pas kennis nemen van het hele boek toen Josepha het hem voorlas in bed, hij vond het ‘uitmuntend’.54 Haar terugkeer naar de stad vervulde haar opnieuw met ‘overgangsgevoelens’. Het buitenleven had haar geabsorbeerd: ze maakte zich niet op en droeg er eenvoudige kleren. ‘Je kabouter is weer de vooroorlogse vrouw geworden, niet geschminkt, geen nagellak, geen brillantine in oude jurken dwalend langs Gods wegen’.55 Ze voer er wel bij en keek met vreemde ogen naar de stadse gewoontes waar ze zich voordien zo trouw aan had gehouden. ‘Altijd dat mooi maken in de stad. Het komt toch maar op mijn ziel aan.’56 Mocht ze ooit een prijs winnen, ‘wie weet’, dan zou ze het geld besteden aan een plattelandsoptrekje. Haar welbevinden in de landelijke omgeving had ook met Sadi te maken: het bijna dagelijkse briefcontact dat ze met hem had, bracht haar dichter bij hem dan ze ooit in de stad kon ervaren. Ik houd van dit leven, lieveling. Ik ben een raar eenzaam mens geworden. Ik vind het heerlijk dat ik je weer terug zal zien en toch weet ik dat ik donderdagavond ga huilen of bijna, want in Parijs mis ik je meer, anders, heviger […] dan hier, als ik iedere morgen kan lezen hoe dicht we bij elkaar staan en gegroeid zijn, jij en ik, het Raderdier en zijn Kabouter…57 Nu ze haar opwachting in Parijs ging maken, diende ze zich ondanks haar twijfels over uiterlijkheden te onderwerpen aan de wetten van de stad. Ze vroeg Sadi voor haar afspraken te maken bij de kapper, de manicure en voor epileren. Dit kon allemaal in

52. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd. 53. ‘Wat zijn die jaren van genot vlug voorbij gegaan. Je bent zo lief, zo goed, zo gezond voor me geweest. Nooit knoestig, nooit kwastig, nooit doornig, niets was je te veel om Raderdier beter en groter te maken.’ Mendels (1948c): 72 en Sadi de Gorter aan JM, 30 april 224

1944. ‘Het zuiden van Holland wordt bevrijd! […] Ik huil…’ Mendels (1948c): 150–151 en Sadi de Gorter aan JM, 23 augustus 1944. Mendels heeft in de roman Parijs voor Holland vervangen. 54. JM aan Berthe Edersheim, 14 juli 1946. De voorgelezen versie was niet de definitieve, want die van zomer 1946.

55. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd. 56. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [voorjaar zomer 1947]. 57. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd.

warenhuis Printemps en ze vond het een prettig idee als Sadi eens voor echtgenoot speelde. ‘Wil je […] naar de Printemps gaan, eenmaal schat, mijn man zijn die een boodschap voor zijn vrouw doet?’ Dit alles had niets te maken met de ware Josepha, dat realiseerde hij zich natuurlijk wel. ‘Al die idioten die in mij een mondaine vrouw zien, vergissen zich wel!!!’58 De laatste dagen rondde ze het boek af, ze was waarlijk niet ontevreden. Alles ging voor de zekerheid in enveloppen naar Sadi. Als zij onderweg zou sterven, kon hij het uitgeven, zo veronderstelde zij. Ze wilde lang over het boek praten en daarna flink vrijen. Vrijen, dat deden Sadi en Josepha na haar terugkeer in de stad die maanden veelvuldig. Dit keer bleven de fysieke ontmoetingen niet zonder gevolgen. In augustus deed Josepha een ongelooflijke ontdekking. Ze was zwanger geraakt, op of rond haar verjaardag zelfs. Ook al zal ze vervuld zijn geweest van hevige en tegenstrijdige emoties van geluk en verdriet, de toekomstige moeder begon vrijwel meteen aan de materiële omstandigheden te denken waaronder ze haar kind ter wereld zou brengen. Die waren niet florissant. Haar huidige krappe woning, die ze ondergehuurd had van een vriendin aan de Villa Croix Nivert 1 bood geen ruimte voor een kind. Bovendien moest ze werken. Het was er trouwens te ongezond volgens de heersende opvattingen over de opvoeding van kinderen: schone buitenlucht was onontbeerlijk. Het was uitgesloten dat een ongetrouwde vrouw met haar kind ergens zelfstandig zou wonen. In de jaren dertig en veertig stond een buitenechtelijke zwangerschap in Nederland voor antiburgerlijk gedrag dat de maatschappij en de huwelijkse waarden ondermijnde.59 Niet voor niets had zij zelf in 1938 een abortus gehad, ze kon haar moeder (haar vader was al overleden) niet met een dergelijke schande opzadelen. Zwangere meisjes waren afhankelijk van liefdadigheid en moesten hun kind in de meeste gevallen voor adoptie afstaan. Een buitenechtelijk kind had een slechte naam: het zou een laag IQ hebben en onopgevoed zijn. Terugvallen op rechten was voor moeders nauwelijks mogelijk: een ongehuwde moeder had geen recht op ziekteverlof, en pas in 1947 werd een wet van kracht die regelde dat de ongehuwde moeder automatisch voogd was van het kind dat zij baarde. Voor die tijd stond dat niet voetstoots vast. En hoewel Josepha zich nooit liet naturaliseren tot Française, had ze ook met de Franse wetgeving en het normatieve stelsel in haar tweede vaderland te maken.

‘Ik zal niet langer eenzaam zijn’ De eerste maanden van haar zwangerschap kon Josepha het leven voortzetten zoals voorheen. Ze werkte op de ambassade, had afspraakjes met Sadi op zaterdag, bezocht Nederland nog in oktober en wachtte op de groei van haar buik. Ze was er nog niet van overtuigd dat ze daadwerkelijk een kind op de wereld zou zetten. Maar als het zou

58. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd. 59. Zie voor de juridische status van de ongehuwde moeder: Sevenhuijsen, Selma. (1987) De orde van het vaderschap: politieke debatten over ongehuwd moederschap, afstamming en het huwe-

lijk in Nederland 1870–1900, IISG, 1987. Voor de sociale status: Zwiep, Channa. (1991) ‘Zij is tenslotte óók een mensch: ongehuwde moederzorg in Nederland (1880–1940), Pheme jg 5, nr. 15, voorjaar 1991, p. 7–10 en Broek,

José van den & Annette Ettes. (1979) Ongehuwde moeders; de leefsituatie van vrouwen die tussen 1920–1940 ongehuwd moeder werden. Doctoraalscriptie historische pedagogiek UvA, zomer 1979.

225

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

lukken, gaf haar dat een geweldig gevoel van geluk. Ze dacht er haar eenzaamheid voor altijd mee uit te bannen en er een ongekende werklust voor terug te krijgen, schreef ze aan Sadi. Als ik het kind mag krijgen, ga ik meteen contact met kranten zoeken, ga ik werken zoals ik nooit gedaan heb. […] Ik zal sober en teruggetrokken leven, die maanden voor de geboorte. Maar werken zal ik, daar kan je van verzekerd zijn. Ik laat een wijde mantel maken en ga in de bibliothèque werken, of ik sluit me thuis op. […] Ik zal een groot schrijfster worden, waar je trots op kunt zijn… Alles wat ik in jou lief heb zal ik in hem terug brengen. Er zal een doel in mijn leven zijn, ik zal niet langer eenzaam zijn. 60 De hoge verwachtingen die ze koesterde, contrasteerden sterk met de bittere realiteit van haar aanstaande moederschap. Het zou voor haar onmogelijk zijn om de vader van haar kind openlijk bij de opvoeding te betrekken en dat wilde ze ook niet. Ze moest hem en zijn niet ongelukkige huwelijk beschermen. Daarom verliet ze Parijs toen de eerste tekenen zichtbaar werden omdat ze bang was voor geruchten. Op 2 november, nog geen vier maanden zwanger, streek ze opnieuw neer in Au Pigeon Blanc in Andouillé, de plek waar ze een half jaar tevoren haar ‘schrijfvakantie’ had gehouden. Tot een week voor de bevalling in april zou ze op het platteland blijven, afgezien van twee snelle controlebezoekjes aan de dokter in Parijs. Aanvankelijk probeerde ze nog klussen voor Sadi en Nouvelles de Hollande op te knappen, maar het werd steeds duidelijker dat ze het werk moest loslaten. Ze bewerkte nog wel het manuscript van Je wist het toch… en schreef een novelle. Ook correspondeerde ze met de redactie van het tijdschrift Criterium van Adriaan Morriën over de voorpublicatie van ‘Mirjam’.61 Het verscheen er in mei 1948 in. Van het harde werken dat ze zich had voorgenomen, kwam niet veel terecht. Wel correspondeerde ze geregeld met Sadi en anderen. Vanzelfsprekend dacht ze veel aan het kind en hoe dat haar leven zou veranderen. De financiën waren een punt van zorg. Josepha had zich bij haar baan met enige schroom ziek gemeld en verklaarde haar afwezigheid uit Parijs ook ten opzichte van een aantal anderen als ziekteverlof, zoals Jan Greshoff en Alice van Nahuys, met wie ze over haar manuscript van gedachten wisselde. Buiten Sadi waren alleen Berthe, Françoise en Eli op de hoogte en nog twee vriendinnen uit Nederland. Françoise en Eli leefden erg met haar mee en brachten regelmatig bruikbare spullen voor haar mee als ze in Andouillé op bezoek kwamen. Voor anderen moest de zwangerschap geheim blijven, evenals haar ongetrouwde status. In het hotel stelde ze haar privésituatie daarom anders voor dan die feitelijk was. Sadi, die haar in het weekend kwam opzoeken, was haar zogenaamde echtgenoot die een functie op een nachtredactie vervulde. Daarmee werden zijn bezoekjes waarbij soms een nacht was inbegrepen, gerechtvaardigd. Ze vond het een prettige fantasie en liet zich soms zo gaan dat ze er bijna zelf in ging geloven.62 Haar zwangerschap verbond haar meer dan ooit met deze man.

60. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [1947]. 61. Briefwisseling met Criterium in LM. 62. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [1948 / 1949]. 226

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

Zijn rol zou veranderen mocht zij komen te overlijden, een gevaar dat haar heel reëel voorkwam. In december maakte ze uit voorzorg een testament op bij een notaris in Montfort, waar ze vanuit Andouillé naartoe verhuisd was.63 Montfort l’Amaury lag tientallen kilometers dichterbij Parijs en maakte het voor Sadi gemakkelijker om op bezoek te komen. Had hij heel weinig tijd, dan spraken ze in Versailles af, dat tussen hun beider verblijfplaatsen in lag. In het testament werd bepaald dat Sadi het auteursrecht van haar werk, feitelijk alleen nog dat van Rolien en Ralien zou krijgen, als er geen levend kind zou zijn geboren. Als er wel een kind zou zijn, kreeg dat de auteursrechten. Sadi zou in geval van overlijden voogd zijn, maar het kind zou niet bij hem opgroeien. Na een wat moeizame start na de oorlog was zijn huwelijk in rustig en evenwichtig vaarwater gekomen en toestanden waren het laatste wat zijn thuisomgeving, waar hij ook voor zijn moeder en zus had te zorgen, kon gebruiken. Er zou een adoptiegezin gezocht moeten worden, dat vermogend genoeg was om het kind een behoorlijke opvoeding en goed onderwijs te bieden. Ook aan Berthe schreef Josepha dat het kind in geval van haar overlijden ‘door lieve en welgestelde ouders geadopteerd moest worden.’64 Ze wees Kaai aan als haar executeur-testamentair. Josepha deed nog iets om haar ongetrouwde staat te verhullen voor wie dat niet aanging. Wanneer ze in het kraambed zou overlijden, vond ze het noodzakelijk dat het medisch personeel iemand daarvan op de hoogte zou stellen die dezelfde achternaam had als zij. Ze nam daarom contact op met een zekere Frits Mendels, geen familie, die de trieste boodschap zou doorgeven aan Sadi.65 Het volgende probleem dat ze moest oplossen was waar ze het kind zou laten. Josepha was met haar vriendin Françoise overeen gekomen dat de baby de eerste tijd bij haar zou wonen. Françoise, een ‘bourgeoise de Passy’ zoals Sadi haar omschreef, had een volwassen zoon, Dony, en haar man Jean was in 1944 naar een eigen appartement verhuisd. Met liefde wilde ze voor de baby zorgen.66 Josepha zag dat wel zitten, ze had dan gelegenheid om te werken en kon regelmatig ‘het kindje controleren’.67 Zij en Josepha kregen echter onenigheid, die waarschijnlijk was terug te voeren op Françoises angst zich aan het kind te hechten en de wens van Josepha om het kind uiteindelijk zelf op te voeden. Bovendien wilde Françoise het kind in de katholieke sfeer grootbrengen en hoewel Josepha geen joodse opvoeding voor ogen had, ging een katholieke haar toch wat ver. Halverwege de zwangerschap zat Josepha zodoende met een groot vraagstuk dat haar wanhopig maakte. Waar kon ze haar kind de eerste tijd onderbrengen? Hoe moest ze aan het geld komen om de opvang te betalen? In Nederland gaan wonen was zelfs een overweging.68 In uiterste nood was joodse opvang bespreekbaar. Ze schreef aan Sadi dat het kind vanuit de baarmoeder had gemeld dat het ‘wel bij de Joden wil, als niemand hem toch wil.’69 Koortsachtig ging ze op zoek naar mogelijkheden. Ze wilde voorkomen dat ze zelf of de baby in een omgeving zou belanden waar jonge meisjes zaten die per ongeluk zwanger waren geworden, want daar hoorde zij niet bij. ‘Ik ben geen fille-mère die insoucieuse een kind op de wereld brengt, ik ben een onafhankelijke vrouw die een kind zal opvoeden en ervoor zal werken.’70 Onder andere schreef ze

63. Kladversie van het testament, 17 december 1947. 64. JM aan Berthe Edersheim, ongedateerd [voorjaar 1948]. 65. Van Verre (1982).

66. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [najaar 1947]. 67. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [januari 1948]. 68. JM aan Sadi de Gorter, ongeda-

teerd [februari 1948]. 69. JM aan Sadi de Gorter, 17 december [1947]. 70. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [voorjaar 1948]. 227

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

naar een dokter, bij wie ze haar situatie uit de doeken deed. Ze kreeg enkele adressen aangereikt en ging er samen met Sadi kijken. Bij het tweede adres was het raak: Josepha had onmiddellijk vertrouwen in wat ze aantrof: een groot gezin waar haar kind Eric als het een jongen was en Maryse als het een meisje was goed in opgenomen kon worden. Het lag in Saint Cyr, even buiten Parijs. Josepha was helemaal aangedaan door wat zij voor een eenvoudig en daarom gelukkig gezin aanzag. Alle last van de normatieve omgeving waarvoor ze zich had trachten in te dekken door allerlei leugens, viel van haar af. Ik kan opeens alle matriële moeilijkheden wegdenken, en poète zijn, filosoof en God, lachen om de maatschappij, uitlachen, want wat doen wij voor kwaad? Niets, we krijgen een kind in plaats van het vermoord te hebben. Is dat dan misdadig en staan wij niet aan de goede kant en zij aan de slechte? Ik voel me hoe langer hoe meer vrij van alles, van alle conventie, gewoon een mens, die [dat] zijn eigen leven durft te maken.71 Het financiële vraagstuk werd twee maanden voor de uitgerekende datum als door een deus ex machina opgelost vanuit Amerika. Berthes zus Leni bood aan de opvangkosten voor het eerste levensjaar te dragen. Dat deed ze met opbrengsten uit de aandelen van Esveha, het voormalig bedrijf van haar vader die vlak voor de oorlog overleed.72 Leni stuurde luxe spullen, onder andere wollen dekens, een dressing gown en rompertjes. De zwangerschap verliep goed, zeker de eerste maanden had Josepha geen klachten. Ze wandelde veel en dronk melk, hoewel ze daar niet van hield. Er was genoeg tijd om over Sadi’s escapades met andere vrouwen na te denken en met hem mee te leven. Hij vertelde niet altijd over zijn affaires en dat kon Josepha achterdochtig maken. Ze wist dat hij het in die tijd hield met de schilderes Dinie [achternaam onbekend] en met Selma Joles, een lange, roodharige huisarts die hij uit Londen kende.73 Dinie kwam Josepha nog opzoeken in haar hotel. Ook had hij contact met de eveneens roodharige communist Tilly (Mathilde) Visser, filmjournaliste en kunstcritica, dochter van mr. L. E. Visser, vooroorlogse voorzitter van de Hoge Raad, die zich tot het laatst openlijk had verzet tegen anti-joodse maatregelen in 1940. Tilly had Josepha’s goedkeuring: ze was een leuke vrouw, ‘een echt wijf, geen chichi’ en ze was fysiek in staat tot standjes die Josepha vanwege haar zwangerschap achterwege moest laten. Was ze niet zwanger geweest, dan had ze graag meegedaan met de seks die Sadi met haar had.74 Met Dinie en Selma had ze minder op, omdat zij Sadi voor zichzelf opeisten. Ondanks de afwezigheid van jaloerse gevoelens, kreeg Josepha plotseling het idee dat hij weinig meer om haar gaf en zag een neergaande lijn in de frequentie en de duur van zijn bezoeken. Door zijn tanende interesse voelde ze veel minder blijdschap om het kind. Niet vrij van achterdocht vermoedde ze dat hij iets voor haar verborg, een minnares was nog het meest waarschijnlijk. ‘Heb je Jacqueline Martin [secretaressse uit Londen] weer ontmoet? Of iemand anders? Iemand heb je, dat weet ik zeker. Behalve Dinie en Selma wier brieven ik niet mag zien!’.75

71. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [januari 1948]. 72. Leni de Vriendt-Edersheim aan JM, 10 februari 1948. 228

73. Typering afkomstig van Carla Jacobs, februari 2011. 74. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [maart 1948].

75. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [voorjaar 1948].

Père non déclaré Gevoelens van afstand verergerden toen Sadi eind december in gezelschap van zijn wettige vrouw naar Nederland vertrok, om daar de jaarwisseling 1947 / ’48 door te brengen. Josepha stond op het standpunt dat Sadi Nederland alleen met haar mocht bezoeken. Dat gold ook voor Londen, waar een groot deel van hun gezamenlijke geschiedenis lag. Ze duldde ook geen andere bekenden in de Engelse hoofdstad. Toen Kaai daar eens een vakantiekaart vandaan stuurde, schreef ze nijdig aan Sadi: ‘wat heeft hij in ons Londen te maken?’76 Sadi wist van deze gevoelens en excuseerde zich voor het feit dat Gisèle meeging, maar hij kon nu eenmaal niet anders, zijn echtgenote had er zelf om gevraagd en hij vreesde moeilijke vragen van Voorbeijtel. Josepha’s punt was dat ze graag de twee mensen van wie ze het meeste hield bij elkaar bracht: Berthe en Sadi. Hij beloofde haar inderdaad een bezoek te brengen. In aanwezigheid van Gisèle zou dat een compleet andere ontmoeting worden dan zij zich had voorgesteld. Daarom moest Sadi zich op een bepaalde manier gedragen, zo schreef Josepha hem voor: Sadje, je moet me een groot plezier doen. Wees in het bijzijn van Harmen en eventueel van Hub niet te zoetig lief met je vrouw. Zeg niet aldoor ‘chérie’, laat niet zo merken dat je dol en dol op haar bent, […] wees gewoon een goede kameraad, anders krijg ik dat later – en vooral nu ik moeder word van jouw kind – altijd te horen!!! Ik denk dat je het wel begrijpt, het is niet voor Berteltje, die begrijpt alles best, maar vooral tegenover die oude Hub, en die schampere Harm die niet van me houdt. Laat Gisèle met Harmen optrekken dan kan jij met Bollie [= Berthe] spreken, en vindt hij geen steen des aanstoots.77 Aan Berthe liet ze weten dat ze niet mocht beginnen over Josepha’s verblijf in Andouillé en zo hoopte ze haar eigen gemoed kalm te houden. In januari 1948 nam Josepha schriftelijk ontslag onder het voorwendsel dat ze meer tijd aan journalistiek en bellettrie wilde besteden, haar zwangerschap verzweeg ze.78 Ze vond het vervelend Marius Voorbeijtel zo te bedotten, maar ze zag geen andere uitweg. Haar salaris werd drie maanden doorbetaald. In het achterhoofd hield ze de mogelijkheid open om in het najaar terug te keren naar het bureau en Sadi zou aanvankelijk alleen naar een tijdelijke vervanger op zoek gaan. Toen de laatste maanden van de zwangerschap waren aangebroken kreeg Josepha last van vermoeidheid en deed ze dagelijks een middagdutje.79 Tien kilo was ze aangekomen en haar kleren, die ze ondanks haar gewichtstoename aantrok, gingen kapot: jarretels knapten en een bontmantel trok ze aan flarden. Er was in deze fase nog maar één kwestie op te lossen en dat was, waar ze de laatste dagen voor de bevalling zou verblijven. Het hotel waar ze zat, moest ze verlaten vanwege Pasen. De uitgerekende datum viel vlak daarna. Tijdens de drukke dagen wilde ze het hotel niet tot last zijn met haar zoutloze dieet, ze zag bovendien op tegen de vele sjieke gasten die verwacht werden. Inmiddels had ze de vriendschap met Françoise hersteld en zij had Josepha de laatste

76. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [voorjaar / zomer 1947]. 77. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [december 1947].

78. Marius Voorbeijtel aan JM, 4februari 1948. 79. Deze alinea is gebaseerd op ongedateerde brieven van JM aan Sadi de Gorter en een aan Berthe Edersheim. 229

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

dagen te logeren gevraagd, en ook Eli had een dergelijk aanbod gedaan. Maar Josepha voelde er niets voor bij Françoise te zijn, want daar moest ze Jean en Dony onder ogen komen en dat geneerde haar in haar hoogzwangere staat. Eli viel ook af want zij had geen aparte kamer. Dinie, de scharrel van Sadi, had haar aanbod om de laatste dagen samen in een hotel door te brengen ingetrokken, zodat Josepha met lege handen stond. Eigenlijk wilde ze de laatste dagen voor de bevalling (waar Josepha stelselmatig met ‘de pijn’ naar verwees) niet alleen doorbrengen, maar er zat niets anders op.80 Ze nam een hotel dichtbij het ziekenhuis waar ze zou bevallen. Sadi kwam haar op vrijdag 26 maart ophalen, per taxi keerden ze samen terug naar Parijs. In de vroege ochtend van 5 april liet ze zich opnemen in het St. Antoine ziekenhuis. In een grote zaal kwam ze er terecht tussen andere barende vrouwen. De bevalling duurde lang en een arts moest halverwege ingrijpen omdat ze uitgeput raakte. ‘U hebt genoeg geleden, mevrouw,’ besloot de arts na uren van persen.81 Hij bracht haar onder narcose en met een verlostang, een forceps, kwam om half twee in de nacht Eric Laurent Hubert ter wereld.82 De familienaam was veilig. De dagen na de bevalling waren een droom. Ze genoot intens van het feit dat ze haar lichamelijke sores geheel aan anderen over kon laten. Ze hoefde zich alleen met het kleine knaapje bezig te houden, dat een ziekenhuis-blauw pakje droeg. Dat ze tussen uitsluitend jonge moeders lag en als ‘de oude’ werd aangeduid – drie maanden later zou ze 46 jaar worden – kon haar niet schelen. Bij het bed kwam het omineuze bordje ‘p.n.d.’, père non déclaré te hangen, dat wilde zeggen dat het kind niet erkend was door de vader. Het deerde haar niet. Geluk overspoelde haar, net als de voorjaarszon die de ziekenhuiszaal een stralende sfeer gaf.83 Afgezien van de baby deed de terugkeer naar de stad haar buitengewoon goed na al die maanden geleefd te hebben buiten de maatschappij, in een afgelegen dorpje, buitengesloten van het Parijse sociale leven. Later keek ze op de periode in het ziekenhuis terug als ‘misschien wel de heerlijkste dagen uit mijn leven’.84 Ze herinnerde zich dat de zusters de hoge ramen openden die uitkwamen op de binnentuin van het ziekenhuis, en dat het voorjaar zich plotseling krachtig aandiende. Alles was mooi en vredig. Op 17 april verliet ze het ziekenhuis, maar niet alleen. Ze moet toen meteen op weg naar Saint Cyr zijn gegaan om Riclau, (Eric Laurent) zoals het jongetje de eerste vijftien jaar van zijn leven werd genoemd, onder te brengen bij de familie Cerceau. De achtste dag, waarop joodse jongens traditiegetrouw tijdens een feestelijke ceremonie worden besneden, ging geruisloos voorbij. Sterker nog, in zijn vierde maand werd Eric gedoopt. Madame Cerceau was een zeer katholieke vrouw en stelde de vraag wanneer het kind dat onder haar hoede kwam, gedoopt zou worden. Josepha loste dit pragmatisch op. Ik dacht: arm kind, je zult niet al met je vierde maand lijden onder antisemitisme, dus ik zei: dan en dan wordt hij gedoopt. Het kind heeft gegild want hij wou die rommel niet in zijn mond hebben. Gegild. En ik zag al die grootvaders en overgrootvaders staan die

1948 dat jodendom bewaard wilden hebben. Mij kan het niet schelen. Maar [… a]ls ze morgen komen, heeft hij een briefje dat hij katholiek is. 85 Mendels deed hiermee iets waarover ze zich later met afschuw zou uitlaten: joden die zich vlak na de oorlog lieten dopen of die hun naam veranderden, vond ze ‘verschrikkelijke mensen’.86 Maar het liefste wat ze had diende tegen alle kwaad beschermd te worden, ook al was een doopbewijs van geconverteerde joden in 1940–1945 geen beletsel geweest voor deportatie. Eric zou nauwelijks joodse tradities meekrijgen. Vanwege zijn opgroeien in Frankrijk raakte hij meer vertrouwd met katholieke gebruiken. Voortaan nam Josepha twee keer per week de trein vanaf station Paris Montparnasse, op donderdag en zaterdag. Het perspectief was dat deze situatie minstens een jaar zou

80. JM aan Berthe Edersheim, ongedateerd [februari 1948]. 81. Mededeling Evelyne Mendels, 24 januari 2010.

230

82. Mededeling Evelyne Mendels, 24 januari 2010. 83. Van Verre (1982). 84. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [zomer ‘49 of ’50].

85. Wester (1986). 86. Van Verre (1982). 231

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

duren. Het werden er uiteindelijk meer dan twee. Ze was een bezoekster van haar eigen kind, dat pas later tot zich door kon laten dringen dat die vreemde mevrouw zijn moeder was. Josepha hield slechte herinneringen over aan die visites, juist omdat zij als bezoekster langskwam in het leven van het geliefde jongetje. In ’Achttien paar handen’, een verhaal dat losjes is gebaseerd op het opgroeien van Riclau, schreef ze later: Tegen tweeën nam ik de trein die er een half uur over deed. Hierna moest ik nog een kwartier lopen, maar ik geloof dat ik er nooit meer dan zeven minuten over gedaan heb. Als het mooi weer was lag hij in zijn kinderwagen in het voortuintje. Een hele kleine baby met grote blauwe ogen. 87 De baby in het verhaal schrikt aanvankelijk steeds van de ik-figuur en de pleegmoeder stelt hem dan moeiteloos gerust. De pleegmoeder was dusdanig beschermend dat zij zich bij al dat vertoon afvroeg: ‘heb ik deze zoon gebaard of zij?’88 De eerste twee maanden van haar zoons leven wilde Josepha Parijs niet verlaten, maar daarna moest ze zich gaan verzekeren van een inkomen. Een terugkeer naar de ambassade was niet aan de orde. Ze had besloten weer freelance journaliste te worden, waarschijnlijk om de mogelijkheid te hebben Riclau te bezoeken. De jaren voor de oorlog was haar het journalistieke werk vrij goed afgegaan. Juli en augustus bracht ze daarom in Nederland door. De bedoeling was, dat ze een paar vaste opdrachtgevers zou vinden en ook dat ze als freelancer verslag zou doen van de feestelijkheden die de troonswisseling van koningin Wilhelmina en prinses Juliana omgaven. Ze maakte plannen waarbij Sadi zich ‘een paar weken’ bij haar zou voegen, maar dat werd uiteindelijk één week in augustus. 89 Josepha logeerde in Nederland de eerste dagen bij fotografe Emmy Andriesse, haar man Dick Elffers en hun anderhalfjarige zoontje Joost, die aan de Amstel 248 woonden. Andriesse, afkomstig uit een liberaal-joods milieu, woonde tot 1937 in Den Haag. Tijdens de oorlog had ze zich aangesloten bij het fotograferende verzetscollectief de Ondergedoken Camera, dat de bezetting documenteerde. Andriesse is de maker van een aantal iconische beelden van de hongerwinter, waarop kleine kinderen met akelig dunne beentjes in tot de draad versleten kleding figureren. Na de oorlog maakte ze naam met kunstenaarsportretten, die zij in opdracht van Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum vervaardigde. Van Josepha maakte ze portretten, en later ook van Eric. Josepha kon een kamer van Emmy in het huis gebruiken zolang zij op reis was. De fotografe had een enorme werkdrift en was geen moeder die thuisbleef voor haar zoon. Haar eigen moeder overleed jong aan kanker en zij was terecht bevreesd hetzelfde lot te ondergaan. Daarnaast had zij met Dick te verwerken dat hun oudste zoontje van toen twee jaar, Cas, vlak na de bevrijding was verdronken. Emmy en haar man verkeerden in progressieve kringen rondom de zakenman en mecenas Meik (Meijer) de Swaan. Hij verdeelde zijn tijd over het bedrijf in jute Swaan Bonnist en het tijdschrift De Vrije Katheder, dat een podium bood aan politieke en artistieke vrijden-

87. Mendels, Josepha. (1981) ‘Achttien paar handen’, in: Welkom in dit leven. Amsterdam: Meulenhoff. 232

88. Ibidem. 89. JM aan Berthe Edersheim, ongedateerd [februari 1948].

kers. Indien nodig sluisde hij geld van de zaak naar het tijdschrift.90 Zowel Emmy, Dick als Meik hingen het communistisch gedachtengoed aan. De Swaan was geboren in Groningen en bezocht daar met zijn vijf oudere broers dezelfde synagoge als de Mendels. Josepha zag de zes jongens met hun vader nog zo zitten, een hele bank hadden ze nodig. Zij hernieuwde in Amsterdam de kennismaking met de getrouwde Meik, die toen een verhouding met Emmy had. Ze keek daar niet vreemd van op. ‘Hij houdt ook veel van Dick en alles schijnt best te gaan.’91 In Nederland had Josepha de status van schrijfster en dat merkte ze goed toen ze met Emmy’s man Dick de kunstenaarssociëteit de Kring op het Leidseplein bezocht. De aflevering van Criterium, waarin het hoofdstuk ‘Mirjam’ uit de te verschijnen roman Je wist het toch… was afgedrukt, was kort tevoren verschenen.92 Ze maakte hier kennis met de andere kant van het schrijversschap, niet het moeizame, noeste werk achter de schrijfmachine, nee, de kant van de bekendheid, van de waardering en van de erkenning van collega’s. Ze liep er onder meer de journalist Apie Prins en de dichter Ed Hoornik tegen het lijf. Apie Prins, een van onze oudste letterkundigen zei [tegen Dick Elffers]…. “Van haar wordt veel verwacht, om haar Rolien te kunnen rechtvaardigen.” […] Een ander was bezig ‘Mirjam’ aan de leestafel te lezen. Ik zei niets. Ik danste de hele tijd en had allemaal Rolien-bewonderaars rondom me. […] Eddie Hoornik was lief, vond Je wist het toch… een reuze titel. 93 Sadi constateerde vanuit Parijs met trots en misschien jaloezie dat ze in haar vaderland werkelijk iemand was. In Nederland maakte ze haar ronde langs kranten waar ze een engagement mee hoopte te regelen, beginnend bij de Haagse Post, waarvan ze eind jaren dertig ook medewerkster was geweest. Het weekblad was tijdens de oorlog blijven verschijnen, en kreeg daarvoor een verschijningsverbod van een jaar opgelegd. Vanaf 4 mei 1946 nam de oorsponkelijke oprichter van het blad, de joodse S.F. van Oss, die eigenlijk in 1933 al met pensioen was gegaan, de taak op zich zijn blad weer in de oude glorie te herstellen. De inmiddels tachtigjarige Van Oss deed dat door vooral bekende medewerkers van vroeger aan zijn blad te verbinden.94 Toen Josepha de redactieburelen betrad, bood hij haar dan ook ter plekke een wekelijkse rubriek aan over Parijs. Het mocht over alles gaan behalve politiek. 450 woorden per keer, ze zou er 20 gulden voor krijgen.95 Vervolgens toog ze naar JM de Stem, een weekblad dat was opgericht als opvolger van de Londense Vrij Nederland. De hoofdredacteur Blankestijn was meeverhuisd. Dit blad was geen lang leven beschoren, in 1948 fuseerde het met de Nederlandse voormalig ondergrondse Vrij Nederland, waar Josepha aan mee zou werken.

90. Burg, Fenna van den. (1983) De Vrije Katheder 1945–1950: een platform van communisten en niet-communisten. Amsterdam: Van Gennep. 91. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [juni 1948]. Ze schrijft ‘Aan de lunch kwam de amant, die een vereerder

van Isidore is geweest, een Groninger knaap, zes broers, ik herinner me, ze hadden een hele bank in de sjoel in de Folkingestraat, alle zes met zwarte hoeden en talissen om.’ 92. Mendels, Josepha. (1948a) ‘Mirjam’, in: Criterium, mei 1948.

93. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [juli 1948]. 94. ‘S.F. van Oss: het roze blad met de aardige inhoud’, in: Piet Hagen (2002). 95. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [juli 1948].

233

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

Haar derde beoogde opdrachtgever was Elseviers Weekblad, dat na de oorlog als vernieuwde opvolger was opgericht voor Elseviers geïllustreerde maandschrift. Het naoorlogse blad had een vrij rechtse signatuur, het kwam uit de koker van oud-Telegraaf medewerkers Henk Lunshof en G.B.J. Hiltermann. Eduard Elias, Josepha’s geliefde vijand, had er een uitstekende positie verworven en zorgde er mede voor dat zij voor Elsevier aan de slag kon. Het was vooral een financieel aantrekkelijke verbintenis: Elseviers Weekblad betaalde zijn medewerkers zeer goed. Verschillende keren zag ze Berthe tijdens haar bezoek aan Nederland. In Deventer lunchten ze samen en op haar verjaardag, 18 juli, gingen ze naar Scheveningen. Beleefdheidshalve vroeg ze Harmen mee uit, maar ze was meer dan opgelucht als hij niet meeging.96 Ze zag ook Kaai en de enige vriendin uit de Zwaluwnest-tijd die de oorlog overleefde, Ella. Vervolgens bracht ze een bezoek aan het graf van haar vader, waar ze hem vertelde over Riclau, die ze verschrikkelijk miste. In de aarde bij het graf tekende ze de letters J en R.97 De anderhalfjarige zoon van Emmy deed haar aan Riclau denken. Toch sprak ze niet met vreemden over haar zoon. Ze zweeg om Sadi te beschermen. Kennelijk was ze zo bevreesd dat ze het grote geheim van zijn vaderschap zou moeten prijsgeven, dat ze iedere verleiding weerstond om haar late moederschap te onthullen.98 Ze zette Sadi per brief aan Riclau te bezoeken en haar over dat bezoek te schrijven. Dat vond ze een stuk bevredigender dan de brief van Jean Millot, die ze ook naar Saint Cyr had gestuurd om naar haar zoon te kijken.99 Hij tekende in een brief de grote verbaasde baby-ogen die hij daar ontmoette.100 Van madame Cerceau, Maman Nou-Nou, ontving ze regelmatig brieven over Ricleau’s doen en laten, die haar gerust stelden. In augustus kon ze een appartement in de Jan Luykenstraat onderhuren. In die maand voegde ook Sadi zich voor enkele dagen bij haar. Hij was in Le Havre op het stoomschip de SS Nieuw Amsterdam gestapt en kwam in Rotterdam aan, waar Josepha hem ophaalde. Tijdens de vakantie met Gisèle en Jacqueline, die aan dit bezoek vooraf was gegaan, had hij zich vooral verveeld. Zodoende was hij wel toe aan wat ‘distraction’. Van te voren vroeg hij haar ten overvloede: ‘stel je goed op de hoogte van de aankomsttijd [van het schip] zodat het feest meteen kan beginnen.’101 Hij overnachtte in de Jan Luykenstraat bij haar en mocht dat adres van Josepha ook voor andere ontmoetingen gebruiken. Aan het einde van haar Nederlandse logeerpartij had ze haar doel bereikt: ze becijferde dat ze ongeveer een maandinkomen zou hebben van rond de 24.000 francs, inclusief de bijdrage van Berthes zus uit Amerika. Dit stemde haar tevreden, want zo hoefde ze haar reserves niet aan te spreken die bedoeld waren voor de opvoeding van Riclau: ‘Ik wil dat onze zoon een goede opvoeding krijgt, in zijn jonge jaren gezond en simpel, maar als hij iets wil leren, viool of tekenen, of wat dan ook, dan mag hij dat.’102 Bovendien had ze geld nodig om haar uiterlijk op orde te houden. ‘Ook moet Moesje jong blijven en mooi en dat alles kost veel.’103

96. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [juli 1948]. 97. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [juli 1948]. 98. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [juli 1948]. 234

99. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [juli 1948]. 100. Jean Millot aan JM, 8 juli 1948. 101. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd, [16 augustus 1948].

102. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [juni / juli 1948]. 103. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [juni / juli 1948].

Eenmaal terug in Parijs viel het leven haar niet gemakkelijk. Ze had verschillende bordjes in de lucht te houden en niets ging vanzelf. Voor journalistieke opdrachten moest ze vaak op stap. Tussendoor bezocht ze Riclau en daarnaast wilde ze Sadi zien. Ze miste het vanzelfsprekende contact dat ze met hem had toen ze nog in loondienst was. Nu moest ze afspraken maken, en erger nog, op hem wachten als hij niet op tijd was. Hij kwam minder vaak en nam dan ook geen tijd meer om zijn gedachten te noteren in het boek dat ze daar speciaal voor had liggen, le livre des contes. Ze moest toegeven dat haar fantasieverhaal dat ze tijdens haar zwangerschap had verteld in het hotel met haar op de loop was gegaan. Eigenlijk was haar Londense tijd, het samenwonen, in haar gaan zitten. ‘Alles [is] nog voor mij zoals het in Londen was.’104 In gedachten was ze getrouwd met Sadi en soms mijmerde ze zelfs over een huisje met een tuin voor hun samen met het kind.105 Ze realiseerde zich dat de vrijheid die ze gezocht had, alleen maar leidde tot eenzaamheid, ‘zelfgewilde eenzaamheid’.106 Alleen een geschikte man zou een einde kunnen maken aan de vrijheid die haar inmiddels bij vlagen te veel werd, maar ze verwachtte niet dat ze zo’n man zou vinden.107 In Nederland was het haar opgevallen dat er veel jonge vrouwen trouwden met oorlogsweduwnaren met volwassen kinderen. Het vastleggen van het leven van zo’n vrouw, het overduidelijke doel van zo’n onaantrekkelijk verbond, stond haar tegen.108 Het zou niets voor haar zijn. Maar zij had andere problemen. Ze moest constateren dat haar schrijverschap haar niet bracht wat ze ervan had verwacht. ‘Rolien [heeft] me niet zo gelukkig gemaakt als ik dacht, omdat ik aldoor naar een trots gevoel zoek en het niet heb.’109 Ook de gedachte aan haar tweede boek, haar ode aan Sadi, en het verhaal van hun gelukkige tijd gevolgd door haar particuliere weergave van de jodenvervolging, stemde haar niet vrolijk, omdat ze nog geen mogelijkheid zag het op een rustig moment af te maken.110 Nadat ze het manuscript had afgerond en in juli 1947 opgestuurd naar Querido was er al veel tijd verstreken. Alice van Nahuys en Tine van Buul waren er niet zo enthousiast over geweest. Uit correspondentie blijkt, dat ze onder andere het eerste deel te onsamenhangend vonden. Ook hadden de uitgeefsters bezwaar tegen de beschrijving van ‘Nongsie’, Raderdiers geslachtsdeel. ‘Ik zal Nongsie nog eens goed bekijken en hem voor ons brave Holland bijvijlen,’ beloofde de schrijfster aan Querido.111 In de definitieve tekst wordt ernaar verwezen met ‘hoe noem je hem’.112 Kritiek kon zij maar moeilijk verdragen. Over een gedeelte dat Van Nahuys en Van Buul zwak vonden, adviseerde ze het eens heel snel te lezen, dan zou het beter zijn. Wel ging ze in op een verzoek een gedicht weg te laten en ook een hoofdstuk getiteld ‘Een baby wordt verkocht’ werd verwijderd.113 Berthe, die samen met Harmen conceptversies las en becommentarieerde, maakte het ontwerp voor de omslag: een pentekening van de Londense Tower Bridge.

104. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [tweede helft 1948]. 105. ‘O, Raderdier als we nu toch eens een huisje buiten vonden. Niet te ver, maar een huisje met een tuin…’ JM aan Sadi de Gorter ongedateerd, [juni / juli 1948]. 106. JM aan Sadi de Gorter, ongeda-

teerd, [tweede helft 1948]. 107. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [tweede helft 1948]. 108. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [juni / juli 1948]. 109. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd, [tweede helft 1948]. 110. JM aan Sadi de Gorter,

ongedateerd, [tweede helft 1948]. 111. JM aan Alice van Nahuys en Tine van Buul, 13 januari 1948 112. JM aan Alice van Nahuys en Tine van Buul, 13 januari 1948. 113. JM aan Alice van Nahuys en Tine van Buul, 13 januari 1948.

235

III 1945–1949 De lege sociale ruimte

Hoofdstuk 7 ‘Ik zal een groot schrijfster worden waar je trots op kunt zijn’

In januari 1949, twee jaar na haar debuut, verscheen Je wist het toch…, opgedragen aan Sadi de Gorter.114 Tine van Buul en Alice van Nahuys hadden de stap toch gewaagd, maar waren ondanks de aanpassingen niet overtuigd van de kwaliteit.115 Josepha zal dus enige druk op haar uitgeverij hebben uitgeoefend. Het was haar onmogelijk meer aan het boek te veranderen. Na bijna vijf jaar aan de roman gewerkt te hebben wist ze zelf niet meer of het goed of slecht was, ze had er met steeds meer tegenzin aan gewerkt.116 Dit moest het zijn. Presentexemplaren gingen er naar Berthe, Hubje, twee vriendinnen van Josepha’s moeder in Amerika, naar Kaai en naar Voorbeijtel. Sadi was een trouwe en soms kritische fan van Josepha’s romans. Hij vond dat ze haar literaire mogelijk­ heden had uitgebreid ten opzichte van Rolien en Ralien. Vooral haar typeringen van karakters waren in zijn ogen sterk.117

Persreacties op Je wist het toch… Net als bij haar debuut druppelden de besprekingen gedurende maanden binnen. De vergelijking met haar eersteling viel in de meeste gevallen goed uit, men vond het minder gewild en als verhaal warmer. In Henriëtje Bas zag men wel een Rolien, maar dan volwassen geworden.118 Evenals bij haar eerste roman waren recensenten niet kapot van de compositie van het verhaal, maar het voorspelbare, perfect opgebouwde verhaal was toch achterhaald, stelde Greshoff. Haar stijl was bovendien zo innemend dat ‘men niet lang boos kan blijven op deze vrouw’.119 Ro van Oven, een van de weinige vrouwelijke recensenten, plaatste Mendels met haar directheid van middelen in het rijtje van Simon van het Reves de Avonden (verschenen in november 1947) en Anna Blamans Eenzaam Avontuur. Het bevreemdde haar dat de ophef rond deze romans aan die van Mendels voorbij was gegaan. Van Oven zag in deze en andere boeken van onder andere Jo Boer ‘een zeer bijzonder temperament en stellig “een nieuw geluid”.’120 Mendels onderscheidde zich van de genoemde auteurs omdat ze met haar positieve elementen ‘de hoop op de restaurantie van de Nederlandse literauur’ bood. Ze vond het boek van Mendels ‘scherpzinnig, intelligent en talentvol’. Het verhaal belichaamde het ‘intense medeleven van de schrijfster met de lijdende mensheid.’121

114. De roman verscheen met drie puntjes in de titel. Bij de herdruk in 1982 verdwenen de puntjes. 115. JM aan Querido, 25 maart 1969, (LM) JM schrijft dat Alice en Tine het manuscript destijds beiden als ‘zeer zwak’ hadden betiteld. 116. JM aan Greshoff, 23 januari 1949 LM. 117. ‘Tot aan de dood toe zal ik er van overtuigd blijven dat je talent in het ontmaskeren van eigenschappen zijn weg moet vinden. Het karakter van een Kaai, van een Warendorf, […] het diepe blote leven van een Berthe, een Dinie, een Françoise, een Emmy […het] zijn personages waarmee je vlees en bloed 236

kunt maken, die je kan verhalen en die je kan laten leven in een wereld waar ze thuishoren. […] Als je het onderwerp vindt, het milieu te voorschijn tovert, waarin ze thuis zijn dan ben je dicht bij jouw ‘waarheid’, dan schijf je die unieke werken die honderden van je verwachten.’ Sadi de Gorter aan JM, 3maart 1949. 118. Boekenhoek Nijmeegs Dagblad, 25maart 1949. 119. C.J. Kelk, ‘Aangepast aan het rhythme’, in: De Groene Amsterdammer, in privéarchief Josepha Mendels. Andere besprekingen: Verhoeven, Nico. (1949) ‘Je wist het toch…: een avond bij Het boek en de Muzen’, in:

Delftse Courant, 1 maart 1949. Dinaux, C.J.E. (1949) ‘litteraire kanttekeningen Josepha Mendels: Je wist het toch….’, in: Haarlems Dagblad, 26 februari 1949. In De Antwerpse Gids werd een dubbelbespreking afgedrukt van C.B., 8 maart 1949. Vestdijk, Simon (1949) ‘Over “Je wist het toch…”’, in: Het Parool, 7 mei 1949. (herdrukt in Nord: 1981). Greshoff, J. (1949) ‘Een liefde tijdens de pauze der huwelijkscomedie. Josepha Mendels wist het toch’, in: Het Vaderland, 15 oktober 1949. Herdrukt in: Nord (1981). 120. Ro van Oven, artikel beschikbaar in privéarchief Mendels. 121. Ibidem.

Al met al werd Mendels’ roman welwillend besproken, ook al werd die onevenwichtheid verweten. Het uitgebreide portret van de huisbaas voegde niet veel toe en ook het fraaie hoofdstuk over de zus van Henrietje, Mirjam, stond enigzins los van de rest. Met deze roman bevestigde Mendels dat haar kracht niet in een strakke compositie ligt, maar wel in de karakterisering van personages. Josepha had steeds meer moeite de waarde van haar eigen werk in te schatten. Berthe vond alles prachtig en Sadi nam bijna nooit werkelijk de tijd iets fundamenteels te zeggen, hij hield het bij losse opmerkingen. Ze zocht een vriendelijke doch gezaghebbende literaire opinie. De recensies waren te wisselvallig om een eenduidig beeld te krijgen. Lou Lichtveld, beter bekend onder zijn pseudoniem Albert Helman, was de figuur tot wie ze zich wendde. De van origine Surinaamse schrijver die bevriend was met Alice van Nahuys en zelf ook uitgaf bij Querido, had zich tijdens de oorlog in Nederland bij het verzet aangesloten. Hij was degene die tijdens de boekenweek van 1949 optrad als aanklager in het boekentribunaal dat werd georganiseerd naar aanleiding van Anna Blamans roman Eenzaam Avontuur. Het was bedoeld als schertsvertoning, maar bleek bij de aankondiging van het tribunaal een serieuze aanval op de schrijfster. Hij ‘beschuldigde’ het boek van een gebrek aan literaire kwaliteit en dat bracht Josepha er wellicht toe hem enige autoriteit op dat gebied toe te kennen. Ze schreef hem een brief met de vraag wat hij van Je wist het toch… vond, waarbij ze als hulpmiddel een lijstje meegestuurde, waarop hij kon aankruisen wat zijn mening was: een rotboek, een middelmatig boek, een goed boek, een mooi boek, een vies boek, een dom boek, een waar boek of een stuiverroman.122 Geen van deze etiketten vond Helman als geheel passen. Delen vond hij wel goed, maar ‘er zijn grote inzinkingen en het geheel rammelt nog wel aardig, vooral het eerste gedeelte.’ Zo vond hij de verjaarspartij mislukt, maar de stukken over de jodenvervolging kwamen juist het beste tot zijn recht. Als hij dokter was geweest, zo schreef hij haar, gaf hij als voorschrift: ‘zo maar doorgaan, alleen een nog veel strenger dieet, nog veel meer zelfdiscipline.’123 Josepha werkte aan haar volgende boek terwijl de recensies verschenen. In juni 1949 nam ze haar intrek in Hotel du Gulf Stream in Santec aan de Bretonse kust, een piepklein dorp. Ze had oorspronkelijk het idee gehad een roman te schrijven over twee vrouwen, de ene met een geregeld leven, de ander vrij en onafhankelijk. Maar dat gegeven schoof ze terzijde omdat zich een ander verhaal aan haar opdrong. Het verhaal van de joodse leraar Simon Cohen en zijn halfjoodse vrouw Elise van Dam. Dit zou het boek worden over haar vader, maar vooral over haar moeder, die ze postuum een compleet en gelukkig leven wilde geven.

122. Lou Lichtveld aan JM, 30 maart 1949. 123. Lou Lichtveld aan JM, 30 maart 1949. 237

HOOFDSTUK 8 ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

DEEL IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Met twee goed ontvangen romans behoorde Josepha Mendels in de naoorlogse jaren in Nederland tot de gevestigde auteurs. Ze leerde steeds meer vakbroeders en -zusters kennen, al vormde haar verre woonplaats een obstakel om hechte banden op te bouwen. Was ze in Nederland, dan bezocht ze veel mensen. Voor het boekenbal had ze zeker een retour naar Nederland over, tien uur heen, tien uur terug. De eerste twee naoorlogse bals in 1947 en 1948 moest Josepha aan zich voorbij laten gaan, maar vanaf 1949 was ze jaarlijks van de partij. De bals waren een evenement van de Commissie voor de Propaganda van het Nederlandse Boek om de boekenverkoop te stimuleren, maar kregen als snel een mythische status als feest der feesten.1 Bezoekers mochten na afloop decorstukken van kunstenaar Metten Koornstra mee naar huis nemen, een traditie die nog altijd voortduurt. Een ander feestelijk hoogtepunt in de boekenweek was de boekenmarkt van De Bijenkorf. Het warenhuis had al voor de oorlog extra aandacht voor boekenverkoop en bijbehorende evenementen gehad, zoals signeersessies, en met de eigen boekenmarkt kwam daar een vervolg op.2 Het directe contact tussen lezers en schrijvers was in die tijd nog onwennig, maar won ontegenzeggelijk terrein. De eerste keer werden schrijvers uitgenodigd om een dag te komen boekverkopen in De Bijenkorf. Ze verkochten niet hun eigen werk, dat werd te ‘plat’ bevonden, maar dat van een andere auteur. De eerste aflevering was tot ieders verbazing zo succesvol – alle veertig aangeschreven auteurs kwamen opdagen en het publiek ook – dat het voortaan een traditie werd in de Boekenweek. Voor Josepha was de boekenmarkt een uitgelezen kans om haar collega-auteurs te spreken en ook het luxe koude buffet na afloop was voor de vele armlastige schrijvers beslist een extra reden om te komen. Ze verkocht naar eigen zeggen de meeste boeken, waarschijnlijk Vaderland in de verte, de roman over Hugo de Groot van Annie RomeinVerschoor.3 Ook al zocht ze normaal gesproken niet vaak contact met anderen, ze genoot ervan om eenmaal per jaar schrijver-onder-de-schrijvers te zijn. De drank vloeide er rijkelijk en in de late uurtjes voosden de schrijvers erop los. Ze herinnerde zich het dronken dansen met Victor van Vriesland, Gerard den Brabander en het zoenen met Jacques Bloem. 4 Zo moeizaam als Je wist het toch… tot stand was gekomen, zo vlot ging het met de derde roman, de ontstaansperiode van Als wind en rook nam zo’n twee jaar in beslag. De geboorte van Riclau had geen verandering gebracht in haar ritme om een tot twee keer per jaar een maand in een hotel te verblijven, al miste ze hem gruwelijk.5 Zomer

1. Wijermars, Janneke. (2007) Het is pas feest als Harry is geweest: 60 jaar Boekenbal 1947–2006. Amsterdam: Boekmanstudies. 2. Montijn, Ileen. (1995) ’t Gonst: 125

jaar de Bijenkorf. Amsterdam: De Bijenkorf: 117–127. 3. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd, [maart ’49]. De Gorter verwijst naar deze roman.

4. Mendels (1988a). 5. JM aan Sadi de Gorter, 5 januari 1950.

239

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

De roman, waarvoor haar vader en moeder model stonden, bracht haar opnieuw terug naar haar jeugd. Wat ze wist over het huwelijk van haar ouders voordat zij geboren werd, gebruikte ze. Zo ontstond het portret van de wat in zichzelf gekeerde leraar Simon Cohen en zijn jonge en frivole vrouw Elisa van Dam, waarmee Josepha zich sterk identificeerde. ‘Het is een gek iets om met mijn vader getrouwd te zijn.’9 Het verhaalt van hun ontmoeting op een bruiloft, de vlucht van de half joodse Elisa van haar vader weg, in de armen van de onaantrekkelijke, zeer gelovige Simon, met zijn gele tanden en schilferige huid. Voor deze roman had ze duidelijk veel stof om te verwerken, het verhaal is rijk gedetailleerd, de personages komen tot leven en laten een ontwikkeling zien. Anders dan haar eerste twee romans is dit verhaal niet fragmentarisch; de hoofdstukken zijn tezamen meer dan de som der delen. De taal is in zekere zin gewoner dan de lezer van haar gewend was. Zelf had ze het gevoel dat ze op de goede weg zat, liet ze haar uitgeefster Alice van Nahuys weten. Nu over het nieuwe boek. Ik moest om je lachen een doodgewone familieroman schrijf ik heus niet, maar het speelt in een familie, de hoofdpersoon is natuurlijk een vrouw. Ik schrijf wat vaster dit keer, daas minder geloof ik, ben wat minder poëtisch, maar heus niet zo fatsoenlijk dat je ervan zou moeten schrikken! Ik tik wel eens een stukje voor je over, dan kun je zelf oordelen. Ik volg mijn talent, maar dat verandert ook met de jaren, maar mijn beste Alice, het wordt hoe langer hoe meer een Joods talent!10 De tegenstelling tussen de orthodoxe Simon en de vrijgevochten Elisa werkte ze met een sardonisch genoegen uit: Simon wil de geboden tot in het miniemste detail naleven, Elisa geeft er juist weinig om. Boekenbal 1949 streek ze neer in Hotel du Gulf Stream in Finistère, opnieuw aan haar geliefde Bretonse kust. Een winterse schrijfsessie verbleef ze in Moret-sur-Loing, iets ten zuiden van Parijs. De eerste regels werden haar ‘ingefluisterd’, zoals ze dat zo graag noemde. ‘Ik durf de deur niet te sluiten wanneer Louise weggaat. Ik wil niet dat zij hoort hoe vlug ik de grendel erop doe, zo bang ben ik dat ze met dit geluid mijn bevrijd ademhalen zal associëren. Dus wacht ik tot ze de hoek van de straat is omgegaan.’6 Op dat ogenblik had ze nog geen idee welke rol deze Louise zou gaan spelen in het verhaal over haar ouders. Ze liet haar wekker afgaan om tien voor vijf en toog een uur later aan het werk, met een peppil.7 Ik weet nu ook dat er voor mij maar één manier is om te scheppen…… buiten zijn in een Frans hotelletje. Wat zwemmen, wandelen en slapen, maar vele, vele uren achter mijn machine doorbrengen en volhouden. 8

6. Mendels (1950). 7. Mendels, Josepha. (1988a) Voorwoord bij de zesde druk van Als wind en rook. Amsterdam: Meulenhoff. 240

8. JM aan Alice van Eugen, 18 juni 1949. LM

Ik zit al helemaal in dit conf lict, en in dit dorre huwelijksleven, en dat Drentse dorp met een stationschef en een schaapherder, en later in die burgerlijke noordelijke stad, en ik leef mee met die vrouw, die maar half joods is en in een onbezonnen ogenblik een vrome jood heeft getrouwd. 11 Dit werd een portret van een huwelijk, het huwelijk van haar ouders dat zoveel invloed op haar leven had gehad. Het huwelijk dat haar had doen besluiten zelf nooit in het huwelijksbootje te stappen. Het huwelijk dat het leven van zowel haar vader als haar moeder ongelukkig had gemaakt, omdat Isidore slecht om kon gaan met de geassimileerde Emma en omdat zij zo graag meer van het leven had willen maken dan wat haar binnen de joodse tradities was veroorloofd. De komst van twee dochters in de roman in plaats van zoons is net als in Rolien en Ralien een grote teleurstelling voor de vader. In Als wind en rook zette Josepha de waarheid naar haar hand. Ze liet Louise in het huwelijk infiltreren en Simon een avontuurtje beleven in Parijs, waar hij onderzoek doet naar de invloed van Napoleon op de Franse Romantiek. Tijdens zijn afwezigheid lapt Elisa de spijswetten aan haar laars en neemt het ervan met hun dochters Judith en Rebecca. Als na zijn terugkomst blijkt, dat Simon veel geld (van Elisa) heeft verspild en 9. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd. 10. JM aan Alice van Eugen, 18 juni 1949. LM

11. JM aan Alice van Eugen, 18 juni 1949. LM

241

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

dat zijn onderzoek niet af is, belandt het gezin in een neergaande spiraal die leidt tot een scheiding. Waar Alice van Nahuys misschien wel van moest schrikken, was het einde van de roman. Josepha trok al haar registers open om haar hoofdpersoon Elisa een gelukkiger leven te geven dan haar moeder had gehad. Elisa ontmoet een jeugdliefde die net als zij een slecht huwelijk heeft. In een heel korte tijdspanne wordt duidelijk dat Richard en Elisa alsnog voor elkaar bestemd zijn en zullen gaan trouwen zodra het kan. Bij Richard voelde ze zich de vrouw die ze wilde zijn, er was geen controlerende man die kijkt of ze in de keuken de spijswetten wel nauwgezet volgt, geen stinkende scheerzeep van Simon, geen vreemde huidaandoening. Nee, Richard ruikte lavendeltjesfris, voor hem voelde Elisa het ‘afschuwelijk erge gevoel’ en hij blijkt ook nog eens een geweldige minnaar, alles tintelde, alles leefde, afzonderlijk welhaast, en het was op dit moment dat ik uit zo veel delen bestond en toch nog een geheel was, dat hij mij nam en ik mij voor de eerste keer in mijn bestaan overgaf. 12 Deze mierzoete ontwikkeling kon alleen ingegeven zijn door de wens om van Emma Mendels postuum een vrouw met een volledig liefdesleven te maken. Josepha had inmiddels de afstand tot haar ouders die een volwassen mens op een andere manier doet terugkijken. Ze zag nu wat haar moeder tekort was gekomen in haar huwelijk, een eigen leven, eigen ruimte. Deze Elisa kreeg van haar nieuwe man de ruimte haar zangcarrière op te pakken, de zangcarrière die de ‘echte’ Emma nooit had gehad. In Als wind en rook zit een deel van Mendels’ narratieve identiteit, het verhaal dat ze in fictie en interviews over haar leven vertelt, moet vertellen, om haar identiteit te handhaven. Het gaat hier in het bijzonder over haar ouders, over wie ze het beeld creëerde dat zij zeer uiteenlopende individuen waren. Dat schetst ze in de roman, en daarvan maakt ze zelfs een karikatuur. Maar dat haar ouders niet bij elkaar pasten, is een constante. In alle romans zijn de ouders van het hoofdpersonage mensen met een heel verschillende achtergrond. In Alles even gezond bij jou is de vader een Franse fruitteler en de moeder een Nederlandse arts. In De Speeltuin is de moeder een Française, ‘katholiek alleen op papier’ en de vader een Nederlandse jood. Tegen interviewers zei ze over haar ouders: Het waren beiden fijne mensen, maar ze pasten niet bij elkaar. […] Mijn vader was een kleine, slechtgeklede man, net een oude geleerde. […] Mijn moeder vond het verschrikkelijk. Ze kamde hem, ze borstelde hem af, maar echt veel hielp het niet. Vereende mensen zijn het nooit geworden: de eenheid van een vader en een moeder heb ik nooit gekend. 13 Ik zou nooit kwaad van m’n ouders willen spreken. […] Maar ik was jong en het huwelijk ging daarom al niet goed. Met de minste kleinste afwijking die er op vrijdagavond was, een korstje van het brood, waarover de zegen van de vrijdagavond, van de sabbat over moest worden uitgesproken, dan was het de grootste [herrie]. 14 ‘Ik ben een echte spruit uit een slecht huwelijk’. 15

12. Mendels (1950): 222. 242

13. Schaafsma (2008): 5.

14. Van Verre (1982).

Waarom Mendels zo sterk benadrukt dat haar ouders niet bij elkaar pasten, lezen we in het interview met Daan Cartens: Toch: als het huwelijk niet zo slecht was geweest was ik geen schrijfster geworden. 16 De verhalen over haar ouders staan dus in dienst van de allesoverheersende identiteit als schrijfster. Ook andere aspecten van haar eigen jeugd keren terug in de derde roman. Zo hoopt de echtgenoot hevig op een zoon, terwijl er een dochter, en daarna nog een wordt geboren. Opgedragen ‘aan de nagedachtenis van Emma’ kwam Als wind en rook in 1950 op de markt, waar de literatuurkritiek het met open armen ontving. Gezaghebbende critici als Vestdijk en Bordewijk waren er uitgesproken positief over.17 Minder enthousiast was Hans Gomperts die concludeert dat deze roman afgezakt was naar het niveau van een gewone Hollandse damesroman.18 ‘Het gaat met Josepha Mendels bergafwaarts’, stelt oude bekende Jan Greshoff vervolgens in zijn eenzijdige bespreking.19 Hij richtte zich uitsluitend op de in zijn ogen mislukte tekening van Simon Cohen. Voor Josepha was het duidelijk dat het conflict rond zijn brief van vijf jaar geleden nog steeds speelde.20 Greshoffs stuk verscheen bijna een jaar na de roman en tegen die tijd had Josepha een grote blijk van waardering ontvangen om er tegenover te plaatsen: haar werd in 1951 de Vijverbergprijs van de Jan Campertstichting toegekend. Deze Haagse stichting bekroonde oorspronkelijk vooral schrijvende oud-verzetsstrijders, maar die doelstelling was inmiddels vervaagd. In de jury zaten F. Bordewijk, J. Hulsker en Martinus Nijhoff, die in een kattebelletje al had laten doorschemeren dat er een grote kans was dat ‘je nog dit jaar een grote aanmoediging zult ontvangen.’21 Het prijzengeld van 1500 gulden nam ze in Den Haag in ontvangst. Voor de plechtigheid had ze een jurk laten maken en droeg ze een hoed met een voile.22 Berthe was uit Speuld gekomen. Ondanks de feestelijkheid en de ontmoetingen – Elsschot ontving op dezelfde avond de Constantijn Huygensprijs en de pers was volledig uitgelopen – was Mendels na afloop vooral somber. Op weg naar haar hotel liep ze door de oude jodenbuurt, waar haar grootvader een sigarenwinkel had gedreven. ‘Het was op een avond in Den Haag en opeens liep ik helemaal alleen door de Wagenstraat met een bos bloemen. Als je een voorbeeld wilt geven van eenzaamheid, dan moet je dat wel noemen. Wat heb ik aan die bloemen wat heb ik aan die Vijverbergprijs?’23 Het contrast tussen het literaire succes en de eenzaamheid kon niet groter zijn. Op de avond van de uitreiking hadden Emma, Ada met haar gezin en Edith aanwezig moeten zijn om haar te zien schitteren.

15. Nord (1981): 9. 16. Cartens (1981): 44. 17. Vestdijk, S. (1951) ‘De stok achter de deur: Josepha Mendels’ roman van gespletenheid’, in: Algemeen Handelsblad, 17 februari 1951. Bordewijk, F. (1951) ‘Waardevolle toevoeging aan onze romanliteratuur’, in: Utrechts Nieuwsblad, 31 maart 1951. 18. Gomperts, Hans. (1951) ‘Over

Rolien en Ralien, Je wist het toch en Als wind en rook’, in: Het Parool, 28 april 1951. Herdrukt in: Nord (1981): 91. 19. Greshoff, J. (1952) ‘Josepha Mendels: meer dan wind en rook, mislukte roman door onmogelijke hoofdfiguur’, in: Het Vaderland, 26januari 1952. 20. ‘Na mijn tweede boek stond er: met Josepha Mendels gaat het bergaf-

waarts. Door Greshoff. Maar dat was allemaal flauwe onzin. Ik wist best waarom. De mensen zijn vaak niet eerlijk, hè? Te veel persoonlijke factoren spelen er mee.’ Van Verre (1982). 21. Martinus Nijhoff aan JM, 2 november 1951 LM. 22. Van Verre (1982). 23. Van Verre (1982). Ook Wester (1986). 243

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

Verpletterd door Anna Blaman Op de boekenmarkt in 1949 maakte Josepha kennis met Anna Blaman, wier roem in die jaren op een voorlopig hoogtepunt was door de verschijning van Eenzaam Avontuur (1948), dat zowel afschuw als waardering had opgeroepen. De herdruk van haar debuut Vrouw en vriend uit 1941 had eveneens opzien gebaard. Zij bracht de lesbische liefde op broeierige wijze en gaf de heteroseksuele liefde openlijk een puur lichamelijk gezicht. Simon Vestdijk vond Eenzaam Avontuur een meesterwerk, tegenstanders veroordeelden de voor die tijd onverholen erotiek. Blaman had grote waardering voor de romans van Mendels, maar ze vond in het drukke voorjaar van 1949 geen tijd dat eens rustig op papier te zetten.24 1949 was voor Blaman een annus horribilis. Ze had te maken met het boekentribunaal, waarbij haar roman Eenzaam Avontuur ‘terecht stond’. Bedoeld als een grap van Van Buuls boekwinkel in Rotterdam werd het oordeel bloedserieus voltrokken door Albert Helman, die het boek een gebrek aan literaire kwaliteit verweet. Ook psychologische inconsistenties, compositorische gebrekkigheid en overige tekortkomingen (‘vulgariteit van uitdrukkingen’, ‘obsessie door rotte tanden en andere orale euvelen’, ‘kennelijke onzin’) werden haar aangerekend.25 Blaman weigerde aanwezig te zijn bij dit schouwspel, temeer daar het er in de voorpublicaties steeds meer de schijn van had, dat niet het boek, maar de schrijfster zelf werd aangeklaagd. Enkele maanden later, in juni 1949, ontstond opnieuw ophef vanwege haar voordracht voor de Lucy B. en C. W. van der Hoogtprijs. Toen Blaman het advies onder ogen kwam dat had geleid tot de voordracht, zette dat haar aan het denken. Er was maar een nipte meerderheid voor toekenning geweest en die meerderheid had een zekere aarzeling moeten overwinnen. De voor-stemmers vonden bovendien dat Blaman het gestelde probleem van de eenzaamheid zeer eenzijdig had behandeld. Dat ze toch was voorgedragen lag aan de compositie van Eenzaam Avontuur, ‘de diepgang der psychologie’ en ‘de rijkdom aan observatie’.26 Blaman vatte dit niet op als een aanmoediging maar als een ontmoediging. Ze liet aan de uitreikende Maatschappij der Nederlandse Letterkunde weten dat ze de prijs zou weigeren omdat het juryrapport vooral argumenten buiten het artistieke had opgevoerd.27 Zowel het boekentribunaal als de weigering van de prijs genereerde veel mediareacties waardoor Anna Blamans bekendheid toenam. In maart 1949 werd Josepha te dineren uitgenodigd bij Anna Blaman, die met haar moeder, zus Corrie en zwager Jan Lührs aan de De Vliegerstraat 50a woonde. Moeder Vrugt runde er een pension, dat vaak als decor diende in het werk van Blaman. De sfeer in het gezin, waarbij de grote betrokkenheid van zowel de moeder met haar tweede man, haar zus en haar zwager bij Blamans schrijverschap opvallend en warm was, vond Josepha ‘burgerlijk’ en ze refereerde eraan als ‘het perfecte nationale binnenhuisje’.28 Blaman op haar beurt ontdekte bij een bezoek aan Parijs nog geen maand later, dat Josepha’s ‘onzinnelijke uiterlijk overeenstemde met een onzinnelijk innerlijk.’29 Deze wederzijdse afkeer stond een groeiende vriendschap echter niet in de weg.

24. Anna Blaman aan JM, 28 maart 1949. 25. De dagvaarding wordt volledig geciteerd in: Struyker Boudier, Henk. (1973) Speurtocht naar een onbekende: Anna Blaman en haar eenzaam avon244

tuur. Amsterdam: Meulenhoff: 61–62. 26. Struyker Boudier (1973): 65. 27. Struyker Boudier (1973): 65. 28. Zie onder meer: Mendels (1981): 63 en Van Verre (1982). 29. Blaman aan Emmy van Lokhorst,

16 mei 1949 geciteerd in: Blaman, Anna. (1988) Ik schrijf het je grof-eerlijk. Briefwisseling met Emmy van Lokhorst en Sonja Witstein. Amsterdam: Meulenhoff: 72.

Eind jaren veertig en begin vijftig was Anna Blaman verschillende keren in Parijs, waar ze het Franse existentialistische toneel bestudeerde. Als nevenactiviteit vertaalde zij toneel uit het Frans. Omdat zij overvolle reisschema’s voor zichzelf maakte, lukt het niet altijd bij Josepha langs te gaan, maar wanneer het kon, genoten ze daar beiden van. Blaman ontmoette daar ook Riclau en Sadi, die Josepha’s belangrijke gast ook leerde kennen.30 In 1951 besloten de schrijfsters samen een roman te schrijven. Ze zouden om beurten een hoofdstuk maken, waar de ander op zou voortborduren. Beiden bereden hun eigen stokpaardjes in de tekst: Josepha creëerde een vrouw die sterk op haar verouderende uiterlijk is gericht, op zoek naar liefde en aandacht van haar verloofde bij wie ze is weggelopen. Blaman bracht haar mannelijke tegenspeler tot leven die in al zijn schraalheid, vergetelheid zocht in de relatie met de door Josepha beschreven vrouw om van ander liefdesverdriet te genezen. Josepha beet het spits af.31 Na de ontvangst van het hoofdstuk zag Blaman allerlei openingen om haar draai aan het verhaal te geven vanuit haar hoofdpersonage: Jan Barts, een saaie journalist die in een pension woont.32 Tijdens het schrijf­proces kondigden ze hun roman voorbarig aan bij hun beider uitgeverijen, Querido en Meulenhoff. Blaman verwachtte toen nog in het voorjaar van 1952 met het resultaat te kunnen komen. Van Nahuys, die enthousiast was over het gegeven van de gezamenlijke roman, was teleurgesteld over de eerste teksten. Ze vond het aandeel van Blaman beter dan dat van Mendels en werd bepaald niet meegevoerd: ‘Er is hier een zwakke dialoog en een wroeten in allerlei, dat eigenlijk irriteert.’33 Meulenhoff was ook niet direct gepakt door het voorlopige manuscript. Anna Blaman genoot aanvankelijk zeer maar na het derde hoofdstuk kwamen er minder opgewekte geluiden voort uit de samenwerking. Blaman had tegen het derde door Josepha geschreven hoofdstuk ‘ernstige bezwaren’, omdat ze geen rekening hield met ‘een zekere continuïteit der gebeurtenissen’.34 Blaman vond dat ze alleen met geforceerde personages kon voortgaan en over het resultaat daarvan in haar eigen vierde hoofdstuk was ze ronduit ontevreden. Om de roman goed op de rails te krijgen was voor Blaman een uitgebreid overleg in levende lijve een voorwaarde. Josepha trachtte Blaman te interesseren voor een gezamenlijk verblijf in een hotel om samen verder te werken. Het was háár favoriete werkomgeving, maar Blaman kon dit ‘godsonmogelijk betalen’ en bovendien schreef ze het liefste gewoon thuis.35 Josepha was wel ten alle tijden welkom in Rotterdam, bij Anna thuis. Langzaam verdween de roman in wording echter naar de achtergrond in de drukke agenda. Blaman gaf er de voorkeur aan eerst een andere roman te schrijven. Josepha vond dit een zwak argument en interpreteerde deze beweging achteraf als dat Blaman ‘van haar af wilde’36 maar het lijkt er meer op dat Blaman te veel zaken aan haar hoofd had en dat ze teleurgesteld was over de 30. Blaman kondigt haar komst naar Parijs aan en vraagt of ze kan blijven logeren. Anna Blaman aan JM, 2 juli 1951. 31. De hoofdstukken zijn verschenen in: Struyker Boudier, Henk. (1978) Anna Blaman fragmentarisch: nagelaten proza. Amsterdam: Meulenhoff. 32. Anna Blaman aan JM, maart 1951,

in: Mendels (1981): 55. 33. Alice van Nahuys aan JM, 28 mei 1951, LM. 34. Anna Blaman aan JM, zondag, augustus 1951, in Struyker Boudier (1978): 91. 35. Josepha Mendels, ‘Anna Blaman en ik’, in: Mendels (1981): 61. 36. Ibidem. 245

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

samenwerking. Mendels zei later over het gezamenlijke project: ‘Zij nam de leiding, reken maar, olala. Zij schreef een hoofdstuk en ik had maar te antwoorden. Ik vond het leuk, maar had weinig te zeggen.’37 De schrijfsters hielden na het aflopen van het romanexperiment wel contact, voornamelijk over toneel. Sinds Blaman vanaf 1952 dramaturge was voor de Rotterdamse Comedie had ze Mendels gevraagd of zij toneelstukken in Parijs wilde keuren voor opvoering in Nederland. Josepha bracht onder andere verslag uit van l’Alouette van Jean Anouilh.38 Dat toneelbezoek joeg Josepha overigens op kosten en ze vroeg dan ook weldra om een kleine vergoeding voor toegangskaarten en de aanschaf van programma’s.39 Daarop ontving ze van de Rotterdamse Comedie een aanbevelingsbrief die haar gratis toegang verleende. 40 In de literaire scene van begin jaren vijftig voelde Josepha zich naast Anna Blaman klein en onbekend. ‘Zij werd erg gevierd in Rotterdam in die tijd. Maar ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Het was Anna Blaman. Ik bestond niet.’41 Blamans roem was niet alleen te danken aan haar geruchtmakende boeken, zij leverde tevens een bijdrage aan het Rotterdamse kunstleven en aan het toneel, waarover ze schreef in onder andere Vrij Nederland. Bovendien reisde de schrijfster stad en land af voor lezingen. Ze onderhield een intensieve vriendschap met Emmy van Lokhorst, die weer als een spin in het literaire web zat door haar betrokkenheid bij onder andere de Verenging voor Letterkundigen. Al deze activiteiten maakten Blaman een gezien figuur met een stevige verankering in de culturele sector. Mendels, die simpelweg minder zichtbaar was, had de neiging de kwaliteiten van hun beider romans tegen elkaar af te zetten en haar eigen werk hoger in te schatten dan dat van haar Rotterdamse collega. Het uitblijven van eigen succes was in haar ogen dan ook gelegen in de alomtegenwoordigheid van Blaman. Zo lag het niet, maar zij kon toch denken: ‘Ik ben verpletterd door Anna.’42

‘Twee dozijn zeesterren in de diepte der nacht’ Met Sadi bleef Josepha begin jaren vijftig in nauw contact staan, al ontwikkelden hun loopbanen zich in een andere richting nu zij niet meer op de ambassade werkte. Het was bij zijn aantreden in 1944 al een uitgemaakte zaak dat Sadi Marius Voorbeijtel zou opvolgen als persattaché wanneer deze met pensioen zou gaan en dat gebeurde in 1948. 43 Sadi had een andere taakopvatting dan zijn voorganger, in plaats van af te wachten tot ‘de klant’ de persattaché wist te vinden, ging hij overal op af. 44 Hij reisde veel, onder meer naar Bordeaux en jaarlijks naar het filmfestival in Cannes en hij hield

37. Conceptversie Cartens (1981). 38. Struyker Boudier (1978): 83. 39. JM aan Anna Blaman, 27 januari 1954. Struyker Boudier (1978): 83. 40. Rotterdamse Comedie aan Mendels, 20 november 1953. 41. Van Verre (1982). 42. Conceptversie Cartens (1981). 43. In een enkele bron staat ten onrechte dat De Gorter in 1944 pers­ attaché werd. Bijvoorbeeld Blink. 246

Pieter van den. (2007) 121, Rue de Lille: Nederland aan de Seine. Amsterdam: Balans. Een personeelsdossier werd niet aangetroffen, noch bij het ministerie van Buza, noch in Parijs, mail Bert van der Zwan, 1 augustus 2011. Volgens Deloof (1978) werd De Gorter in 1948 persattaché. 44. Sadi de Gorter aan JM, 30 juni 1949, ‘Waarom ik het zo druk heb? Omdat ik alles zelf doen moet, en van

het principe uitga dat er veel meer mogelijkheden bestaan om werk te verrichten dan V[oorbeijtel] ooit in zijn gedachten heeft gehad. Althans, sinds dat ik hem ken en toen ik hem leerde kennen was hij al ver boven de 60. Het lijkt me n.l. billijk niet op de “klant” te wachten maar voort te streven om zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld te zijn diensten te bewijzen.’

lezingen voor culturele en wetenschappelijke instellingen. Ook was hij met regelmaat in Nederland, maar die bezoeken vielen zelden samen met die van Josepha. Sadi was een zeer bedreven spreker, zijn f lux de paroles was alom bekend en gerespecteerd. Speeches en radiovoordrachten bereidde hij in korte tijd voor, bij voorkeur op een Parijs’ terras. Netwerken zat hem in het bloed en hij bewoog zich even gemakkelijk in de Parijse literaire gemeenschap als in universitaire kringen van kunsthistorici en neerlandici. Wanneer hij op reis was, zorgde hij er als eerste voor dat Josepha in bezit kwam van zijn postadres. Zijn dagen zaten vaak propvol met afspraken en hij kwam pas ’s avonds laat in zijn hotelkamer tot een gehaast briefje aan Josepha, waarin hij vaak klaagde over hitte of kou, moeheid, verkoudheid of ander ongemak, maar dat onveranderlijk werd beëindigd met een liefdevolle afsluiting in de trant van ‘ik wacht op jou met een ongelooflijk verlangen’45, ‘ik omhels je dicht bij je vrolijke haartjes’46 of gewoon ik ‘omhels […] je als twee dozijn zeesterren die in de diepte der nacht zich tegen de rotsen klemmen’. 47 Sadi hield Josepha ook op de hoogte over Riclau als zij zelf de stad uit was. Hij haalde zijn rijbewijs en kocht een auto om sneller naar hem toe te kunnen in Saint Cyr. Bij mooi weer verheugden het beiden dat het jongetje waarschijnlijk in de kinderwagen in de tuin mocht. ‘De kikker zal het wel fijn hebben nu het echt zomerweer is’. 48 Later kwam er het overleg over verjaarscadeaus bij: Sadi kocht voor zijn verjaardag eens een autoped. 49 Een van de vaardigheden waar Sadi in zijn nieuwe functie als persattaché aan moest werken, was zijn kennis van de Nederlandse taal. Die was verre van correct doordat hij sinds zijn tienerjaren niet meer in een Nederlandssprekend land had gewoond. Hij deed daarvoor een beroep op Josepha. ‘ik wil Nederlands leren en jij moet me helpen.’50 Hij dacht en werkte volledig in het Frans en zijn brieven aan Josepha waren soms in het Frans, soms in het Nederlands en in een enkel geval een combinatie van beide talen. Hoewel de meeste van zijn Nederlandstalige epistels goed leesbaar zijn, zaten er soms verhaspelingen of onjuiste vertalingen vanuit het Frans in, zoals ‘Ik zit in het werk tot de kop’, ‘ik vind het beter geen slapende hond wakker te maken’ 51, ‘In je lief Holland kom je zeker wel tot meer bereidheid om door te gaan met je roman’52 of de curieuze zinsnede: ‘Dotje liefje, ik bedank je voor je uitblinkende hospitaliteit, voor de matigheid van je woede en de onbeschrijflijke kunst waarmede je op liefde en deugt tracteerde.’53 Toen hij als attaché officiële stukken moest produceren, stuurde hij die in z’n geheel op aan Josepha, die verzocht werd per omgaande de tekst te controleren en te verbeteren.54 Ze bleven hun leven delen, bezochten vaak dezelfde vakantieadressen in Bretagne (wel op andere momenten) en Josepha stuurde hem haar post door – privé of zakelijk. Zo betrok ze hem bij haar leven. Sommige schrijfsels moesten teruggestuurd worden, 45. Sadi de Gorter aan JM, 7 maart 1949. 46. Sadi de Gorter aan JM, maart 1949. 47. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [Kaboutertje, brief 3.., maart ‘49]. 48. Sadi de Gorter aan JM, ongeda-

teerd [Allerliefste Kabouter,…]. 49. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [Liefje, ik ben je post gaan halen..]. 50. Sadi de Gorter aan JM, [1948]. 51. Sadi de Gorter aan JM, 30 juni 1949.

52. Sadi de Gorter aan JM, 26 juni 1953. 53. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [1946 / ’47]. 54. Sadi de Gorter aan JM, 25 januari 1950.

247

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

andere kon hij weggooien. ‘Rotbrief’ schreef ze erop, als de inhoud haar niet zinde. Sadi’s tweede natuur was het charmeren van vrouwen om ze vervolgens in bed te krijgen, in Parijs of tijdens zijn reizen. Ook daarvan hield hij Josepha op de hoogte. In Zweden legde hij het aan met een zekere Britt, op de achterbank van een auto terwijl haar vriend ernaast lag te slapen.55 In Parijs was het voor hem moeilijker wanneer Josepha niet in de stad was. Op een of andere manier beleefde hij meer plezier aan zijn avonturen als hij zijn hoofdminnares in de buurt wist.56 Er waren ook genoeg gemiste kansen: bij Rien Marsman, de weduwe van de dichter die hij in Londen leerde kennen, ving hij bot toen zij in 1949 in Parijs was. Met spijt moest hij constateren dat ze een ‘gigolo’ bij zich had.57 Een andere keer bezocht hij de ex-vrouw van een Franse minister, Eugène Frot. Hij werd helemaal opgewonden van het idee seks met deze Claude Tilly te hebben vanwege haar hooggeplaatste ex-man, maar toen ze hem haar slaapkamer toonde, durfde hij niet toe te slaan, ‘ik beloof je in ’t vervolg mijn best te doen.’58 Josepha deed hem kandidaten aan de hand, bijvoorbeeld ‘France Felix werkt 242 rue Rivoli is tot 10.15 uur alleen daar, … wil misschien wel wat.’59 Of, ‘je kunt wat met [Marcelle] beginnen, in haar stijve borsten knijpen. […] Wat een meiden breng ik je toch, schat.’60 Later schoof ze ook de au pairs van Riclau naar voren.61 Op zijn beurt spoorde Sadi Josepha aan ‘bij te klussen’, en haar ervaringen en detail met hem te delen. Ze kregen een soort dispuut over het waarom van de vele bedpartners en wat dat met hun verhouding te maken had. In een zeldzaam lange brief van zeventien kantjes legde Sadi het uit: hij genoot van de tegenstrijdige gevoelens van verlangen en jaloezie, haar ‘overspel’ gaf hem genot omdat het hem diep raakte. Ik geloof dat echte sensualiteit (met veel mannen en veel vrouwen in een bed) een soort schone kunst is die honderden gevoelens meebrengt die de meerderheid van de mensen niet kent. Zoals ze ook niets van een goed schilderij weten. Het ‘zalige gevoel’, dat is voor bakvissen. De kracht van sentimenten met al die innerlijke contradicties dat is voor mensen zoals wij. Daarom vind ik het zo erg dat je me niet eerlijk schrijft of je ja of neen liefde maakt, want de tijd van voorbereiding tot je terugkomst is zo’n geweldig gevoel, van jaloezie, van verlangen, van schitterende ontevredenheid, dat je me moreel laat klaarkomen zoals geen contact dit mogelijk maakt. Je zegt vaak: ‘je wilt dat ik je bedonder’. Dat lijkt me zo ver van de waarheid dat ik daarop meestal niet reageer. Want je bedondert me pas met een wortel, dat is een orgaan die mijn pik moet vervangen. Je bedriegt me niet met iets dat aan een mens vastzit omdat het een strijd betekent en niet een overgave aan een machinale geste van wortel of vinger. Daarom moet ik het weten. 62 Toen Josepha in reactie op deze brief suggereerde dat ze misschien iets minder zin had, hetzij door haar leeftijd, hetzij door haar werk – op dat ogenblik werkte ze in een hotel in Tourettes-sur-Loup aan Als wind en rook – en dat de daad toch maar neerkomt op het opsnoepen van een taartje, was voor Sadi de beer los.

55. Sadi de Gorter aan JM, 31 januari [1948, Liefste Moeder!] 56. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [30 juni 1949]. 57. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd 248

[omstreeks 1948/49. ‘Allerliefste Kabouter, het is zaterdagmddag…’]. 58. Sadi de Gorter aan JM, ongedateerd [Kaboutertje, brief 3.., maart 1949]. 59. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd

[Brief elf, Santec]. 60. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [Brief elf, Santec]. 61. Medeling Evelyne Mendels, 2009. 62. Sadi de Gorter aan JM, 30 juni 1949.

Ik begrijp heus wel dat voordurende liefde niet van betekenis kan zijn als werk bovenal een rol speelt! Maar juist omdat ik als een eenzaam en helemaal als een in zichzelve gekeerd mannetje door de straten van Parijs loop, heb ik behoefte in [aan] vleeselijk contact met wat ik zou willen noemen de buitenwereld! Het bevredigt mij niet dat je over een taartje opsnoepen spreekt. Ik ben te laf om naar de hoeren te gaan [om] een taart op te snoepen. Het is toch zoo noodzakelijk omdat mijn kloten dik van ellende zijn. Maar ik zou het verschrikkelijk vinden indien mijn zin voor liefde bij jou geen rol meer zou spelen – ver van mij loin des yeux loin du coeur. Dat niet. 63 En tot slot Dit alles kan ik niet schrijven zonder met mijn pik te spelen. Dat begrijp je! Daarom nog een laatste keer. Schrijf mij uitvoerig over bedgeheimen. 64 Tijdens haar schrijfvakanties was Josepha veel meer op haar werk gericht dan op eventuele kansen op seks, dus Sadi kon helaas niet delen in avonturen. Zij wilde door met haar boek en kon dat niet combineren met wat zij ‘bedriegen’ noemde,65 ze had genoeg aan een levensteken van Sadi, al was het maar een enkel woord: ‘koop wat briefkaarten bij de juf van de poste restante en schrijf er een vies of grappig woord op, dan kan ik werken.’66

Thuis in de Rue Mouffetard Eind 1949 verslechterde Josepha’s woonsituatie. Ze verlangde er meer dan ooit naar om Riclau thuis te hebben. De korte bezoekjes aan madame Cerceau in Saint Cyr waren onvoldoende. ‘Ik denk ook zonder ophouden aan dat kleine jongetje dat zo doordringend Mamàn kan roepen.’67 Wanneer ze Riclau in huis wilde nemen, moest ze ook een au pair kunnen huisvesten en betalen. Dat kon niet in Villa Croix Nivert. Bovendien wilde de hoofdhuurster van het huis, vriendin en etalagiste Marcelle, haar huis terug hebben. Dat was ook de reden dat ze een naar haar verwezen logé aanvankelijk de deur wees. Maar hij, Gerard van het Reve, de auteur van het in 1947 verschenen De Avonden, kon in januari 1950 bij nader inzien toch terecht ‘in het bijzonder kleine eenpersoonsbed met kuil in het midden’, met Lucas van der Land.68 Zij waren in de bittere winterkoude liftend naar Parijs gekomen. Josepha had nog enkele maanden kunnen blijven, en zou vervolgens op ‘geleende’ adressen rondzwerven. De woningnood in Parijs was sinds het aflopen van de oorlog niet opgelost en zij kon zich geen hoge huur veroorloven. Na wat logeeradressen verhuisde ze in 1951 naar een eigen woning, de Rue Mouffetard 78 in het Quartier Latin, destijds een armoedig deel van Parijs, waar de 63. Sadi de Gorter aan JM, 25 januari 1950. 64. Sadi de Gorter aan JM, 25 januari 1950. 65. ‘Alleen ik bedrieg je niet. Ik kan niet werken en bedriegen tegelijk. Hoogstens doe ik het eens zelf.’ JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [brief

4 dinsdagmiddag, Lieveling, ik houd van je….]. 66. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd. [vrijdag elf uur, Lieveling, ik hoorde net je stem…] 67. JM aan Sadi de Gorter, 5 januari 1950. 68. Maas, Nop. (2009) Gerard Reve

kroniek van een schuldig leven: de vroege jaren 1923–1962. Amsterdam: Van Oorschot: 324. In een brief van Josepha Mendels aan Gerard Reve (20 november 1949) maakt ze hem duidelijk dat ze binnenkort haar woning moet verlaten. Archief Nop Maas.

249

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

clochards rondhingen en waar vooral Franse en Noordafrikaanse arbeiders woonden. Het was nog steeds behelpen, de au pair sliep in de keuken, maar het ging. De markt van de Rue Mouffetard stond bekend als de goedkoopste van Parijs.69 Het appartement lag vlakbij de Place de la Contrescarpe, een levendig plein met hotels, cafés en winkeltjes waar zich in de loop van de jaren vijftig steeds meer schrijvers ophielden die net als Josepha weinig te verteren hadden. Zo deelde Remco Campert er kortstondig een eenvoudige hotelkamer met Rudy Kousbroek. Het was de tijd van de hurktoiletten op de gang en een kookplaatje op de kamer bij wijze van keuken.70 Veel meer schrijvers ontvluchtten begin jaren vijftig het in hun ogen saaie Nederland, waar de vernieuwing van de literatuur niet van de grond kwam en de politieke verhoudingen van voor de oorlog tegen de verwachting in terugkeerden. Teleurstelling was er eveneens over de opstelling van Nederland bij de politieke situatie in Indië. Nederland trad hard op tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. De meegaande houding van de PvdA inzake dit conflict schoot velen in het verkeerde keelgat.71 Simon Vinkenoog vertrok uit Nederland, vast van plan om een wereldreis te maken met zijn vriendin Juc Cohen. Ze strandden in Parijs.72 Hugo Claus en Hans Andreus verbleven kortere tijd in Parijs om later verder Europa in te trekken. Ook jonge schilders zochten er inspiratie: Karel Appel, Constant Nieuwenhuys, Corneille. In het Parijse café Notre Dame richtten schilders uit Nederland, België en Denemarken in 1948 de schilders­ beweging Cobra op, die overigens al in 1951 uit elkaar viel. Josepha leerde deze in Parijs neergestreken kunstenaars en schrijvers kennen. Cobra en de Vijftigers waren erop uit om bestaande normen in hun vakgebied omver te werpen. ‘Er is een lyriek die wij afschaffen’, is een veelgeciteerde slogan van de Vijftigers, die zij gebruikten tijdens een gezamenlijke tentoonstelling met Cobra in het Stedelijk Museum in 1949.73 De half-figuratieve schilderijen van de experimentelen konden nog niet velen bekoren. Josepha bleef inhoudelijk een buitenstaander. Er was tussen hun een groot leeftijds- en mentaliteitsverschil, vooral de schrijvers waren gemiddeld 25 jaar jonger, de schilders 20 jaar. De groep bestond bovendien uit louter mannen. Maar meer nog werd de ideologische afstand gecreëerd door het feit dat Josepha inmiddels een gevestigd auteur was van psychologische romans, die geen aspiraties had om vernieuwing in de literatuur te propageren. De vorm van haar werk sloot meer aan bij de vooroorlogse traditie dan dat het ertegen in opstand kwam, de inhoud was wel vernieuwend, maar niet zoals de jonge beweging voor ogen stond. Ze ging op vriendschappelijke basis om met onder andere Karel Appel, die niet te beroerd was om zijn vaardigheden met de kapperschaar – hij werkte twee jaar in de kapperzaak van zijn vader – toe te passen op Riclaus haardos. De kunstenaar hield met verschillende anderen atelier tegenover een leerlooiersbedrijf aan de Rue Santeuil, vlakbij de Rue Mouffetard, waar Appel zocht naar bruikbaar afval voor zijn kunstwerken.74 De legendarische werkplaats,

69. Houts, Cathérine van. (2000) Karel Appel de biografie. Amsterdam: Contact: 166. 70. Campert, Remco. (2011) ‘Groeten van Barbusse’, in: De Volkskrant, 14 mei 2011. 71. Hofland, H.J.A. & Tom Rooduijn. 250

(1997) Dwars door puinstof heen: grondleggers van de naoorlogse literatuur. Amsterdam: Bas Lubberhuizen. 72. Meijer, Ruud. (1979) Parijs verplicht: Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs (1945–1970) Amsterdam: Thomas Rap.

73. Brems, Hugo. (1993) ‘Eind 1950: Hugo Claus vertrekt naar Parijs’, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (ed.). Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Groningen: Nijhoff: 721–727.

waar Appel en zijn vriendin Tony illegaal hun woning van hadden gemaakt, tochtig en stinkend, was een ontmoetingsplaats voor talloos veel creatief talent. Josepha bezocht die plek, ging naar hun tentoonstellingen en woonde andere evenementen bij. Ze schreef in Het Parool een sfeerstukje over de Nederlanders in Parijs, ‘Zij gingen naar Parijs en bleven er’.75 De jaren vijftig waren voor Josepha in financieel opzicht ronduit mager. Het schrijven van haar romans kostte haar veel tijd en leverde omgekeerd evenredig weinig op. Sinds ze een au pair had, diende ze haar salaris ook te betalen. Als het even tegenzat, was er alleen geld voor eenvoudige maaltijden. ‘Soms, aan het einde van de maand, aten we linzen, linzen, linzen.’76 Ze had het zo arm dat ze sporadisch haar vooroorlogse broodwinning als gids oppakte.77 Literatuur verkocht vrij slecht in die jaren. Geld was dan ook met grote regelmaat het onderwerp waarover Josepha met haar uitgever Alice van Nahuys correspondeerde. Zij had voor haar drie romans steeds voorschotten ontvangen, maar Van Nahuys moest constateren dat die te hoog waren geweest en dat daar geen sprake meer van kon zijn voor de vierde roman. Als wind en rook was weliswaar goed besproken, maar werd matig verkocht.78 Querido wist in die jaren wel degelijk een bescheiden winst te maken. Van Nahuys had letterlijk grote belangen in de uitgeverij, ze bezat samen met haar man Fred von Eugen meer dan de helft van de aandelen.79 Het voorschot dat Querido aan Josepha had betaald werd langzamerhand een schuld, doordat de schrijfster kosten bleef maken en haar romans niet genoeg opbrachten. Zo vroeg ze in oprechte verbazing waarom haar ruim 300 gulden (tegenwaarde in 2014: ruim 1700 euro) aan correctiekosten in rekening werd gebracht, waarop Alice haar geduldig uitlegde, dat zij in de laatste drukproeven nog heel veel gewijzigd had en dat de regel was, dat de auteur daar in die fase zelf voor opdraaide. Ook vond ze het vreemd dat de portokosten zo hoog waren en andermaal riposteerde Alice dat het voor de uitgeverij ook eenvoudiger was geweest als Josepha in Nederland zou wonen.80 Halverwege 1951 bedroeg de schuld aan de uitgeverij 1100 gulden, die slechts met enkele tientjes per kwartaal werd ingelopen door de verkoop van haar boeken.81 Ook de sporadische bijdragen aan tijdschriften leverden haar zo weinig op, dat ze er soms een briefje aan wijdde of er geen vergissing in het spel was.82 Josepha begon het gevoel te krijgen dat Querido tegen haar was, omdat de uitgeverij niet met geld kon komen, terwijl zij ontzettend omhoog zat. Het was geen onwil van Van Nahuys, zij leefde wel degelijk met Josepha mee. Helaas weet ik dat het slecht met je gaat. En je moet niet denken dat Tine en ik ons daarover geen zorgen maken. Niet alleen dat het je financieel slecht gaat, maar ook dat je weer zonder dak boven je hoofd komt te zitten. En dat je de zorg – al brengt dat je toch een onbeschrijf lijk geluk – voor Riclau hebt. 83 74. Van Houts (2000): 166 e.v. 75. Het Parool, 3 juli 1953. 76. Meulenbelt (1985). 77. JM aan Vinkenoog, ongedateerd [omstreeks mei 1953]. 78. Alice van Nahuys aan JM, 28 mei 1951, LM. 79. Sötermann (1990): 128.

80. Alice van Nahuys aan JM, 28 mei 1951, LM. 81. In drie maanden tijd werden 24 exemplaren van Je wist het toch… en 56 van Als wind en rook verkocht, tesamen goed voor ƒ 54,85 aan royalties. Alice van Nahuys aan JM, [ongedateerd, omstreeks oktober 1951].

82. ‘Ik vraag me af of er hier geen vergissing in het spel is, gezien het zeer kleine bedrag voor 8 pagina’s druk! Er wordt toch meer dan vier gulden per pagina betaald?’ JM aan Bert Bakker, 3december 1955, LM. 83. Alice van Nahuys aan JM, 25 mei 1951, LM. 251

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

Toen Van Nahuys afwijzend reageerde op een plan van Josepha om Colettes Chérie te gaan vertalen en dat uit te brengen bij Querido, was de maat voor Josepha vol. Ze wilde acuut weg bij de uitgeverij, liefst met medeneming van de rechten van Rolien en Ralien. Dat raadde vriend Martinus Nijhoff haar met klem af, ‘het geldt als onbehoorlijk om een boek naar een andere uitgever te laten verhuizen’, zeker omdat de uitgeverij daar al heel lang een herdruk van wilde maken als Salamander.84 Josepha had dit jarenlang geweigerd, in haar ogen was de Salamander een goedkope reeks beneden haar peil. Terecht wees Van Nahuys haar erop dat de Salamander juist ‘een serie [is] die literair gezien enorm hoog wordt aangeslagen en dit jaar zelfs als enige serie bij de “50 best verzorgde boeken” hoorde.’85 Ten langen leste stemde ze er nu mee in. Ondanks haar arrogantie gunde Van Nahuys aan Josepha de eer de honderdste Salamander te zijn, waar een kleine prijsvraag aan werd verbonden.86 Duizend gulden ontving Josepha ervoor, een bedrag dat haar tegen de gewoonte in niet bij verschijning, maar als voorschot in delen zou worden overgemaakt. Van Nahuys was zo vriendelijk de schuld er niet volledig mee te verrekenen. Maar Josepha hoefde het mededogen van Querido niet meer. Nadat de herdruk van Rolien en Ralien afgehandeld was, kondigde ze haar vertrek aan. Ze stapte over naar de Arbeiderspers. De gedachte dat uitgevers destijds nog te netjes waren om elkaars auteurs weg te kapen, wordt hiermee gelogenstraft.87 Alice van Nahuys was not amused [I]k weet niet of het goed tot je doorgedrongen is, dat het voor een uitgever van standing als Querido is, een hard ding is om een talentvol auteur, als Josepha Mendels is, te moeten verliezen aan een uitgeverij die alleen maar met de geldbuidel rammelt en feitelijk geen onderdak kan bieden om een talent tot zijn recht te laten komen. 88 De Arbeiderspers werd destijds geleid door Reinold Kuipers, die overigens vanaf 1953, dus vlak na Josepha’s overstap, een relatie kreeg met Alice van Nahuys’ rechterhand, inmiddels adjunct-directeur Tine van Buul. Kuipers was een echte uitgever, die bij de socialistische Arbeiderspers nog niet geheel zijn hartstochtelijke liefde voor de literatuur kon uitleven.89 Deze uitgeverij richtte zich op de culturele ontwikkeling, verheffing zelfs, van ‘het volk’ en complexe literatuur was daarbij taboe. Met zijn sterke typografische visie, die erop gericht was om de tekst zo goed mogelijk te laten uitkomen, bracht hij een fraai fonds uit. De geldbuidel waar Van Nahuys gewag van maakte, was mogelijk dankzij de specifieke manier van boekverkopen die de Arbeiderspers erop na hield. De uitgeverij bracht boeken in series aan de man via colportage en eigen boekhandels. Omdat de Arbeiderspers deel uitmaakte van een groter concern waar ook het Vrije Volk

84. Martinus Nijhoff aan JM, 16 januari 1952, LM. 85. Alice van Nahuys aan JM, 12 september 1951, LM. 86. Ter gelegenheid van de 100ste Salamander kwam Het Salamanderboekje uit, met als ondertitel Uit het leven van de Salamander verteld door een ingewijde buitenstaander. Auteur was Alfred Kossmann. Hierin stonden 252

de 97 verschenen Salamanders en de vijf nog te verschijnen: De zoon van Bronsmer van Arnold Clerx, Avontuur met Titia van Henriette van Eijk en S. Vestdijk, Liefde en Goudvissen van Jacques Gans en De stille man door Albert van Hoogenbemt. Kossmann, Alfred. (1984) Het Salamanderboek 1934–1984. Amsterdam: Querido: 92. 87. Dit wordt gesuggereerd in Faassen,

Sjoerd van & Hans Renders. (2010) ‘Dagelijks bedillend: Reinold Kuipers als uitgever’, in: Zacht Lawijd: literair historisch tijdschrift jaargang 9, nr. 3: 37. 88. Alice van Nahuys aan JM, 12 september 1951, LM. 89. Zie voor meer informatie over Kuipers Zacht Lawijd literair historisch tijdschrift jaargang 9, nr. 3, 2010 dat geheel aan hem gewijd is.

gemaakt werd, zat het colporteren er goed in. Aan de deur schreef men in op een serie boeken die men in de loop van een jaar geleverd kreeg. Potentiële kopers, vooral de arbeider die de Arbeiderspers wilde ‘vormen’, werden overgehaald te kopen door te wijzen op de kostenbesparing ten opzichte van de aanschaf in een boekwinkel. Sterke verhalenvertellers als Willy Corsari, Herman de Man, Johan Fabricius en Jan Mens voerden de boventoon in de arbo -serie, voor experimentele of anderszins vernieuwende vormen van literatuur was geen plaats, het doel was immers het lezen te democratiseren.90 Des te opmerkelijker dat juist Alles even gezond bij jou, Mendels’ vierde en meest surrealistische roman, erin kwam, zowel vanuit de uitgever gezien als vanuit de schrijfster die haar neus al ophaalde voor de Salamander. arbo -schrijvers werden in sommige kringen niet voor vol aangezien en een auteur (Ab Visser) vond zelfs dat een uitgave in die serie hem voor altijd de intree in de serieuze literatuur onmogelijk maakte. In 1953 kreeg de arbo -serie een nieuw uiterlijk en een nieuwe aanpak die tot grote successen zou leiden. De prijs werd lager, het aantal boeken per jaar nam af van acht naar vijf en de provisie voor de colporteur ging omhoog.91 In deze vernieuwingsslag zag Kuipers kennelijk ruimte voor een ander geluid, namelijk dat van Mendels.92 In de loop van 1953 werd het manuscript goedgekeurd en in 1954 verscheen de roman. Het legde de schrijfster geen windeieren: het boek kwam ook buiten de arbo -serie uit als los exemplaar in de boekhandel en kreeg een oplage van 7000.93 Dit bracht haar al meteen vijfduizend gulden in het laatje. Aan het exemplaar in de arbo reeks werd een verklarende woordenlijst toegevoegd. Woorden als absurd, copieus, frequenteren, mirabellen en reminiscentie werden hierin opgenomen, evenals historische figuren als Bach, Baudelaire, Chagall, Delacroix en plaatsen in Parijs: Bois de Boulogne, Hôpital Saint-Antoine, Ile Saint-Louis en het Quartier Latin. Josepha’s mening over de lijst was helder: ‘Slechts voor de ongeletterde arbo -man.’94 Alles even gezond bij jou is de minst autobiografische roman van Mendels. Er is geen periode of situatie aan te wijzen die, zoals de andere romans, de basis vormde voor 90. Hauwermeieren, Katrijn van & Femke Vandervelde (2010) ‘Reinold Kuipers en de Algemeene Roman Bibliotheek Ontwikkeling (arbo) 1953–1968’, in: Zacht Lawijd jr 9, nr 3: 106. 91. Hauwermeieren & Vandervelde (2010): 107–119.

92. Er zijn geen officiële schriftelijke bronnen gevonden over de samenwerking tussen Mendels en de Arbeiderspers. 93. JM Henk Enkelaar. Een leven lang. [radiointerview] NOS, 1987. Mendels schreef per abuis dat de oplage 53.000 bedroeg. JM aan Simon Vinkeoog,

[ongedateerd, eerste helft 1953 briefpapier Schiller], LM. 94. Ze noteerde de tekst op het presentexemplaar voor Eduard Elias, dat met opdracht online werd aangeboden door Antiquariaat Fokas Holthuis, 2010.

253

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

literatuur. Maar de bestanddelen zijn wel degelijk ontleend aan haar leven. Zo spelen twee wijken, het sjieke Ile St. Louis en de armoedige Rue Mouffetard een rol in het boek. De eerste die het boek van A tot Z las en voor de verandering eens zijn ongezouten mening gaf, was Sadi. Te snel en te gehaast en wellicht in grote woede pende hij zijn snoeiharde oordeel neer. Hij was geïrriteerd over de tekst omdat hij vond dat zijn liefje haar talent vergooide. Totaal niet te spreken was hij over de roman. Het was zijns inziens geschreven met te veel ‘inspiration’ en te weinig ‘réflexion’. Het barstte van de onbetekende details, het was slordig. De geschiedenis van de Rue Mouffetard interesseerde geen hond. Que te dire de ton livre? Je ne l’aime pas, je le trouve sans intérêt, fait de petites anecdotes insignifiantes et sans la moindre valeur pour un lecteur habitué à lire des livres étrangers. Une immense succession de détails inutiles. […] Si tu avais réf léchi un peu (ô même pas beaucoup) tu aurais fait de ce livre insipide une charge contre la société. Non rien qui me plaise là-dedans. […] Je suis peut-être sévère mais tu le mérites. Il faut que tu écrives des livres vrais, où l’on retrouve l’ironie de la vie, la dureté des sentiments et des drames humains, l’atmosphère d’un milieu, le sens profond d’un amour, la vie dans son mystère et la joie ou la douleur des êtres. Dans ‘Alles even gezond’ rien de tout cela. 95 Sadi omkleedde zijn oordeel met liefdesbetuigingen en geloof in Josepha als auteur, wetende dat dit soort onomwonden kritiek hard aankwam. Ik houd van je, je bent een grote romancière, maar het is veel te gemakkelijk voor je! Je schrijft maar raak, je slaat maar toetsen aan. Je moet nadenken en nog eens nadenken alvorens je een zin prijsgeeft!96 Ondanks zijn negatieve oordeel voorspelde hij dat het boek het goed zou doen in Nederland, want daar hield men wel van anekdotische verhalen, vooral over Parijs. Hij kreeg deels gelijk, het veld van critici was verdeeld, maar de waardering die er was, was groot. F. Bordewijk vond de roman het beste van alle jonge Nederlandse roman­ cières – helaas was er geen vergelijking met ‘romanciers’, al dichtte hij het werk de hoogste on-hollandse charme toe, na Couperus. Bordewijk strooide vervolgens met zeer veel complimenten.97 Een aantal critici refereerde aan de uitstekende reputatie die Mendels inmiddels met haar drie romans had gevestigd. Ze was een gezien auteur, ze werd gewaardeerd als iemand die geen gewone boeken schreef, maar een eigen stem liet horen. Met deze experimentele roman was ze van dat pad afgeraakt. ‘We verzekeren u, dat u het van a tot z met plezier leest’, stelde de jonge Hans Warren weliswaar, ‘maar het is werkelijk niet nodig dat Josepha Mendels ons een bekentenisroman van een Franse jongeman schenkt. Er zijn er genoeg die het zelf kunnen.’98 Gomperts was in Het Parool het strengst, hij citeerde enkele in zijn ogen ‘defecte zinnen’ en sprak de

95. Sadi de Gorter aan JM, 18 juli 1953. 96. Ibidem. 97. F. Bordewijk, ‘Tussenruimte van een halve eeuw’ [Bespreking van: 254

Alles even gezond bij jou], in: Utrechtsch Nieuwsblad 10 april 1954. 98. Hans Warren, ‘Alles even gezond een nieuw boek van Josepha Mendels:

geen meesterwerkje als Rolien en Ralien’, in: PZC, 10 juli 1954.

schrijfster bestraffend toe om haar zwak uitgewerkte roman, bijna op dezelfde wijze als Sadi dat gedaan had. Het is vooral omdat deze schrijfster een verdiende reputatie verworven heeft, dat men haar op strenge toon verwijten mag, dat zij dit boek zonder enige zelf kritiek en zonder enig verantwoordelijkheidsbesef tegenover haar stof en haar lezers heeft neergekalkt. 99 De schrijfster vond Gomperts’ stuk slecht omdat hij zinnen uit hun verband had gerukt, en ze vermoedde een strijd tussen Bordewijk en Gomperts vanwege het volledig tegengestelde oordeel.100 Maar eigenlijk verwarde de grote tegenstelling in de receptie de schrijfster vooral. ‘Wie heeft er nu gelijk […]? Je weet het niet, het enige wat me troost is, dat er zulke volkomen slechte en goede kritieken zijn, en het enige is ook, maar moed te scheppen en doorgaan.’101 Na de publicatie van Alles even gezond bij jou begonnen tussen Josepha en de Arbeiderspers de strubbelingen. Kuipers was van oorsprong een Groninger en voor haar werd in hem alles uitvergroot dat ze zo verafschuwde aan hun gemeenschappelijke geboortestad: de kilte en de afwezigheid van relativering en humor. Een zemelaar vond ze hem.102 Hij was een precies mens dat slecht kon omgaan met de slordigheden van Josepha, die eindeloos corrigeerde in manuscripten en te lui was om de accenten in Franse woorden met de typemachine aan te brengen en bronvermeldingen van citaten netjes te vermelden.103 In 1956 verscheen er bij de Arbeiderspers een Boekvinkuitgave met novelles van Josepha, Zoethout en Etamien. De Boekvinkserie was bedoeld voor literatuur die te complex was voor de arbo -serie, maar die toch te mooi was om te laten liggen. Kuipers beschouwde de serie als een soort tijdschrift, waarvan de exploitatie voor hem minder risicovol was, en waarmee hij het literaire aanzien van de Arbeiderspers op kon vijzelen.104 Het waren uitgaven op klein formaat van niet meer dan 100 pagina’s. Zoethout en Etamien werd opgedragen aan Inel de Vriendt, Berthes zus uit Amerika die de letters van haar voornaam Leni had omgedraaid en de achternaam van haar tweede man droeg. Josepha legde voor niet-literair werk contacten met andere uitgeverijen. Omdat Querido destijds geen belangstelling voor een vertaling van Colettes werk had, ging ze op zoek naar een ander. Daar kwam de publicatie van twee boeken uit voort die haar klinkend munt opleverde zonder dat die erg veel van haar tijd vroegen. Het eerste was De vader van Robinson Crusoë, een kinderboek waarin ze het levensverhaal van de auteur Daniel Defoe vertelt. Ze schreef het voor een prijsvraag in 1949, de opdracht was een kunstenaar voor acht- tot dertienjarigen tot leven te brengen. Haar werk was niet in de prijzen gevallen, maar kreeg wel het predicaat ‘publicabel’.105 Tot op dat moment had ze daar niets mee gedaan. Uiteindelijk kwam het bij Bruna uit. In hetzelfde jaar verscheen een kookboek van haar hand, Bon appétit: Frans koken in de lage landen. Het bevat weliswaar

99. H.A. Gomperts, ‘Roman zonder thema: bij een nieuw werk van Josepha Mendels’, Het Parool, 22 mei 1954. 100. JM aan Dinaux, 26 mei 1954, LM. 101. JM aan Dinaux, 26 mei 1954, LM. 102. Laurens van Krevelen sprak regel-

matig met Mendels over haar weerzin tegen Kuipers. Mededeling Laurens van Krevelen, 2005. 103. Kuipers aan JM, 10 maart 1953, LM. 104. Zie voor een beeld van de gehele

Boekvinkserie Louter, Marleen. (2010) ‘Een letterkundig Madurodam; de Boekvink-reeks 1952–1990’, Zacht Lawijd jr 9, nr 3, 2010: 144–161 105. JM aan Warendorf [kladversie, ongedateerd]. 255

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

recepten, maar de auteur die ooit was gesneuveld op de huishoudschool lardeerde deze met adviezen, persoonlijke ervaringen en gedachtetjes. De illustraties in het boek en op de omslag waren van Fiep Westendorp, met wie ze later voor Het Parool samenwerkte. De vertaling van Colettes Chérie had ze met het oog op de verdiensten opgepakt, maar dat liep uit op een debacle. Het vertalen had haar buitengewoon veel tijd gekost omdat ze steeds korte stukjes tussendoor deed. ‘En die Colette is nog niet af, nooit, nooit vertaal ik meer, ik kan het eenvoudigweg niet uitstaan als het geen mooie taal wordt en zo doe ik het ook veel te ernstig en verdien er ongeveer een kwart cent per uur aan…’.106 Toen het manuscript op de drukpersen lag, bleek dat Bruna iets had gewijzigd in de tekst. ‘Faire l’amour’ had Josepha vertaald in ‘liefde maken’, zoals zij en Sadi dat altijd genoemd hadden. De uitgever vond het beter er ‘bevredigen’ van te maken. Dit maakte Josepha furieus. Ze vond dat zo’n lelijk woord dat ze de uitgave van de vertaling verbood.107 Er ontstond een juridische strijd waarvoor Josepha J. van Nus inschakelde, de als gewiekst bekend staande directeur van het bureau voor auteursrechten (SEBA).108 De vertaling zou niet verschijnen en aan de potentieel financieel aantrekkelijke samenwerking met Bruna kwam een einde. Toch lag Mendels’ hoogtepunt als auteur in de jaren vijftig. Het was een weinig gelukkige tijd omdat het schrijverschap haar niet bracht wat ze ervan verwachtte. De verdiensten vielen haar bar tegen: ze had gedroomd van een schrijversleven waar geen journalistiek aan te pas kwam. Dat beeld viel in duigen. Ook vond ze maar moeilijk haar weg in de literaire wereld. Het was niet slim dat ze bij Querido was vertrokken. Alice van Nahuys was iemand die om kon gaan met de nukken van auteurs en die Mendels had kunnen begeleiden in haar ontwikkeling. Maar de schrijfster kon zich niet bij de hand laten nemen, want ze wilde nergens bijhoren. Bij de Arbeiderspers voelde ze zich niet thuis en bij Bruna maakte ze ruzie. Zelf liep ze tegen de grenzen van haar talent aan, al zou ze dat nooit toegeven. De samenwerking met Anna Blaman was geen succes geworden. Alles even gezond bij jou was een probeersel geweest dat niet goed uitpakte. De critieken waren zo uiteenlopend van aard, dat Mendels er geen conclusies uit kon trekken. Ze bevond zich op een moeilijk punt.

‘O neen, dit alles heb jij niet meegemaakt’ Tijdens het ontstaan van Alles even gezond bij jou leerde Josepha een van de jonge Vijftigers die naar Parijs was gekomen beter kennen. Opmerkelijk genoeg gebeurde dat in Nederland. Het was Simon Vinkenoog, die zij in de Boekenweek van 1953 twee keer tegen het lijf liep. Ze moet de lange, magere jongeling al vaker in hun beider woonplaats gezien hebben voordat ze hem in dat voorjaar eerst tijdens een lezing en later die week tijdens het boekverkopen bij De Bijenkorf trof. Ze zaten naast elkaar en Josepha sloeg toe. ‘Kom je bij me eten, lieverd, in m’n Rue Mouffetard? Jij gaat nog eens mee […]

106. JM aan Carel Dinaux, 10 juli 1955 107. Van Verre (1982). 108. ‘Met Bruna herrie, ik laat nu alles door mr van Nus behandelen’. JM aan Dinaux, 6 juni 1956, LM. 256

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

je bent erg mooi […]’.109 Hoewel Vinkenoog al lang geen groentje meer was in het literaire circuit, had hij een zeker ontzag voor Mendels. Dat dateerde van enkele jaren eerder. Als loopjongen werkte hij vlak na de oorlog bij Querido, waar op dat moment de uitgave van Rolien en Ralien werd voorbereid. Zij was toen een van de schrijvers waar hij tegenop zag, al ontmoette ze elkaar niet.110 Vinkenoog had inmiddels naam gemaakt als woordvoerder van de Vijftigers door de bundel Atonaal (1951) samen te stellen. Als literator was hij een buitenbeentje in de Parijse kring, omdat hij als enige niet financieel afhankelijk was van de literatuur; hij had een baan bij het archief van de UNESCO als ‘special requests documents officer’. Het betekende dat hij zich een appartement kon permitteren (eerst aan de Boulevard Jean Jaurès, later Boulevard Garibaldi) waar destijds armlastige vrienden zoals Remco Campert, Lucebert, Bert Schierbeek, Hans Andreus en Rudy Kousbroek en zijn vrouw Ethel Portnoy vaak te gast waren. Ook de schilders van Cobra kwamen langs. Zo bracht hij mensen en stromingen met elkaar in contact; Vinkenoogs vriendschap, sociale vaardigheden en gastvrijheid zijn, zo is achteraf geconstateerd, een voorwaarde geweest voor de mythische plek die Parijs voor de Nederlandse literatuur werd.111 Dat liet zich nog niet helemaal aanzien toen hij met Josepha omging. Als literator was hij nog zoekende, had nog niet zijn keuze bepaald tot poëzie of proza. Toen hij haar ontmoette werkte hij aan het manuscript van Zolang te water, zijn eerste roman die een heftige en inmiddels verbroken liefdesrelatie tot onderwerp had. Terugkijkend zou hij die tijd benoemen als een periode vol depressies.112 De roman kreeg van Alice van Nahuys van Querido niet de ontvangst waarop hij hoopte: zij adviseerde hem het manuscript een half jaar te laten liggen en het dan te bewerken.113 Zolang te water zou 1954 verschijnen bij de Bezige Bij. Er ontstond een verhouding tussen Simon Vinkenoog en Josepha die een half jaar duurde. Zij was in haar nopjes met Simon, al verpandde ze niet haar hele hart aan hem. In die periode was hij één van haar vier minnaars: naast Sadi en Kaai had ze ook een kortstondige verhouding met Meik de Swaan, die ze in 1948 via Emmy Andriesse had leren kennen. Zakenman en cultuurmecenas De Swaan was volgens zijn zoon ‘dol op zenuwlijdende, joodse vrouwen, en dat was wederzijds.’114 Voor zijn vroege dood in 1957 bij een vliegtuigongeluk had hij naast zijn huwelijk met Henny de Swaan-Roos verhoudingen met onder andere fotografe Emmy Andriesse en dichteres Hanny Michaelis, de toenmalige echtgenote van Gerard van het Reve. Josepha vond Vinkenoog leuk, mooi en vooral erg jong. Hij was zelf aanvankelijk verbaasd over zijn gevoelens, die hij per brief deelde met Hugo Claus. Deze Vlaamse vriend smulde vanuit Italië van de romance. ‘Hoever heeft de idylle met de mouffetardmuze zich al ontwikkeld?’, informeerde Claus na de eerste beschrijvingen van hun nadere kennismaking.115 Vinkenoog schreef hem daarop

109. Claus, Hugo & Simon Vinkenoog. (2008) Laat nooit deze brief aan iemand lezen: de briefwisseling tussen Hugo Claus en Simon Vinkenoog 1951–1956. Samenstelling, inleiding en aantekeningen George Wildemeersch. Amsterdam: De Bezige Bij: 114.

110. Gesprek Simon Vinkenoog, 17november 2006. 111. Wildemeersch, George. (2008) ‘Inleiding’, in: Claus & Vinkenoog (2008): 18. 112. Mededeling Simon Vinkenoog, 19december 2006.

113. Claus & Vinkenoog (2008): 115. 114. Mededeling Abram de Swaan, de zoon van Meik de Swaan, 2011. 115. Claus & Vinkenoog (2008): 120.

257

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

Ik had Josepha drie kwartier geleden aan de telefoon en ik ben nog onder de indruk van haar stem. Ik kan toch niet verliefd zijn op die vrouw, zelfs al ben ik lichamelijk aangetrokken? Ze is toch een stuk ouder, hoewel – aan de andere kant, ze is net als ik op een 18e juli geboren en dat maakt natuurlijk veel uit. 116 Dat Josepha 26 jaar ouder was, wist hij niet. Hij dacht dat ze 34 was.117 Samenzijn met haar was evenwel een heerlijkheid, ‘ik dineerde met Josepha en het was een streepje aan het balkje gelukkige uren in mijn leven,’ liet hij Claus weten.118 In dat voorjaar van 1953 kwam hij regelmatig bij Josepha over de vloer en leerde ook Riclau kennen. De twee raakten op elkaar gesteld. De jongen wilde later net zo lang worden als de vriend van zijn moeder.119 Vinkenoog had een zoon van dezelfde leeftijd, Robert, die in Nederland woonde en dat droeg bij aan het gemak waarmee hij met Riclau omging. Bij het appartement in de Rue Mouffetard 78 had Josepha een aparte kamer op nummer 80, waar ze zich discreet konden terugtrekken. Ook spendeerden ze weekends buiten Parijs, al dan niet in gezelschap van Riclau. Een paar weken na de start van hun amoureuze verbinding was er een tijdelijke scheiding, omdat Josepha met Riclau en de au pair voor de paasvakantie naar Nederland ging. Dit prille liefdesavontuur was voor Vinkenoog erg wennen. Maar vanaf het ogenblik dat ik gisteren de Rue Mouffetard uitliep, wist ik dat deze stad niet meer dezelfde was. Nee, de stad is in drie weken hopeloos veranderd, eerst omdat jij er woonde en nu omdat je er weg bent. Je bent weg en ik verlang naar je – als je terug bent zal ik naar je verlangen zodra ik niet bij je ben. 120 Ze bouwden iets op waarbij Josepha ontegenzeggelijk de toon bepaalde en Vinkenoog voortdurend zijn plaats wees als ‘te jong’ voor wat dan ook: te jong voor een gefundeerd literair oordeel, te jong voor een intens persoonlijke ervaring, te jong om te beseffen wat een geboorte behelsde. Als eerste gaf ze hem Je wist het toch… te lezen. Vinkenoog, de veellezer, was onder de indruk. ‘Ik ben gegrepen, door je stijl, […] je schreef een van de meest ontroerende boeken, die ik ken.’121 Het volgende boek dat hij van haar las, het manuscript van Alles even gezond bij jou vond hij echter niet bewonderingswaardigs. ‘Dit boek verzoent mij niet met het leven. […] Die Victor is maar een slijmerd.’ Dit minder positief uitgevallen oordeel deed Josepha af als de visie van iemand die niet serieus genomen hoefde te worden. ‘Ik kan zijn oordeel niet vergelijken met dat van Sadi of Kuipers, […] hij is te jong om het gedeelte over de geboorte van Victor te kunnen waarderen.122 Zijn leeftijd zat Vinkenoog zelf soms ook in de weg. Toen hij met zijn geliefde eens samen een weekend doorbracht in een kasteeltje, vreesde hij dat hij door het personeel zou worden aangezien voor een gigolo. Die vrees uitspreken tegenover Josepha had een desastreus effect: ze werd woedend en kreeg een forse huilbui.123 116. Claus & Vinkenoog (2008) :122. 117. Mededeling Simon Vinkenoog, december 2006. 118. Claus & Vinkenoog (2008) :123 119. ‘Voelde je hoe Riclau je zoende en zag je hoe hij die vervelende man nauwelijks goedendag zei […]. Riclau is gek 258

op je. Hij spreekt voortdurend erover dat hij zo lang wil worden als jij en hij is vandaag schattig ----’. JM aan Simon Vinkenoog, 1 juni 1953 LM. 120. Simon Vinkenoog aan JM, ongedateerd [donderdag, april 1953]. 121. Simon Vinkenoog aan JM,

ongedateerd [1953], LM. 122. Los ‘dagboekblad’ van Josepha met aantekeningen over Simon Vinkenoog, ongedateerd [1953]. 123. Mededeling Simon Vinkenoog, 2006.

1953, Simon Vinkenoog en Josepha Toch zegt de relatie het nodige over de vrouw die Mendels inmiddels geworden was. Ze koos de mannen die ze wilde, of ze nu jong of oud waren, of ideologisch ver van haar verwijderd waren. Ze ging haar eigen genot achterna, maar hechtte zich niet dusdanig dat ze daar last van zou krijgen. De jaren vijftig waren zonder meer armoedig. Er was geen luxe, er was geen schoonheid, alleen maar doelmatigheid. Het genot dat een man haar bood was een welkome afleiding in haar dagelijkse, grijze bestaan. Vinkenoog maakte in het voorjaar een reis door Spanje, waarvan hij verslag deed in de Groene Amsterdammer. Tijdens zijn reis sprak hij met een hotelkamergenoot die psychiater in opleiding was. Deze wees hem op zijn fobieën en de verwarrende effecten van zijn seksuele escapades uit het verleden, ook met mannen, waardoor hij helemaal niet meer wist waar hij zich op moest richten en waar hij bijhoorde. ‘Ik sta, lieve Josepha, overal buiten. Moet ik in een klooster gaan? Moet ik met jou ergens heen vluchten? Ik wil wel, ik wil ook wel liever alleen maar schrijven als ik het kon.’ 124 Josepha maakte korte metten met Vinkenoogs existentiële crisis:

124. Simon Vinkenoog aan JM, ongedateerd [‘maandagavond Cordoba’ april / mei 1953]. 259

IV: 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Jij bent 24 en dat is te klein om te kunnen genieten om alleen op reis te gaan. Je kunt nog niet alleen zijn. Om alleen te kunnen zijn moet je eerst – gedeeltelijk althans – misantroop (schrijf ik ‘t goed?) zijn geworden. 125 Josepha plaatste zich mijlenver boven haar vriend, ook waar het hun uiteenlopende ervaringen gedurende de bezetting betrof. Vinkenoog woonde tijdens de oorlog in Rotterdam, waar hij als 11-jarige het bombardement meemaakte. Ook was hij getuige van de verdwijning van joodse klasgenoten, onder wie een vriendje. Zijn ervaringen kon ze niet op zichzelf beschouwen, omdat ze wegvielen tegen haar leed. Omdat je nog een kind was in de oorlog. Je hebt er niet onder geleden – Mijn moeder en zusters en neefjes en honderden vrienden zijn vergast (Lees ‘Mirjam’ nog maar eens over in Je wist het toch…) Ik weet niet waarom ik alleen moest overblijven. Kinderhandjes zwaaiden uit de ramen van de transporten in beestenwagens – pakruimen lagen vol beren en ander speelgoed-----O neen, dit alles heb jij niet meegemaakt. 126

Hoofdstuk 8: ‘Ik was niks. Ik werd niet aangekeken. Ik bestond niet’

In september meldde zich het gymnasiummeisje Elsetiene den Daas aan Vinkenoogs deur wier literaire belangstelling naadloos overging in seksuele. De confrontatie met dit meisje leverde Josepha nog wel een ‘soirée désagréable’ op, maar daarna was de boodschap duidelijk, het was afgelopen tussen hem en haar.132 Josepha had de wens uitgesproken ‘vrienden’ te willen blijven, want ze vond haar jonge vriend toch interessanter dan ze dacht, maar Vinkenoog was een beetje uitgekeken op zijn wat bemoeizuchtige, en zogenaamd begrijpende vriendin.133 Hij vond haar aandacht ‘verstikkend’.134 Voor haar kat Minou zorgen bij haar afwezigheid kon hij wel opbrengen. Tot Vinkenoog in 1956 Parijs zou verruilen voor Amsterdam, bleven ze elkaar tegenkomen bij evenementen waar de Nederlandse kolonie in Parijs op af kwam. Vinkenoog had Mendels voor het einde van hun verhouding nog wel een enorme dienst bewezen: hij zorgde er via de UNESCO voor dat ze een behoorlijke woning kon betrekken zodat ze de armoedige Rue Mouffetard achter zich kon laten.135 Het werd een appartement aan de Rue de Trétaigne in Montmartre, waar ze ruim veertig jaar zou blijven wonen. Vinkenoog en fotograaf Ed van der Elsken hielpen met verhuizen.136

Simon, de sociale makelaar, die graag mensen bij elkaar bracht, probeerde Hugo Claus aan Josepha te koppelen. Hij hield zijn vriend in Rome op de hoogte van Josepha’s ervaringen met uitgeverijen, omdat die op zoek was naar een nieuwe uitgever. Claus wilde weg uit het ‘bijencircus’, omdat hij zich beledigd voelde door deze uitgever.127 Vinkenoog briefde hem de onvoorstelbare oplage van haar roman bij de Arbeiderspers door (Mendels schreef abusievelijk dat die 53.000 bedroeg) en het bijbehorende gage van 5000 gulden, waardoor Claus het idee kreeg dat deze uitgeverij ‘een pers van de belofte was’, ‘Maar nemen zij on-sociale literatuur’ vroeg hij zich retorisch af.128 Claus zou de overstap overigens niet maken, hij bleef zijn hele leven bij de Bezige Bij. Vinkenoog wilde graag met Claus op bezoek gaan bij Josepha wanneer hij weer eens in Parijs zou zijn. Ondanks het feit dat hij dat voornemen wel drie keer aankondigde in brieven, kwam het er nooit van. Ook vroeg hij Claus om zijn vriendin te schrijven. Maar dat gebeurde niet, want hij had haar niets te vertellen.129 In juli begon Vinkenoogs aanvankelijke bewondering voor Josepha om te slaan in irritatie. Hij werd uitgenodigd voor een weekend buiten de stad om hun gezamenlijke verjaardag op 18 juli te vieren, maar hij had er geen zin in. Rust wilde hij.130 Het was de aankondiging van het einde van een ongelijke verhouding. Hun naturen waren aan elkaar tegengesteld: hij was netjes en ordentelijk, zij slordig en chaotisch, met een rommelig huis, volle asbakken en de vochtige peukjes die hij zich vijftig jaar later met weerzin zou herinneringen. ‘Ze rookte zo nat!’131

125. JM aan Simon Vinkenoog, ongedateerd [briefpapier Schiller, voorjaar 1953]. 126. JM aan Simon Vinkenoog, 1 juni 1953. LM. 127. Claus’ uitgever De Bezige Bij kwam niet met geld over de brug en hield manuscripten vast zonder 260

die uit te geven. Claus & Vinkenoog (2008):157–158. 128. Claus & Vinkenoog (2008): 158. 129. Claus & Vinkenoog (2008): 203. 130. Claus & Vinkenoog (2008): 170. 131. Mededeling Simon Vinkenoog, 2006.

132. JM aan Vinkenoog, telegram 3september 1953. De volledige tekst luidt: ‘Petite fille gentille, mais soirée désagréable’. 133. ‘Josepha desapprouve tout et ‘me comprend si bien que j’en ai marre.’ Simon Vinkenoog aan Hans Andreus, 9 september 1953. Andreus, Hans

& Simon Vinkenoog. (1989) Brieven 1950–1956. Baarn: De Prom: 117. 134. Mededeling Simon Vinkenoog, 17november 2006. 135. JM aan Greshoff, 3 februari 1958. Haar lidmaatschap van de PEN gaf haar voorrang bij UNESCO. 136. Nord (1981): 56. 261

Hoofdstuk 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

HOOFDSTUK 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

Vanaf het moment dat Riclau in zijn derde levensjaar thuis woonde, had Josepha au pairs in huis. De kleine behuizing maakte het noodzakelijk dat die zich moeiteloos schikten naar Josepha’s verwachtingen. De meesten bleven niet langer dan een jaar, en met sommigen klikte het zo slecht dat ze eerder vertrokken. Een van de meisjes was Tiny van Dulst, die inderdaad voortijdig wegging. Gezien de kattebelletjes die ze van Mendels ontving, is dat niet verwonderlijk. […] En waarom was het bad vuil, de wastafel en het randje? En stond er een vies vol wattebakje? Altijd, ook op donder en zondag dit schoonmaken en ’s avonds als Riclau in bad is geweest nog even weer die rand eruit boenen. Als je in je leven op die kleinigheden let word je een schat voor je man. 1 Al snel had Josepha in de gaten dat ze beter af was met een wat oudere kinderjuffrouw, ‘het liefste een gescheiden vrouw of een weduwe, die jonge meisjes zijn zo stiervervelend.’2 Maar zelfs een vrouw op leeftijd was geen garantie voor succes. ‘De weduwe (kindermeisje) is er na vier dagen stiekem vandoor gegaan, ze was dom, slordig en zenuwziek. Nu heb ik een schattig gescheiden vrouwtje van 31 jaar.’3 Voor Riclau was het meest aantrekkelijke van zo’n wisseling dat hij zijn moeder de periode tussen het vertrek van de een en de komst van de ander voor zichzelf had. 4 Niet iedere au pair was even ingenomen met de taken die haar werden opgedragen. Naast de zorg voor Riclau moesten ze koken, boodschappen doen en schoonmaken. Nu heb ik een grote donkere meid, een deftige, pa heeft een hoge baan in Indonesië, en ze moet nog 21 worden…. Ze is goed voor het kind, voor de huishouding minder en ikzelf heb natuurlijk niets aan haar. Juist waren de ouders een week in Parijs. Ma heftig verontwaardigd dat haar kind van alles moest doen, maar dat was de afspraak, pa veel schappelijker, en nu zijn we vreedzaam uit elkaar gegaan. 5 De au pairs vergezelden Riclau eveneens op vakanties en naar Nederland, wanneer ze daar met Pasen meestal bij Berthe neerstreken. Hij kreeg een goede band met Harmen en hun huis in het bosrijke Speuld op de Veluwe werd voor hem synoniem aan een paradijselijk oord. Ook een deel van de zomer spendeerde hij in Speuld, om een gat te

1. JM aan Tiny van Dulst, ongedateerd [omstreeks najaar 1957]. 2. JM aan Dinaux, 10 juli 1955, LM. 3. JM aan Dinaux, 22 april 1956, LM 4. ‘Riclau was dolgelukkig dat wij 262

samen, hij en ik, een paar dagen samen waren.’ JM aan Dinaux, 22 april 1956, LM. 5. JM aan Dinaux, 17 november 1955, LM.

Foto uit voorzorg verwijderd. slaan in de drie maanden durende Franse zomervakantie, die voor Josepha een puzzel opleverde, omdat ze zelf niet zo lang vrij kon nemen. Al jong stuurde ze haar zoon naar zomerkampen in Frankrijk of op Ameland die een maand duurden. Ook verbleef Riclau in de zomer bij het gezin van Ima Spanjaard-van Esso, met drie zonen.6 Sinds Riclau thuis woonde, kreeg Josepha steeds sterkere overtuigingen op het gebied van opvoeding, die in de traditionele richting wezen. Hoewel haar opvoedingsmethodes dwingend waren, stond het voor veel gasten in de Rue de Trétaigne vast dat dit jongetje met zijn donkerbruine ogen en krullende haardos alles voor haar betekende.7 Eric maakte, ook later, een timide, accommoderende indruk, maar hij kon ook de lastpak uithangen.8 Aan wie het horen wilde, vertelde ze over zijn prestaties op school. Hij genoot het Franse onderwijs en toen zijn school in een kwaad daglicht kwam te staan, plaatste ze hem meteen over naar een andere. Het was voor haar buitengewoon van belang dat hij het goed deed op school, en wanneer hij daarin slaagde, was ze tevreden. Heel graag wilde ze dat hij een instrument ging bespelen en de viool appelleerde

6. Mededeling Ed Spanjaard, 2013. 7. Bijvoorbeeld Philip Freriks, 2009 en Annemie van Weert, 2006. 8. Mededeling Alice Oppenheim, 2006. 263

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

nog het meest aan haar verwachtingen. Ze zou het leuk vinden als hij een bekende Mendelssohn (Mendels’ zoon) zou worden – voor haar geen grap, maar een bloedserieus verlangen.9 Jarenlang studeerde hij met gezonde tegenzin op het instrument, en wanneer er iemand op bezoek kwam moest hij voorspelen.10 De vrienden van Josepha werden voor Riclau ‘familie’: Berthes moeder Hubje, die zeer oud zou worden, was zijn oma en Kaai mocht optreden als opa. Zo gaf ze hem een surrogaatfamilie, wat in veel gedecimeerde joodse families gebeurde met aanhangende vrienden en bekenden. Sadi liet zich geregeld zien aan de Rue de Trétaigne, en zorgde voor cadeaus op Riclaus verjaardag en af en toe een gezamenlijk uitje naar de campagne. Rond zijn negende, tiende jaar begon de jongen zich te verzetten tegen de eisen van zijn moeder. Ze kregen steeds meer ruzies en onenigheden, die wellicht door Josepha zelf werden veroorzaakt. ‘Riclau […] wordt een flinke, soms wat lastige jongen, maar toch een schatje. Ik ben soms erg onaardig tegen hem, dan reageer ik al mijn moeilijkheden op hem af, maar we zijn dol op elkaar.’11 Ze kon hem niet in het gareel krijgen en daarbij werd zij ongetwijfeld dwarsgezeten door de drang die bezit van haar had genomen om van Eric een perfecte nakomeling te boetseren. Een telg met de naam Mendels die haar vader waardig zou zijn en die boven alles het verdriet om de vermoorde gezinsleden zou doen vergeten. Kinderen waren na de oorlog een teken van hoop, van toekomst. Goed was daarom niet snel goed genoeg. Aan deze generatie werden extreem hoge eisen gesteld, terwijl de psychische ondersteuning niet altijd werd geboden.12 In de jaren tachtig bleek dat kinderen van joodse oorlogsoverlevenden gemeenschappelijke ervaringen vertoonden die bekend werden onder de tweedegeneratieproblematiek.13 Of die ook tussen Josepha en Riclau speelde, is niet te zeggen. Naar de buitenwereld toe hield Josepha het beeld in stand van het perfecte kind dat lief was, intelligent en probleemloos, maar binnenshuis waren er strubbelingen. Omdat die voortduurden en de sfeer in huis om te snijden was – er vloog eens een asbak door de huiskamer – begon Josepha aan een structurele oplossing te denken: een tijdje in een ander gezin zou hem goed doen. Voor haar was het geen vreemde gedachte, zelf had ze immers ook vanwege moeilijk gedrag een aantal jaren in Deventer in een ander gezin gewoond. Haar was de afstand tot haar ouderlijk huis goed bevallen, ze kreeg er meer vrijheid door en de ruzies tussen haar ouders bleven haar voortaan bespaard. Voor Riclau werd een adres in Den Haag gevonden, een half-Frans gezin dat vaker tegen betaling kinderen tijdelijk in huis had. Op zijn elfde verhuisde Riclau zodoende naar Nederland, voor wat een tijdelijke afkoelperiode moest worden. Na een wenperiode stelde Josepha tevreden vast dat de aanpak het gewenste effect had. Ze hield wel moeite met de moeder in het gezin, bezitterig vond ze haar. Die mevrouw is jubelend over hem. Iets te veel. Ze wil hem namelijk niet weer kwijt als hij van vakantie thuiskomt. [Dan] zegt ze… tu t’es trop enervé. En als ik bij haar op

9. Mededeling Bert Cool, 2010. 10. Mededeling Annemie van Weert, 2006. 11. JM aan Dinaux, 17 november 1955, LM. 12. Eland, Jeanette (et al). (1990) Twee264

de generatie Joodse Nederlanders: Een onderzoek naar de gezinsachtergronden en psychisch functioneren. [z.p.]: Van Loghum Slaterus: 15. 13. Eland (1990).

Hoofdstuk 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

bezoek kom dan slingert ze haar armen om hem heen, haar bezit. En een ding is waar: hij is er erg graag, is zijn driftbuien kwijtgeraakt, is manlijker geworden (de stakkerd) en als ik hem zie dan legt hij dat lieve hoofdje op mijn hand en blijft heel stil zo bij me zitten. Hij leert ook veel beter nu. 14 De vraag drong zich al snel op, of het niet nuttig was Riclau voor langere tijd in Nederland te laten wonen. Josepha wilde hem graag in haar buurt hebben, ‘het leven heeft anders geen zin’, maar ze zag dat zijn Nederlandse ballingschap veel voordelen had: hij deed het beter op school, hij leerde omgaan met de oudere broers en hij waardeerde zijn thuis in Parijs veel meer doordat hij er alleen in vakanties was.15 Toch zou hij na zijn verblijf in Den Haag van een half jaar een aantal jaren in Parijs naar een kostschool gaan, waar hij het redelijk naar zijn zin had en goed leerde. ‘Hij is een liefje, werkt goed, is nummer een van de klasse. Houdt van Latijn, groeit, is gelukkig,’ schreef ze aan vrienden.16 Rond zijn vijftiende zou hij echter opnieuw een paar jaar in Nederland verblijven, zijn puberteit werd Josepha te machtig. ‘Hij heeft een walgelijk moeilijk karakter, zo echt tussen tafellaken en servet.’17 Ditmaal werd het Oegstgeest, waar Riekje Cool woonde, een vrouw die Josepha in 1938 in de trein naar Parijs als au pair had leren kennen. Cool was inmiddels echtgenote en moeder van zes kinderen. Eentje kon daar best bij. Zo kwam Riclau, die nu gewoon Eric wilde heten, terecht in dit gezin. Sadi bracht hem er na de zomervakantie met de auto naartoe. Josepha betaalde de Cools een vast bedrag per maand. Opnieuw paste de jongen zich uitstekend aan. Het enige verzet dat hij nu tegen zijn moeder bood, was dat hij zijn viool niet meer aanraakte. Hij bezocht de internationale, Franstalige school in Den Haag. Een jaar of drie woonde hij er en ging per brommer naar school. Zowel de Cools als Eric hebben goede herinneringen aan die tijd.18 Ze kenden weinig moeilijkheden en Eric had er zomaar vier broers en twee zussen bij. Nadat Eric drie jaar bij de Cools had gewoond, verhuisde de familie naar Groningen, waar Bert Cool een andere baan kreeg. Eric trok toen in bij een klasgenoot, zodat hij het lopende schooljaar kon afmaken. De vader was brandweercommandant, een milieu dat Josepha beneden haar stand vond, maar er was geen keus.19 De periodes die Riclau in Nederland zat, bracht Josepha verlangend van kerstvakantie naar paasvakantie naar zomervakantie door. Tussendoor schreef ze hem veel, soms dagelijks en gaf hem veel dwingende opdrachten, zoals het schrijven van brieven naar haar en naar vrienden van haar, het tijdig tonen van zijn rapport en het zorgen voor schone kleding en tijdig kappersbezoek. Als haar de prestaties van haar zoon niet snel genoeg duidelijk werden, belde ze de school.

14. JM aan Dinaux, ongedateerd [omstreeks najaar 1957], LM. 15. ‘Mijn zoontje is nog steeds in Den Haag. Hij was hier met kerst, zo een liefje groot en schattig, hij leert nu best, ik weet nog niet wat ik volgend jaar met hem doe, ik zou hem graag weer hier hebben het leven heeft geen zin anders, en het is zo kort, soms voel ik me net of ik op apengapen lig, maar

er is voor doch ook tegen. Die omgeving daar die grote jongens in huis, hij een van de vier, dat zelf debrouilleren, die appreciatie van thuiskomen, de wat deftige gemengde schoolomgeving, kleine klassen en voor ach zoveel.’ JM aan Dinaux, 25 jan. 1959, LM. 16. JM aan Dinaux, 23 december 1960, LM. 17. JM aan Dinaux, 9 juli 1962, LM.

18. Mededeling van de Cools (2010) en Eric Mendels (2010). 19. ‘Ik wilde maar dat Hagendoorn hem niet nemen zou, dan zou ik een beter milieu zoeken, meer in onze stijl.’ JM aan Berthe [ongedateerd, keer naar Roscoff gaan…].

265

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Sadi de Gorter en Eric Mendels Met Kerstmis, Pasen en in de zomervakanties kwam hij naar huis, soms zonder begeleiding per vliegtuig of trein (kinderen half geld). In de kerstvakantie ging hij skiën, met Josepha, maar ook wel eens zonder haar, zodat zij de feestdagen niet mee hoefde te maken, want daar had ze sinds de oorlog een gruwelijke hekel aan.20 Als het aan hem lag, bleef hij het liefste bij zijn moeder. Het laatste jaar van de middelbare school deed hij in Frankrijk. In het onstuimige Parijs van 1968 haalde hij het eindexamen, zijn baccalauréat. Na de zomer begon hij met de studie medicijnen, een keuze die zijn moeder zeer welgevallig was. In Nederland had hij op zijn zeventiende een meisje ontmoet dat voor hem de ware zou blijken, Evelyne van Rooyen. Evelyne had tot dat moment Yvonne geheten. Haar toekomstige schoonmoeder vond dit geen geschikte naam en stelde voor dat ze haar tweede voornaam Evelyne zou gaan voeren. Hetgeen geschiedde.21

Berthe Edersheim, een ouwe juf van tegen de zestig Wanneer Eric vanaf 1958 in de vakanties thuiskwam was er iets veranderd. Hij trof er niet alleen zijn moeder, maar ook Berthe, die was gescheiden van Harmen Meurs en nu bij haar beste vriendin was ingetrokken. Haar huwelijk was sinds de oorlog moeizaam geweest. Berthe voelde zich bij Harmen onvrij; hij hield haar gevangen in zijn wereld die sterk naar binnen was gekeerd. Het leven in Speuld was stil en landelijk.

20. ‘Ik zoek een huis voor Riclau in de bergen, en ikzelf blijf dan hier en sluit me op en slaap die afgrijselijke feestdagen door…’JM aan Dinaux, 17 november 1955, LM. 266

21. ‘Yvonne heet tegenwoordig Evelyne’. JM aan Dinaux, 21 september 1966, LM.

Hoofdstuk 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

Van het bruisende sociale en activistische leven van voor de oorlog was geen spoor te bekennen. Harmen Meurs had nooit meer die vroegere roem gekend, toen hij in het middelpunt van de Amsterdamse kunstscene stond. Wanneer hij werkte, leverde dat ook niet meer het sterke werk op dat hij vroeger maakte. Exposeren deed hij in de jaren vijftig slechts één keer.22 De minder prettige kanten van zijn karakter waren sterker geworden, om een kleinigheid kon hij in woede ontsteken. Wanneer Josepha Speuld bezocht, had hij niets meer over zijn eigen vrouw te zeggen, omdat ze alleen nog naar Josepha luisterde.23 Berthe trachtte Harmen kalm te houden door voortdurend te schipperen, maar dat vermocht hem op de lange duur niet meer vermurwen. Hij was meer gaan drinken dan goed was en transformeerde met te veel alcohol in zijn lichaam in een onhandelbare potentaat. Dan kon hij anti-semitische opmerkingen naar Berthes hoofd slingeren die zijn uitwerking niet misten.24 In 1951 kende het huwelijk een voorlopig dieptepunt en Berthe besloot bij Hildo en Mien Krop in Amsterdam in te trekken, oude vrienden uit de tijd dat ze zelf nog deel uitmaakte van de kunstbeweging in Amsterdam.25 Stadsbeeldhouwer Hildo Krop kreeg onder meer bekendheid door de vele ornamenten aan bruggen en gebouwen die hij voor de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam maakte in de stijl van de nieuwe zakelijkheid. Hij en zijn vrouw Mien waren communist, een milieu waarin Berthe zich altijd prettig had gevoeld. Om haar te lijmen nodigde Harmen haar uit voor een reis naar Frankrijk en zij hapte toe. Samen ergens buiten schilderen vond ze heerlijk en ze genoot zowaar. Naarmate het einde van de reis in zicht kwam, begon Harmen echter ‘te grienen en te klagen over de eenzaamheid’ die hem te wachten stond als Berthe weer terug zou gaan naar de Krops.26 Tegen deze emotionele chantage was ze niet opgewassen en ze keerde terug naar Speuld, waar ze andermaal probeerde gelukkig te worden. Josepha was steeds een stille getuige van deze echtelijke treurnis. Voor haar was het zonneklaar dat Berthe zonder Harmen beter af was. Misschien zouden ze ooit samen zijn, als twee oudjes zoals Sadi ooit eens voorspelde, mijmerde ze.27 Zover was het nog niet. Berthe legde na afloop van hun ‘goedmaakreis’ haar wensen bij Harmen op tafel die hij accepteerde om haar terug te krijgen. Aan Josepha schreef ze: ‘Engeltje van mijn hart, ik kan niet anders en ik ben niet eens ongelukkig. Wees niet boos op me, nooit. Ik houd van jou als van geen ander.’28 Berthe zou nog vier jaar nodig hebben om onder ogen te zien dat haar verbintenis met Harmen geen toekomst had. Ze wilde leven, uitgaan, reizen maken, schilderen en onder de mensen zijn. Berthes hoop op beterschap was hardnekkig, want al in 1949 wist ze dat ze haar echtgenoot moest verlaten om zelf gelukkig te worden.29 Op 1april 1958 vertrok Berthe definitief, in haast terwijl Harmen zijn roes van een zoveelste dronkenschap uitsliep.30 Ze liet de door haar bekostigde woning en auto aan hem en haalde later verfdoeken, kleding, sieraden en andere waardevolle familiestukken op. Na de scheiding van tafel en bed te hebben afgehandeld, koerste ze naar Parijs, waar ze

22. Venema, Adriaan. (1979) Harmen Meurs 1891–1964: catalogus expositie Harmen Meurs Kunsthandel Fijnaut B.V. Amsterdam 3 maart t/m 29 april 1979. [z.p.]. 23. Mededeling Marietje van Aarsen, 2011.

24. Mededeling Ruti Schwartzenberg, 2011. 25. Persoonskaart Berthe Edersheim, stadsarchief Amsterdam. 26. Berthe aan JM, 20 oktober 1952. 27. JM aan Sadi de Gorter, ongedateerd [omstreeks 1951].

28. Berthe aan JM, ongedateerd, [oktober 1952]. 29. Berthe schreef toen een gedicht met de titel ‘De Vlucht’. Berthe Edersheim, 9 december 1949. 30. Mededeling Ruti Schwartzenberg, 2011. 267

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

hielden er aparte dagindelingen op na, maar daar wisten ze uitstekend mee om te gaan. ‘We hebben het heel gezellig samen. We zijn volkomen verschillend, zij houdt van uitgaan, laat gaan slapen en ik van buiten en vroeg op. Maar dat is juist wel goed anders zou het saai worden.’32 Berthe paste zich moeiteloos aan het Parijse ritme aan. Voor zichzelf regelde ze een schildersatelier in de buurt en had zo dagelijks een doel. Het huishouden nam ze op zich alsof ze nooit anders had gedaan. Iedere maand ging ze een week naar Nederland om haar oude moeder gezelschap te houden. Ook verbleven moeder en dochter ‘s zomers een paar weken aan de Côte d’Azur, voor Berthe een ware opoffering omdat de dagbesteding – langdurig op terrassen zitten, spelen en dineren in het casino – niet werkelijk aan haar besteed was. Op de lange duur ging buitenshuis eten haar tegenstaan. ‘En weer telkens ’s avonds in dat casino wat moeten eten en niet weten wat.’33 Ze miste het schilderen en wilde terug naar Josepha, ze verlangde ernaar haar ‘peuken op te ruimen.’34 Ondanks de wetenschap dat ze een middelmatige schilderes was, wilde ze toch dagelijks het gevecht met zichzelf aangaan om beter te worden, om te blijven proberen iets te maken waarover ze tevreden zou zijn. Vanuit het mondaine Nice liet Berthe zich tegenover Josepha helemaal gaan en nam zichzelf genadeloos de maat. Ik wil werken, ik wil tekenen, ik wil de pest in hebben, omdat ik ‘t niet kan, omdat ik een stomme schilder ben, omdat ik ‘t nooit zal bereiken, omdat ik niet van mijn tijd ben, omdat ik misschien van alles niet snap, omdat ik over een poosje roemloos tot as zal vergaan, omdat het allemaal toch geen doel en geen nut heeft. […] En wat heeft een ouwe juf van tegen de zestig die van haar man is weggelopen en die nog maar zo weinig kan voor betekenis? Zéro, zéro – ik kan ‘t net zo goed laten. Maar ik wil, ik wil, ik wil vechten met mezelf, ik wil mijn onmacht zien en me stoten aan mijn tekorten en mijn onkunde. Dus Nice, au revoir.35 Berthe Edersheim introk bij Josepha. Dit idee was in de huwelijkscrisistijden al vaker voorbij gekomen en werd nu werkelijkheid. Met de komst van Berthe in haar huis begon voor Josepha een nieuwe fase in haar leven. Ze hield heel veel van haar vriendin, maar vond het bezwaarlijk dat ze nooit meer helemaal alleen kon zijn. Rue de Trétaigne was geen ruime woning en ze konden elkaar niet mislopen. Het huis liet ze enigszins opknappen, maar verder nam ze genoegen met een bescheiden eigen kamer.31 Berthe was een mens van gezelligheid, van samen ontbijten, van de tafel dekken met alles erop en eraan. Voor Josepha kon dat een onderbreking betekenen van haar toch al broze verbinding met haar schrijfader die ze ondanks alle moeilijkheden probeerde open te houden. Ze nam een kamertje in gebruik dat bij haar woning hoorde, op de zevende etage, om vooral niet gestoord te worden door de dagelijkse interrrupties die haar zo konden afleiden, naast Berthe waren dat de postbode, de telefoon of een loodgieter. Het werken in het kamertje wisselde ze af met ochtenden in de respectabele Bibliothèque Nationale. De vriendinnen

31. JM aan Dinaux, 25 januari 1959, LM. 268

Bevrijd van het oordeel van haar ex-echtgenoot die als schilder van een hoger garnituur was, leerde ze steeds meer op zichzelf vertrouwen. Josepha had altijd al een mateloze bewondering gehad voor alles wat uit Berthes schildershanden kwam. Haar realistische portretten en landschappen zijn van een tijdloze stijl, van behoorlijke kwaliteit maar nooit vernieuwend. Eind 1961 maakte ze een reis naar India waar ze inspiratie opdeed voor een serie werken die tentoongesteld zou worden. Exposeren deed ze maar heel zelden en dan alleen nog op kleine schaal, bijvoorbeeld in een gemeentehuis en twee keer in het Institut Néerlandais.36 Omdat ze geen broodschilder was, vond ze het moeilijk om door eventuele verkoop afstand te doen van haar werken, die ze als een soort kinderen zag.

32. JM aan Dinaux, 25 januari 1959, LM. 33. Berthe Edersheim aan JM, ongedateerd [begin jaren ‘60]. 34. Berthe Edersheim aan JM, ongedateerd [zomer 1959 of ‘60]. 35. Berthe Edersheim aan JM, ongedateerd [zomer 1959 of ‘60].

36. De tentoonstellingen in het Institut Néerlandais vonden plaats in mei / juni 1964 en van 15 april tot 28 mei 1972, de laatste ter gelegenheid van het 15-jarig bestaan van het instituut. In het gemeentehuis van Sallanges exposeerde ze twee keer.

269

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Terug naar Overveen Vanaf 1953 was Josepha bezig met het idee voor haar vijfde roman, die Heimwee naar Haarlem zou gaan heten. De matige reacties op het niet-autobiografische Alles even gezond bij jou hadden haar doen besluiten terug te keren naar haar eigen, autobiografische stijl. Haar tijd als twintigjarig kindermeisje in Overveen werd het uitgangspunt. ‘Heimwee naar Overveen’ had ze als romantitel overwogen, maar dat klonk minder sterk dan Heimwee naar Haarlem.37 Naar Overveen, waar haar seksuele leven echt was begonnen, wilde ze terugkeren. Hoe ouder ze werd, hoe meer ze verlangde naar haar jeugd, naar plekken en periodes waar ze blij en verdrietig was geweest, ook omdat die verderaf gelegen tijd sterk in haar geheugen stond gegrift, sterker dan latere periodes.38 Ze ambieerde het portret te schrijven van een meisje dat tot vrouw opgroeit en sterft aan de liefde. Zij kreeg de naam Roberta, die haar levensverhaal aan Annette vertelt, wier rustige leven scherp contrasteert met dat van de tegenspeelster. In deze roman keren vertrouwde elementen terug: de jeugd van Roberta op een school voor rijke kinderen waar ze zich niet thuisvoelt in een kille, noordelijke stad. Roberta leert een getrouwde man kennen, David. Op haar negentiende gaat Roberta werken als kindermeisje. Daar ontmoet ze de vader van de kinderen, de charmeur Bert van Smeent. Een verhouding begint. Wanneer zijn echtgenote achter de affaire komt, moeten hij en Roberta het huis verlaten. Eenmaal gescheiden vraagt Van Smeent Roberta ten huwelijk. Ze weigert. Roberta ontmoet vervolgens Reinier, een drukbezette en eveneens getrouwde man met wie ze een verhouding heeft die zich voornamelijk tussen twaalf en twee afspeelt. Een ‘lunch met intimiteiten’, waarna Reinier zijn volle agenda weer afloopt. Deze man die in de verte aan Sadi doet denken, draagt bijna altijd een masker, dat afstand schept. Sporadisch zet hij het af en dat zijn de momenten waarop Roberta zich dichtbij hem voelt. Maar ze zijn kort en hij kiest die ogenblikken. Na een laatste gezamenlijke nacht weet Roberta dat ze hem niet meer zal zien. Roberta, financieel onafhankelijk, wordt alleen oud. Aan het einde van de roman is er een illusionaire samenspraak tussen al haar geliefden: Wiebe van school, David, Bert en Reinier. De conclusie van de mannen is, dat ze haar kans op een stabiel leven wel gehad heeft, maar niet genomen. Als ze gewild had, had ze getrouwd kunnen zijn, een status die door deze mannen als het hoogste goed wordt gezien voor een vrouw. De structuur van deze roman is los, zelfs fragmentarisch, de hoofdstukken staan allemaal op zichzelf, een kenmerk waarmee de lezer van eerdere romans van Mendels vertrouwd is. Als motief laat ze terugkeren dat de vader van Roberta zijn trouwring in de lucht gooit. Zolang hij hem opvangt, is zijn huwelijk nog goed, stelt hij zelf bijgelovig. Een ander motief is de kettingbrug in het Sterrebos, waar Roberta naartoe gaat als ze wil nadenken. Deze elementen zijn echter niet sterk uitgewerkt en missen hun doel. Roberta’s ouders spelen een ondergeschikte rol in het verhaal. Met het voltooide manuscript van Heimwee naar Haarlem zat Josepha in 1955 in haar maag. Het was haar onmogelijk zelf de kwaliteit ervan in te schatten. De tegengestelde kritieken op eerdere romans hadden haar onzeker gemaakt. Reinold Kuipers van de 37. Daan Cartens, interview Theater Pepijn (1981). 38. Cartens (1981a). 270

Hoofdstuk 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

Arbeiderspers wilde ze het niet sturen, want het had al eerder af moeten zijn om met Sinterklaas in de winkels te kunnen liggen. Ze deed in plaats daarvan iets opmerkelijks. Ze stuurde het op aan Carel Dinaux, de criticus van het Haarlems Dagblad die haar vanaf het begin van haar carrière had gevolgd. Met Dinaux en zijn vrouw Claudi had ze het jaar ervoor persoonlijk kennisgemaakt. Dit was zo goed bevallen, dat er een hartelijke, beleefde vriendschap ontstond. Ze maakte Carel en Claudi, door haar aangeduid als ‘grote C en kleine C’, per brief deelgenoot van haar leven en stelde zelfs haar Parijse appartement beschikbaar als zij er niet was. Dit was een grote eer die verder uitsluitend Sadi te beurt viel. De Dinaux’s maakten er verschillende keren gebruik van. Carel Dinaux vond dat in elk literair kunstwerk een waarde verborgen zat waarnaar de criticus op zoek moest gaan. Bereidwillig liet hij zich verrassen en meeslepen door een boek, wat hem geliefd maakte bij schrijvers. Hij zocht de mens achter het kunstwerk en hoopte daar menselijkheid aan te treffen. Als er alleen nihilisme was, zoals bij W.F. Hermans, dan kon het oordeel niet positief uitvallen.39 Zijn grootste literaire hartstocht betrof Thomas Mann, van wie hij werk vertaalde en die hij enkele keren ontmoette. 40 De zachtzinnige Dinaux was vereerd door Josepha’s verzoek het manuscript te beoordelen en hij vroeg zich in alle bescheidenheid af waar hij het vertrouwen aan te danken had. Dat was zonneklaar, deze criticus had haar nooit aangevallen, verkeerd geciteerd of anderszins voor schut gezet, zoals vele anderen in haar ogen wel gedaan hadden, zelfs niet bij haar laatste boek Alles even gezond bij jou dat hem duidelijk niet beviel: Waaraan je het vertrouwen hebt verdiend? Aan je uitstekende kritieken; [het is] een uitzondering in Holland als een criticus niet zijn kolommen vult met aanhalingen uit het boek maar met zijn eigen gedachten. Aan het aanvoelen van wat een schrijver wilde zeggen, bewust of onbewust, en ook aan die laatste kritiek van Alles even gezond bij jou, een boek dat je minder lag dan de andere en waarin je niet neerhaalde maar opbouwde. 41 Dinaux las het manuscript nauwkeurig en had verschillende aanmerkingen. 42 Hij was omvergeblazen geweest door Rolien en Ralien en hoopte op een vervolg van dat niveau. Josepha hoopte juist dat hij het nieuwste werk vergeleek met Alles even gezond bij jou, dan zou de vergelijking wel goed móeten uitvallen. Toen hij teruggreep op Rolien – daartoe gedwongen door het wezen van Roberta dat sterk op haar leek, vond hij zelf – was ze daardoor lichtelijk teleurgesteld. ‘Je moet niet steeds op die eersteling van me terugkomen, er liggen drie andere romans tussen, is er ontwikkeling, is er een lijn?’43 Hij oordeelde dat er geen tegenkracht was tegen de erotiek van Roberta en dat de motieven kettingbrug en trouwring wat te nadrukkelijk terugkwamen. Josepha voerde de wijzigingen van Dinaux door en stuurde het resultaat naar de Arbeiderspers. Kuipers liet het manuscript door een redacteur beoordelen, waaruit adviezen voortvloeiden die Josepha niet bevielen. 44 Zij weigerde die door te voeren, haar houding ten opzichte van Kuipers was er inmiddels een van weerstand, liet ze Dinaux weten.

39. Duyff, Tim. (1993) Kritisch Lexicon C.J.E. Dinaux, november 1993. 40. Hanssen, Léon. (1987) ‘Een symbolische copula: de brieven van Carel

Dinaux aan Thomas Mann’, in: Maatstaf 35 11/12: 32–46. 41. JM aan Dinaux, 28 januari 1955, LM. 42. Dinaux aan JM, 15 maart 1955, LM.

43. JM aan Dinaux, 11 maart 1955, LM. 44. Johan Veeninga was van 1952 tot 1959 redacteur bij de Arbeiderspers. Van Faassen & Renders (2010): 29. 271

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

Heimwee naar Haarlem komt in het najaar uit, als ik tenminste de correcties wil maken die de een of andere moerasplant-mijmeraar aan Kuipers heeft opgegeven en die precies juist dat slecht vond wat jij goed vond en daar jij, grote C, voor mij een kundig man bent, maak ik dus die snertcorrecties niet. Ik heb het boek volgens jouw plan bewerkt en daarmee uit. 45 Het was inmiddels 1956, maar de roman verscheen niet eerder dan in 1958, opgedragen aan ‘Bol’ (Berthe). Dat Kuipers geen lust had de roman uit te geven, lag voor de hand, hij vond het een slecht boek. 46 Dat hij toch overging tot uitgave, lag waarschijnlijk aan zijn adagium dat iedere schrijver ook wel eens een minder boek maakt en dat het een uitgever siert dat toch uit te geven. Maar daarna was het uit tussen de Arbeiderspers en Josepha. De contractverplichting op een eventueel volgend boek verviel. 47 Ondanks de bedenkingen van Kuipers werd Heimwee naar Haarlem welwillend ontvangen, wat Josepha in haar opvatting sterkte dat uitgevers het vaak niet bij het rechte eind hadden. Een dergelijk gevoel had ze ook toen Querido vol twijfel Je wist het toch… op de markt bracht, dat een goede pers kreeg. De kritiek was bij Heimwee naar Haarlem vooral te spreken over de psychologische typering van het personage Roberta, de ‘menselijke gevoeligheid die men haast op elke bladzij aantreft’ maakte de roman tot een aanbevelenswaardig boek. 48 De literaire vormgeving die de schrijfster had gekozen oogstte eveneens waardering, Het Vrije Volk noemde Heimwee naar Haarlem Mendels’ ‘gaafste roman’ en het Nieuwsblad van het Noorden was vol lof over de uitwerking van het thema, dat de schrijfster als geen ander aankon, ‘ze verstaat haar vak, en heel wat meer dan dat’. 49 Maar er waren ook tegenstemmen die de vergelijking met Rolien en Ralien aangingen en deze roman in vergelijking daarmee als het resultaat van ‘mager denk- en maakwerk’ betitelden.50 Roberta had ergernis opgewekt, een criticus vond haar ‘debiel’ en Annette als tegenspeelster ongeloofwaardig omdat ze zo toegeef lijk was.51 Kortom, het werd een traditie dat Mendels’ romans uiteenlopend werden ontvangen, van zeer enthousiast tot uitgesproken negatief.

Intermezzo Na het voltooien van Heimwee naar Haarlem maakte Josepha een uitstapje naar het toneel. De gemeente Amsterdam gunde haar in 1956 een opdracht voor een avondvullend toneelstuk. Wethouder A. de Roos voor Kunstzaken stond bekend als stimulator

45. JM aan Dinaux, 4 februari 1956. LM 46. ‘Nu heeft Reynold met zijn super Groningse gemoed over Heimwee naar Haarlem ook een vernietigend oordeel gehad.’ JM aan Dinaux, 2 april 1969, LM. 47. JM aan Dinaux, 25 januari 1959, LM. 48. Dubois, P.H. (1959) ‘Uit velerlei pen: Josepha Mendels, Heimwee naar Haar272

lem’, in: Het Boek van nu: maandblad voor boekenvrienden: vol 12 (1958–1959), afl. 6, februari 1959: 119. Ook Willem Brandt sprak van een ‘psychologisch aanvaardbaar’ personage. Volgens Het Parool had Heimwee naar Haarlem ‘de allure van een intens beleefd […] maar toch eenzaam avontuur’. 49. Woude, Johan van der. (1959) ‘Kritische aantekeningen, Heimwee

naar Haarlem’, in: Nieuwsblad van het Noorden, 31 januari 1959. 50. Leeuwen, W.L.M.E. van. (1959) ‘Doelstelling en verwerkelijking in de roman. Josepha Mendels overtuigt in haar nieuwste werk niet’, in: Hengelosch Dagblad, 13 november 1959. 51. Van Leeuwen (1959).

van het culturele leven en uit zijn koker kwam deze opdracht voor drie auteurs, naast haar voor J.W. Hofstra, romanschrijver en toneelrecensent, en Cees Nooteboom, die het jaar tevoren op 22-jarige leeftijd was gedebuteerd met de roman Philip en de anderen. Ieder ontving een honorarium van 1250 gulden en de beste van de drie zou nog eens 500 gulden worden toegekend.52 Het was een kolfje naar haar hand, deze opdracht die direct pecunia opleverde, ook al had ze geen ervaring met het genre. ‘Ik heb zoiets nog nooit geschreven, en tik maar door, het komt veel meer op uitbeelding aan dan op literatuur. Maar het moet ‘avondvullend’ zijn en dat benauwt me, want de eerste acte is veel te kort, tenzij de acteurs gaan stotteren.’53 Het vervolg ging evenwel boven verwachting snel, want in twee weken tijd voltooide ze het stuk.54 Breng de bessen, Berthe: een tragi-comedie in 3 bedrijven en 8 taferelen leverde ze in 1957 bij de gemeente in. Het gaat over een tweeling op leeftijd, Heleen en Sophie, die in de gevangenis hun straf uitzitten voor een moord. Dit verhaal is in een raamvertelling vervat vanuit het perspectief van Berthe, de huishoudster, die hun altijd trouw is gebleven. Van Breng de bessen, Berthe vond een reading plaats in een Amsterdams theater, Hypokriterion. Daarbij lazen negen professionele acteurs de tekst voor. Onder hen waren Annemarie Prins, Guus Verstraete en Erik van der Donk terwijl regisseur Walter Kous de regieaanwijzingen gaf. De bedoeling van de voorstelling was om de sterke en zwakke kanten van het stuk naar voren te halen, waarbij na afloop ruimte was voor discussie met het publiek in aanwezigheid van de schrijfster. Uiteindelijk moest een dergelijke vertoning bijdragen aan een meer volwassen nationale toneelcultuur waarvoor het buitenland ten voorbeeld werd gesteld. Vreemd genoeg werd ook de pers toegelaten bij dit experiment, en aangezien een reading nog niet eerder plaats had gevonden in Nederland, liep deze massaal uit.55 Het experiment an sich verdiende lof, zo schreef men, maar de dramatische kwaliteiten van de auteur schoten ernstig tekort. Een enkeling was geneigd dit te accepteren omdat het om een oefening ging, een ander vroeg zich ronduit af wat ‘Josepha Mendels, die zulke uitstekende romans […] schreef, heeft bezield om zelfs in opdracht zo’n onbezield stuk te schrijven en de wereld in te sturen. Zij heeft ten slotte meer reputatie te verliezen dan de gemeente op het gebied van kunstopdrachten.’56 52. Opdrachtverstrekking van de gemeente Amsterdam aan JM, 25 juni 1956. Of de prijs is uitgereikt en zo ja aan wie, is niet aangetroffen. 53. JM aan Dinaux, 6 september 1956, LM. 54. Claus & Vinkenoog (2008): 433. 55. Besprekingen onder andere: ‘Expe-

riment van Puck, NRC, 30 mei 1958; ‘Toneelstuk niet gespeeld maar (door Puck) gelezen, Het Parool, 30 mei 1958; ‘Pucks reading geslaagde proef’, Het Vrije Volk, 30 mei 1958; ‘Puck houdt een Nederlands toneelstuk ten doop’ De Telegraaf, 30 mei 1958; ‘Reading bij toneelgroep Puck: toneelschrijven

is ook een vak…’ Haarlems Dagblad, 30 mei 1958; ‘Een opvoering en een reading, De Groene Amsterdammer, 7juni 1958. 56. Spierdijk, Jan. (1959) ‘Puck houdt een Nederlands toneelstuk ten doop’, in: De Telegraaf, 30 mei 1958.

273

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Voor een volgende roman ging ze op zoek naar inspiratie in de wereld om zich heen. Maatschappelijk rumoer was eind jaren zestig de literatuur ingewandeld. Schrijvers trachtten hun engagement met de dynamische maatschappij van de jaren zestig tot uiting te brengen in romans (Jan Cremer), poëzie (Hugo Claus), brievenboeken (Gerard Reve) en journalistiek werk (Harry Mulisch). Josepha Mendels besloot dat ze wilde schrijven over iets dat buiten haar ervaringswereld lag, namelijk over prostituees, les putains de Montmartre. Daartoe ging ze met regelmaat naar een politiepost waar die dames werden opgebracht wanneer ze hun beroep al te opzichtig uitoefenden. Greshoff, die haar in die tijd wel eens bezocht, en met wie de vrede ogenschijnlijk gesloten was – achter zijn rug maakte ze het corset belachelijk dat hij om gezondheidsredenen moest dragen – deed haar de titel aan de hand: De Kooi.57 Ondanks de ettelijke uren op het politiebureau zou dit boek nooit verschijnen, het kwam niet van de grond. Niet-autobiografische werken kostten haar altijd meer moeite dan autobiografische. In 1960 schreef ze wel het lange verhaal ‘Achttien paar handen’, over de vele au pairs die te pas kwamen aan Riclaus opvoeding. Ze probeerde het te slijten aan Maatstaf, waarin ze al eerder had gepubliceerd, maar Bert Bakker, de uitgever en hoofdredacteur, kon het er vanwege de lengte niet in kwijt. Zo bleef dit aardige verhaal twintig jaar op de plank liggen voor het in 1981 werd opgenomen in Welkom in dit leven. De schrijfster was na het verschijnen van Heimwee naar Haarlem afgedreven van de literaire scene in Nederland. Ze kwam niet meer op boekenbals en verloor daardoor het sporadische contact dat ze nog had. Ook al was ze lid van PEN-Nederland, een internationaal vertakte organisatie voor schrijvers, de vergaderingen brachten haar niet veel, haar lidmaatschap kwam eigenlijk alleen voort uit het feit dat Carel Dinaux daar voorzitter van was geworden. In Parijs had ze zich eveneens aangesloten bij de PEN, maar ook daar sproten geen contacten uit voort. De Nederlandse schrijvers in Parijs kende ze wel, sommigen ontmoette ze een enkele keer. Jo Boer en haar vriendin kwam ze wel tegen en Jacoba van Velde dronk eens een kopje thee bij haar.58 Een treffen met Heere Heeresma vervulde haar met weerzin, ze vond hem de ‘grootste onbetrouwbare mooiprater die God in de ruimte heeft gedeponeerd.’59 En toen Jaap Meijer, de joodse historicus, zionist en brokkenmaker in de joodse gemeenschap, haar eens wilde bezoeken en via Dinaux contact probeerde te leggen, wees ze hem onverbiddelijk af.60 Ze verdroeg geen nieuwe mensen meer, omdat ze wilde blijven hoe ze was, bang was te veranderen door een ontmoeting. De talloos vele sociale evenementen die Parijs bood, openingen, culturele avonden en cocktailparty’s liep ze wel af, maar dat bleef een oppervlakkig tijdverdrijf.

57. JM aan Dinaux, 8 maart 1959, LM. 58. JM aan Dinaux, 6 juni 1956, LM. 59. JM aan Heere Heeresma, 23 januari 1973, LM.

274

60. JM aan Dinaux, 24 augustus 1967, LM. 61. JM aan Dinaux, 9 juli 1962, LM. 62. JM aan Emmy van Lokhorst, 23 januari 1962, LM.

Hoofdstuk 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

Heimwee naar inspiratie ‘Spreek niet meer over een roman van mij, ik ben journaliste geworden van top tot teen,’ vertrouwde ze Dinaux in 1962 toe.61 Toch kon ze het niet laten om te broeden op een nieuw literair idee. In een brief aan Emmy van Lokhorst klaagde ze over een oud stokpaardje: waarom kreeg ze geen beurs of subsidie van overheidszijde om een boek te schrijven? De indruk ontstond bij haar dat men haar vergat in Nederland. Een andere schrijver die zestig werd, kreeg speciale aandacht. Zij niet. En ze werd in juli 1962 echt zestig, al kon ze het zich moeilijk voorstellen, ‘ik voel me veertig’.62 Ze leek ten prooi aan een gevoel van verwarring veroorzaakt door gebrek aan inspiratie en gebrek aan geld, want ze was eenvoudig niet in staat een roman te beginnen zonder dat daarbij een perspectief bestond op een financiële vergoeding. De klacht was echter niet aan dovemansoren gericht. Van Lokhorst speelde een invloedrijke rol achter de schermen als onder andere secretaris van de Vereniging voor Letterkundigen. Zij vroeg door naar Josepha’s plannen. ‘Drie à vijfduizend’ gulden, dacht ze nodig te hebben, om mij twee jaar de tijd te geven een roman te schrijven: of met een man van ‘t toneel […] een stuk of iets voor televisie maken. Ik weet het niet, ik zit overal ver vanaf. Het beste lijkt mij nog een boek. 1 januari 1963 – 1 januari 1965, dan maak ik me telkens wat vrij, want ik kan onmogelijk mijn journalistiek laten schieten voor vijfduizend gulden over twee jaar verdeeld, maar ik kan me wel zo nu en dan vrijmaken. 63 De aanvraag die Josepha vervolgens via de staatssecretaris van CRM deed bij de Raad voor de Kunst werd dankzij lobbywerk van Van Lokhorst gehonoreerd. Haar werd 3000 gulden toegekend, op enkele voorwaarden, die Josepha de som bijna deden weigeren. Zij moest aangeven in welke periode ze aan het boek zou werken en een inhoudelijke toelichting geven op wat ze van plan was te schrijven. Zoveel restricties maakte haar woedend en ze vloog naar Sadi voor advies. Hij verklaarde haar voor gek het stipendium af te slaan, en wist haar tot een diplomatieke aanvaarding over te halen, dicteerde haar zelfs de brief die ze ten antwoord moest sturen.64 Mokkend ging ze aan het werk, wanneer haar journalistieke werk dat toeliet. Ze begon met het kopen van 500 vel papier nog zonder idee, afgezien van enkele woorden. ‘Het zal een heel ander werk worden, ik ben zelf ook veranderd.’65 En wat er veranderd was, was dat Josepha zich niet meer wekenlang in een hotel kon verschansen. Ze deed Berthe daarmee te veel verdriet. Een kortere periode probeerde ze wel, maar voor de journalistiek wilde ze beschikbaar blijven. Ook woonde Eric in deze tijd in Parijs en hem kon ze niet gemakkelijk loslaten. Ze werkte daarom veel op het kamertje op de zevende etage van het appartementengebouw waar ze woonde. Daar vlogen personages het raam in en uit en deze nieuwe roman kende er vele. De Speeltuin is ondanks haar voornemen opnieuw een Mendelsiaanse roman, waarin het hoofdpersonage Caty van Duyn, een Rolien op leeftijd, terugkijkt op haar kindertijd en haar speelkameraden van vroeger ontmoet. Ze keert dus andermaal terug naar de eigen

63. JM aan Van Lokhorst, 31 augustus 1963, LM. 64. JM aan Dinaux, 16 augustus 1964, LM.

65. JM aan Dinaux, 16 augustus 1964, LM. 66. Mendels (1970): 134.

275

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

jeugd en eigen ervaringen, haar enige werkelijke bron van creativiteit. Het is zonder twijfel Mendels’ meest melancholieke roman, gedrenkt in het verlies van de jeugd, van de liefde, van de lust en van dierbaren. Aan het eind gaat ze samenwonen met een van de speeltuinvriendinnen in Den Haag, Sophie, met wie ze een rustig en hecht leven leidt: ‘Eigenlijk zijn we onafscheidelijk als een olie- en azijnstelletje, maar met dit verschil dat we of beiden olie of beiden azijn zijn.’66 Het leven van Caty en Sophie lijkt sterk op dat van Berthe en Josepha. We moeten wel even aan elkaar wennen, ze weet dat ik af kerig ben van gezelligheid, dat ik van geordende onorde houd terwijl zij tot bezeten toe netjes is, rechtzet wat zij denkt dat ik scheef gezet heb, mijn asbakjes ledigt waarin peuken die mij dierbaar zijn, en vernieuwt wat in haar ogen niet meer in het heden past. 67 Vier jaar later was de eerste versie van De Speeltuin klaar. Ze wilde het aanvankelijk wederom opsturen aan Dinaux, zoals ze met het manuscript van Heimwee naar Haarlem deed, of aan Johan van der Woude, een andere criticus die vriendelijk over haar had geschreven. Bij nader inzien besloot ze toch dat ze ‘haar eigen boontjes’ wilde doppen.68 Aangezien ze geen uitgever meer had, keerde ze op haar schreden terug bij Querido. De gepensioneerde Alice van Nahuys was in 1960 opgevolgd door een oude bekende: Reinold Kuipers, voormalig directeur van de Arbeiderspers, bestierde nu met zijn echtgenote Tine van Buul Querido. Van Buul stond open voor een hernieuwde kennismaking met de vroegere auteur, die in 1953 op stel en sprong het uitgevershuis had verlaten. Josepha las een stuk aan haar voor en zij was enthousiast. Maar toen zij in 1969 het gehele manuscript, samen met echtgenoot Reinold in een weekend had gelezen, kwam ze tot een andere conclusie: op papier overtuigde het haar niet. Het was geen vernieuwing en ook niet de oude Josepha van Rolien en Ralien. Tine van Buul wenste haar veel succes bij een andere uitgever.69 De schrijfster reageerde daarop met een snibbig briefje over het eerder getoonde enthousiasme en liet de zaak toen rusten. Dat deze gang van zaken haar niet beviel, was duidelijk. Toen Querido haar tien jaar later vroeg een verhaal af te staan voor een bundel voor de jeugd over de oorlog weigerde ze uit pure wrok iedere medewerking.70 Later omschreef ze de samenwerking als teleurstellend, wat gezien de inspanningen van Alice van Nahuys wel erg bezijden de waarheid was: ‘Querido heeft al die jaren haast niets voor me gedaan, [ze] hielden me aan het lijntje, maar ondernamen niets.’71 Ze ging op zoek naar een andere uitgever. Via een kennis kwam ze terecht bij uitgeverij

67. Mendels (1970):130. 68. JM aan Dinaux, 15 april 1969, LM. 69. Tine van Buul aan JM, 24 maart 1969, LM. 70. Cartens (1981). In 1979 verscheen zonder een bijdrage van Mendels Uitverkoren: Verhalen en gedichten over vervolgde mensen, gekozen voor de jeugd door Beccy de Vries. Amsterdam: Querido. 276

71. Cartens (1981). 72. De kennis is A.Q. de Flines, ex-directeur van Blikman & Sartorius, de voormalige werkgever van Josepha’s zus Edith. A.Q. de Flines aan JM, 13 juni 1969, LM. 73. De brief van Kosmos is een bijlage bij de brief van A.Q. de Flines aan JM, 13 juni 1969, LM.

Hoofdstuk 9 ‘Een walgelijk moeilijk karakter tussen tafellaken en servet’

Kosmos, die het manuscript door drie mensen liet lezen.72 Het oordeel was opnieuw negatief: de lezers vonden dat het verhaal moeilijk op gang kwam, dat personen geen diepte kregen en dat het manuscript minimaal van omvang was. Alleen in het tekenen van sommige situaties herkende men de hand van een meester.73 Kosmos deed daarnaast wat huiswerk naar de literaire antecedenten van Mendels: meer dan tien jaar niets gepubliceerd en vijf van de acht titels die tussen 1947 en 1958 waren verschenen, waren in prijs verlaagd, dat wil zeggen verramsjt. De afwijzing door Querido daarbij opgeteld deed de commerciële kansen van het boek geen goed. Kosmos wilde er de vingers niet aan branden. Toch vond Josepha uiteindelijk iemand die het wel aandurfde, Paul Brand, van de gelijknamige katholieke uitgeverij, bracht in 1970 haar roman uit. Het werk werd ter hand genomen door de dichter en vernieuwingsgezinde pastor Huub Oosterhuis, in bezit van een kandidaatsexamen Nederlands, die als extern redacteur optrad bij Brand.74 De Speeltuin vond hij een aardig boek, waaruit Mendels als een sterk auteur naar voren kwam. Sommige stukken vond hij echter te wijdlopig en het slot was in zijn ogen niet sterk. Mendels kwam met Brand overeen dat zij met Oosterhuis het boek zou doornemen en dat deden ze op een middag in bodega Keijzer in Amsterdam. Josepha reageerde opvallend meegaand op de kritiekpunten van Oosterhuis, zo constateerde hij die middag. ‘Dan halen we die vijf pagina’s er toch gewoon uit?’ kon ze voor haar doen uiterst inschikkelijk reageren. Ze paste het slot aan op aanwijzingen van Oosterhuis en zo verscheen De Speeltuin in 1970. Toen deze roman verscheen, was Mendels een schrijfster van een voorbije generatie. Meer dan tien jaar was er niets van haar op de markt gekomen. Lang niet alle kranten recenseerden De Speeltuin, maar diegene die het deden in een veelal korte signalering zagen de charme er wel van in. Voor een psychologische roman à la Mendels was nog altijd een publiek te vinden. Men vond Caty authentiek, haar problemen levensecht opgetekend. ‘Een van onze beste schrijfsters’ noemt Willem G. Maanen haar, omdat ze ‘gevoelig is, zonder week te zijn, cynisch is zonder hard te worden, aanvaardend zonder te berusten’.75 Na De Speeltuin bleef ze schrijven, ze noemde haar autobiografische stukken nu haar memoires en meer dan ooit liet ze de herkenbare werkelijkheid erin voortbestaan. Ze voltooide de stukken ‘Liefde’ en ‘Vriendschap’, beide herinneringen aan vooroorlogse geliefden toen ze nog maar kort tevoren Parijs tot haar woonplaats had gekozen. Dit was haar gemoedstoestand op ruim 70-jarige leeftijd, altijd verlangend naar vroeger, terwijl lichamelijke kwalen haar begonnen te teisteren. Lopen deed ze steeds vaker met een stok, tikken op een machine was ronduit pijnlijk vanwege reumatiek, maar ze liet niets aan zich voorbij gaan vanwege haar ouderdom. Net als haar literaire alter ego Caty van Duyn ging ze jaarlijks een weekje kuren in Roscoff, een kustplaats in Bretagne die gezond zou zijn vanwege de ‘heilzame algenzee en pure jodiumhoudende lucht’, maar

74. De beschrijving van de ontmoeting tussen Mendels en Oosterhuis is gebaseerd op informatie van Oosterhuis aan de auteur, 4 oktober 2011. 75. Doorne, J. van. (1970) ‘De Speeltuin’, in: Trouw, 18 juli 1970. 277

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

eigenlijk was iedere aanleiding goed genoeg om zich een paar dagen te laten bedienen in een mooie omgeving.76 Haar favoriete uitdrukking, geleend van de joods-Amerikaanse entertainer Sophie Tucker, werd: ‘op een zekere leeftijd hoef je niet meer te behagen, het is voldoende om niet te mishagen.’ Zonder make up ging ze de straat niet op en ze waakte ervoor een oud, onverzorgd vrouwtje te worden. Met de kapper, manicure en de kleermaker onderhield ze intensieve contacten.

76. JM aan Dinaux, 21 september 1966, LM. 278

HOOFDSTUK 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

Een belangrijk deel van haar tijd besteedde Josepha in de jaren vijftig en zestig aan de journalistiek. De opdrachtgevers die ze na de oorlog had geworven waren de Haagse Post, Elseviers Weekblad, Vrij Nederland en Het Parool. Voor de Haagse Post schreef ze wat formele columns over het Parijse leven die ze ondertekende met Eric Cerceau, de voornaam van haar zoon met de achternaam van de nourrice waar hij als baby zat. Haar onderwerpen waren de dagelijkse beslommeringen in Parijs, zoals de lege sokkels van bronzen beelden die in de oorlog waren omgezet in wapentuig, hoe Parijzenaars omgingen met prijsstijgingen van metrokaartjes (gelaten), de tentoonstellingsdrift in Parijs en de frequente Franse stakingen. Na enkele maanden kreeg ze ruzie, mogelijk vanwege de inhoud van haar laatste stukje, waarin ze klanten bij de slager liet discussi­ ëren over de communistische partij, een onderwerp waar ze zich normaal nooit aan waagde.1 Van Oss, de man die haar had binnengehaald, overleed in januari 1949 en zo verloor ze het krediet bij de krant dat ze voor de oorlog bij hem had opgebouwd. Het lag vanzelfsprekend niet aan haar. ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid.’2 Bij Vrij Nederland kwam ze binnen door de fusie die dat blad aanging met JM (Je Maintiendrai) De Stem, de opvolger van de Londense Vrij Nederland waar ze in de oor­ log stukken voor had geschreven. De Nederlandse Vrij Nederland was een voormalig verzetsblad dat zich ontwikkelde als opinieblad. Haar eerste stuk verscheen op de dag dat het vernieuwde, gefuseerde blad uitkwam, 9 oktober 1948. Gezien haar wisselende bijdragen wist de redactie niet goed wat ze met de Parijse correspondente aanmoest. Enkele keren verscheen een stuk onder de titel ‘Het gebeurde in Parijs’, (over een vrouw die terechtstond voor het vergiftigen van haar man, over een peuter die zijn grootmoeder met een haardpook doodsloeg) maar even zo vaak waren haar stukken van een andere orde: over literaire prijzen in Frankrijk of het ongemanierde gedrag van winkelpersoneel in Nederland. Daar schreef ze over: ‘zolang je een ernstige koper lijkt, gaat alles mee op het rythme van de jazz, vriendelijke woorden, maar o wee als je niet kunt slagen, dan is mevrouw moeilijk en veeleisend. Dan word je nauwelijks goeden­ dag gezegd.’3 Een ander stuk betrof een pleidooi voor Nederlandse moeders om hun dochters een jaar naar Parijs te laten gaan. Haar bijdragen verschenen gedurende twee jaar op de pagina ‘Voor de vrouw’. 1. Cerceau, Eric. [=JM] (1948) ‘De lava is niet heet genoeg’, in: Haagse Post, 4december 1948. 2. JM aan Greshoff, 23 januari 1949, LM. 3. ‘Amsterdams toerist in Amsterdam’, in: Vrij Nederland, 9 april 1949. 279

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

De medewerking aan Elseviers Weekblad vertoonde eveneens grote onregelmatigheid. Dit na de oorlog nieuw opgerichte weekblad, dat op zaterdag verscheen, stond de eerste jaren onder directie van Henk Lunshof. Andere kopstukken die hun stempel op de krant drukten, waren Piet Bakker, Herman van den Bergh, G.B.J. Hiltermann, J.W.F. Werumeus Buning en Eduard Elias, die onder de pseudoniemen Flaneur, Edouard Bouquin en Praetvaeria vele kolommen vulde. Dit liberale blad wist een stevige positie op de krantenmarkt in te nemen, waardoor de betaling van journalisten ruimhartig kon zijn. Toen Constance Wibaut er in 1954 als modejournaliste werd gevraagd, wilde ze eigenlijk weigeren, maar bedacht dat ze exorbitante voorwaarden zou stellen zodat men het aanbod zou intrekken. Die behelsden 10.000 gulden salaris per jaar, een auto, vier keer per jaar bezoek aan de buitenlandse modecentra en twee keer per jaar een bezoek aan de Verenigde Staten, waar ze voordien woonde. Groot was haar verbazing dat de president-directeur van het blad, Jan Pieter Klautz, zomaar zijn handtekening zette onder haar lijstje. 4 Zoveel had een vrouw nog niet eerder verdiend in de journalistiek. Zij zou jarenlang de Parijse mode behandelen in tekst en illustraties.5 Beeldbepalend in

4. Mededeling Constance Wibaut, 21maart 2012. 280

5. Mededeling Constance Wibaut, 6september 2011.

Hoofdstuk 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

Elseviers Weekblad waren de soms paginagrote tekeningen van Jo Spier, kenmerkend door de eenvoudige belijning. Ook de tekeningen van Wibaut met haute couture vulden soms een of zelfs twee hele pagina’s. Haar bijdragen maakten deel uit van de vrouwen­ rubriek ‘De vrouw, haar huis, haar werk, haar kleding’, waarin ook Josepha’s stukken onregelmatig verschenen onder haar eigen naam. Voor de krant schreef ze stukken over enigszins elitaire vrouwenzaken: een beroemde kapper uit Parijs, afspraakjes in een schoonheidssalon, wat je moest zijn om zelf mannequin te worden en een van de eerste vakantieparken op Corsica, dat zo elitair was dat kinderen er niet werkelijk welkom waren. Elseviers Weekblad wist ze als opdrachtgever te behouden tot 1958. Het Vaderland kwam ervoor in de plaats, maar die betaalde tot haar schrik eenderde van het honorari­ um dat zij bij Elseviers ontving. Bovendien vond men dat ze wel erg luchtig schreef en dat daardoor de geoffreerde 50 gulden nog te veel was. Mendels’ reactie was ‘dat een luchtige sierlijke hoed uit Parijs altijd nog moeilijker is te maken dan een hoofddeksel van een kilo uit Broek in Waterland’.6 Een substantiële opdrachtgever was Het Parool dat als voormalige verzetskrant na de oorlog een smaakbepalend dagblad werd met kleurrijke journalisten. Dankzij de oorlog had de journalistiek zich vernieuwd: de papierschaarste zorgde ervoor dat er geen com­ plete, en daardoor saaie verslagen van gebeurtenissen en vergaderingen in de krant kwamen. Toen er weer volop papier was, keerde men niet meer terug naar die lang­ dradige verhalen. Het Parool wist degelijk buitenlands nieuws te combineren met rebel­ se stukken binnenlands nieuws, daarnaast was het dagblad een ster in het introduceren van vaste rubrieken die veel lezers aan de krant bonden: de strip Kapitein Rob, Kronkel (de legendarisch geworden observaties van Simon Carmiggelt) en het Amsterdams Dagboek, dat klein nieuws van lezers bevatte.7 In oktober 1948 werd een vrouwenpagina in de krant geïntroduceerd onder de titel ‘Voor de vrouw (maar voor haar niet alléén…)’. Achter deze pagina verschool zich een eigenzinnig clubje vrouwen, dat erin geslaagd is twee decennia lang de kolommen op een vrolijke, veelzijdige manier te vullen. Onder leiding van Wim Hora Adema, zelf voormalig koerierster van het illegale Parool en initiatiefnemer van de pagina, ontstond een wekelijkse rubriek voor vrouwen waar tuttigheid ten enenmale aan ontbrak. Met een milde vorm van ironie werden onderwerpen als werk, echtgenote zijn, of juist ongehuwd door het leven gaan, de slanke lijn, recepten en opvoeding (‘waar kan ik mijn kind het beste slaan?’8) onder de aandacht gebracht door een uitgelezen leger vrouwelij­ ke journalisten die Hora Adema met een fijne neus voor kwaliteit selecteerde. Zij staat te boek als de ontdekker van Annie M.G. Schmidt en Fiep Westendorp, die beiden bij­ droegen aan het succes van ‘Voor de vrouw (maar voor haar niet alléén…)’. Humor, relativering en een enkele subtiel uitgevoerde aanval op een maatschappelijk verschijn­ sel waren de middelen die Hora Adema ter beschikking stonden.9 De pagina zou

6. JM aan Dinaux, ongedateerd [omstreeks 1959–60], LM. 7. Mulder, Gerard & Paul Koedijk. (1996) Léés die krant! Geschiedenis van het naoorlogse Parool. Amsterdam: Meulenhoff: 129. 8. Linders, Joke. (2006) ‘Huisvrouw

is geen beroep, maar zij moet wel àlles kunnen: de vrouwenpagina van Het Parool’, in: Gioia Smid, Voor de vrouw, maar voor haar niet alleen…: Fiep Westendorp in de krant. Amsterdam: Meulenhoff: 26–27. 9. Linders (2006). 281

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

beschouwd kunnen worden als een vrolijke voorloper van het feministisch onbehagen, waar Joke Kool-Smit later de verpersoonlijking van werd. Landelijke voorlichtingscam­ pagnes die specifiek op vrouwen waren gericht over zaken als het huishoudboekje of woninginrichting werden door Fiep Westendorp, Annie M.G. Schmidt, Harriët Freezer of Mies Bouwhuys subtiel op de korrel genomen. Het betuttelingniveau was hun vaak te hoog. Breipatronen werden gemeden en wanneer er een recept werd geplaatst, was dat eerder bedoeld om iets nieuws te eten (vis uit blik, ananas, couscous), dan om de zoveelste gaargekookte prak op tafel te zetten. Fiep Westendorp gaf aan een artikel een humoristische draai met haar typerende, oncharmante mannen- en vrouwenfiguren met hun scherpe puntneuzen. Josepha’s stijl en aanpak paste goed in deze omgeving, al bracht ze het feminisme inhoudelijk geen stap verder. Hora Adema had een voorkeur voor medewerksters die niet naar de pijpen van hun eventuele echtgenoten dansten. De eindredactrice hield zelf hartstochtelijk van alles wat Engels was en liet daarmee de Franse ‘input’ over aan Josepha, die in Het Parool het pseudoniem Monique voerde. Zij schreef in haar vlotte, soms wat babbelende en luchtige stijl over ‘vrouwenzaken’ in het breed: moederschap, tafelgewoontes, winkelen, kleding, de Franse man. In de eerste fase van Josepha’s medewerking aan Het Parool werden de stukjes opgebouwd rond de fictieve familie Dupont, van wie de kinderen Marc en Josette heetten. De zon­ dagen waren een onderwerp waarover ze in het begin schreef.10 Die beleefde een Frans gezin anders dan een Nederlandse familie. Mevrouw Dupont deed namelijk zondag­ ochtend boodschappen op de markt. Andere aspecten waren avondjes met vrienden, de financiële zorgen van de huisvrouw, de kleine behuizing van het Franse gezin en de kerstinkopen.11 De familie Dupont kreeg uitbreiding met een nakomertje, Jean Claude, en er verscheen een artistieke oom ten tonele die in een porseleinfabriek werkte, oncle Guy.12 Via het nakomertje kon Josepha haar ervaringen met haar eigen zoontje kwijt en oncle Guy diende als dekmantel voor haarzelf. Hij maakte onder andere een reisje naar Tourette-sur-Loup, waar ze zelf een schrijfvakantie had gehouden. Oncle Guy maakte zich zorgen over de invasie van de Parijzenaars die het rustige dorp kwamen bevolken en ruines kochten en opknapten, een zorg die hij ongetwijfeld met zijn schepper deel­ de. Na een kleine drie jaar verklaarde de journaliste monsieur Dupont dood.13 Zijn weduwe vertrok naar Bretagne, om daar een café tabac te gaan runnen en zo verdwe­ nen de Duponts uit de kolommen van Het Parool. Josepha had in de fase die hierop volgde meer vrijheid om het Parijse leven te bespreken. Van het kopen van kousen tot de teleurstelling van de journaliste en feministe Louise Weiss in de effecten van het voor Franse vrouwen verkregen stemrecht tot een expositie van Nederlandse kunstena­ ressen. Een derde fase in de stukken betrof het toerisme naar Parijs, die eind jaren veertig begon en doorliep tot halverwege de jaren vijftig. Steeds meer mensen konden het zich veroorloven om een korte vakantie in de Franse hoofdstad te spenderen en

10. ‘Franse zondagmorgens lijken niet op de onze’, 4 november 1948; ‘Zon­ dagmiddag in Parijs’, 11 april 1948; ‘Op zondagavond bij de Duponts’, 9december 1948.

282

11. Onder meer ‘Kerstmis in Parijs’, 24december 1948. 12. ‘Welkom Jean Claude’, 11 augustus 1949. 13. ‘Monsieur Dupont is dood’, 25 juni 1951.

Hoofdstuk 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

daar haakte de journaliste op in. Degenen die hun Franse contacten gebruikten als logeeradres voor een goedkoop verblijf in Parijs konden op een zachtzinnige repriman­ de rekenen; iemand die een logé wil hebben nodigt die zelf wel uit en ‘het simpele feit, een Hollandse relatie in Parijs te hebben is niet genoeg om van diens huis een jeugd­ herberg of een gerief lijk hotel te maken.’14 Ze nam eveneens het gedrag van toeristen op de korrel die er een gewoonte van maakten om asbakken, handdoeken en andere ‘souvenirs’ te stelen uit de Parijse horeca.15 Ook de neiging om matige hotelkamers, schamele ontbijten en lelijke vrouwen te idealiseren, louter omdat het Parijs betrof, maakte ze belachelijk.16 Terugkerend onderwerp was de jaarlijkse Salon des Arts Ménagers, de Franse huishoudbeurs, wellicht een leuk uitje voor de Nederlandse vrouw, Josepha vermeldde toegangsprijzen en openingstijden.17 In 1960 was de tijd rijp om samen met de kinderen de lichtstad te bezoeken, bij voorkeur in augustus, wan­ neer de Parijzenaars hun biezen hadden gepakt voor een vakantie op het platteland. Josepha’s bijdragen waren sinds 1948 nooit erg groot, maar vulden een hoekje of kolom van de krant. Anders werd dat in 1960, waarin ze enkele grote stukken publiceerde over meer nieuwswaardige onderwerpen, een voorbode van veranderingen bij Het Parool, waar de minder vrijblijvende koers nu ook de subredactie van ‘Voor de Vrouw’ raakte. Ze schreef over het gebruik van dieren bij de productie van parfum, over een nieuw beroep voor vrouwen: ‘publiciteitschef’, financiële hervormingen in Frankrijk en de gevolgen voor vrouwen en tenslotte over boeken over het Franse huishouden en over diëten. De boekbespreking over het huishouden lardeerde ze met tips: sokken van het hele gezin dagelijks in zeepwater uitwassen, Papa’s broek iedere avond borstelen en in de plooi leggen, lippenstiftvlekken op kleding verwijderen met ether. De week erna besprak ze het boek over eetgewoontes, een onderwerp dat op de pagina ‘Voor de Vrouw’ met regelmaat terugkeerde. De bespreking is een reeks zinnige en onzinnige adviezen over voedsel, van maximaal een halve liter wijn per dag en kinderen onder de zeven helemaal geen alcohol tot druiven voor zwangere vrouwen, ijs dat funest is voor de spijsvertering terwijl yoghurt juist een uitstekend gezondheidseffect heeft, dat zou blijken uit het hoge aantal honderdjarigen in het land van herkomst, Bulgarije.18 Een enkele keer ondertekende ze in Het Parool met haar eigen naam, stukken die niet in tegenspraak waren met haar naam als romancière, bijvoorbeeld haar ontmoeting met de Vijftigers, ‘Zij gingen naar Parijs en bleven er’.19 Onder de naam ‘Janine’ schreef ze stukjes voor de kinderpagina van Het Parool, waar Hora Adema eveneens de eindredactie over voerde. De meer feitelijke stukken uit 1960 waren de aankondiging van een andere wind die er ging waaien onder de nieuwe hoofdredacteur Herman Sandberg, die in 1961 het roer overnam van P.J. Koets. Wim Hora Adema had onder Koets’ directie alle vrijheid gehad om haar tijdloze pagina te maken tot wat hij was. Dat haar declaraties aan de hoge kant waren geweest, omdat zij haar vergaderingen bij voorkeur hield in hotels en restaurants

14. ‘Onwelkome gasten in Parijs’, in: Het Parool, 1 september 1949. 15. ‘De vrolijke dieven van Parijs’, 3juni 1954. 16. ‘De domme toeristen van Parijs zijn als struisvogels’, 18 maart 1954.

17. ‘Salon des arts ménagers, een trek­ pleister voor miljoenen Françaises’, 26februari 1959. 18. ‘Parfum heeft een dierlijk element’, 16 juni 1960; ‘Modern beroep voor vrouwen in Frankrijk: publiciteitschef’,

7 juli 1960; ‘Madame Proprette logen­ straft de befaamde Franse slag’, 6 okto­ ber 1960; ‘Eten of niet eten? En veel of weinig drinken?’ 13 oktober 1960. 19. Het Parool, 3 juli 1953.

283

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

en niet betrokken was bij de dagelijkse gang van zaken op de krant, had hij door de vingers gezien. Sandberg accepteerde dit niet meer, hij verzakelijkte de krant, en pikte van geen enkele rubriekschef nog de voorheen gangbare zelfstandigheid en opgebouwde privileges.20 De wrevel tussen de beide journalisten nam toe en leidde in 1968 tot het ontslag van Hora Adema.21 Voor die tijd was Josepha er zelf echter al weg. In oktober 1961 werd ze nog in het zon­ netje gezet in de rubriek ’10 rode rozen voor’, omdat ze vijfentwintig jaar in Parijs woonde.22 Maar in 1962 moet ze een conflict hebben gekregen, meest waarschijnlijk te wijten aan nalatig journalistiek gedrag.23 Onder Sandberg werd de betaling van freelan­ cers aangepast: in plaats van een vaste vergoeding per maand werden ze voortaan per artikel betaald, iets wat voor Josepha ongetwijfeld slecht uitpakte. Hora Adema kon zeer loyaal zijn aan haar medewerkers van wie de meeste vriendinnen waren, maar als het mis ging, ging het goed mis. Hora Adema kreeg bijvoorbeeld een nooit herstelde ruzie met Annie M.G. Schmidt met wie ze voordien jarenlang dagelijks om zeven uur ’s ochtends telefonisch contact had.24 Hoewel Hora Adema en Mendels niet zulke hech­ te vriendinnen waren, heeft zij Mendels vijftien jaar lang alle ruimte geboden om de journalistiek te combineren met haar schrijverschap. Josepha’s manier van doen werd hoe langer hoe hoekiger. Het viel op hoe vaak ze met ruzie bij een opdrachtgever of uitgever wegging. Ze voelde zich vaak onheus bejegend en reageerde daarop met destructief gedrag. Sinds de oorlog had ze zich op haar eigen manier staande gehouden, zoals veel joden dat hadden klaargespeeld. Voorop stond het opbouwen van een naoorlogs leven en terugkijken deed men zo min mogelijk. Joden verkeerden in de jaren vijftig en zestig in een soort niemandsland: er was geen aan­ dacht voor hun ervaringen, waarvan maar weinigen bovendien de gruwelijke details kenden.25 Over het verlies van familie werd uitsluitend in eufemismen gesproken, overigens ook door de joden zelf.26 Velen trachtten het verleden achter zich te laten door heel hard te werken, Loe de Jong, Jaap Meijer en Jacques Presser zijn bekende voorbeelden, maar het gold voor talloze onbekenden evengoed. Josepha was na de oorlog druk met haar carrière als schrijfster en met Eric, haar belofte voor de toekomst. Beide hielden haar zeker tot aan het midden van de jaren zestig zodanig bezig, dat er weinig ruimte was voor contemplatie, voor terugkijken op wat haar in de oorlog was overko­ men, ze hield het buiten zichzelf. Ook in het maatschappelijk debat was er geen aandacht voor de ervaringen van vervolgden en juist dat feit maakte dat de psychische oorlogsgevolgen tot die tijd een indi­ vidueel probleem waren. Daar kwam verandering in vanaf de jaren zestig door de invloedrijke televisie-serie De Bezetting die tussen 1960 en 1965 werd uitgezonden, gepresenteerd door Loe de Jong. Ook de publicatie van Ondergang (1965) van Jacques

20. Mulder & Koedijk (1996): 449–450. 21. Een beschrijving van de ontslag­ zaak in Mulder & Koedijk (1996): 455 en Weterings, Eric-Jan. (2006) Deurwaarder van de vriendschap: Wim Hora Adema (1914–1998). Amsterdam: Aksant. 284

22. Het Parool, 12 oktober 1961. 23. JM maakt er in een brief aan Dinaux melding van dat ze bij Het Parool is weggestuurd, 15 septem­ ber1965, LM. 24. Weterings (2006): 153 e.v. 25. Benima (1994).

26. Brasz, F.C. (1995) ‘ Na de Tweede Wereldoorlog: van kerkgenootschap naar culturele minderheid’, in: Blom (1995): 351–403.

Foto uit voorzorg verwijderd. Presser en van de verschillende delen Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (vanaf 1969) eveneens van Loe de Jong deden de aandacht voor het eerst structureel uitgaan naar alle facetten van de oorlog. Mede onder invloed van deze beschikbare kennis begonnen de effecten van de vervolging op overlevenden buiten de geestelijke gezondheidszorg zichtbaar te worden. Vroege studies naar de effecten van vervolging dateren uit de jaren vijftig, maar hadden geen brede bekendheid gekregen.27 In de loop van de jaren zestig verschenen steeds meer publicaties over de effecten van de oorlog op de geestelijke en lichamelijke gezondheid.28 De totstandkoming van de

27. Brasz (1995): 398. 28. Het aantal bezoekers aan het ‘consultatiebureau voor psychische hygiëne’ steeg van 201 in 1960 naar 1136 in 1990. Fuks-Mansfeld, Renate & Armand Sunier. (1997) Wie in tranen zaait… geschiedenis van de joodse geeste-

lijke gezondheidszorg in Nederland. Van Gorkum 1997: 143. Er is veel literatuur over de psychosomatische gevolgen van de oorlog, een overzicht in Blom (1995): 367. Fuks-Mansfeld & Sunier (1997). Het tijdschrift ICODO-info besteedde met grote regelmaat aan­

dacht aan psychische gevolgen van de vervolging, bijv. Withuis, Jolande. (1991) ‘De gevoelige erfenis van de jaren ’40–‘45’ in ICODO-info 91–1. Eerder verschenen in Amsterdams Sociologisch Tijdschrift december, 1990.

285

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

WUV (Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers) in 1972, een wet die vervolgingsslachtof­ fers recht gaf op een uitkering die niet de kenmerken had van een bijstandsuitkering zoals voorheen het geval was, zorgde voor formele erkenning. Josepha sublimeerde haar verdriet kort na de oorlog in haar romans, maar sprak er verder niet over – niet uitzonderlijk onder overlevenden. Dat zij kampte met vergelijkba­ re problemen als andere oorlogsslachtoffers lijdt echter geen twijfel. Een belangrijke emotie waar zij mee moesten leren omgaan, was rouw.29 Iedere naoorlogse jood had wel een of meer familieleden verloren en het was zelden mogelijk geweest over die personen te rouwen op een normale, gezonde manier, waarbij verschillende fases wor­ den doorlopen.30 Oorlogsslachtoffers zijn volgens de joodse psychiater en kampoverle­ vende Louis Tas vaak blijven steken in de eerste fase van het rouwproces, de ontken­ ning. Omdat het te pijnlijk is het verdriet aan te gaan, wordt het vermeden. Dat kan ertoe leiden dat diegenen in hun ontwikkeling stil blijven staan op het moment dat ze kennis namen van de dood van de dierbare(n).31 ‘Wie niet kan rouwen,’ stelt Tas, ‘kan ook zijn kinderen niet goed volgen bij hun groeiprocessen.’32 Andere emoties die bij overlevenden herkend werden, waren overlevingsschuld en -schaamte, die voortkwa­ men uit het gevoel dat het redden van het eigen leven ten koste was gegaan van anderen die waren bezweken. Of een grote woede over hoe het leven gelopen was door een invloed van buitenaf.33 Elementen hiervan zijn terug te vinden in Josepha’s levensloop. Zij had na de oorlog bewust Parijs als woonplaats gekozen, Nederland zou haar te veel confronteren met het verlies van haar moeder, zusters en andere familie en vrienden.34 Ze vermeed het land zoveel mogelijk, een indicatie dat zij de rouwverwerking nooit is aangegaan. Haar romans schreef ze omdat ze van kinds af aan schrijfster had willen worden, maar het schonk haar niet de voldoening waarop ze gehoopt had. De erkenning van familie mis­ te ze als iets essentieels in haar leven. Ze bleef er altijd naar hunkeren. Hoogtepunten in haar carrière, zoals de ontvangst van de bundel waarin een hoofdstuk uit Rolien en Ralien werd voorgepubliceerd, de uitreiking van de Vijverbergprijs voor Als wind en rook, vervulden haar met eenzaamheid in plaats van voldoening en trots. In haar sociale leven was Josepha uitermate selectief. Hoewel ze vrij veel mensen ken­ de, drongen er maar een paar door het pantser heen dat haar omgaf. Parijs was daarom ook zo’n geschikte omgeving, omdat Fransen afstandelijke omgangsvormen hebben. Gesprekken met vrienden en bekenden komen niet snel op een vertrouwelijk niveau, men spreekt liever met elkaar over algemene onderwerpen. Vrienden thuis ontvangen is in Frankrijk geen gangbare gewoonte, al komt het wel voor.35 Parijs stond haar toe een verborgen leven te leiden, hoe vreemd dat moge klinken voor een vrouw die zo kon genieten van aandacht. In Nederland was ze een bekend schrijfster, in Parijs niet meer dan een buitenlandse journaliste. Dat zij romans schreef, was in Frankrijk al helemaal onbekend. Haar belangrijkste anker was Berthe die, zich waarschijnlijk bewust van

29. Tas, L.M. (1992) ‘Blijvend onder­ gedoken als opschorting van rouw’, in: Icodo-info 1992–2. Tas behandelt hier het onderbroken rouwproces bij onder­ gedoken kinderen. 30. Tas (1992): 48 (op basis van Freuds 286

‘Trauer und melancholie’). 31. Tas (1992): 51. 32. Tas (1992): 49. 33. Schneiders, Lies. (1992) ‘Durf en woede: een gesprek met Leonard Frank’, in: Icodo-info 1992–2.

34. ‘Ik kon toch niet naar Holland terug, Simon. Iedereen was dood.’ JM aan Simon Vinkenoog, ongedateerd [1953], LM. 35. Mededeling Rudi Wester, 2012.

haar rol, opstelde alsof zij haar familie verving. Berthe had haar zussen en haar ouders gekend. Josepha’s vader was zeer over haar te spreken geweest en door met haar te gaan samenwonen, deed ze iets waarvan ze wist dat haar ouders het zouden goedkeuren. Berthe deed haar uiterste best Josepha te geven wat ze niet meer had, de onvoorwaarde­ lijke liefde en aandacht die een kind van de ouders krijgt. Wie kritiek op Josepha lever­ de, viel in ongenade bij haar vriendin. Josepha’s bij tijd en wijle destructieve gedrag geheel verklaren uit haar ervaringen in de oorlog gaat echter te ver. Ze had van jongs af aan al een natuur van verzet en een vrijheidsdrang, die in haar rijpere jaren sterker werd. Ze liet ruzies escaleren, de conse­ quenties nam ze voor lief. Josepha kon er niet tegen wanneer haar de wet werd voorgeschreven. Dan kwam ze in opstand, waardoor ze menig zakelijk contact versjteerde.

Modejournalistiek Het wegvallen van opdrachtgever Het Parool vulde Mendels op door over mode te gaan schrijven, zowel voor De Gelderlander, als voor de VARA-radio, waar ze haar columns voorlas. Het engagement bij de VARA-radio zou ultrakort blijken, na drie afleveringen kreeg ze ruzie en vertrok, onder dreiging er de juridische afdeling van de Nederlandse Journalisten Kring op af te sturen. Ze voelde zich weer eens onheus bejegend.36 Twee keer per jaar was de modewereld in rep en roer, namelijk in januari in verband met de zomercollecties en in augustus voor de wintercollecties. Parijs was na de oorlog hét modecentrum van de wereld geworden waar schatrijke klanten uit Europa, de Ver­ enigde Staten en Canada hun couture bestelden. Voor Nederland was Parijs synoniem met mode en iedere krant wilde daarover berichten. Couturiers als Balenciaga, Pierre Cardin, Dior, Jacques Fath en De Givenchy presenteerden aan de wereldpers hun opval­ lende creaties. In weerwil van de grote journalistieke belangstelling speelde Nederland in de daadwerkelijke verkoop van couture een bescheiden rol: er was maar één winkel waar men de kleding kon bestellen, C.H. Kühne & zonen in Den Haag. Om die reden stonden de couturehuizen niet bijzonder welwillend tegenover de Nederlandse mode­ journalistes. De eerste generatie bestond uit Eva Pennink van het Algemeen Handelsblad, Annetje Teengs van de NRC , Diny Kuiper van de Tijd, Jeanne Roos van Het Parool, Annemie van Weert van Margriet en later voor de Volkskrant en vanaf 1954 Constance Wibaut voor Elseviers Weekblad. De laatste was het bij hoge uitzondering toegestaan ook tekeningen van de creaties te maken. Dat deed ze niet tijdens de shows, maar geduren­ de een aparte sessie waarvoor ze de mannequin moest betalen.37 Daar men beducht was voor diefstal van ideeën werd het de journalisten heel moeilijk gemaakt een visueel beeld van de ontwerpen over te brengen. Foto’s werden alleen geleverd van de minst interessante jurk, zoals een bruidsjapon. Uit broodnijd waren modejournalistes niet bepaald op elkaar gesteld en Josepha kon deze vrouwen nauwelijks uitstaan: ze waren haar te serieus en te precies. ‘Ze zitten hun werk te doen alsof ze schoolkinderen zijn die een opstel maken.’38 Haar konden de details van de stoffen, het type knoopjes en de mouwinzet gestolen worden, mogelijk vielen haar bepaalde details niet eens op, dacht

36. JM aan Dinaux, 15 september, 1965, LM.

37. Mededeling Constance Wibaut, 2011.

38. Oppenheim (1976).

287

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

een collega.39 Journalistes die voor vooraanstaande kranten schreven, konden daar een zekere status aan ontlenen, maar Josepha’s anonieme bijdragen aan De Gelderlander waren niet te traceren. Daardoor kon men haar niet plaatsen en werd ze door één colle­ ga herinnerd als ‘die kleine vrouw in het grijze mantelpak met dat joodse koppie die moest ploeteren voor haar geld’. 40 Ook al refereerde ze daar zelf nooit aan, haar welbe­ vinden zal niet zijn toegenomen onder het sluimerende antisemitisme van de coutu­ riers, een bekende en nationale trek in het na-oorlogse Frankrijk. Daarnaast was ze in deze omgeving zo’n twintig jaar ouder dan haar Nederlandse collega-journalisten. In deze oppervlakkige glamourwereld van jeugd en schoonheid viel zij uit de toon. Josep­ ha was niet, zoals de anderen, gekleed volgens de allerlaatste richtlijnen, die toentertijd nog een onderscheid maakten tussen een ochtend- en een avondtoilet en verschillende hoeden, schoenen en accessoires voor iedere gelegenheid. De anders zo overdadige aandacht voor haar uiterlijk schoot in het hart van de mode-industrie te kort, ze was van een gepasseerde generatie en had in die jaren geen geld om er modieus uit te zien. Met grote afschuw keek ze terug op dit werk, waarbij de minachting van collega’s over haar kleding haar nog het meeste trof. ‘Ik kleedde me niet goed en zag niet op tijd dat de schouder[lijnen] een centimeter verbreed waren. Wat een aanstellerij! Alsof het geluk van het land ervan afhing.’41 Dat deze functie haar zo tegenstond had ontegenzeggelijk ook te maken met de onder­ geschikte rol van het Nederlandse modejournaille, dat volgens Wibaut behandeld werd als honden. 42 De shows vonden plaats in de modehuizen aan de sjieke boulevards en namen gezamenlijk een of meer volle dagen in beslag. De te warme ruimtes waren eigenlijk te klein en de journalisten, klanten en inkopers zaten opgepropt op kleine doch goudkleurige stoeltjes. Bij gebrek aan een garderobe frommelden de gasten hun doorgaans dure mantels onder de stoelen. Na afloop van de shows gingen dagbladjour­ nalisten het stuk direct schrijven, om dat nog later op de avond via een openbare tele­ foon door te bellen naar een secretaresse van hun Nederlandse krant. Franse woorden dienden minutieus gespeld te worden en zo was een dag van shows een uitputtende aangelegenheid. Op hele drukke dagen stuurde Mendels haar zoon en schoondochter naar een show om de kenmerken op te nemen. 43 Er was één uitzondering op haar collega’s, Annemie van Weert, een jonge journaliste die zij onder haar hoede nam. Omdat ze Annemie geen mooie naam vond, noemde ze haar bij haar doopnaam, Antoinette. Van Weert was in 1947 in Parijs komen wonen met haar echtgenoot Jan van der Doef, eveneens journalist. Zij was als redactrice voor Margriet in het diepe gegooid en schreef over alles wat Nederlandse lezeressen interes­ sant zouden kunnen vinden: artiesten, het Franse societyleven en mode, waarvan ze in het begin geen verstand had. Bij modeshows trok ze met Josepha op en wist soms een betere plaats te bemachtigen op de gouden stoeltjes, omdat zij in Parijs woonden en zo

39. Mededeling Annemie van Weert, 2006. 40. Mededeling Constance Wibaut, 2011. Ook Van Weert erkent dat het duidelijk was dat JM dit werk voor het geld deed. 41. Laseur, Merel. (1983) ‘Josepha 288

Mendels over schoonheid’, in: NRC Handelsblad, 15 oktober 1983. 42. Mededeling Constance Wibaut, 2011. 43. Mededeling Evelyne Mendels, 2009.

Hoofdstuk 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

hechtere relaties wisten op te bouwen met de modehuizen dan het merendeel van de journalistes die alleen voor de shows naar de Franse hoofdstad kwam. 44 Ze behielden echter voldoende afstand van de modehuizen om zonder scrupules jonge Nederlandse couturiers zoals Dick Holthaus en Max Heijmans die niet toegelaten werden tot de shows, na afloop te informeren over stoffen, kleurgebruik, lengte van de rokken en andere details. 45 Modejournalisten werden soms uitgenodigd voor snoepreisjes van fabrikanten. Wibaut ging eens mee naar het bloemeneiland Mainau in de Bodensee. Volgens haar strenge normen een verloren weekend, want er was geen mode te bekennen. Zo’n reisje was wel besteed aan Josepha, die zich samen met Van Weert en andere journalistes liet fêteren door stoffenfabrikant Boursac op Corsica. Josepha had een humoristische bui want ze stelde voor dat zij en Van Weert, die een kamer deelden, zich voordeden als koningin Wilhelmina en haar dochter prinses Juliana. Van Weert diende daartoe het ontbijt op de hotelkamer te laten serveren en verder alles te doen wat Josepha haar opdroeg. Van Weert zag hier wel de lol van in en samen gaven ze de andere journalistes het nakijken. 46 In de nadagen van haar journalistieke carrière had Josepha vaker oren naar snoepreis­ jes. Ze stortte zich op de toeristische pers en reisde voor congressen onder andere naar Tel Aviv (1966), Bulgarije (1969) en Griekenland (1976). Berthe vergezelde haar op deze trips wanneer de organisator het partners toestond kosteloos mee te reizen. Als journalist had Josepha twee kanten. Enerzijds kon ze als een brave voorlichter alles noteren wat er over een evenement te weten was, anderzijds kon ze zich bij onderwer­ pen die haar na aan het hart lagen, opstellen als een lastige horzel die haar eigen idee­ ën wilde doordrukken. In discussies op persconferenties voerde ze dan het hoogste woord, wierp sprekers een stelling voor of gaf uitvoerig haar eigen mening. ‘In een gesprek stond ze er altijd boven’, herinnerde Annemie van Weert zich, ‘ze was anders, geen doorsnee journalist. Ze had de uitstraling dat ze iets had te vertellen. Intelligenter. Die [andere] journalisten kwamen voor hun broodje.’47 Bij de buitenlandse persvereni­ ging in Parijs viel ze vanwege dat gedrag op. Ze bleef tot in haar zeventigste actief in de journalistiek en had duidelijk andere ambities dan de jongere garde die daar aan het werk was. Ze stelde vragen die een politicus of spreker van de lijn afbracht waar de andere journalisten hem of haar naartoe hadden geleid. ‘Hadden we net het idee dat we een politicus aan de praat hadden, kwam zij er weer tussendoor’, wist de Nederlandse journalist Philip Freriks nog, destijds buitenlandcorrespondent voor Het Parool. 48 Ze dreigde soms de risee van een bijeenkomst te worden, omdat ze zich bepaalde aangele­ genheden sterk aantrok en daar melding van maakte. Haar totale journalistieke carrière overziend valt op, dat ze voor de oorlog veel kansen had om in vooraanstaande bladen te publiceren over uiteenlopende onderwerpen. Niet alleen de mode en de schoonheidsindustrie, maar ook film en sociaal-politieke onder­ werpen kon ze aan. Ze deed dat op haar eigen wijze, met aandacht voor de persoonlijk­ heid van de mensen die ze interviewde. Iemand haarscherp karakteriseren was haar

44. Mededeling Annemie van Weert, 2006. 45. Mededeling Annemie van Weert, 2006.

46. Mededeling Annemie van Weert, 2006. 47. Ibidem. 48. Mededeling Philip Freriks, 2006. 289

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

sterke kant en dat liet ze nogal eens prevaleren boven wat de geïnterviewde maatschap­ pelijk presteerde. Zo kon de lezer zich moeiteloos met die persoon identificeren, in een tijd dat het persoonlijke nog geen gemeengoed was in dagbladen. Na de oorlog werd haar scope smaller, enerzijds omdat haar hoofdbezigheid het schrijven van romans was, anderzijds omdat er veel concurrentie kwam van goede vrouwelijke journalisten. Het aantal dagbladen met interesse in Parijse en Franse aangelegenheden nam toe, maar mooie onderwerpen waarin ze zich had kunnen specialiseren, het existentialistische toneel of Franse literatuur, liet ze aan zich voorbij gaan. Haar specialisatie bleef het fait divers, niet het harde nieuws. Observaties op straat, in een winkel, een hotel of bij de kapper maakten haar stukjes tot wat ze waren. Het knikje van een moeder naar haar kind, de oogopslag van een vrouw in een kousenwinkel, de lichaamstaal van een lang getrouwd stel. Vertrouwend op haar opmerkingsgave op het ogenblik zelf leek ze aan voorbereiding niets of weinig te doen. Wanneer ze ernaar gevraagd werd, ontkende ze dat het journalistieke werk een functie vervulde in haar bellettrie. Het was slechts het noodzakelijk kwaad om haar literaire leven mogelijk te maken. Maar het typeren van mensen met enkele heldere streken komt zowel in haar journalistiek als haar proza naar voren.

Sadi de Gorter, directeur Institut Néerlandais Sadi liet zich geregeld zien in de Rue de Trétaigne, als zijn drukke werk dat toestond tenminste. Zijn loopbaan kwam in 1956 in een stroomversnelling toen hij gespot werd door de kunstverzamelaar Frits Lugt. Deze self-made Rembrandt-kenner zocht een structurele plek in Parijs om zijn kostbare kunstcollectie met veel Rembrandt-tekenin­ gen te tonen. Zelf woonde hij sinds 1932 grotendeels in die stad en hij had een grote waardering voor ‘de Franse geest en beschaving’ en de taal. 49 Lugt, die de hbs niet afrondde, bezat een uiterst waardevolle prentencollectie bestaande uit tienduizenden vooral zeventiende-eeuwse exemplaren die hij had verworven door zich sinds zijn tiener­ jaren met succes met de kunsthandel in te laten, aanvankelijk met geleend geld. Toen hij 73 was, wilde hij zijn levenswerk een structurele plek geven en hij was bereid daarvoor flink te investeren, op voorwaarde dat de Nederlandse overheid dat ook deed. Die had wel oren naar een expositieplek als die gekoppeld zou worden aan een Nederlands cultu­ reel instituut, een al langer bestaande wens in kringen van het ministerie Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen. Lugt voerde vanaf 1946 een lange strijd met onder andere het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het ministerie van OK & W en de Nederlandse ambassade in Parijs om tot de keuze van een geschikt pand te komen.50 In 1953 kocht de stichting Custodia, waarin Lugt zijn kunst had ondergebracht, uiteindelijk een voornaam pand aan de Rue de Lille 121, om de hoek bij de sfeervolle Boulevard Saint Germain en op een steenworp afstand van de Assemblée Nationale. Er was een achttien­ de-eeuws achterhuis aan verbonden waar Lugt zijn kunstcollectie zou gaan tonen. Het

49. Heijnsbroek, J.F. (2010) Frits Lugt 1884–1970 Leven voor de kunst. Thoth, Bussum / Fondation Custodia, Parijs: 328. 50. Heijnsbroek (2010): 329–338. 290

Hoofdstuk 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

‘voorhuis’ aan de Rue de Lille werd in 1955 officieus in gebruik genomen door het zojuist opgerichte Institut Néerlandais, dat onder het ministerie van OK&W viel. Sadi de Gorter werd door Lugt tijdens een lezing over Vincent van Gogh op de Université Paris-Sorbonne herkend als de gedroomde voorman van het nieuwe instituut. Lugt en De Gorter hadden evenveel overeenkomsten als verschillen. Beiden waren wars van wetenschappelijke kunsthistorische kennis, zij hadden zichzelf gevormd en waren daar trots op. Beiden waren ‘haantjes’ met een sterke wil, maar onder Lugt was De Gorter iets buigzamer dan hij doorgaans was. Tegengesteld was hun bestedingspatroon, Lugt was akelig zuinig, op het ascetische af en stond zichzelf noch zijn medewerkers enige luxe toe, terwijl De Gorter in menig opzicht een bourgondiër was. Hij werd in 1956 benoemd als directeur van het Institut Néerlandais en combineerde die functie met zijn werk aan de ambassade, inmiddels als cultureel attaché.51 De Gorters salaris werd betaald door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Twee banen had hij, die wel enigszins in het ver­ lengde van elkaar lagen. Het promoten van Nederlandse kunst en letteren in Frankrijk was zijn kerntaak, al was de rol van attaché meer op de achtergrond. De Gorter zou na enkele jaren zijn intrek nemen op de vierde verdieping van Rue de Lille, voortaan de vaste woning van de directeur van het instituut. Het was een zeer ruim appartement van 230 vierkante meter in een van de chicste buurten van Parijs. Een andere verdieping wist hij vrij te krijgen voor zijn moeder en zus die er jarenlang zouden blijven. Op de vijfde etage was er een gastenverblijf voor kunstenaars en wetenschappers die zich in Parijs wilden onderdompelen. Een van de meest illustere gasten in de begindagen was de beeldhouwer Jan Wolkers, die de wanden volhing met zelfgetekende naakten.52 Een andere vroege logé van het instituut was W.F. Hermans, die in Parijs verbleef voor een studie naar erosie. Talloze tentoonstellingen en manifestaties organiseerde De Gorter aanvankelijk met eenvoudige middelen, zoals zelfgemaakte catalogi. Hij schreef die in de vroege jaren zelf met de zwier die hem eigen was. Als ongeschoolde kunsthistoricus viel hij soms terug op zijn rijke, poëtische taal. Tegen de secretaresse en latere adjunct-directeur van het instituut, Annelys Meijer zei hij eens: ‘Moet je eens horen wat ik geschreven heb.’ Vervolgens las hij zijn concepttekst met veel pathos voor. ‘Mooi, hè?’ concludeerde hij dan tevreden. ‘Het betekent eigenlijk niks.’53 Sadi’s dochter Jacqueline, die aan het begin van de oorlog was geboren, kreeg er in de loop van de jaren vijftig een broertje en een zusje bij, Francis en Agnes. Veel tijd om met ze door te brengen had hij niet, want zijn werkdagen waren lang. De tijd die hij aan Sadi de Gorter Josepha en Eric kon besteden werd ook 51. Over de aanstelling van een direc­ teur voor het IN hadden het Ministerie van OK&W en Lugt onenigheid, waar­

in tenminste een slachtoffer viel, de cultureel attaché in Parijs tot 1955, Bob de Roos. Heijnsbroek (2010): 357–359.

52. Van den Blink. (2007): 78. 53. Mededeling Annelys Meijer, 2007.

291

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

Hoofdstuk 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

beperkt, al kwam hij wel op verjaardagen langs en was hij present bij het gezamenlijk diner dat Josepha rond Kerstmis organiseerde. Exclusieve ontmoetingen tussen Sadi en Josepha werden minder frequent en de afstand tussen hen werd zeker in de jaren zestig steeds groter. Zij was diep gekwetst geweest dat hij na Jacqueline nog twee ‘eigen’ kin­ deren kreeg. Een burgerman vond ze hem geworden en dat nam ze hem kwalijk. Het ongepolijste mannetje dat ze in 1943 in Londen had leren kennen was onherkenbaar geworden, hij was een diplomaat pur sang met maniertjes om iedereen te vriend te houden, waar zij uit machteloosheid op neerkeek.54 Ze beschreef hem in 1965 als ‘ook maar een trieste vent, aangevreten door de ambassade-moraal’.55 Bij de ambassade voel­ de ze zich al veel langer niet thuis, het was er ‘een snobgedoe vol leugens’ concludeerde ze eens na een receptie die ze daar bezocht had.56 De Gorter liep er rond met zijn wetti­ ge echtgenote aan de arm, en toonde zo het plaatje van een perfect huwelijk. In haar hart wist ze dat de maatschappelijke kloof tussen hen beiden groter dan ooit was gewor­ den, zij voelde zich onderaan bungelen, terwijl Sadi zich bovenaan bevond. In 1964 werd hij vanwege zijn functies op de ambassade en bij het Institut Néerlandais gevol­ machtigd minister en in 1967 permanent vertegenwoordiger van Nederland bij de UNESCO.57 In tijden van nood kon ze echter altijd een beroep op hem doen en de liefde ging nooit helemaal over. Zijn eerste minnares was ze niet meer, op de ambassade en bij het Institut Néerlandais waren voldoende andere kandidaten te vinden.58 Hij gedroeg zich in deze niet anders dat de Franse sociale code voorschreef, iedere man met een beetje aanzien hield er een of meer maîtresses op na. Men wist het, maar zweeg erover. Een Franse echtgenote accepteerde dit om haar status te behouden en dat was ook de keuze van zijn Gisèle.

Ten prooi aan acteren Rond 1973 legde Josepha haar journalistieke pen neer, al bleef ze sporadisch schrijven voor toeristische en gastronomische bladen. Dankzij een regeling had ze zich kunnen ‘inkopen’ in het Nederlandse aow-stelsel.59 Ze zat nu meer thuis dan voorheen, tenzij ze naar de Bibliothèque Nationale ging. Door de ruimte die in haar dagen kwam, bloeide er een oude wens in haar op: op het toneel staan. Als kind had ze al actrice willen wor­ den, maar haar vader vond dat een onbetamelijk beroep. Tijdens bezoeken aan het theater had ze vaak gedacht: waarom sta ik daar niet? Begin 1974 zag ze een advertentie in de krant voor toneellessen, waarvoor ze zich in een impuls aanmeldde. Het ging om instructie van de acteur en film- en theaterregisseur Jean Darnel in het Théâtre Hébertot. De overige leerlingen waren jonge mensen die droomden van een glansrijke acteurs­ carrière.60 Zij veronderstelden dat deze oudere vrouw een volleerd actrice was. Tijdens de lessen ontpopte ze zich als een natuurtalent, aldus haar eigen versie van de gang van 54. ‘Sadi klaagt nog veel en hij ziet er ook niet goed uit, ziekte, baan en meer dingen hebben hem de laatste jaren zeer veranderd, het was zo’n leuke jongen, hij heeft zorgen en staat op die afschuwelijke sociale ladder…. En ik op de onderste tree.’ JM aan Dinaux, 17november 1955, LM. 292

55. JM aan Dinaux, 17 aug. 1965, LM. 56. JM aan Dinaux, 28 april 1960, LM. 57. Seggelen, André van. (1985) ‘Sadi de Gorter: doctor honoris causa in Straatsburg’, in: Ons Erfdeel, jaargang 28, nr. 1 januari / februari. (via www.dbnl.org). 58. Over de reputatie van Sadi de

Gorter spraken Hanna Stouten, Annelys Meijer, Evelyne Mendels en Rudi Wester. 59. Mededeling Evelyne Mendels, 2010. 60. Brusse, Jan. (1975) ‘Qui mal y pense’, in: Elseviers Weekblad, april / mei 1975.

zaken, omstanders verbazend met haar instant reacties en mogelijkheden. Lachen en huilen op commando kostte haar geen enkele moeite, dat liet ze ook horen aan Alice Oppenheim die in 1976 een radiointerview met haar maakte.61 Repertoirekennis had ze niet, maar wanneer iemand een verhaallijn voor haar uiteenzette, improviseerde ze erop los. Haar toneelleraar Darnel zou volgens haar na twee maanden lessen weinig meer voor haar kunnen doen.62 Er volgde een periode van zoeken naar mogelijkheden voor een rol. In haar geval niet eenvoudig, want ze kon geen tekst onthouden. Via een uitzendbureau voor acteurs hoorde ze van een toneelstuk van de 26-jarige regisseur Pierre Sala. Een vrouw tussen de vijftig en zeventig jaar zou hij zoeken, maar toen ze contact met hem opnam, bleek hij die al gevonden te hebben. Toch mocht ze auditie doen, samen met de reeds gekozen professionele actrice. In zijn Théâtre des Mathurins auditeerde ze, op zijn verzoek een boos kind en een droevige oude vrouw spelend. De dag erna hoorde ze, dat de voorkeur naar haar uitging. In het avant garde toneelstuk, Grenouille, was er een dragende rol voor een oudere vrouw weggelegd. Naast haar waren er drie geklede blanke mannen, een naakte vrouw, een naakte zwarte man, een hond en 200 kikkers op het toneel. Het voordeel voor Josepha was, dat er geen vaste tekst voor de rol klaarlag, ze mocht improviseren. Er was geen lineaire verhaalontwikkeling, maar Sala maakte een voorstelling over melancholie, herinneringen aan vroeger tijden, over momenten en plaatsen die bepalend waren geweest voor iemands latere leven te midden van eigenaardige objecten zoals een vishengel, een treinrails waarvan de twee sporen in de horizon bijeenkomen en een picknickmand. Dertig dagen achter elkaar speelde zij deze bizarre rol in het Théâtre des Mathurins, een van de vele kleine, smaakvolle theaters van Parijs. De tweehonderd kikkers werden dagelijks vers aangevoerd vanuit een laboratorium, ze kropen over haar nek en schou­ ders. De volgende ochtend werden de uitgedroogde exemplaren tussen de stoelen van­ daan gevist. Ze verzon tekst, zong Nederlandse kinderliedjes, riep ‘Hup Ajax’, zegde de tafels van vermenigvuldiging op en improviseerde op het einde van haar roman Rolien en Ralien, waarin het hoofdpersonage beschreven ansichtkaarten voorleest. De recen­ sent van de Franse krant Le Monde meende dat ze Vlaams uitkraamde, maar kon het merendeel niet horen.63 Wanneer er bekenden in de zaal zaten, converseerde ze daar­ mee, als onderdeel van het stuk: ‘Antoinette, kun je mij verstaan?’ riep ze eens naar haar vriendin Annemie van Weert. 64 Josepha kwam op in een rood fluwelen gewaad maar was ook in haar onderjurk te zien, wat voor haar zelf geen punt was, maar waar­ van het publiek gezien haar leeftijd wel even opkeek. Acteren was voor haar ronduit bevrijdend en van gêne had ze nooit last gehad. Tijdens het spelen kon ze zichzelf verlaten, uit zichzelf stappen. Het was niet te vergelijken met het eenzame schrijven, het zoeken naar inspiratie of het gedoe met schrijfmachinelinten. Acteren was schitteren zonder alle moeite die onlosmakelijk met het schrijven was verbonden.

61. Oppenheim (1976). 62. Oppenheim (1976). 63. Cournot, Michel. (1975) ‘Grenouille de Pierre Sala’, in: Le Monde, 8 april 1975. 64. Mededeling Annemie van Weert, 2006. 293

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

1975, als actrice in Grenouille Het was vermoeiend, maar ik vond het verrukkelijk. En ik kan het nog zeggen als ik morgen weer op de scène sta. Dat ik weer datzelfde gelukkige gevoel zal hebben iemand anders te zijn, uit mezelf weg te lopen. Heerlijk is dat. […] Dat kan schrijven je niet brengen. 65 In een Franse krant liet ze optekenen dat haar fysieke en mentale evenwicht gevaar zou lopen als ze geen gehoor zou geven aan haar krachtige roeping.66 ‘Cette vieille dame est en proie à une fureur de jouer’, noteerde l‘Aurore.67 In Nederland was vooral aandacht voor het smakelijke verhaal van een oudere schrijfster die haar toneeldebuut maakt. Bladen als Panorama en Viva wisten haar ineens te vinden. Na dit succes op de planken had Josepha de smaak te pakken. Ze stortte zich als een leeuw op haar nieuwe bezig­ heid. Niet alleen zorgde ze dat ze ingeschreven stond bij het uitzendbureau voor acteurs, ze belde nu ook producenten van films en stukken die in voorbereiding waren.

65. Oppenheim (1976). 66. Grey, Michel. (1975) ‘La fureur de jouer de Josepha…’, in: L’Aurore, 28 mei 1975. 67. Grey (1975). 294

Hoofdstuk 10 ‘Omdat ik zeg wat ik te zeggen heb, ben ik er bij die domme Haagse Post alweer uitgegooid’

Ze wist dat ze alleen dan een kans maakte tussen de 3500 werkzoekende acteurs die Parijs rijk was. Door haar leeftijd kwam ze voor veel producties niet in aanmerking, maar was ze juist uitermate geschikt voor heel andere. Een wat eigenaardige voorwaar­ de was, dat er geen of zeer weinig tekst aan een rol moest vastzitten. Dialogen kon ze niet uit haar hoofd leren, maar die zouden er dan ook met een zwaar noordelijk accent uitkomen en dat was zelden op zijn plaats in een stuk. Dood liggen op een podium, waarvoor ze tenslotte gevraagd werd, was haar evenwel te min. ‘Neem daar maar een lijk voor’, adviseerde de kersverse actrice.68 Toch kwamen er een paar succesjes, rollen die net boven het niveau van figuratie uitstaken en die voor haar zwaar wogen. Ze speelde in de tv-komedie Petit déjeuner compris (1980), die in een Parijs’ hotel speelde; een rol in de boekverfilming La Marge als zwijgende antiquair en verschillende kleine­ re rollen in de tv-serie La dame des dunes in de sfeer van marktkoopvrouw, manke vis­ sersvrouw en huilende Spaanse echtgenote. Een optreden in Nederland zou de kroon op haar carrière zijn, het leek haar erg mooi om in haar vaderland te debuteren op de bühne. Dat ze zeven maanden na haar Parijse debuut nog geen aanbieding uit Neder­ land had ontvangen, viel haar dan ook nogal tegen.69 Op eigen initiatief kwam ze in contact met Albert Vogel, de man die in de jaren vijftig en zestig naam had gemaakt als voordrachtskunstenaar. Hij las op theaterpodia literaire passages voor van onder meer Couperus, zijn grote hartstocht, Tjechov, Flaubert en Andersen en bracht die zo tot leven. Contact had hij met Josepha over een stuk dat zij met haar leraar Jean Darnel had bedacht voor het Nederlandse publiek. Het zou een tweespraak tussen hen beiden zijn, zij omschreef het als ‘de hypnose van een man (J.D.) die een vrouw (J.M.) in de uiterste spanning van acteren-improvisatie kan brengen.’70 Vogel, toen bestuurslid van de Haagse Kunstkring, had enthousiast gereageerd, maar hij kreeg de rest van het bestuur er niet warm voor. 71 Zo kreeg Nederland haar vergeten schrijfster niet op de planken te zien, maar het acteren bracht haar en Berthe een enorme hoeveelheid hilari­ sche gespreksstof die ze links en rechts uitventten tijdens hun vakanties en hotelbezoe­ ken in die jaren. In dezelfde periode werden Josepha en Berthe hechter en hechter, terwijl om hen heen – ooit – dierbaren het leven lieten. Hubje, Berthes moeder, overleed in 1963 na een kort ziekbed. Een schokkende dood had Harmen Meurs, die in 1964 vereenzaamd overleed door een val van de trap in zijn huis op 73-jarige leeftijd. Zijn laatste worsteling was zichtbaar in de vorm van bloedsporen die leidden naar de telefoon die in de hal hing. Berthe spoedde zich naar Nederland om de begrafenis te regelen. Zij zorgde voor de verkoop van het huis, hun geliefde, zelfgebouwde schilderswoning in Speuld, en de verdere afhandeling van de nalatenschap. Meurs liet aan haar de schilderijen na die hij tijdens hun huwelijk had gemaakt.72 Kaai, Josepha’s geliefde minnaar, stierf in 1966. Enkele dagen voor zijn overlijden had hij zijn tachtigste verjaardag nog gevierd, en Josepha had hem zoals altijd een vrolijke felicitatiebrief gestuurd vol herinneringen aan hun seksuele avonturen.73 Als cadeau voegde ze een foto van zichzelf toe, gezeten op een zonnig balkon met ontbloot bovenlijf. De brief was geadresseerd aan zijn kantoor

68. Etty (1986). 69. Oppenheim (1976). 70. JM aan Albert Vogel, 16 februari 1979, Familiearchief Anting Vogel.

71. Albert Vogel aan JM, 14 maart 1979, Familiearchief Anting Vogel. 72. Briefwisseling Berthe Edersheim met JM, 1964.

73. Deze alinea is gebaseerd op gesprekken met M.L. RozelaarChevallerau, 2009.

295

IV 1950–1974 A rmlastig bestaan tussen bellettrie en journalistiek

in de Diamantbeurs, dat hij nog altijd had aangehouden. Hem bereikte de brief niet meer, maar toen zijn zoon Hans de post van het kantoor van zijn vader ophaalde en aan zijn moeder overhandigde, had hij kunnen weten dat hij een fout beging. Deze kersver­ se weduwe, die altijd geweten had van het overspel van haar man, walgde van wat haar onder ogen kwam toen ze Josepha’s brief opende. De zoon informeerde ook Josepha over de dood van zijn vader. Ze was verdrietig over Kaais dood. Mijn eerste, Kaai (80), is zojuist gestorven […]. Het doet me wel wat. [Hij is] keurig geweest en heeft zijn zoon ingelicht om het mij te berichten die volgens goede bourgeois gebruiken de correspondentie van mij naar hem (plus talrijke naaktfoto’s) heeft vernietigd.74 Josepha vroeg de zoon op een dag naar Den Haag te komen waar ze toen verbleef. Nu Kaai overleden was, was ze niet alleen een vriend kwijt, maar ook was er niemand meer die voor haar financiën en verzekeringen zorgde en optrad als contactpersoon voor de oorlogsuitkeringen. Omdat de zoon van Kaai kennis van zaken had, vroeg ze hem deze taak voortaan te vervullen. De man weigerde beleefd.75 Niets stond een relatief rustige oude dag in de weg, met een kleinkind op komst, waar zowel Berthe als Josepha zich hevig op verheugden. Maar dan had ze buiten Henk Struyken Boudier gerekend, de neerlandicus die in 1977 een boek over Anna Blaman voorbereidde. De Rotterdamse schrijfster, die in 1960 was overleden, was nog altijd populair. De samensteller was in de nalatenschap gestuit op de gezamenlijke roman van Blaman en Mendels van begin jaren vijftig, die na vijf hoofdstukken onvoltooid was gebleven. Met een inleiding zou die ‘roman’ mooi opgenomen kunnen worden in Anna Blaman Fragmentarisch. Per brief verzocht Struyken Boudier om toestemming aan Mendels en ook vroeg hij of er nog correspondentie bewaard was tussen de schrijfsters. Struyken Boudiers uitgever, Laurens van Krevelen van Meulenhoff, raakte geïnteres­ seerd in deze vergeten collega van Blaman en reisde naar Parijs om haar te ontmoeten.

74. JM aan Dinaux, 22 september 1966, LM. 75. Mededeling M.L. RozelaarChevallerau, 2009. 296

HOOFDSTUK 11 Een tweede roem

DEEL V 1975–1995 Een tweede roem

Laurens van Krevelens reis naar Parijs, eind jaren zeventig, viel midden in de tweede feministische golf. In Europese landen en in de Verenigde Staten waren jonge linkse vrouwen er zich meer en meer van bewust geworden dat hun positie in de maatschappij afgeleid was van mannen. Joke Kool-Smit vatte die situatie samen in ‘Het onbehagen bij de vrouw’ uit 1967 dat vooral gelezen werd door hoger opgeleiden.1 Dit essay wordt wel gezien als het begin van de tweede feministische golf. De centrale boodschap was dat vrouwen zich bewust moesten worden van ‘de politieke dimensie van het persoonlijk leven’.2 De beweging kenmerkte zich door een sterke behoefte aan inspirerende teksten, die per fase van elkaar verschilden. In het beginstadium ging men op zoek naar de representatie van onderdrukten in bronteksten van het socialisme en het marxisme.3 Vervolgens stond de actuele maatschappelijke positie van vrouwen centraal in publicaties van onder andere Betty Friedan, Shulamith Firestone en Kate Millet. In een volgende fase kwamen persoonlijke ervaringen in het centrum van de bewustwordingsbeweging te staan. In 1976 verscheen De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt, een ervaringsboek waarin veel vrouwen zich herkenden, maar dat als tekstgenre moeilijk te plaatsen was. 4 Dat gold voor meer titels die niettemin hoge oplages haalden, zoals En dan is er koffie (1976) van Hannes Meinkema. Ook in het buitenland verschenen vergelijkbare boeken, die in Nederland werden uitgebracht. De vrouwenbeweging zou al snel verdeeld raken in radicale en minder radicale stromingen, die elkaar zelden vonden. Uit Kool-Smits publicatie volgde de oprichting van MVM, Man Vrouw Maatschappij. Kool-Smit en Hedy d’Ancona waren er de gangmakers. Zij wilden vooral via de politiek en in samenwerking met mannen de belangen van vrouwen behartigen.5 Een contrasterend initiatief betrof Dolle Mina dat vooral ludieke acties bedacht en mannen uitsloot. Een vehikel om bewustwording in deze jaren te vergroten was de praatgroep, overgewaaid uit de Verenigde Staten. Door persoonlijke ervaringen met elkaar te delen konden vrouwen de politieke dimensie ervan identificeren. Het was vernieuwend en onwennig om persoonlijke evaringen te gebruiken voor maatschappijkritiek, omdat die tot die tijd gebaseerd moest zijn op theorie.6 Het zelfbeeld van de vrouw en haar positie in het gezin waren in de eerste helft van de jaren zeventig de belangrijkste issues die hier besproken werden.7 Feministische vrouwen streefden naar een eigen wereld op eigen voorwaarden: 1. Smit, Joke. (1967) ‘Het onbehagen bij de vrouw’, in: De Gids, 130ste jaargang, nr. 9/10. 2. Brems (2005): 411. 3. Vries, Petra de. (2009) ‘Het onbehagen bij de Marx-club. Dolle Mina 1972–1973’, in: Oldersma, Jantine, Joke Swiebel, Petra de Vries (red.) Joyce,

weet je nog? Do you remember, Joyce? Amsterdam: Academic Women’s Press: 13–30. 4. Meijer, Maaike. (1993) ’15 oktober 1976: Anja Meulenbelt publiceert “De schaamte voorbij”. De tweede feministische golf en de literatuur’ in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen

(red.) Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Groningen: Martinus Nijhoff: 819–825. 5. Vuijsje, Marja. (2008) Joke Smit. Biografie van een feministe. Amsterdam: Atlas: 219–220. 6. Costera Meijer (1996): 266. 7. Costera Meijer (1996): 269. 299

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

[…] de mannenwereld deugt niet, wij kunnen er niets beginnen. Alle strukturen en omgangsvormen blijken zo te zijn ingericht, dat wij vrouwen altijd het onderspit delven, en door mee te blijven doen houden we onze eigen onderdrukking in stand, erger nog, we zijn medeplichtig aan de onderdrukking en uitbuiting van andere vrouwen. 8 De consequentie van het opbouwen van een eigen wereld was kiezen voor vrouwen, ook op relationeel gebied. Deze oproep kreeg een dogmatisch karakter omdat het vrouwen die gelukkig waren in de heteroseksuele liefde niet serieus nam, hen zelfs beschuldigden van een ‘vals bewustzijn’, evenals vrouwen die in het lesbische minder goede ervaringen hadden.9 Het onder elkaar zijn met vrouwen was in de jaren zeventig een veelbeproefd middel om ervaringen uit te wisselen, plannen te smeden en anderen te leren kennen. Men kwam samen in cafés, vrouwenhuizen en thuis. Josepha Mendels zou in 1979 worden uitgenodigd om aan zo’n bijeenkomst mee te doen. Het betrof een samenzijn op niveau en was ‘in een dronken nacht’ ontsproten aan de gedachten van journalist Emma Brunt en vertaler Gerda Meijerink.10 Zij organiseerden in november 1979 een weekend op landgoed Den Treek voor vrouwen uit voornamelijk de media die hun nek in feministische zin hadden uitgestoken.11 Onder andere Elly de Waard, Aukje Holtrop, Ageeth Scherphuis, Doeschka Meijsing, Christien Brinkgreve, Frida Balk-Smit-Duyzentkunst, Joke Kool-Smit, Renate Rubinstein en Hilda Verwey-Jonker stonden op de lijst van genodigden. Meijerink koos als naam Het Gezelschap van Geleerde Vrouwen, die ze leende van Andreas Burniers essaybundel Poëzie, jongens en het gezelschap van geleerde vrouwen (1974). Burnier was ook degene die Meijerink tipte om Josepha Mendels uit te nodigen. Men kende haar niet. Het was nog een hele klus om de gasten bij elkaar te krijgen. Sommigen wilden niet komen omdat anderen waren uitgenodigd. De uitnodiging van Vrij Nederland-columnist Renate Rubinstein, die overigens afzegde, werkte averechts. ‘Deftig kwaken en zelf niets laten zien’, was wat zij volgens een andere genodigde louter deed.12 Ook het idee dat alle deelnemers een stelling moesten inleveren, leidde tot protesten. Een aantal vatte dit op als een bevel.13 Mendels leverde zonder verzet een stelling, drie zelfs. Zij schreef onder andere dat het hedendaags feminisme aan ‘schromelijke overdrijving’ leed en dat individuele vrijheid en gelijke rechten voor veel vrouwen maar holle frasen waren. Ook stelde ze dat sommige vrouwen het nu eenmaal heerlijk vonden om gekoesterd te worden door een man ‘als een poes in de zon, onwetend van de dagelijkse ondergang van deze planeet’. Deze vrouwen moesten met rust gelaten worden, vooral die in Frankrijk.14 Mendels maakte tijdens het weekend een goede indruk. Een van de aanwezigen karakteriseerde haar na afloop: 8. Baalen, Anneke van. (2003) ‘Tien jaar radikale vrouwenbeweging of: haalt de radikale vrouwenbeweging 1984?’, in: Brusterschap. Memoires artikelen 1971–1997. [z.p.] De Bonte Was. Oorspr. Vrouwenkrant nr. 71, maart 1981. 9. Costera Meijer (1996): 270–271. 10. Informatie over het Gezelschap 300

van Geleerde Vrouwen is gebaseerd op een gesprek met Gerda Meijerink in 2014 en op het bescheiden archief van dit gezelschap, dat zich bij Meijerink bevindt. 11. Ineke van Mourik aan Gerda Meijerink, 17 oktober 1979. Van Mourik zegde af. 12. Ibidem.

13. Het betrof Maaike Meijer, Ineke van Mourik en Andreas Burnier. [Onbekend] aan Gerda Meijerink, 19november 1979. 14. JM aan Meijerink, 13 november 1979.

Foto uit voorzorg verwijderd. De entree van Josépha Mendels was grandioos. Veel beweging en rap gepraat over deugdelijke en ondeugdelijke hotelkamers. Voor hoteliers en obers moet het een erg moeilijke vrouw zijn. Ze had permanent ruzie met directeur Lith. 15 Ook Joke Kool-Smit was van de partij. Ze had zich niet verzet tegen het verzoek een stelling in te leveren. Zij had zich erop uitgeleefd en schreef twee pagina’s over de plichten van de vrouwelijke intellectueel die voorgelezen moesten worden. ‘Joke Smit kent het klappen van de machtszweep.[…] God beware dat alle vrouwen over dat soort technieken gaan beschikken.’16 Een van de onderwerpen die tijdens het weekend ter sprake kwamen, was de vraag of vrouwen andere vrouwen voor zich mochten laten werken. Een aantal aanwezigen had er ervaring mee dat zij zelf achter de typemachine zaten, terwijl er elders in huis een hulp met dweil en schoonmaakmiddel in de weer was. Deze situatie leidde bij veel vrouwen tot een schuldgevoel, omdat ze vonden dat ze een machts­ positie innamen. De noodzaak van de hele discussie ontging Mendels volledig. Mijn god, ik heb eens meegemaakt dat een paar vrouwen urenlang praatten over hun werkster. Dat ze zich schaamden dat zij zaten te tikken terwijl de werkster het huis schoon hield. Wat is dat nou voor nonsens. 17 15. Ibidem. 16. Ibidem. 17. Holtrop (1981). 301

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

Het weekend was een succes en een half jaar later kwam er een tweede, opnieuw in Den Treek. Mendels was wederom van de partij en ditmaal had ze Berthe meegenomen, die zich tijdens de discussies in het bos ophield maar wel aanzat bij de maaltijden. Iedere deelnemer werd deze keer gevraagd zich te presenteren met een voor haar belangrijke tekst. Mendels deed dat met een verhaal waarin ze een relatie legde tussen de doctorstitel van haar vader en de aanval van de mazelen die ze als kind kreeg. ‘Toen ik mazelen had begreep ik dat die mazeltjes op mijn lijf allemaal letters waren waarvan mijn vader me zou genezen. Hij was immers dokter in de letteren.’18 Het maakte een diepe indruk op taalkundige Frida Balk-Smit Duyzentkunst. Een andere gast was Hella Haasse, die de aanwezigen verbaasde met een openhartig betoog over haar stroeve huwelijk. De tweede dag van dit weekend viel volledig in duigen omdat de zaterdagavond en waarschijnlijk -nacht was gebruikt om flink in te nemen. Gast Etty Mulder, die de nacht thuis had doorgebracht en zondagochtend terugkeerde naar Den Treek, moest constateren dat iedereen ‘strontzat’ was, en dat er van een discussie geen sprake meer kon zijn.19 Met de bijeenkomsten van het Gezelschap van Geleerde Vrouwen had Mendels zichzelf handig en moeiteloos op de feministische kaart gezet. Ze maakte kennis met vrouwen die haar pad in de jaren tachtig vaker zouden kruisen. Dankzij haar afwijkende visie op het feminisme kon ze niet ingedeeld worden in het ene of het andere kamp. Ze was verfrissend en trok zich niets aan van controverses en ideologieën waarin anderen hun posities probeerden te bepalen.

Meulenhoff De kennismaking tussen Van Krevelen en Mendels in 1979 was ondertussen uitstekend verlopen. Zij had een zeker wantrouwen opgebouwd ten opzichte van uitgevers, maar deze man, een jonge, beschaafde directeur van een prestigieuze uitgeverij die naar haar toe kwam, beviel haar meteen. Hij had het complete oeuvre gelezen en was daardoor enthousiast geraakt. Van Krevelen had een voorliefde voor het surrealisme en vond dat in haar werk terug. Die liefde deelde hij vanaf het begin met de schrijfster. Het aantrekken van Mendels als auteur paste bovendien in de strategie van de uitgeverij.20 In die jaren was het lastig om debutanten in de markt te zetten. Van Krevelen, die de ambitie had om het Nederlands aandeel in het van oudsher om zijn buitenlandse uitgaven gerenommeerde fonds op te vijzelen, was op zoek naar auteurs die zich in het verleden bewezen hadden. Hij vond Mendels daar heel geschikt voor, niet alleen vanwege haar actuele oeuvre, maar ook vanwege haar sprankelende persoonlijkheid waarvan hij meteen onder de indruk was. Zij zou het op radio en televisie goed doen. Als eerste roman die in aanmerking kwam voor heruitgave koos hij Als wind en

18. Balk- Smit Duyzentkunst, Frida. (2005) ‘Geleerden in Den Treek’, in: Over en Weer. Amsterdam UP: 26. 19. Mededeling Etty Mulder, 2014. 20. Deze alinea is gebaseerd op een gesprek met Van Krevelen, 2005. Zie 302

voor de geschiedenis van uitgeverij Meulenhoff ook: Krevelen, Laurens van. (2006) ‘Een huis tussen markt en moed. Biografische schets van het literaire fonds van uitgeverij J.M. Meulenhoff 1906–2000 met een epiloog

over de jaren 2001–2005’, in: Dorleijn, Gillis J. & Kees van Rees (red.) De productie van literatuur: het literaire veld in Nederland 1800–2000. Nijmegen: Vantilt: 143–197.

rook, Mendels’ meest feministische roman die goed in de tijdgeest paste. In de jaren tachtig nam het aantal echtscheidingen, een van de thema’s van de roman, fors toe.21 Omdat zij een vergeten auteur was, besloot Meulenhoff de uitgave van de roman te begeleiden met een monografie. De schrijver en journalist Max Nord kreeg de opdracht die te schrijven. Nord had voor de oorlog in Parijs gestudeerd en er als correspondent na de oorlog een aantal jaren gewoond. Ook schreef hij een biografie van Luigi Pirandello, waarvan in 1977 een herziene herdruk was verschenen. Nord was een paar dagen te gast in Parijs, waar Josepha Mendels honderduit met hem sprak. Hij schreef alles op, maar controleerde de feiten niet. Om die reden bevat het boekje slordigheden en onjuistheden.22 Aan de tekst is te merken dat Nord zich geen raad wist met deze vrijgevochten vrouw, die over haar verhoudingen met getrouwde mannen even gemakkelijk sprak als over haar tijd als actrice. Hij vond haar luchthartig en opgewekt, maar keek niet verder, terwijl hij zich terdege bewust was van het drama dat haar overkomen was. Nord: ‘Die hele oorlog in Londen heeft ze allemaal heel opgewekt beleefd. Nooit een spoor van angst over wat er in Holland gebeurde. Na de oorlog hoort ze dat de hele bliksemse boel is vergast. Je leest er niks over terug in haar werk.’23 Zijn onbegrip voor haar is eveneens zichtbaar in de kwestie over het vaderschap van De Gorter. Nord kende De Gorter persoonlijk, hij kwam bij hem thuis. Het was de bedoeling dat in de monografie zijn aandeel in Eric in de openbaarheid werd gebracht. Maar daar stak Mendels op het laatst een stokje voor.24 Voor Nord was dat achteraf heel onbevredigend. ‘De ontevredenheid was dat een belangrijk beeld uit haar leven moest ontbreken, de vader van haar zoon. Het betekent net iets meer als je hem kunt noemen en karakteriseren.’25 Uit genoegdoening publiceerde hij de naam alsnog in zijn eigen autobiografische geschrift.26 De auteur van de monografie had het echter al erg bont gemaakt bij Mendels door te vragen waarom ze niet voor kunstmatige inseminatie had gekozen toen ze na de oorlog een kind wilde. Voor de vrouw, die perse een

21. http://statline.cbs.nl/StatWeb/ publication/?VW=T&DM=SLNL&PA =37425ned&D1=3-9&D2=0,10,20,30, 40,50,58-l&HD=120104-1512&HDR= G1&STB=T 22. Ik ontwaarde de volgende slordigheden: Oosterstraat 68a (8) in plaats van 62a. Mizzachist (9) in plaats van mizrachist. De echtgenote van Josef Cohen was geen zanglerares (11) maar onderwijzeres in nuttige handwerken. De familie Rozelaar keerde niet terug uit Ierland (18), maar uit Engeland. Het adres van het Zwaluwnest was niet de Paviljoensstraat (20), maar de Paviljoensgracht. Mendels vluchtte in de oorlog niet naar Cliouselat (31), maar naar Cliousclat. De passeur ontmoette ze niet in Saint Laurent de Cerdagne (31), maar in Saint Laurent de Cerdans. In het bijschrift op pagina 33 staat op de tweede regel tweemaal

Ada, de eerste moet zijn Edith. Josepha kwam in Engeland niet in een voormalig joods doofstommeninstituut terecht (48), maar in de Royal Victorian Patriotic Schools, een voormalig internaat voor weesmeisjes van vaders die in de Krim-oorlog waren gesneuveld. Josepha begon in Engeland niet op de Franse afdeling van de Rijksvoorlichtingsdienst (48), maar bij de radioluisterdienst. Sadi de Gorter, aangeduid als ‘een vriend’ had voor de oorlog niet vrouw en kinderen (48), maar vrouw en kind, zijn dochter Jacqueline. Het anti-ongedierte middel dat destijds veel gebruikt werd heet niet flytax (54) maar flytox. Mendels schreef Je wist het toch… niet in Montfort l’Amaury (55), het was toen al praktisch af. De brief van Judica Mendels aan Donkersloot die hij aantreft in het Letterkundig Museum schrijft Nord toe aan Josepha

(59), terwijl ze zich nooit heeft beziggehouden met het vertalen van gedichten uit het Engels, een taal die ze heel slecht beheerste. Niet Josepha (67), maar Sadi de Gorter kwam na de oorlog in een militaire jeep onverwachts bij Berthe Edersheim op bezoek. 23. Mededeling Max Nord, 2006. 24. In zijn memoires beschrijft Nord de toedracht. De Gorter mocht kiezen welke foto er van hem en Eric in de monografie kwam. Op de ene foto keek De Gorter weg, op de andere naar het kind. De Gorter koos de eerste en Mendels werd daar zo kwaad over, dat ze hem uit het boekje wilde. Nord, Max. (1998) Achterwaarts: memoires. Amsterdam: Meulenhoff: 186. 25. Mededeling Max Nord, 2006. 26. Nord (1998).

303

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

kind wilde van een man vanwege haar liefde voor hem, was dit een heel pijnlijke vraag. Mendels schreef hem een bizarre brief, waarin ze uitlegde hoe ze tot de keuze voor een vader was gekomen. Als onaf hankelijke vrouw wilde ik al jong, werken èn een zoon of dochter. Het liefste toch een zoon. Door allerlei omstandigheden had het feest niet te vroeg, maar zeker ook niet te laat plaats. Ik inviteerde hiervoor twee dozijn mannen, namelijk een Roodhuid, twee Amerikaanse negers, een Albino (moeilijk te vinden), twee Zeeuwen, een jonge vent uit de Achterhoek, een intellectueel uit Rottumeroog. Verder nog een rasechte Vlaming, vijf Fransen, uit de Midi, Afrika, Corsica, Roubaix en St.-Dyé-sur-Loire. Drie Israëliërs uit Eilat, een Spanjaard met wie ik in de gevangenis van Figueras had kennis gemaakt, een Duitser uit Neurenberg die mij op ‘t laatste ogenblik een telegram zond… het spijt me zo maar uw naam is te joods, ik word vervangen door de zoon van ra[b]bijn C., een Deense dominee uit Elsenör, twee Engelsen uit Maidenhead, voormalige buren van koningin Wilhelmina tijdens de tweede wereldoorlog, een Portugees uit de Algarve en een notabele uit het Griekse eiland Mykonos. Ze vormden tezamen een kring zoals op kinderpartijtjes en liepen hand aan hand in ’t rond, al zingende, Wie zal er toch het vadertje worden? Ik stond geblinddoekt in het midden, toen er een belletje luidde moest ik een van hen aanraken, de keuze was bepaald, gejuich en gehuil, drie en twintig gingen onverrichter zake huiswaarts. 27 Het gebrek aan chemie tussen Nord en Mendels is zichtbaar aan de ontvangst van de monografie. Men vond de publicatie tegenvallen en verweet Nord een gebrek aan nieuwsgierigheid.28 Ook Mendels vond het geen goed boek, schreef ze aan Annelys Meijer: Een ‘onaf’ portret helaas, veel te grappig, veel te oppervlakkig, maar welke biograaf kan tot in de diepe afgronden van zijn ‘slachtoffer’ wroeten? Wat er niet of verkeerd in staat, weet jij wel. 29 In het exemplaar voor Geerte van de Groep, een studente die een scriptie over Mendels schreef, noteerde ze: ‘een moreel geschonden biografie, ter bevordering van de verkoop.’30 Waarom Mendels, op een van deze zeldzame momenten in haar leven, niet is opgestaan tegen deze zwakke publicatie is onduidelijk. Wilde ze haar nieuwe uitgever niet tegen zich in het harnas jagen? Was ze te trots dat er een boekje over haar werd geschreven? Of wilde ze de verkoop inderdaad niet dwarsbomen?

27. Nord (1981): 56–57. 28. Pouw, Marjolijn. (1981) ’Ze willen me niet’ [Bespreking van: Welkom in dit leven en Max Nord, Josepha Mendels: Portret van een kunstenaar], in: NRC 304

Handelsblad, 18 december. 29. Opdracht van JM in exemplaar Annelys Meijer, december 1981. 30. Mededeling Geerte van de Groep, 2005.

Schrijfster met zevenendertig paar schoenen In de loop van de jaren tachtig werd Mendels een bekendheid en dat leidde ertoe dat ze gevraagd werd voor interviews. Het belangrijkste was zonder meer de radiouitzending Tony van Verre ontmoet… Josepha Mendels. Als ondertitel koos hij: ‘Uit het leven van een winterharde laatbloeier’.31 Van Verre maakte in de jaren tachtig zijn veelbeluisterde interviewreeks die op zondagochtend werd uitgezonden. Zodoende was Mendels acht weken lang elke zondag een half uur te beluisteren. Het programma werd gemonteerd als een lange monoloog, zonder tussenkomst van de interviewer. Hij omschreef de keuze voor deze gast als volgt: Uit eerdere gesprekken met anderen heb ik ervaren, dat een zonnige kijk op het leven door alle duisternis heen, zelfs met de dood voor ogen, het meest aanslaat bij luisteraars. Er bestaat in deze tijd vooral behoefte aan levensdurf. Dat heeft Josepha bijna tachtig jaar lang aan de dag gelegd en daar praat zij over. 32 Tussen Van Verre en Mendels was sprake van chemie. Mendels kwam naar de studio in Hilversum waar hij heel uitgebreid met haar sprak over zeer uiteenlopende onderwerpen die de auteur recht doen. Haar jeugd kwam vanzelfsprekend ter sprake, de weerzin tegen de joodse opvoeding, haar tijd als kindermeisje en als directrice van het Zwaluw­ nest. Daarna haar verhuizing naar Parijs, haar eerste schreden op het journalistieke pad, de oorlog en later. Het radioportret stelde de auteur in staat voor de derde of vierde keer uitgebreid op haar leven terug te blikken. In dit gesprek is het verschijnsel van het stollen van jeugdherinneringen merkbaar. Wanneer ze spreekt over haar jeugd, lijkt ze haar roman Rolien en Ralien na te vertellen. Na dit interview zal ze veel passages in min of meer dezelfde bewoordingen herhalen. Dit geldt vooral voor haar jeugd. Die jaren waren voor haar de meest waardevolle van haar leven geweest en ze bleef ernaar terug verlangen. Zoals bij veel ouderen werden herinneringen aan de jeugd sterker naarmate ze ouder werd, terwijl recente ervaringen minder beklijfden. Mijn jeugd heeft een diepe indruk op me gemaakt. Hoe ouder je bent, hoe makkelijker je daaraan denkt. Soms weet ik niet meer wat ik eergisteren heb gedaan, ik moet daarvoor in mijn agenda kijken, maar ik weet wel wat ik in augustus 1914 deed toen de oorlog uitbrak. Ik zat in Zandvoort met mijn moeder en we zijn naar huis gegaan. Mijn fietsen, mijn kamers, dat is wat ik me herinner. 33 Een aantal herinneringen refereert aan haar jeugdroman Rolien en Ralien. Omdat ze haar echte jeugdherinneringen in 1940 te boek had gesteld, waren de diepte en de rijkdom ervan gestold in de tekst. ‘Once they have been textualized, memories lose their potential: there is no way back to an original memory when writing has done its work.’34 Hoe een interviewer met haar woorden omging, luisterde nauw. En het bleek dat niet iedereen in staat was Mendels’ woorden in een geschreven tekst om te zetten die haar 31. Van Verre (1982). De uitzending werd herhaald in 1989. 32. Oliemuller, Ton. (1982) ‘Schrijfster

Josepha Mendels praat met een lach over de tragiek in haar leven’, in: Het Binnenhof, 18 maart.

33. Cartens (1981a). 34. Michael Sheringham geciteerd in King (2000): 175. 305

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

goedkeuring kon wegdragen. In 1981 werd zij geïnterviewd door freelance journaliste Marscha van Noesel. Zij wilde het stuk aanbieden aan Opzij. In de tekst was een passage terecht gekomen over Mendels’ moederschap. Van Noesel noteerde dat Mendels uit wraak op de Duitsers een kind wilde. Woedend was ze over die interpretatie. Zo woedend, dat ze meteen Cisca Dresselhuys, de hoofdredacteur van Opzij, belde. Mendels vond dat iemand die dergelijke dingen over haar schreef, haar zo slecht begreep, dat ze niet over haar kon schrijven.35 Het verhaal bleef ongepubliceerd. Dezelfde toorn kreeg Anja Meulenbelt over zich heen toen zij Mendels in 1984 interviewde voor haar boek Wie weegt de woorden (1986). Meulenbelt plaatste Mendels in de context van de vrouwelijke auteurs en vroeg zich af of vrouwen een andere manier van schrijven hebben dan mannen. Mendels was weinig gediend van dergelijke opvattingen. Ook al erkende ze dat er verschillen waren tussen mannen en vrouwen, zij wilde niet op een aspect van zichzelf vastgepind worden. Dat was haar te beperkt. Ik vind het vervelend als mijn boeken vrouwenboeken worden genoemd. Ik ben niet sektarisch. Het is een boek. Ze zouden ook nog kunnen zeggen, een boek van een joodse schrijfster, of van een schrijfster uit een intellectueel milieu, een schrijfster met zevenendertig paar schoenen. 36 Of dit de oorzaak is van Mendels weigering om het interview in het boek te laten opnemen is niet zeker. De concepttekst toont geïrriteerde aantekeningen van Mendels op verschrijvingen en misvattingen.37 In 1986 werd Mendels weer uitgebreid geïnterviewd. Dit keer was het uitgangspunt haar jeugd in Groningen. In een periode van enkele maanden liet ze zich interviewen door journalist Eddy Schaafsma, met wie zij door Groningen wandelde. De rest van haar leven kwam eveneens aan bod. Dit interview verschilt niet wezenlijk van veel andere vraaggesprekken. Toch eindigde ook deze tekst ongepubliceerd in een la, omdat Mendels geen toestemming voor publicatie gaf.38 Met Rudi Wester, die ook in 1986 met haar sprak, pakte ze het beter aan. Van te voren legde ze vast over welke onderwerpen niet geschreven mocht worden. Die betroffen Sadi de Gorter, haar zoon en schoondochter, haar abortus, seksueel getinte opmerkingen, haar destructieve neigingen en een aantal schrijfsters.39 Wester hield zich aan de afspraak en het interview verscheen met weinig wijzigingen. Televisie toonde eveneens interesse in de schrijvende dame naar aanleiding van de verschijning van de monografie en de bundel Welkom in dit leven. In 1981 was Josepha te gast bij het immer goedbekeken programma van Sonja Barend, destijds Sonja op Maandag. 40 Barend wilde weten waarom Mendels het altijd met getrouwde mannen hield. Mendels: ‘Dan was ik veilig. Hoefde ik niet te trouwen. […] En ik bewees zijn echtgenote een dienst. Als je altijd bruine bonen eet, wil je ook wel eens escargots.’ 35. Mededeling Marscha van Noesel, 2011 en verwijzing van Mendels naar dit interview in Van Verre (1982). 36. Meulenbelt [1984]. 37. De concepttekst bevindt zich in het archief van Atria kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. 306

38. In 2008 werd de tekst teruggevonden toen Herman Sandman informatie verzamelde voor zijn Arcadia der Poëten: Het literaire leven in Groningen 1945–2005. Groningen: Uitgeverij Passage en gepubliceerd in De Parelduiker, jrg. 13, nr. 1, 2008.

39. Rudi Wester aan JM, 4 oktober 1986. 40. Sonja op Maandag [televisieprogramma] VARA, 9 november 1981. Citaten afkomstig uit dit programma.

Het aanwezige publiek applaudisseerde om zoveel inlevingsvermogen. Ook haar volgende antwoorden verleidden de aanwezige gasten meermaals tot een applaus. Bijvoorbeeld wanneer Barend vroeg naar het moederschap op hoge leeftijd. ‘Was dat niet eng?’ ‘Nee’. En of er een voordeel was aan het feit dat er geen vader was, wilde de talkshowhost nog weten. ‘Geen vader is beter dan een aanwezige, afwezige vader,’ was het antwoord. Opnieuw applaus. Mendels’ leven, met de hoogte- en dieptepunten zoals dat naar buiten kwam in de monografie en in Welkom in dit leven, kreeg in de jaren tachtig een zekere amusementswaarde. Voor een gemiddelde kijker was haar levensloop ongewoon en moeilijk navolgbaar. Mendels voelde dit uitstekend aan en maakte er gebruik van. Ze positioneerde zich expliciet als een ongewone vrouw. Dankzij de herontdekking kreeg Mendels’ oeuvre een nieuw lezerspubliek. Twee stukken zetten de toon. Frida Balk-Smit Duyzentkunst prees Als wind en rook bij herverschijning in 1979 de hemel in. Zij sloeg Mendels hoger aan dan Anna Blaman en Carry van Bruggen en bestempelde Als wind en rook als een ‘superieure roman’. ‘Het zijn vooral [de] onverbiddelijke samenhang, het karakteristieke taalgebruik en de onweerstaanbare symboliek die dit doen. Daardoor is het een boek dat thuishoort in de klassieken van onze literatuur.’41 Mendels vertegenwoordigde in haar ogen een ‘savoir écrire […] Rolien en Ralien is de geschiedenis van het kind, de liefde en de taal. Als wind en rook is de geschiedenis van de vrouw.’42 Het andere stuk was van de hand van Elly de Waard. In een paginagroot artikel getiteld ‘De terugkeer van Josepha Mendels’ in de Volkskrant plaatst zij Rolien en Ralien in de traditie van de Bildungsroman van Alain Fournier en Valery Larbaud. Het bijzondere was, dat daar nog geen vrouwelijke variant van bestond. 43 Net als Balk-Smit Duyzentkunst verbaasde het De Waard, dat Mendels uit de literatuurgeschiedenis was verdwenen. ‘Het is haast onbegrijpelijk dat deze zeer gave, aan de verbeeldingswereld van meisjes gewijde, en door dit onderwerp en door de stijl waarin het geschreven is, klassieke roman niet een belangrijker plaats in de literatuurgeschiedenis inneemt.’44 De heruitgave van Rolien en Ralien ging overigens gepaard met een conflict. Volgens de nieuwe spelling moest het woord roze met een z geschreven worden. Mendels stond erop dat dit woord met een s geschreven zou worden, zoals in de eerste druk. Ze was onverzettelijk en de dienstdoende redacteur ook. Er moest een deskundige bijkomen om dit probleem op te lossen. Dat werd Frida Balk-Smit Duyzentkunst, bekende van Mendels en terzake kundig als hoogleraar taalkunde. De deskundige was op Mendels’ hand, en wist te bewerkstelligen dat de uitgeverij alsnog akkoord ging met de oude schrijfwijze. Dankzij haar tussenkomst werd Balk-Smit Duyzentkunst eveneens gevraagd om een voorwoord te schrijven, wat ze met veel liefde voor de roman deed. Dit voorwoord zorgde voor een nieuwe interpretatie van de roman. In de eerste druk

41. Balk (1980). 42. Balk (1980). 43. De Waard (1980). In haar stuk schrijft De Waard een citaat aan Vestdijk toe, dat afkomstig is uit een recensie van Van Leeuwen (1947) en waarin Rolien schizofreen wordt genoemd.

Vanaf de jaren tachtig werd het Vestdijk nagedragen dat hij deze onjuiste diagnose had gesteld, mede vanwege zijn eigen medische achtergrond. Zie bijvoorbeeld Balk-Smit Duyzentkunst (1980b), Etty, Elsbeth. (2011) ‘Lichtend voorbeeld voor de moderne vrouw.

Josepha Mendels 1902–1995’, in: Bel & Vaessens (2011). Phillips, Julie. (2011) ‘Vrouwen verzamelen doe je zo’, in: Trouw, 5 maart 2011. 44. De Waard (1980).

307

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Met Laurens van Krevelen, geridderd had een flaptekst gestaan van Mendels, waarin de zinsnede, ‘wanneer Ralien dan alles gewonnen heeft, tot het jonge leven van Rolien toe, is het boek geëindigd’ tot de zelfmoordhypothese leidde. Deze verdween. Balk-Smit Duyzentkunst wees de zelfmoordinterpretatie af, en stelde daarvoor in de plaats Rolien en Ralien kunnen niet zonder elkaar, sluiten elkaar beurtelings in en uit, totdat zij tenslotte in elkaar op gaan: Ze verdwijnen samen voorgoed. Geen tragisch, maar een even natuurlijk als open einde, dat een wedergeboorte aankondigt. 45 Deze interpretatie leek het positieve vrouwelijke antwoord op de destructieve mannelijke interpretatie van de zelfmoord, hoewel die van de auteur zelf afkomstig was. De nieuwe visie paste beter in het feministische gedachtegoed van bevrijding en zelfontplooiing. De vriendschap met Titi werd in de jaren tachtig in een lesbisch interpretatiekader geplaatst. Mendels was zelf voorzichtig om dergelijke visies te bevestigen of te ontkennen. In het postuum gepubliceerde interview gaf ze weliswaar toe dat ze achteraf denkt dat ze verliefd op Titi was, maar in een ander interview ontkent ze dat. 46 Met wetenschappers die zich met haar werk bezighielden, ging ze niet in gesprek, maar het vereerde haar wel. Meulenhoff wilde niet alleen oud werk uitgeven, maar informeerde ook of er nieuw werk beschikbaar was. Inderdaad lagen er nog enkele korte stukken op de plank en Mendels vulde dit aan met nieuw werk, zoals ‘Familieportret’, en ‘Anna Blaman en ik’. Deze stukken, waar Mendels naar verwees als haar memoires, verschenen in 1981

45. Balk- Smit Duyzentkunst (1980b). 46. Schaafsma (2008) en Etty (1986). 308

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

onder de titel Welkom in dit leven. De ontvangst in de pers was wederom warm: ‘teder, ontroerend, gevoelig’47, ‘haar originele, meestal lichtvoetige, steeds grillige proza is een verademing’48 en ‘een aantal volstrekt unieke, overrompelende passages die ook niet gespeend zijn van humor…’. 49 Dankzij Meulenhoff verkeerde Mendels weer in literaire kringen. Op de uitgeverij werden regelmatig boekpresentaties en literaire feestjes gehouden. Zo ontmoette zij onder veel anderen Adriaan van Dis, Jan Siebelink en Hermine de Graaf. Van Dis: ‘Van Krevelen gaf haar alle égards, echt een référence aan de oudere schrijvers. Ik was piepjong en keek tegen haar op, tegen alle oudere schrijvers die het gemaakt hadden.’50 Siebelink sprak bij deze ontmoetingen met Mendels over de Franse literatuur en herinnert zich een gesprek over de puntkomma, waar Mendels mordicus tegen was, omdat een schrijver ermee zou aangeven dat hij niet weet wat hij wil. De gedachte aan de bijeenkomsten uit de tijd dat literaire uitgeverijen nog onafhankelijk waren, maakt zowel Van Dis als Siebelink zo’n dertig jaar later weemoedig. ‘Zo was je een hechte familie. Je verlangt ernaar terug dat je niet zo zichtbaar hoefde te zijn als schrijver. […] Het was geschiedenis, maar je besefte het niet’.51 Siebelink kijkt vooral met verbazing terug op de ruime budgetten die er destijds beschikbaar waren. ‘Vargas Llosa werd [uit Peru] ingevlogen voor zo’n feestje. Of [de Uruguayaanse] Mario Benedetti. Dat kon toen. Het was een hele andere tijd. Die evenementen waren ook altijd goed van eten en drinken.’52 Een bijzonder feestje bezorgde de uitgever Mendels, toen zij in 1982 op haar tachtigste verjaardag werd gedecoreerd als Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Weg de nare herinnering aan haar zestigste verjaardag, toen niemand naar haar omkeek, terwijl ze dat zo graag wilde en mismoedig vaststelde dat andere jarige schrijvers wel geëerd werden.53 Van Krevelen leek feilloos aan te voelen hoe hij deze auteur moest behandelen. Uit de Meulenhoff-stal was ook Renate Rubinstein afkomstig. De beruchte Vrij Nederland-columnist volgde de feministen op gepaste, kritische afstand en in Mendels vond zij een bondgenoot. ‘[Ik was] een beetje bang dat je je zou laten inpakken door de Feministisch Lesbisten (vgl. Leninistisch Marxisten), die zo dol op je zijn,’ liet Rubinstein haar weten.54 Maar daar hoefde ze niet bevreesd voor te zijn. Naar aanleiding van een forum over erotiek, georganiseerd door vrouwenblad Serpentine, had Mendels haar weerzin uitgesproken tegen de symboliek die daar gehanteerd werd: oesters en grote vruchten (niet benoemd welke). Mendels vond het pornografisch en bovendien een heel mannelijke voorstelling van erotiek.55 Rubinstein was het met haar eens. Bovendien was Mendels’ voorleesbeurt, waarin naar heteroseksuele liefde werd verwezen, niet in goede aarde gevallen. Het lesbisch deel van het publiek maakte amok. Dat je alleen feministisch kon zijn als je ook lesbisch was, ging er bij Mendels niet in. ‘Ik vond het jammer dat er gezegd werd dat alleen lesbische erotiek bestaansrecht had.[…] Ik denk bij erotiek in de eerste plaats aan een man. Niet dat ik niet ook van vrouwen heb

47. Schouten, Diny. (1981) ‘Frauenliebe und -leben [Bespreking van: Welkom in dit leven en Max Nord, Josepha Mendels. Portret van een kunstenaar], in: Vrij Nederland, 19 december 1981. 48. Warren, Hans. (1981) ‘Een verheugende come-back’, in: Provinciale

Zeeuwse Courant 12 december. 49. Cartens, Daan. (1981b) ‘Josepha Mendels onverhulder dan ooit’, in: Het Vaderland 29 oktober. 50. Mededeling Adriaan van Dis, 2012. 51. Ibidem. 52. Mededeling Jan Siebelink, 2014.

53. JM aan Emmy van Lokhorst, 23januari 1962, LM. 54. Renate Rubinstein aan JM, 14november 1981. 55. Holtrop (1981).

309

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

gehouden, ik heb in mijn lange leven alles meegemaakt.’56 Ondanks of dankzij haar opvattingen bleef Mendels een geliefde gast in feministische kringen. Zij werd in de jaren tachtig veelvuldig gevraagd bij literaire evenementen van Groningen tot Lelystad en van Deventer tot Den Haag. Op al haar trips naar Nederland werd Josepha vergezeld door Berthe, die tot op hoge leeftijd heen en weer bleef rijden tussen Nederland en Parijs. De vriendschap tussen de vrouwen was vanzelfsprekend en diep. Sinds Berthe in 1958 bij haar was ingetrokken, waren hun levens steeds meer op elkaar ingesteld. Wanneer ze niet samen waren, bijvoorbeeld als Berthe op reis was, schreef ze Josepha lange, gedetailleerde brieven. Uit verschillende radiointerviews blijkt dat Berthe er in de loop van het gesprek bij werd gehaald om Mendels’ herinneringen te nuanceren of aan te vullen. Ook schreven ze elkaar eindeloze reeksen kattebelletjes over huishoudelijke zaken. Ze waren een twee-eenheid. Vrienden en gasten in de Rue de Trétaigne verbaasden zich er dan ook over, dat Mendels bepaald onaardig was tegen Berthe, die werd afgebekt en gecommandeerd. Annelys Meijer, die bij het Institut Néerlandais werkte, zag het tweetal eens op Schiphol, er was een treinstaking. Ik moest dus terug [naar Parijs] met het vliegtuig. Ik was in die hal waar je moet wachten voor het instappen en daar zag ik Josepha en Berthe die met hetzelfde vliegtuig [moesten]. Ze hadden mij nog niet gezien. En Josepha stond daar toch te kiften tegen Berthe: ‘Jij hebt toch de tickets?! Waar is mijn paspoort?’ Dan speelde zij op, hoor. En Berthe: ‘Rustig maar, het zit hier in de tas.’ En dan zij weer, opgewonden. Zij kon iemand aardig af bekken.57 Ook Laurens van Krevelen was er getuige van hoe Josepha met Berthe omging. Berthe was een ongeloof lijk lief iemand die alles voor Josepha overhad, terwijl Josepha autoritair kon zijn, die kon echt commanderen. Ze zat haar af te blaffen. Berthe lachte dan zo en zei: ‘Ach, je bent een schat’. Ze waren onafscheidelijk. Josepha probeerde Berthe te pushen om te exposeren. Nog in de jaren negentig heeft ze geëxposeerd in het Institut Néerlandais.58 Geerte van de Groep schreef in de jaren tachtig haar scriptie over Mendels en bleef haar daarna met haar echtgenoot bezoeken. Ook zij maakte Berthe en Josepha samen mee. [Josepha] kon Berthe ook als voetveeg gebruiken. Vandaar dat Berthe voortdurend liep te draven met kopjes thee en kopjes koffie als wij met het interview bezig waren. En hapjes erbij en een boterhammetje. […] Net als bij een echtpaar krijg je op een gegeven moment een rolverdeling. Ze waren dol op elkaar. Het was een geweldig stel.59

56. Holtrop (1981). 57. Mededeling Annelys Meijer, 2007. 58. Mededeling Laurens van Krevelen, 2005. 310

59. Mededeling Geerte van de Groep, 2005.

Foto uit voorzorg verwijderd. In de jaren tachtig werden Josepha en Berthe al gauw aangezien voor lesbisch, vooral door mensen die wat verder van hun afstonden. Dat was te danken aan Rolien en Ralien, maar ook aan hun gezamenlijke optreden en samenwonen. Hun vriendschap dateerde van 1927, en was dus inmiddels zestig jaar oud, ruim 25 jaar daarvan waren samen doorgebracht in Parijs. Zo’n lange en intense band, waarin zo veel was voorgevallen, laat zich niet door een enkel woord omschrijven. De vrouwen konden meer dan bij wie ook, zichzelf zijn bij elkaar. Niet alleen hadden ze van elkaar de diepste ellende, maar ook de hoogste toppen meegemaakt, hun vriendschap had de oorlog en de afstand doorstaan. Ten tijde van haar moeilijke huwelijk stond Josepha altijd klaar voor haar vriendin en accepteerde steeds Berthes beslissingen. Berthe had Josepha ondersteund na het verlies van haar familie, voor zover dat mogelijk was geweest. Berthe probeerde de plaats van bloedverwanten in te nemen. Zij voorzag bovendien al Mendels’ manuscripten van gedegen commentaar en Josepha stimuleerde Berthes schilderactiviteiten. Samen waren ze levenswijs geworden. Berthe had sinds ze samenwoonden alle ruimte om zich aan het schilderen te wijden. Tegelijk had ze behoefte om met iemand samen te leven en voor iemand te zorgen. Die persoon kon voor haar niemand anders meer zijn dan Josepha en het huishouden nam ze niet al te zwaar op. De dames gingen graag uit eten en als ze thuis dineerden was dat niet zelden gekocht bij delicatessewinkel Fauchon aan de Place de la Madeleine. Berthe was wel veel, maar niet uitsluitend met haar huisgenote bezig. Zelf had ze een atelier, ze maakte grote reizen, in 1978 nog naar Marokko en in de jaren zestig leerde ze Russisch. Ze las auteurs als Tjechov en Toergenjev in hun eigen taal en schreef een enkele keer een brief in het Russisch aan 311

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

Carel Dinaux, die deze taal ook beheerste.60 Berthe onderhield andere langdurige vriendschappen, zoals met schilderes Marie-Luise von Motesiczky, die in Engeland woonde met haar stokoude moeder. Haar zus Leni en haar nicht Ruth kwamen zo nu en dan naar Parijs. Berthes familie was niet zo gek op Josepha als Berthe zelf. Hubje had gevonden dat Josepha Berthe te veel claimde, net zoals Harmen dat gedaan had. En Ruth kreeg het idee dat Josepha’s aandacht nooit onzelfzuchtig was.61 Berthe bezocht bovendien graag Parijse tentoonstellingen en hield van uitgaan. Van hun omgeving trokken ze zich steeds minder aan. ‘Zoals ze samen over straat liepen, net twee toverheksen. […]. Ze liepen slecht, allebei met een stok. En omdat Berthe doof was, schreeuwden ze naar elkaar. Ze werden wel nageroepen op straat.’62 Hun beider joodse achtergrond zal ook een aandeel hebben gehad in hun gehechtheid, ook al deden ze er praktisch niets meer aan. Samen op een terras zitten en ‘joodse neuzen’ in de menigte zoeken, bleef een favoriet tijdverdrijf. Het feit dat ze een vrij beroep uitoefenden dat lastig te combineren was met de rol die vrouwen in hun tijd kregen toegewezen, speelde tijdens hun werkzame leven eveneens een rol. Dankzij elkaar konden ze hun artistieke aspiraties najagen en ze stimuleerden elkaar daarin. De verhouding kan misschien vanuit Josepha nog het best begrepen worden door die te vergelijken met de fascinatie die ze als meisje had voor haar klasgenote Titi en een lerares op de hbs in Deventer. Romantische liefde tussen meisjes was tot het eerste decennium van de twintigste eeuw een onverdacht verschijnsel. Lillian Faderman stelt in haar klassieker Surpassing The Love Of Men dat een liefdesgedicht dat een meisje voor een klasgenote schreef in 1908 nog mogelijk was, terwijl ze dat in 1920 zou moeten bekopen met een bezoek aan de psychiater.63 Toen kwamen ideeën van Freud in zwang die liefde tussen vrouwen als tegennatuurlijk bestempelden.

Foto uit voorzorg verwijderd.

De vrouwelijke stem in de literatuur In 1985 namen vier vrouwen het initiatief tot de oprichting van een literaire prijs voor ‘de vrouwelijke stem in de literatuur’. Bij alle vrouwenboekwinkels, vrouwenboeken­ weken, tijdschriften en fora was dit een institutie, die nog niet in handen van vrouwen was.64 En dat was hoogst noodzakelijk, vonden feministen, want literaire prijzen gingen voor het overgrote deel naar mannelijke auteurs. Van de 37 keer dat de P.C. Hooftprijs sinds 1947 was uitgereikt, ging die vijf keer naar een vrouwelijk auteur: Amoene van Haersolte (1947), Anna Blaman (1956), Ida Gerardt (1979), M.Vasalis (1982) en Hella Haasse (1983).65 Schrijfsters Renate Dorrestein, Anja Meulenbelt, Elly de Waard en uitgeefster Caroline van Tuyll Serooskerken organiseerden in februari 1986 een benefietavond. ‘Het was een tijd van jeugdig elan, van gewaagde dingen’, herinnert Elly de Waard zich, ‘want het hele idee van een activiteit voor vrouwen was tot dan toe

60. JM en Berthe Edersheim aan Dinaux, 23 december 1960, LM. 61. Mededeling Ruti [Ruth] Schwartzenberg, 2011. 62. Mededeling Annemie van Weert, 2006. 63. Faderman, Lillian. (1985) Sur312

passing The Love Of Men: Romantic Friendship and Love between Women from the Renaissance to the Present. The Women’s Press: London: 297. 64. De Opzij-prijs bestond sinds 1979, maar bekroonde aanvankelijk alleen werk dat een bijdrage leverde aan de

feministische beweging. 65. Sinds 1985 is de situatie niet verbeterd. Van de 28 keer die de prijs daarna werd uitgereikt, ging deze vier keer naar een vrouw. www.pchooftprijs.nl

Foto uit voorzorg verwijderd. 313

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

voornamelijk buurthuiswerk geweest. Er zat veel bluf bij, het was heel duur om het Concertgebouw voor die avond te huren en we hadden geen cent op zak.’66 Geheel in de sfeer van de tijd betaalden mannelijke bezoekers een tientje meer dan de vrouwelijke voor een avond vol literair vertier.67 Het doel was om de prijs van tienduizend gulden bij elkaar te brengen. Een paar honderd gasten, die afhankelijk van hun sekse 40 of 50 gulden betaalden, maakten dat mogelijk. Tijdens het programma trad Andreas Burnier op als spreekstalmeester, speelden Karin Bloemen en Adelheid Roosen voor ‘del’ en bracht Brigitte Kaandorp belangeloos het lied ‘Ik haat je, ik haat je, je bent een gore lul’ ten gehore.68 Tijdens het literaire gedeelte van de avond mochten schrijfsters hun gedroomde kandidaat noemen. Tussen favorieten als Andreas Burnier, Pamela Koevoets en Oriana Fallaci noemde Hermine de Graaf de naam van Josepha Mendels.69 Na deze succesvolle aftrap werd er een jury gevormd die een keuze moest maken uit een shortlist van vijf kandidaten: Andreas Burnier, Inez van Dullemen, Hella Haasse, Josepha Mendels en Bep Vuyk. De voorzitter werd Frida Balk-Smit Duyzentkunst. Daarnaast bestond de jury uit museumdirecteur Liesbeth Brandt Corstius, uitgever Angèle Manteau, Anja Meulenbelt (namens het bestuur), auteur Marga Minco en recensent Rudi Wester. Zij kwamen vier maal bijeen om tot een keuze te komen. Aangezien de prijs een oeuvre bekroonde, moest er veel gelezen worden. De voorzitter had een favoriet, die ze de afgelopen jaren in de media haar lof had toegezwaaid. Van haar mening trachtte zij de rest van de jury te overtuigen. Dat kostte weinig moeite, behalve bij Marga Minco die vasthield aan haar voorkeur voor Beb Vuyk. Balk-Smit Duyzentkunst: ‘Beb Vuyk [schreef] normaal proza. Schitterende boeken en in verband met Indië was [ze] ook een belangrijk vrouwelijke auteur. [Maar] het ging natuurlijk om de Anna Bijns Prijs, die de vrouwelijke stem wilde bekronen. Daar stond [Mendels’] werk voor: qua stijl, taal en boodschap.’70 De jury kwam naar buiten met de tekst dat ‘tenslotte unaniem’ gekozen was voor Josepha Mendels.71 Op 8 november vond de uitreiking plaats in de kleine zaal van het Concertgebouw. De avond, die werd opgeluisterd met muziek uit de tijd van Anna Bijns en toneel gebaseerd op Mendels’ werk, was een groots evenement dat het journaal haalde. Een prijs voor een vrouw, tot stand gekomen door vrouwen, uitgereikt door voormalig minister van CRM Til Gardeniers en met voornamelijk vrouwen als publiek, dat was nog niet eerder vertoond. Toen de gelauwerde de prijs, een kunstwerk en tienduizend gulden, op het podium in ontvangst nam viel het in tweeën, maar verder was het een vlekkeloze avond.72 Voor Mendels was dit evenement een geheel andere ervaring dan de uitreiking van de Vijverbergprijs in 1950. Toen was het contrast tussen de afwezigheid van geliefden en de veronderstelde blijdschap om de prijs schrijnend geweest. Nu had ze niet alleen Berthe, haar zoon en schoondochter als persoonlijke entourage. Sinds 1979 was zij oma van kleinzoon Emilien Valéry, die een heel bijzondere betekenis voor haar had. Ze beschouwde hem als de te vroeg geboren reïncarnatie van zichzelf.73 Ook Sadi was 66. Heimans, Sylvia. (1994) ‘Elly de Waard vertrekt, Anna Bijns Prijs blijft bestaan. Prijs voor de vrouwelijke stem is nog lang niet achterhaald’. Ongepubliceerd. 67. (1986) ‘Vrouwenbal kost man f 10 meer’, in: Het Vrije Volk, 20 februari. 314

68. ‘Anna Bijns feest overweldigend succes’, in: Nieuwsblad van het Noorden, 20 februari 1986. 69. Ibidem. 70. Mededeling Frida Balk-Smit Duyzentkunst, 2009. 71. (1986) Feestelijke Uitreiking Anna

Bijns Prijs voor Proza aan Josepha Mendels 1986, Anna Bijns Stichting. 72. ‘Mendels krijgt haar “trofee” in stukken’, in: Trouw, 10 november 1986.

Foto uit voorzorg verwijderd. van de partij. Emilien had bovendien net een zusje gekregen, Elodie Josepha. Wanneer de lege sociale ruimte, de terminologie zoals gebruikt door Tamarah Benima, voor de naoorlogse periode waarin joodse overlevenden terecht kwamen, precies eindigde is niet scherp af te bakenen.74 Duidelijk is wel dat deze uitreiking daar voor Mendels definitief een punt achter zette. Zij zag zelf het verschil ook tussen 1986 en 1951, bij de uitreiking van de Vijverbergprijs. ‘Toen […] liep ik met mijn bloemen alleen door de Wagenstraat. Moet ik nu blij zijn, dacht ik? Wat bloemen en een paar duizend gulden, maar toch eenzaam en alleen. Dat is nu anders, nu ben ik altijd vergezeld.’75 Toch bleef het haar diepste wens om het succes te delen met haar familie. ‘[I]k zal pas echt tevreden zijn als mijn vader, mijn moeder en mijn zussen op een dag nog een keer binnenkomen en zullen zien wat er nog van mij terecht is gekomen.’76 Een van de effecten van de prijs was dat Meulenhoff de bekendheid wilden benutten om zoveel mogelijk werk uit te geven. In 1986 was Joelika uitgebracht, een niet erg sterke bundel met herinneringen en enkele fictionele stukken. Toch ging ze door, op zoek naar verhalen. Vanwege haar gebrekkige mobiliteit door de versleten heupen bedacht ze een plan. Samen met Berthe zou ze een cruise maken en steden aandoen langs de Middellandse Zee. Op het schip zou ze mensen ‘psychologisch te lijf gaan.’77

73. ‘Ik heb wel het gevoel dat mijn kleinkind de reïncarnatie van mezelf is. En dat hij nog juist gekomen is, voor ik weg ben gegaan. Dat vind ik een wonder.’ Van Verre (1981). 74. Benima (1994).

75. Wester (1986). 76. Schaafsma (2008). 77. Enkelaar, Henk. (1987) Een leven lang [radiointerview]. NOS, 10 en 17september.

315

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

De kosten werden gedekt door een toelage van het Fonds voor de Letteren. Directeur Sylvia Dornseiffer was zelfs zo vriendelijk de auteur te vergezellen naar het reisbureau waar de cruise geboekt werd. ‘Normaliter doe je dat natuurlijk niet met subsidie-aanvragers, maar voor J.[osepha] maakte ik graag een uitzondering’, aldus Dornseiffer.78 De cruise leverde niet op waarvoor die bedoeld was. De reizigers lieten zich niet ondervragen door de oude dame. Mendels schreef wel een verhaal, ‘Eerste bootje’, maar de kwaliteit was mager en het had niets met de cruise te maken.79 Meulenhoff ging evenwel door met het uitgeven van ouder werk in verschillende gedaanten. In 1985 kwam de omnibus Spel is het leven uit, met daarin Rolien en Ralien, Als wind en rook en De Speeltuin. In 1988 verscheen Alle Verhalen en de zesde druk van Als wind en rook, met een apart (gratis) boekje waarin een essay van Daan Cartens en biografische momenten, opgetekend door de auteur zelf. Meulenhoff kon zeker niet het verwijt krijgen dat die niets voor Mendels deed. In de jaren tachtig werden er veel meer vrouwelijke auteurs herontdekt. Feministische en algemene uitgeverijen brachten honderden titels uit van onder meer auteurs uit de eerste feministische golf zoals Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk, of vergeten namen uit een recentere periode zoals Josine Reuling, Nel Noordzij, Dola de Jong en Ankie Peypers. Uit het buitenland werden vertaald Violette Leduc en de auteurs van de écriture féminine (Hélène Cixous, Luce Irigaray), uit het Engelse taalgebied Radclyffe Hall, Djuna Barnes. Mendels had voor op anderen dat ze nog leefde bij haar herontdekking, dat haar werk uitkwam bij een algemene uitgeverij die ook een algemeen publiek wist te bereiken en dat zij zoals Van Krevelen inschatte, een aantrekkelijke gesprekspartner was op radio en tv. De aandacht voor werk van vrouwelijke auteurs in de jaren zeventig en tachtig heeft ten dele het gewenste effect gehad. Er werden veel meer boeken van vrouwen gelezen en meer vrouwen gingen schrijven. De herontdekte auteurs vervulden soms een voorbeeldrol voor een nieuwe generatie, onder wie Hermine de Graaf, Tessa de Loo, Marion Bloem en Kristien Hemmerechts. De feministische literaire golf kreeg bovendien een plaats in de literatuurgeschiedenis, getuige de tien pagina’s die Hugo Brems besteedt aan de invloed van het feminisme op de literatuur in zijn Altijd weer vogels die nesten beginnen: Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945– 2005 (2006). Het is echter een druppel op de gloeiende plaat van een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen in de literatuurgeschiedenis. Andere verschijnselen pleiten namelijk niet voor een versterking van de vertegenwoordiging van vrouwelijk auteurs. Nog in 2011 verscheen een anthologie met schrijfsters die om geen andere reden werden gebundeld dan om hun vrouw-zijn.80 Het gros van de literaire prijzen gaat anno 2014 nog altijd naar auteurs van de mannelijke kunne.81 En het effect van de Anna Bijnsprijs nam na de uitreiking aan Mendels af. Bij haar was er nog sprake van een vertienvoudiging van de verkoopcijfers, bij latere laureaten als Inez van Dullemen, Christine D’haen en Ellen Warmond was er slechts ‘een uitermate geringe, bijna niet te meten invloed’ op de verkoop.82

78. Mededeling Sylvia Dornseiffer, 2006. 79. Mendels, Josepha. (1989) ‘Eerste bootje‘, in: De Gids, jrg. 152.

316

80. Bel, Jacqueline & Thomas Vaessens (red.) (2011) Schrijvende vrouwen. Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen 1880–2010. Amsterdam: UP.

81. Het betreft de laureaten van de belangrijkste literatuurprijzen, de AKO Literatuurprijs, de Libris Literatuurprijs en de Gouden Uil. 82. Heimans (1994).

Die grootste en walgelijkste moord De jaren tachtig was niet alleen de tijd van het feminisme en de bloeiende literatuur. Ook de oorlog werd opgerakeld. Dat gebeurde sinds de jaren zestig steeds vaker via films, onderzoeken, rechtszaken tegen oorlogsmisdadigers en de verschijning van geschiedwerken over de oorlog van Presser en De Jong. De berechting van Eichmann in Jerusalem begin jaren zestig was wereldwijd nieuws geweest. In 1985 bracht Claude Lanzmanns 9-uur-durende documentaire Shoah een grote schok teweeg. De regisseur, die tien jaar over dit levenswerk had gedaan, bracht zowel slachtoffers als daders indringend in beeld. De documentaire kwam eerst in Frankrijk uit en werd vervolgens in veel Europese landen uitgezonden. In dezelfde periode vond in Frankrijk het proces plaats tegen nazi Klaus Barbie. De vrouwenbeweging was in zijn geheel voorbij gegaan aan Mendels’ ervaringen in de oorlog. Feministische belangstelling ging vooral uit naar haar relaties met mannen, haar ongehuwde moederschap en haar opvattingen over seksualiteit. Een interviewer toonde echter wel belangstelling voor Mendels’ positie temidden van de nieuwe aandacht voor de oorlog, radiojournalist Henk Enkelaar. Het gesprek laat zien dat Mendels het onderwerp liever vermeed. – Heeft u het Barbie-proces echt intens gevolgd? – Nou, nee niet intens. Maar ik weet het wel enigszins. Niet intens. Ik wil het ook niet zien. Ik wil al die films niet zien. Ik zoek naar m’n moeder. De kuiste vrouw in de wereld die daar naakt in de gaskamer werd geplakt. Laten we daar maar niet over praten. Dat is het enige waarover ik huilen kan in m’n leven. Ik kan om niks huilen maar nog wel om de deportatie. Als ik dat zie – wil u nog een beetje ijs? Nog een beetje van dit? Het is heel sterk, dadelijk gaat u dansen. –Shoah wilt u niet zien? –Nee, ik wil niet! Ik zoek m’n moeder en m’n zusters. En m’n neefjes van 13 en 15 jaar of 12 en 14 weet ik wat. Ik wil ze niet zien en ik wil het niet. 83 In de jaren tachtig lijkt in de joodse identiteit van Mendels enige beweging te komen. Zo bezocht ze met haar zoon en schoondochter Israel en hoopte daar haar ‘joodse ziel’ terug te vinden.84 Ze dacht er met haar beperkte woordenschat van het Hebreeuws, of zelfs Jiddisch, terecht te kunnen en er een soort vooroorlogs jodendom aan te treffen. Dit alles werd een grote teleurstelling. In Israel werd ze geconfronteerd met de vele soldaten in het straatbeeld vanwege de oorlogsdreiging met Libanon. Het moderne Ivriet kon ze niet verstaan en zo voelde ze zich er helemaal niet thuis. In haar nieuwste werk dook God in verschillende gedaanten op. Twee verhaaltjes geven een beeld van het vroegere leven van de familie Mendels toen het geloof nog als een vanzelfsprekendheid in hun leven was. Mendels beschrijft hoe ze zich als kind een voorstelling van God probeerde te maken. Hij moet sterk en dik zijn, want haar vader en de godsdienstonderwijzer noemden hem ‘Almachtige Heer’. Hoe zou hij eruit zien, deze Lieve Heer? Misschien ging hij wel gekleed net zoals ‘minder lieve heren met een overhemd, gouden manchetknopen, een boord, das en een vest, daaroverheen nog een 83. Enkelaar (1987). 84. Mededeling Evelyne Mendels (2012). 317

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

jasje op een zwart-grijsgestreepte broek met de sluiting van voren’.85 De Lieve Heer wordt later God genoemd wanneer Josepha naar de joodse wetten moet leven. ‘God verbood veel en bracht weinig leuks ervoor in de plaats […].86 Veel later realiseert Mendels zich dat het toenmalige gedrag van haar moeder erop wees dat zij jaloers op haar vader was, ‘omdat mijn vader Hem prefereerde boven alles en iedereen.’87 ’Trauma’ begint onschuldig met een beschrijving van het begin van de sabbat, waarbij moeder de kaarsen aansteekt. Dan beschrijft Mendels hoe moeilijk het was voor haar om de wetten te volgen, waarmee ze niet was opgegroeid. ‘Ik leefde er maar op los als een goddeloze, zei ze lachend.’ Via dat lachen slaat Mendels een brug naar het fraaie gebit dat vlak voor haar deportatie nog onder handen was genomen door een tandarts. Het is vervolgens een kleine stap naar een afspraak waar de moeder niet komt opdagen omdat ze is gedeporteerd. ‘Maar zij is niet gekomen, omstreeks die datum was ze in Treblinka, daar hebben de nazi’s eerst het goud uit haar mond gehaald en haar toen vergast, of andersom.’88 Het is typerend voor Mendels om zich zo uit te laten, haar oorlogsassociaties zijn intens verweven met haar geschiedenis, maar ze is niet in staat om zich geheel en volledig te verdiepen in dat verleden, ze kan het alleen kortstondig aanraken. Het is voor haar een krachtinspanning om zich de laatste momenten van haar moeder voor de geest te halen en wat er mogelijk daarvoor of daarna met haar gebit is gebeurd. Dat moet ook de reden zijn dat Mendels ‘Treblinka’ schrijft, terwijl ze wist dat haar moeder in Auschwitz werd vermoord. Ook vermeldt ze een verkeerde datum. Meteen hierna neemt het verhaal weer een ‘normale’ wending, weg van de gruwelijkheden. In haar sporadische verwijzingen naar de ervaringen van haar familie komt vermijding meer voor. In het gesprek met Schaafsma meldt ze dat haar oom Maurits in Buchenwald zat.89 Hij was echter geïnterneerd in Theresienstadt, waar hij in 1944 bezweek. De verschrijvingen en versprekingen geven aan hoe de auteur omgaat met de pijnlijkste emoties van haar leven, hoe deze in de narratieve identiteit verdraaid worden. De waarheid is te confronterend, Mendels kiest voor een alternatief dat letterlijk weliswaar onjuist is, maar een vergelijkbaar gewicht heeft. Joelika bevat een brief aan God, waarin de schrijfster zowel luchtig als serieus tot de Almachtige spreekt. ‘Zal ik maar zo barmhartig zijn om de tweede wereldoorlog over te slaan? […] Het is gebeurd, die grootste en walgelijkste moord uit de hele geschiedenis, de gebeden in alle talen van de wereld heb jij niet beantwoord, naar mijn dromen die in nachtmerries ontaardden wilde je niet luisteren.’90 En dit is alles wat Mendels aan God te melden heeft over de oorlog. Belangrijker voor haar is dat haar sterven, dat ongetwijfeld nabij is, een beetje prettig verloopt: ‘Lieve Heer, mijn kop doet zeer, / Lieve God / Ik voel mij rot, / Sterven ja, maar dan niet zot.’91 Aan Jessica Durlacher van het Nieuw Israelietisch Weekblad erkende ze dat de iets grotere aandacht voor het Hogere en de Tweede Wereldoorlog in haar latere werk te danken was aan een dieper inzicht dat ze pas op hogere leeftijd had verworven.92

85. Mendels (1986): 41. 86. Mendels (1986): 42. 87. Mendels (1986): 43. 88. Mendels (1981): 23. 318

89. Schaafsma (2008): 16. 90. Mendels (1986): 53–54. 91. Mendels (1986): 58. 92. Durlacher, Jessica. (1986) ’Anna

Bijnsprijswinnares Josepha Mendels: “Alles wat een mens schrijft is autobiografisch”’ in: Nieuw Israelietisch Weekblad, 3 oktober.

Bij vrouwengroep Deborah Een van de laatste gedocumenteerde publieke optredens van Mendels vond plaats bij de joodse vrouwengroep Deborah. Bij deze vrouwen, die zich onder invloed van de feministische golf hadden verenigd, stond de religie op een belangrijke plaats. Ze vierden gezamenlijk feest- en treurdagen. Bij het tweede lustrumweekend in maart 1989 was Josepha te gast. Ze werd geïnterviewd en las stukken uit haar werk voor. Zoals ze vaker deed, had ze aangegeven dat ze het verhaal ‘Mirjam’ wilde voorlezen. Na overleg met de zaal kwam men tot de conclusie dat het verstandig was om het gehoor van zo’n honderd vrouwen niet met dit pijnlijke verhaal te confronteren. In plaats daarvan bracht Mendels ‘Geboorteland’, over een bezoek aan Israel, waarvan de kern is dat ze dat land niet als een thuisland of beloofd land ervaart. Een van de laatst vragen was hoe ze zich in deze groep van joodse vrouwen voelde. Er trad herkenning op bij de schrijfster: ‘Ik vind het prettig. Er is hier meer contact, meer uitstraling van u allen. […] Ik voel me vandaag net weer de directrice van het Zwaluwnest met allemaal joodse vrouwen.’93

Einde van het begin In alle interviews van de jaren tachtig is Mendels’ leeftijd, haar verouderende uiterlijk en de naderende dood onderwerp van gesprek. Ze was er, voor die tijd, bovenmatig openhartig over. Ouderdom was geen hip onderwerp en het was vrij ongebruikelijk dat mensen van boven de tachtig in de media optraden. Ouderen heetten toen nog bejaarden of ouden van dagen en driekwart had een kunstgebit.94 Met Aukje Holtrop nam ze door hoe ze haar lichaam ervaarde en waarom ze niet zou toegeven dat ze nog altijd verliefd kon worden.

93. Verslag van het Deborah-weekend, 1989. 94. Vroegindeweij, Rien. (samenstelling) (1983) Oud? De duvel is oud!

(selectie uit radioprogramma). Hilversum: VPRO. Hierin staat een interview met Mendels.

319

V 1975–1995 Erkenning zonder schuld

Hoofdstuk 11 Een tweede roem

Omdat je botten door je schouders steken, omdat je borsten uitgeblazen luchtballonnetjes zijn, omdat je geen decolleté meer kunt dragen. Omdat je billen weg zijn. Weg, eraf gevallen. Ik ben naar Gevonden Voorwerpen geweest, maar ze zijn weg. Je voelt ze niet vallen, ze zijn ineens weg. […] Het best is om maar niet meer in de spiegel te kijken. Rimpels kunnen me niet schelen, maar dat alles zomaar weg is gevallen, […] dat is vreemd. 95 Haar dunner wordende armen verborg ze onder lange mouwen, de kraagjes van haar blouses werden steeds nauwer, om haar smalle nek te maskeren. ‘Ik kan het niet zien, oude armen en zo’n rimpelige hals, waarom zou ik het dan anderen laten zien?’96 Mendels bezocht massagesalons, pedicures en schoonheidssalons en een favoriete tandarts op 600 kilometer afstand. Ze droeg geen felle kleuren meer, vuurrode nagels vond ze afschuwelijk. ‘Oh ja, nog iets. Je mag geen haartje hebben dat uit je gezicht puilt, dat is monsterlijk.’97 Met haar openhartige beschrijving van de ouderdom was ze beslist normdoorbrekend. Dat is ook wat ze van Renate Rubinstein te horen kreeg. ‘Ik geloof dat nog nooit een vrouw zo openhartig en helder gepraat heeft over het oud worden! Heel ontroerend, want geheel zonder de goedkope troost die mensen willen horen en tevens zonder zelfbeklag. Grote klasse.’98 De dood kwam in vraaggesprekken steevast aan bod. Josepha hoopte maar dat Berthe niet als eerste zou overlijden. Ze besefte dat haar leven iedere dag afgelopen kon zijn, maar tot die dag hield ze het vol en ook met glans. De gebruikelijke aandacht voor het uiterlijk bleef. De veroudering en de afnemende fysieke mogelijkheden deden haar fantaseren over een omgekeerd leven, waarbij de lichamelijke krachten juist zouden toenemen. ‘Dan word je 40 en 30 jaar, geweldig en later werd je een baby en kwam je, hup, in moeders buik terecht.’99 In deze periode overdacht Mendels hoe haar begrafenis eruit moest zien. Vanwege de herontdekking had ze daar een nieuwe kijk op gekregen. Ze voelde zich sterker met Nederland verbonden dan tevoren. Daarom wilde ze in Nederland begraven worden, met alleen Berthe en familie erbij. Waarom? Omdat ik, en dat vooral de laatste tien jaren, zoveel meer ben gaan houden